Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC1340

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-01-2008
Datum publicatie
22-01-2008
Zaaknummer
00503/07
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC1340
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

OM-cassatie. De HR verstaat het middel dat het klaagt dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de verklaring die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd. Die klacht faalt, omdat de uitleg die het Hof aan de verklaring heeft gegeven, niet onbegrijpelijk is, ook niet in het licht van hetgeen in de toelichting op het middel is vermeld. Of de door het Hof aan de vrijspraak gegeven motivering begrijpelijk is nu de tll niet alleen inhoudt dat verdachte wist van de daarin genoemde omstandigheid, maar subsidiair ook inhoudt dat verdachte daarvan “redelijkerwijs moest weten” kan in het midden blijven aangezien het middel daarover niet klaagt. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats. De stelling dat het Hof “alvorens tot een vrijspraak te besluiten, de verdachte omtrent de betekenis van diens tegenover de politie afgelegde veklaring op de terechtzitting had dienen te horen” vindt geen steun in het recht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 79
JOL 2008, 42
RvdW 2008, 169
NJB 2008, 396
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00503/07

Mr Machielse

Zitting 20 november 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Gravenhage heeft verdachte op 14 april 2006 vrijgesproken van het bij inleidende dagvaarding tenlastegelegde.

2. Mr M. van der Horst, Advocaat-generaal bij het Ressortsparket te 's-Gravenhage, heeft cassatie ingesteld. Mr L. Plas, tevens Advocaat-generaal bij het Ressortsparket te 's-Gravenhage heeft een schriftuur ingezonden houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt dat het hof de verdachte ten onrechte heeft vrijgesproken op basis van de overweging dat de verklaring van de verdachte tegenover de politie geen ondubbelzinnige bekentenis is van de wetenschap dat zijn rijbewijs ten tijde van het begaan van het feit ongeldig is verklaard.

3.2. Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

"hij op of omstreeks 13 maart 2005 te Mijnsheerenland, gemeente Binnenmaas, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen, te weten B, ongeldig was verklaard en aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën was afgegeven, de Rijksweg A 29, als bestuurder een motorrijtuig, (personenauto), van die categorie of categorieën heeft bestuurd."

3.3. De dagvaardingen in eerste aanleg en in hoger beroep zijn steeds rechtsgeldig betekend op het GBA-adres dat verdachte ook aan de verbalisant heeft opgegeven. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld. Het hof heeft de verdachte van het tenlastegelegde echter vrijgesproken en daartoe als volgt overwogen:

"Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Daarbij neemt het hof in het bijzonder in aanmerking dat de verklaring die de verdachte tegenover de politie heeft afgelegd geen ondubbelzinnige bekentenis is van de wetenschap dat zijn rijbewijs ten tijde van het begaan van het feit ongeldig was verklaard."

3.4. Art. 9 lid 2 Wegenverkeerswet 1994 luidt als volgt:

"Het is degene die weet of redelijkerwijs moet weten dat een op zijn naam gesteld rijbewijs voor een of meer categorieën van motorrijtuigen dan wel voor een gedeelte van de geldigheidsduur ongeldig is verklaard, indien aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie of categorieën is afgegeven, verboden op de weg een motorrijtuig van die categorie of categorieën dan wel gedurende dat gedeelte van de geldigheidsduur te besturen of als bestuurder te doen besturen."

3.5. De oorsprong van deze bepaling is oud. Bij Stb. 1935, 554 werd de 'Wet houdende regelen in verband met het gebruik van motorrijtuigen en rijwielen, nopens het verkeer op de wegen en de rijwielpaden' ingevoerd. Art. 32 lid 2 van die wet kwam als volgt te luiden:

"Het is dengene, die weet of redelijkerwijze moet weten dat een te zijnen name gesteld rijbewijs ingevolge het bepaalde bij artikel 18 ongeldig is verklaard, verboden, indien hem daarna geen ander rijbewijs, als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder 3e., voor het besturen van een motorrijtuig, als in het ongeldig verklaarde rijbewijs vermeld, is uitgereikt, op een weg of rijwielpad een dergelijk motorrijtuig te besturen."

3.6. Ten opzichte van het oude artikel 26 waren de woorden "redelijkerwijze moet weten" toegevoegd, en wel met de volgende toelichting:

"Het bewijs van de voor eene veroordeling krachtens het thans geldende artikel 26 vereischte wetenschap zal meermalen bezwaarlijk te leveren zijn. Daarom is ingevoegd: "of redelijkerwijze moet weten."(1)

3.7. Bij de stukken bevindt zich het proces-verbaal van de regiopolitie Zuid-Holland Zuid nr. 13.03.2005.2145.1662, op ambtseed opgemaakt door brigadiers [verbalisant 1] en [verbalisant 2]. Uit een aan het proces-verbaal van de politie gehecht formulier van het CBR, Divisie Vorderingen blijkt dat het rijbewijs van verdachte op 16 februari 2005 volledig ongeldig is verklaard. Bij de stukken bevindt zich voorts een brief van het CBR d.d. 12 juli 2005 aan het arrondissementsparket in Dordrecht betreffende onderhavige zaak. Die brief vermeldt het volgende:

"Het besluit van 16 februari 2005 is aangetekend en onaangetekend verzonden. Alleen de aangetekende brief is retour gekomen met de mededeling niet afgehaald. De onaangetekende brief is niet retour gekomen."

3.8. Uit de stukken blijkt dat deze aangetekende en onaangetekende brieven steeds aan het GBA-adres zijn verstuurd.(2) Voorts blijkt uit de aan de brief d.d. 12 juli 2005 gehechte stukken dat het ongeldig verklaren van het rijbewijs een gevolg is geweest van het niet voldoen aan de verplichting kosten te vergoeden die zijn verbonden aan een opgelegde zogenaamde 'EMA-cursus' (Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer). In het besluit tot oplegging van de EMA is aan verdachte medegedeeld dat hij de daaraan verbonden kosten voor een aangegeven datum moest hebben betaald. Ook is nog een herinnering verzonden. Het hierboven genoemde proces-verbaal van de regiopolitie Zuid-Holland Zuid houdt - overeenkomstig de handgeschreven opmerkingen op de ter plaatse uitgeschreven en zich bij de stukken bevindende kennisgeving van bekeuring - ten aanzien van de verklaring van verdachte op 13 maart 2005 niets meer in dan het volgende:

"Ik weet dat ik niet mag rijden met een ongeldig verklaard rijbewijs."

3.9. Het hof is er blijkens zijn motivering van de vrijspraak kennelijk vanuit gegaan dat uit de stukken ondubbelzinnig moet blijken dat verdachte heeft geweten dat zijn rijbewijs ongeldig was verklaard. Aan verdachte is echter subsidiair tenlastegelegd dat hij 'redelijkerwijs moest weten' dat zijn rijbewijs ongeldig is verklaard. Omtrent hetgeen subsidiair is tenlastegelegd heeft het hof niets uitdrukkelijk overwogen. Gelet op hetgeen hierboven naar voren is gebracht omtrent de bepaling van art. 9 lid 2 WVW 1994 en hetgeen uit de stukken blijkt, is de beslissing van het hof daarom zonder nadere motivering onbegrijpelijk.

4. Het voorgestelde middel slaagt. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Kamerstukken II 1933-1934, nr. 484, MvT, p. 10.

2 Welk adres verdachte zelf ook vermeldt in de brief waarin hij aangeeft beroep te willen instellen tegen de beslissing van de politierechter. Hetzelfde adres heeft verdachte medegedeeld aan de politiemensen die het proces-verbaal tegen hem hebben opgemaakt.