Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC1249

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
C06/291HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC1249
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huurrecht; totstandkoming van overeenkomst; ongeoorloofd afbreken onderhandelingen? (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 167
RvdW 2008, 288
JWB 2008/111
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C06/291HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 4 januari 2008

Conclusie inzake

[Eiser]

eiser tot cassatie

tegen

[Verweerder]

verweerder in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1) Dit geschil betreft de vraag of tussen partijen een definitieve overeenkomst (van huur en verhuur c.a.) tot stand is gekomen, dan wel een dusdanig stadium van onderhandelingen was bereikt dat terugtreden niet meer geoorloofd was zonder de wederpartij schadeloos te stellen.

Die vraag werd door de eiser tot cassatie, [eiser], in de eerste aanleg (en dus: als eiser in die instantie) ter beoordeling voorgelegd aan de kantonrechter (in Delft; de zaak betreft een huurobject in [plaats]). De kantonrechter constateerde dat de verweerder in cassatie, [verweerder], het namens [eiser] gestelde ontkende. Hij gaf [eiser] (dus) een bewijsopdracht. Na getuigenverhoor werd geoordeeld dat het bewijs niet was geleverd. Dat leidde tot afwijzing van [eiser]s vorderingen.

2) [Eiser] liet hoger beroep instellen(2). Het hof stelde eveneens vast dat er sprake was van een gestelde, maar gemotiveerd betwiste (overeenstemming over een) rechtsverhouding. Aangezien in appel nader bewijs was aangeboden, verstrekte ook het hof een bewijsopdracht (aan [eiser]). Hierop volgden getuigenverhoren, vastgelegd in uitvoerige processen-verbaal.

In zijn eindarrest gaf het hof een breed gemotiveerde analyse van de uitkomsten van de bewijslevering (waarbij het hof zowel de gegevens uit de eerste aanleg als die uit de nadere bewijslevering in appel betrok). De uitkomst was, dat ook het hof het bewijs als niet geleverd beoordeelde. Dat leidde (allicht) tot bekrachtiging van het (eind)vonnis van de eerste aanleg.

3) Tegen het eindarrest van het hof heeft [eiser] tijdig en regelmatig(3) cassatieberoep laten instellen. Namens [verweerder] is tot verwerping geconcludeerd. Partijen hebben van weerszijden hun standpunten schriftelijk laten toelichten. Van de kant van [eiser] is gerepliceerd.

Bespreking van de cassatiemiddelen

4) De cassatiemiddelen bestrijden (vooral) de door het hof aan het voorgelegde bewijsmateriaal gegeven waardering. Zij richten zich dus tegen een "par excellence" feitelijk oordeel(4). Inhoudelijk kan zo'n oordeel in cassatie niet worden getoetst. Er kan in cassatie slechts (met kans op succes) geklaagd worden wanneer een dergelijk oordeel er blijk van geeft dat er rechtens onjuiste maatstaven aan ten grondslag zijn gelegd, of wanneer de voor dat oordeel gegeven motivering on(voldoende) begrijpelijk is.

Ik zal met de deur in huis vallen, en als mijn mening geven dat noch het een noch het ander zich in deze zaak voordoet. Daarom zal ik concluderen tot verwerping, met de aantekening dat ik geen vragen heb aangetroffen die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling beantwoording behoeven.

5) Ter nadere toelichting van dit wat apodictische oordeel:

Middel 1 verwijt het hof inderdaad (blijk te hebben gegeven van) een onjuiste rechtsopvatting. Dat zou zo zijn omdat - zo begrijp ik de klacht - de rechter die vaststelt dat partijen bij onderhandelingen over een huurovereenkomst het eens zijn geworden over het huurobject (en het daarvan te "betrekken" huurgenot) en over de prijs, gehouden zou zijn om te accepteren dat er dan een bindende (huur)overeenkomst tot stand is gekomen. Dat over andere zaken nog geen overeenstemming zou bestaan zou hieraan niet afdoen, omdat die als "ondergeschikte punten" (in de zin van art. 6:225 lid 2 BW) zouden moeten worden aangemerkt.

6) Ik denk dat het hof hier van de juiste rechtsopvatting is uitgegaan, en dat het middel op een verkeerde rechtsopvatting berust. Of een overeenkomst tot stand is gekomen is niet (slechts) afhankelijk van de vraag, op welke punten er tussen de partijen overeenstemming is bereikt, maar ook - en vooral - daarvan, of partijen de bedoeling tot uitdrukking hebben gebracht, zich te (willen) verbinden(5). Daarom kan het zo zijn dat een overeenkomst reeds als bindend tot stand gekomen moet worden beoordeeld, ook als op relevante aspecten nog geen overeenstemming is bereikt(6); maar kan, "spiegelbeeldig", ondanks het feit dat partijen het op alle punten eens zijn geworden, toch nog géén bindende overeenkomst zijn ontstaan (bijvoorbeeld omdat een voorbehoud is gemaakt dat men "er nog even over wil denken")(7).

7) In de onderhavige zaak was van de kant van [verweerder] verdedigd dat inderdaad onder een voorbehoud van de zo-even bedoelde soort was gesproken (en tevens dat op voor de beoogde overeenkomst wezenlijke punten nog geen overeenstemming was bereikt). Daarmee was deugdelijk betwist dat uit de overeenstemming die wellicht over de "essentialia" van de eigenlijke huurovereenkomst wél was bereikt, ook een definitieve overeenkomst was geresulteerd (en ook, dat al een onderhandelingsresultaat was bereikt waarvan men niet zonder consequenties kon terugtreden).

8) Dat zo zijnde, was het aan [eiser] om bewijs bij te brengen van de van zijn kant gestelde (elementen van de) rechtsverhouding; en stond de rechter voor de vraag of het bewijs van dien aard was, dat de stellingen van [eiser] als vaststaand mochten worden aangenomen.

Ik meen dat middel 1 de (logische) houdbaarheid van de bewijswaardering niet bestrijdt; voorzover dat overigens anders mocht zijn, is dat tevergeefs: het hof heeft het voorgelegde bewijsmateriaal gewetensvol geanalyseerd, en daaruit gevolgtrekkingen gemaakt die ik als volkomen steekhoudend aanmerk (wat niet betekent dat het bewijsmateriaal niet ook anders zou kunnen worden beoordeeld - bij voor verschillende beoordeling vatbaar materiaal, zijn er, naar de aard van zulk materiaal, verschillende logisch verdedigbare waarderingen denkbaar).

9) Dit middel klaagt verder dat het hof de aspecten waarop partijen nog geen overeenstemming zouden hebben bereikt, diende aan te merken als "ondergeschikte punten". Deze klacht miskent echter zowel het zojuist gezegde (namelijk: dat het niet slechts aankomt op de mate waarin overeenstemming is bereikt, maar (vooral) ook op de vraag of men tot uitdrukking heeft gebracht dat men zich (reeds) wilde verbinden); alsook het feit dat het hier gegevens betreft die in uitgesproken mate een feitelijke appreciatie vereisen. In cassatie kan die appreciatie niet aan de orde worden gesteld.

10) Middel 2 is geformuleerd als motiveringsklacht. Het richt zich tegen het feit dat het hof zijn indruk(ken) omtrent de persoonlijkheid van [eiser] en de invloed daarvan op de bewijsgegevens, bij de waardering van die bewijsgegevens heeft betrokken.

Als motiveringsklacht faalt deze klacht (reeds) omdat alleszins begrijpelijk is wat het hof hier heeft geoordeeld. Ik geloof niet dat ik dat nader hoef toe te lichten: 's hofs oordeel spreekt inderdaad voor zich.

11) Intussen klaagt het middel (misschien) ook op een "materieel" punt: de rechter zou niet "zo maar" aan zijn indrukken omtrent de geloofwaardigheid van getuigenverklaringen (en omtrent de omstandigheden die die geloofwaardigheid kunnen hebben beïnvloed) gewicht mogen toekennen.

Ook hier lijkt mij de rechtsopvatting waar deze klacht op berust, onjuist. Bij waardering van bewijs in het algemeen, maar getuigenbewijs daar bepaaldelijk onder begrepen, mág de rechter niet alleen alles wat hem voor de geloofwaardigheid van belang lijkt in aanmerking nemen, maar behoort hij dat te doen. Bewijswaardering is niet een eenvoudig optellen van "zoveel verklaringen vóór, zoveel tegen". Het is inderdaad: waardering. De indruk dat een getuige zich door de (sterke) persoonlijkheid van (een van de) betrokkenen heeft laten beïnvloeden, kan bij die waardering ongetwijfeld een rol spelen.

12) Er wordt in dit verband nog geklaagd dat van het gegeven dat het hof hier in zijn oordeel heeft betrokken niet uit de stukken zou blijken, en dat [verweerder] zich daarop niet heeft beroepen. Noch het een noch het ander lijkt mij terzake dienend. De indrukken die de rechter ter zitting van betrokkenen opdoet, berusten zelden of nooit op stellingen uit de stukken; maar dat staat er niet aan in de weg dat de rechter die indrukken in zijn oordeel mag (en in voorkomend geval: moet) betrekken.

13) "By the same token" zal het niet zo vaak voorkomen dat een partij het gegeven waaromtrent de rechter zich ter zitting aan de hand van indrukken een beeld vormt, specifiek onder de aandacht van de rechter heeft gebracht. Zich een indruk vormen omtrent geloofwaardigheid, en de subtiele gegevens die daarop van invloed (kunnen) zijn, zijn nu eenmaal dingen die zich "binnenskamers" in het hoofd van de beoordelaar afspelen. Men kan niet van partijen verlangen dat die alle factoren die daarbij een rol (kunnen) spelen, expliciet aan die beoordelaar voorhouden. Dat kan niet, en dat hoeft dus ook niet(8). De rechter is aangesteld om met de hem door opleiding en ervaring bijgebrachte oordeelvaardigheid, dit soort appreciaties te verrichten.

14) In de schriftelijke repliek wordt namens [eiser] aangevoerd dat het feit dat het gezicht van de betrokkene de rechter niet aanstaat, niet van invloed zou mogen zijn op het oordeel dat de rechter over een zaak geeft. Dat onderschrijf ik graag. De selectie en opleiding van rechters is er echter op gericht, dat zij het onderscheid kunnen maken tussen gegevens die bij de bewijswaardering wel, of juist niet, gewicht in de schaal kunnen leggen. Daarmee is - zoveel mogelijk - gewaarborgd dat oordelen zoals de repliek die als voorbeeld aandraagt, uitgesloten zijn; maar daarmee is tevens aangegeven, dat de rechter het "waarderingsvermogen" dat hem door opleiding en ervaring is bijgebracht, wél moet (en dus: ook mag) gebruiken.

15) Tenslotte klaagt middel 2 dat de zaak in appel door een "volle" kamer van drie raadsheren is beoordeeld, terwijl de getuigenverhoren ten overstaan van één raadsheer-commissaris hebben plaatsgehad. Het gegeven oordeel zou daarom onbegrijpelijk zijn.

Dit begrijp ik op mijn beurt niet. De wet voorziet in de mogelijkheid dat een college ten dienste van, onder andere, getuigenverhoren, een rechter- of raadsheer-commissaris uit zijn midden aanwijst. Allicht is dan de bedoeling van (de wet en) het college in kwestie dat de rechter- of raadsheer-commissaris een belangrijke rol speelt bij de waardering van de te zijnen overstaan afgelegde (en vastgelegde) verklaringen. Zo gaat het in de praktijk dan ook. Ik kan de steller van het middel nageven dat die gang van zaken blijk geeft van veel vertrouwen in het oordeel van de aangewezen functionaris; maar ik kan in de hier besproken gang van zaken niets ontwaren dat aan de begrijpelijkheid van de gegeven oordelen zou afdoen.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 De kantonrechter die deze zaak in de eerste aanleg beoordeelde heeft geen overzicht van de vaststaande feiten gegeven. Het hof heeft dat in de in appel gewezen arresten ook niet gedaan. Beide instanties hebben slechts de kern van het geschil weergegeven; de kantonrechter in rov. 2 en 3 van zijn tussenvonnis van 22 augustus 2002 en het hof in rov. 2 van zijn tussenarrest van 11 februari 2005.

2 Het hoger beroep werd gericht tegen zowel de tussenvonnissen van de kantonrechter als diens eindvonnis, maar er zijn slechts tegen het eindvonnis grieven gericht (zie de Memorie van Grieven, p. 2 onderaan).

3 Het eindarrest van het hof is van 7 juli 2006. De cassatiedagvaarding is op 9 oktober 2006 uitgebracht

(7 oktober 2006 was een zaterdag).

4 HR 15 juni 2007, NJ 2007, 335, rov. 3.5.3; HR 9 februari 2007, NJ 2007, 105, rov. 3.4.1 en 3.4.2; HR 2 februari 2007, NJ 2007, 92, rov. 3.5; HR 1 december 2006, NJ 2007, 385 m.nt. Th.M. de Boer, rov. 3.11.2 (slot); HR 25 november 2005, rechtspraak.nl LJN AT9053, rov. 3.9; HR 21 januari 2005, NJ 2005, 325, rov. 3.7.1; Asser, "De werkwijze van de hoogste rechtscolleges", preadvies voor de Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 2007, p. 210 (gedeeltelijk ontleend aan Asser, Civiele cassatie, 2003, p. 49).

5 Zie bijvoorbeeld T&C Burgerlijk Wetboek boeken 5, 6, 7 en 8, 2007, Valk, art. 217, aant. 2 - 4 en art. 219, aant. 5, en voor illustratiemateriaal bijvoorbeeld Asser-Hartkamp 4 II, 2005, nrs. 136 en 141.

6 HR 2 februari 2001, NJ 2001, 179, rov. 3.3.2 en 3.3.3; HR 17 december 1999, NJ 2000, 184, verwijzend naar alinea 6 van de conclusie van A-G Hartkamp.

7 Een geval waarin, overigens zonder succes, op deze situatie een beroep werd gedaan werd beoordeeld in HR 12 mei 2006, RvdW 2006, 494; zie alinea's 5 e.v. van de conclusie vóór dat arrest.

8 HR 19 juni 1987, NJ 1988, 296, rov. 3.