Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC1248

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-02-2008
Datum publicatie
22-02-2008
Zaaknummer
C06/285HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC1248
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Opheffingskortgeding, hoedanigheid aanlegger; aan middel te stellen eisen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 407
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 157
RvdW 2008, 266
JWB 2008/100
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/285HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 21 december 2007

Conclusie inzake:

1. [Eiser 1]

2. Digisys B.V.

3. Digisys Sales B.V.

tegen

Verelle B.V.B.A.

Deze zaak komt in aanmerking voor een verkorte conclusie.

1.1 Het tijdig(1) tegen het arrest van het gerechtshof te 's Hertogenbosch van 4 juli 2006 ingestelde beroep in cassatie bevat twee middelen.

1.2 Het eerste middel is gericht tegen rechtsoverweging 8.6.1, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

"[Eiser 1] licht niet toe waarom het feit dat uit de stellingen van Digisave c.s. niet blijkt dat hij als directeur en aandeelhouder dan wel pro se is gedagvaard tot niet-ontvankelijkheid van Digisave c.s. zou moeten leiden. Kennelijk heeft [eiser 1] de bodemprocedure waarin op 11 augustus 2004 door de rechtbank Breda eindvonnis is gewezen op het oog, nu in de onderhavige, door [eiser] c.s. aanhangig gemaakte procedure van dagvaarding van [eiser 1] geen sprake is. In deze bodemprocedure is [eiser 1] pro se - en niet in de hoedanigheid van directeur en aandeelhouder - veroordeeld tot afgifte van de daarin genoemde goederen, waarmee de hoedanigheid van [eiser 1] is gegeven."

1.3 Het aangevallen oordeel is niet onbegrijpelijk, nu daarin ligt besloten dat:

(a) de onderhavige kort gedingprocedure tot opheffing van het op 6 juli 2004 op het woonhuis van [eiser 1] gelegde beslag en van het eveneens op die dag ten laste van [eiser 1] gelegde derdenbeslag onder ING Bank, is aangespannen door (o.m.) [eiser 1] zelf;

(b) als in het door [eiser 1] ingestelde hoger beroep tegen de weigering van de gevraagde voorziening door de voorzieningenrechter van de rechtbank Breda in grief II wordt gesproken over "het gedagvaard zijn van [eiser 1]" niet anders kan zijn gedoeld dan op de mede door verweerster in cassatie aangespannen bodemprocedure tegen [eiser 1], nu - zoals gezegd - de kort gedingprocedure door [eiser 1] zelf in geëntameerd;

(c) [eiser 1] in genoemde bodemprocedure pro se is gedagvaard, hetgeen door het hof bij in kracht van gewijsde gegaan arrest van 20 maart 2007 ook zo is vastgesteld;

(d) [eiser 1] in deze kort gedingprocedure niet heeft gesteld in een bepaalde hoedanigheid op te treden, zodat het

(e) niet op de weg van de wederpartij van [eiser 1] ligt om omtrent de hoedanigheid van [eiser 1] iets te stellen.

Middel 1 faalt mitsdien.

1.4 Het tweede middel is gericht tegen rechtsoverweging 8.10, waarin het hof als volgt heeft overwogen:

"[Eiser] c.s. heeft aangevoerd dat, nu Digisave is ontbonden, welke ontbinding heeft plaatsgevonden in strijd met de statuten, Digisave c.s. niet-ontvankelijk is in zijn vorderingen."

1.5 Het middel bevat een opsomming van enerzijds standpunten en anderzijds op klachten gelijkende opmerkingen, waarin echter niet wordt aangegeven waarom het bestreden oordeel van het hof niet juist en/of onbegrijpelijk zou zijn. Het middel voldoet derhalve niet aan art. 407 lid 2 Rv.

1.6 M.i. kan het cassatieberoep in zijn geheel met toepassing van art. 81 RO worden verworpen.

2. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 De cassatiedagvaarding is op 30 augustus 2006 uitgebracht. Het betreft hier een kort gedingprocedure.