Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC0826

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-02-2008
Datum publicatie
05-02-2008
Zaaknummer
03027/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC0826
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG (o.a.): Daargelaten dat hetgeen in appel is aangevoerd geen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt a.b.i. art. 359.2 Sv is, was het Hof niet gehouden zijn oordeel dat de verklaring van getuige X tot het bewijs kon worden gebruikt, in het licht van wat in appel is aangevoerd tegen de desbetreffende overwegingen van de Rb, nader te motiveren. HR: 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 86
RvdW 2008, 218
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03027/06

Mr. Bleichrodt

Zitting 13 november 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 juni 2006 het vonnis van de Rechtbank van 7 juni 2005 bevestigd, waarbij de verdachte ter zaken van " medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" is veroordeeld tot een geldboete van € 20.000, - , subsidiair 235 dagen hechtenis, alsmede tot acht weken gevangenisstraf voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Mr L.P.H. Hameleers, advocaat te Roermond, heeft namens de verdachte beroep in cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie.(1)

3.1 De eerste twee middelen richten zich tegen de verwerping door het Hof van een verweer strekkende tot bewijsuitsluiting op grond van onrechtmatige bewijsgaring. Zij lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

3.2 Het Hof heeft het gevoerde verweer als volgt samengevat en verworpen:

"Van de zijde van de verdachte is in hoger beroep het verweer gevoerd dat het bewijs op onrechtmatige wijze is verkregen, omdat er nog geen redelijk vermoeden van schuld tegen de verdachte was gerezen op het moment dat opsporingsactiviteiten tegen hem werden ontplooid. Hiertoe is aangevoerd dat de Algemene Inspectie Dienst een gericht opsporingsonderzoek tegen de verdachte is gestart naar aanleiding van klachten van vliegenoverlast naar aanleiding van het uitrijden van pluimveemest en dat deze meldingen, nu deze als zodanig niet zijn terug te vinden in het dossier, voor de verdediging derhalve niet verifieerbaar zijn, waardoor onduidelijk blijft waarom de meldingen spreken van pluimveemest, waarom de mest afkomstig zou zijn van het bedrijf van de verdachte en in welk opzicht sprake zou zijn van enig strafbaar feit. Door de verdediging is hieraan de sanctie verbonden dat het bewijsmateriaal dat gedurende deze fase van het onderzoek is verkregen buiten beschouwing dient te blijven. Bij gebreke van overig belastend bewijs heeft de verdediging vervolgens geconcludeerd tot vrijspraak.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Uit het proces-verbaal van de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid (hierna ook: AID) met nummer 15953 d.d. 8 december 2003, volgt dat in de klachten, die in februari, mei, juni en augustus 2001 binnenkwamen bij de AID, inspectie Zuid-Nederland, inzake vliegenoverlast na het uitrijden van pluimveemest in de omgeving van Gemert, volgens welke klachten de mest afkomstig was van het pluimveebedrijf van de verdachte, aanleiding werd gevonden een analyse te laten uitvoeren van de aan- en afvoer van pluimveemest door de verdachte. Hierbij zijn, zo begrijpt het hof, de door de verdachte ingezonden afleveringsbewijzen dierlijke mest (betreffende de beide locaties waar het pluimveebedrijf van de verdachte is gevestigd) en andere bij het (voormalige) Bureau Heffingen bekende gegevens betreffende mestleveranties van de verdachte geanalyseerd, waarbij tevens een relatie is gelegd met bekende informatie uit een eerder onderzoek betreffende mesttransporten van de intermediair [betrokkene 1].

Naar het oordeel van het hof is in het kader van de analyse van genoemde bescheiden en andere bij het Bureau Heffingen reeds bekende gegevens geen sprake van opsporings-activiteiten, maar van de uitoefening van controlebevoegdheden, waarvoor een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit niet vereist is.

Naar het oordeel van het hof moet worden aangenomen dat eerst op grond van bedoelde analyse (controle) een redelijk vermoeden is ontstaan, dat een strafbaar feit gepleegd is. Het hof verwijst hiervoor naar het als bijlage 1 bij genoemd proces-verbaal gevoegde afschrift van een extern bedrijfscontrolerapport van de AID d.d. 8 januari 2004, met bijlagen, waaruit - bezien in samenhang met het dossier - volgt dat aan [A] B.V. (zijnde het bedrijf van de verdachte) door het Bureau Heffingen twee mestnummers zijn verstrekt, te weten 111064198 (locatie [plaats A]) en 111070015 (locatie [plaats B]) en dat bij de analyse van de aan- en afvoergegevens van beide mestnummers is opgevallen:

- dat intermediair [betrokkene 1] in de periode van 19 maart 2000 tot en met 11 april 2000 op mestnummer 111064198 (locatie [plaats A]) een elftal vrachten pluimveemest heeft opgehaald;

- dat steeds op of rond dezelfde data en tijdstippen door [A] B.V. zelf (dat wil zeggen, naar het hof begrijpt, zonder tussenkomst van een intermediair) vanaf mestnummer 111070015 (locatie [plaats B]) hoeveelheden mest werden geëxporteerd naar [B] Gmbh in Duitsland;

- dat telkens met betrekking tot de mest die door [betrokkene 1] op het bedrijf van de verdachte is opgehaald een afleveringsbewijs is opgemaakt, waarop onder meer het netto gewicht van de afgevoerde mest is ingevuld;

- dat telkens hetzelfde netto gewicht als hiervoor bedoeld is ingevuld op het afleveringsbewijs betreffende de mest die op dezelfde datum door [A] B.V. is geëxporteerd;

- dat op de corresponderende afleveringsbewijzen tevens het vol en ledig gewicht van de bij die mest-transporten gebruikte vrachtwagencombinatie en het kenteken daarvan

([AA-BB-00]), welke eigendom is van [betrokkene 1], hetzelfde is.

Het hof acht op grond van het vorenstaande aannemelijk dat bij de controle van de mestboek-houding van het bedrijf van de verdachte het vermoeden is ontstaan dat sprake is van valselijk opgemaakte afleveringsbewijzen, omdat het nu eenmaal niet goed mogelijk lijkt dat de vrachtwagencombinatie met het kenteken [AA-BB-00] pluimveemest laadt op de locatie [plaats A] ten behoeve van de intermediair [betrokkene 1] en dat diezelfde vrachtwagencombinatie vrijwel tezelfdertijd een exact even grote hoeveelheid mest laadt op de locatie [plaats B], die door het bedrijf van de verdachte zelf wordt geëxporteerd naar Duitsland.

Het hof ziet in het gegeven dat, naar aanleiding van de bevindingen in het kader van de analyse van de mestboekhouding van het bedrijf van de verdachte, deze als zodanig wordt aangemerkt en dat een strafvorderlijk onderzoek tegen hem wordt geëntameerd, niets laakbaars, zodat het verweer faalt".

3.3 De overwegingen van het Hof komen daarop neer dat de bedoelde klachten de aanleiding zijn geweest tot een controle van de mestboekhouding van de verdachte, dat daarbij rechtmatig controlebevoegdheden zijn uitgeoefend en dat pas op grond van de resultaten van dat controleonderzoek in verbinding met bekende informatie uit een eerder onderzoek inzake [betrokkene 1] een redelijk vermoeden is ontstaan dat een of meer strafbare feiten zijn begaan.

Dat betekent dat naar aanleiding van die klachten geen opsporingsactiviteiten zijn verricht. Daarvan is pas sprake geweest toen op basis van een analyse van de mestboekhouding over 2000 het vermoeden is ontstaan dat sprake was van valselijk opgemaakte afleveringsbewijzen. Dat oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.4.1 Het eerste middel klaagt dat het Hof niet heeft gereageerd op de stelling van de verdediging dat zij in de gelegenheid had moeten worden gesteld bedoelde - uit het jaar 2001 stammende - klachten over vliegenoverlast die in verband zou staan met het uitrijden van pluimveemest van het bedrijf van verdachte, te toetsen, terwijl het ook onbegrijpelijk is dat in verband met die klachten de mestboekhouding van 2000 is onderzocht.

3.4.2 Het Hof was niet gehouden expliciet op die stelling te reageren. Het waren naar zijn oordeel immers niet de klachten die al het redelijk vermoeden hebben doen ontstaan en op basis waarvan opsporingsactiviteiten zijn ondernomen. Een mestboekhouding mag worden gecontroleerd. Dat kan steekproefsgewijze gebeuren, maar er kan ook een aanleiding voor zijn. Hier waren dat meergenoemde klachten. De omstandigheid dat deze uit 2001 dateerden staat er uiteraard niet aan in de weg dat de controle zich uitstrekt tot het jaar 2000. Kortom, ook al zouden de meldingen bijvoorbeeld berusten op een vergissing van de klagers voor zover zij meenden dat de overlast afkomstig was van het bedrijf van de verdachte, dan nog zou dat niets afdoen aan de rechtmatigheid van het controleonderzoek, waarvoor een verdenking niet vereist is. Bij een toetsing van meergenoemde klachten mist de verdediging dus belang.

3.4.3 Het eerste middel faalt.

3.5.1 Het tweede middel komt op tegen het oordeel van het Hof omtrent het ontstaan van de verdenking. Het voert aan dat naar aanleiding van klachten gericht onderzoek is gedaan naar afleveringsbewijzen dierlijke mest waarbij informatie uit andere onderzoeken is betrokken waardoor geen sprake meer zou zijn van een controleonderzoek.

3.5.2 Hiervoor heb ik al opgemerkt dat naar mijn mening het oordeel van het Hof over het moment waarop de redelijke verdenking is ontstaan, geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Het anders luidende standpunt van de verdediging heeft het Hof toereikend gemotiveerd afgewezen. Gelet daarop kan het middel niet tot cassatie leiden.

Het is gelet daarop ten overvloede dat ik opmerk dat het feit dat een redelijke verdenking als bedoeld in art. 27 Sv is ontstaan, niet betekent dat controlebevoegdheden niet (meer) mogen worden uitgeoefend, zij het dat dan daarbij de aan verdachte als zodanig toekomende waarborgen in acht moeten worden genomen.(2) Ook als men dus zou uitgaan van de aan het middel ten grondslag liggende opvatting dat de verdenking als bedoeld in art. 27 Sv eerder is ontstaan, sluit dat het toepassen van controlebevoegdheden op zichzelf niet uit, zodat de mestboekhouding kon worden gecontroleerd.

3.5.3 Het tweede middel is dus tevergeefs voorgesteld.

4.1. Het derde middel klaagt dat het Hof niet is ingegaan op wat ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd over de verklaring van de getuige [getuige 1], waarvan de betrouwbaarheid en geloofwaardigheid is betwist.

4.2 Het Hof heeft het vonnis van de Rechtbank bevestigd. De Rechtbank had met betrekking tot de getuigenverklaring van [getuige 1] overwogen:

"Ter terechtzitting heeft de raadsman - kort gezegd - gepleit voor vrijspraak van het primair en subsidiair tenlastegelegde feit omdat zijn cliënt niets afwist van de onjuiste afleveringsbewijzen in zijn boekhouding. Deze moeten volgens de verdediging door [getuige 1] in de boekhouding zijn verwerkt. [Getuige 1] had daar belang bij omdat cliënt een voorschot had betaald aan [bedrijf C] en de financiële positie van [bedrijf C] niet rooskleurig was. De afleveringsbewijzen lagen altijd klaar in het kantoortje en konden zo meegenomen worden. Bovendien heeft [getuige 1] ter terechtzitting verklaard dat hij in het jaar 2000 mest heeft weggereden voor cliënt, aldus zijn raadsman.

De rechtbank overweegt het volgende:

Uit het onderzoek van de AID is gebleken dat 12 valse afleveringsbewijzen, waarvan de gegevens afkomstig zijn van legale mesttransporten uit de administratie van verdachte, zijn aangetroffen in de boekhouding van verdachte.

De verklaring van verdachte bij de politie en ter terechtzitting omtrent de afleveringsbewijzen komen niet overeen. Verdachte heeft in zijn verklaring bij de politie onder V 1/9 verklaard dat [getuige 1] voor de overeenkomst een pakket bonnen had meegekregen en dat hij alle blauwe kopieën in één keer aan het einde van het jaar 2000 van [getuige 1] heeft gekregen, terwijl hij ter terechtzitting heeft verklaard dat hij niet weet hoe het is gegaan met de valse afleveringsbewijzen.

De rechtbank acht de verklaring van de getuige [getuige 1] dat hij samen met verdachte de afleveringsbewijzen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt daarenboven geloofwaardig en betrouwbaar, aangezien hij consistent verklaart en met de door hem afgelegde verklaring ook zichzelf belast."

4.3 Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene voor het bewijs te gebruiken wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. De beslissing betreffende die selectie en waardering behoeft in de regel geen motivering en kan in cassatie niet met vrucht worden bestreden.(3)

4.4 Het nieuwe art. 359, tweede lid, Sv heeft geen wijziging gebracht in die vrijheid met betrekking tot de selectie en waardering van het bewijsmateriaal. Wel brengt die bepaling mee dat de feitenrechter zijn beslissing dienaangaande in een aantal gevallen nader zal moeten motiveren. Daarover zijn geen algemene regels te geven, maar in dat verband zal onder meer betekenis toekomen aan de inhoud en de indringendheid van de aangevoerde argumenten.(4)

Is sprake van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als in genoemde bepaling bedoeld, dan gaat de motiveringsplicht niet zo ver dat bij niet-aanvaarding daarvan op ieder detail van de argumentatie moet worden ingegaan.(5)

4.5 De toelichting op het middel wijst op een aantal volgens de steller van het middel bestaande inconsistenties in de verklaring van de getuige [getuige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg. Ik zie in de eerste plaats geen inconsistenties in de verklaring voor zover het betreft het feit dat de getuige heeft verklaard in 2000 mest te hebben vervoerd voor de verdachte, wat de verdachte ook niet betwist. Dat er in [getuige 1 zijn] boekhouding (ter gelegenheid van het faillissement van zijn bedrijf [bedrijf C]) geen daarop betrekking hebbende bescheiden zoals facturen zijn teruggevonden, is een andere zaak. Verder heeft de getuige verklaard dat hij een in de zaal aanwezige persoon niet kent (lees: herkent). Dat hij, nadat de voorzitter van de Rechtbank hem de naam [betrokkene 2] had genoemd, zich herinnert telefonisch contact met [betrokkene 2] te hebben gehad, is niet in strijd met het feit dat hij de desbetreffende persoon in de rechtszaal niet heeft herkend. Hoe dan ook behoefde het Hof niet expliciet op zulke details in te gaan.

4.6 Het Hof heeft zich verenigd met de overwegingen van de Rechtbank. Deze heeft, anders dan het middel verder nog stelt, niet overwogen dat [getuige 1] geen belang zou hebben zichzelf te belasten, doch juist dat de Rechtbank - naast het feit dat zij de verklaringen van [getuige 1] consistent acht - vaststelt dat hij zich in die verklaringen ook zelf heeft belast. De Rechtbank, die [getuige 1] zelf heeft gehoord, zal hebben gedacht dat niet valt in te zien waarom de getuige onder die omstandigheden in strijd met de waarheid [verdachte] als medepleger van het door hem erkende feit zou aanwijzen. Dat is geen onbegrijpelijke gedachtegang.

Verder had [getuige 1] wel een financieel belang bij opdrachten voor het vervoer van mest voor verdachte (en eventueel bij voorschotten op de betalingen daarvoor), zoals het middel stelt, maar niet bij de verklaringen die hij in het voorbereidend onderzoek en als getuige ter terechtzitting in eerste aanleg heeft afgelegd over de gang van zaken ten aanzien van het valselijk opmaken van de afleveringsbewijzen.

4.7 Nog daargelaten dat hier mijns inziens niet van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv sprake was, was het Hof in ieder geval niet gehouden zijn oordeel inhoudende dat de verklaring van de getuige [getuige 1] tot het bewijs kon worden gebruikt, in het licht van wat in hoger beroep tegen de desbetreffende overwegingen van de Rechtbank was aangevoerd, van een nadere motivering te voorzien.

4.8 Het middel kan niet tot cassatie leiden.

5 De middelen falen en kunnen met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan.

6 Gronden die tot ambtshalve vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden heb ik niet aangetroffen.

7 Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met die tegen [getuige 1] (nr. 03028/06 ) waarin ik vandaag ook concludeer.

2 HR 26 april 1988, NJ 1989, 390. Dat aan verdachte toekomende waarborgen niet in acht zouden zijn genomen is overigens ook niet gesteld.

3 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e dr, blz. 193. HR NJ 1981, 399. HR NJ 2006, 393.

4 HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 rov. 3.8.1

5 Idem als noot 5 rov. 3.8.4.