Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC0810

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-02-2008
Datum publicatie
13-02-2008
Zaaknummer
00785/07 E
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC0810
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Art. 359.2 Sv. Wet milieugevaarlijke stoffen. Het betoog van de raadsman gehouden ttz. in hoger beroep stelt onder meer de rechtsvraag aan de orde of het “ter beschikking stellen” i.d.z.v. art. 34.1 Wet milieugevaarlijke stoffen moet worden uitgelegd als “op de markt brengen in Nederland”. Daarmee is een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt i.d.z.v. art. 359.2 Sv ingenomen. Bij niet aanvaarding dienen in het bijzonder de redenen die daartoe hebben geleid in het vonnis of arrest te zijn opgenomen. Daarom had het Hof behoren te motiveren waarom het van oordeel was dat de genoemde vraag ontkennend diende te worden beantwoord. De daarop gerichte klacht is dan ook terecht voorgesteld. Dat behoeft echter niet tot cassatie te leiden. De aan het verweer ten grondslag liggende opvatting is in strijd met wat de wetgever met het gebruik van de term “ter beschikking stellen” heeft beoogd. De strekking van art. 34.1 Wms komt erop neer dat uit een oogpunt van een effectieve bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke stoffen bij elke vorm van aanbieden of vervreemden van zo’n stof aan de etiketteringsplicht moet zijn voldaan, opdat ook degene die niet ter zake kundig is op de mogelijke gevaren van de stof wordt geattendeerd. Daarbij is niet van belang of het ter beschikking stellen is gebeurd met het oog op de uitvoer naar het buitenland.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 117
JOL 2008, 110
RvdW 2008, 240
NJB 2008, 568
M en R 2008, 38K
Milieurecht Totaal 2008/3459
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00785/07 E

Mr. Bleichrodt

Zitting 13 november 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft de verdachte op 24 oktober 2006 veroordeeld tot een geldboete van € 10.000, waarvan € 5000 voorwaardelijk wegens 1. "overtreding van ene voorschrift, gesteld bij artikel 10.60, eerste lid van de Wet Milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd" en tot een geldboete van € 5.000, waarvan € 2.500 voorwaardelijk wegens 3. "overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 34 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, begaan door een rechtspersoon", waarbij de proeftijd telkens is bepaald op twee jaar.

2. De verdachte heeft cassatie ingesteld. Mr. B.J.M. Veldhoven, advocaat te 's-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende vijf middelen van cassatie.

3.1 Het eerste middel houdt de klacht in dat het Hof in strijd met art. 359, tweede lid, Sv niet of onvoldoende gemotiveerd heeft gerespondeerd op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat de rubbervellen ('rubbercompounds') die bij verdachte zijn aangetroffen geen "afvalstof" zijn, maar een "bijproduct", waarop de in de tenlastelegging genoemde EEG-Verordening niet van toepassing is.

Het tweede middel klaagt erover dat het Hof bij zijn oordeel dat sprake is van een afvalstof een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd door kennelijk doorslaggevend te achten of de vellen voor de houder niet meer bruikbaar waren. De middelen, die beide betrekking hebben op feit 1, lenen zich voor gezamenlijke bespreking.

3.2. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 1 bewezen verklaard dat hij:

"op tijdstippen gelegen in de periode van 1 mei 2002 tot en met 15 april 2003 te Amsterdam, opzettelijk handelingen heeft verricht als bedoeld in artikel 26 lid 1 van de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen, door toen en daar een hoeveelheid voor nuttige toepassing en/of verwijdering bestemde rubbervellen en roetmixen naar Indonesië over te brengen, welke overbrenging geschiedde zonder kennisgeving aan betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig de EEG-Verordening overbrenging van afvalstoffen;

3.3. Het bestreden arrest houdt - voor zover hier van belang - het volgende in:

"De raadsman van verdachte heeft ter terechtzitting allereerst ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat rubbervellen aan te merken zijn als nevenproduct en grondstof en ten onrechte gekwalificeerd worden als een afvalstof. Uit de door de raadsman overgelegde schriftelijke verklaring van [betrokkene 1], Group Purchasing Manager bij [bedrijf A], opgemaakt op 29 september 2006, blijkt namelijk dat de rubber compounds moeten worden aangemerkt als een bijproduct dat een voortzetting is van het productieproces bij [bedrijf A]. Deze stoffen ondergaan geen verdere bewerking en zijn dus als zodanig geschikt als grondstof te worden ingezet.

Ten tweede voert de raadsman aan dat de tenlastegelegde roetmixen niet zijn overgebracht naar Indonesië in de zin van de verordening 259/93 en voorts dat roet geen afvalstof is. De roetmixen hebben een korrelgrootte die afwijkt van de korrelgrootte van het roet dat [bedrijf A] als grondstof gebruikt als kleurstof in de cocktail. Roet heeft een positieve economische waarde en hoeft niet verder bewerkt te worden en is als product afzetbaar.

(...)

Het hof overweegt als volgt.

Het hof zal voor het antwoord op de vraag of in het onderhavige geval sprake is van afvalstoffen aansluiting zoeken bij de Richtlijn 75/442/EEG van 15 juli 1975, Kaderrichtlijn Afvalstoffen, zoals gewijzigd bij de Richtlijn 91/156/EEG van 18 maart 1991 en bij hetgeen het Europese hof in zijn arrest van 15 juni 2000 (AB 2000, 311) ten aanzien van de Richtlijn heeft overwogen.

Artikel 1 van de Richtlijn 91/156/EEG luidt - voor zover hier van belang -:

In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a ) "afvalstof": elke stof of elk voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Bijlage I bij de Richtlijn 91/156/EEG luidt - voor zover hier van belang -:

Categorieën afvalstoffen:

Q14 Produkten die voor de houder niet of niet meer bruikbaar zijn (bij voorbeeld artikelen die zijn afgedankt door landbouw, huishoudens, kantoren, winkels, bedrijven enz.).

Q16 Alle stoffen, materialen of produkten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen.

Voor het antwoord op de vraag of de bij de verdachte aangetroffen rubber compounds als afvalstoffen moeten worden beschouwd in de zin van de Richtlijn 91/156/EEG en de Wet Milieubeheer, acht het hof de ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaring van [betrokkene 2], milieu-medewerker van [bedrijf A te plaats A], van belang.

[Betrokkene 2] heeft ter terechtzitting uiteengezet dat bij [bedrijf A] rubbervellen worden gemaakt die gebruikt worden voor de fabricage van autobanden. Bij de monsterneming tijdens dit proces kan blijken dat sommige delen van de rubbervellen niet voldoen aan de strenge kwaliteitseisen die [bedrijf A] aan zijn A-kwaliteit banden stelt. Indien dit het geval is wordt opnieuw een cocktail gemaakt waarmee een B-kwaliteit band wordt geproduceerd. Indien rubber voor A-, noch voor B-kwaliteit geschikt is, heeft het voor [bedrijf A] geen waarde meer en ontdoet zij zich van deze stukken rubbervellen. [bedrijf A] beoogt niet van die rubbervellen enig ander product te maken en heeft ook geen technische voorzieningen om de resterende rubbervellen voor verdere verkoop geschikt te maken. Enkel en alleen voor het vervoer van de afgekeurde stukken rubber wordt deze opnieuw gemengd en uitgerold, zodat het in een compacte vorm vervoerd kan worden. Tussen de vellen wordt dan een laagje zeep aangebracht om te voorkomen dat de vellen aan elkaar blijven plakken.

Gelet op hetgeen in Bijlage I bij de Richtlijn 91/156/EEG in de Categorieën afvalstoffen, onder Q14 wordt beschreven in combinatie met de hierboven beschreven gang van zaken bij [bedrijf A], acht het hof de rubbervellen die bij verdachte in beslag zijn genomen te kwalificeren als een produkt die voor de houder ([bedrijf A]) niet of niet meer bruikbaar zijn. De omstandigheid dat verdachte de rubbervellen, met het oog op hergebruik, naar Indonesië heeft geëxporteerd doet aan de kwalificatie van de vellen als afvalstof niet af. Ditzelfde geldt voor de beoordeling van de roetmixen. Bij [bedrijf A] is verwerking van de bij verdachte aangetroffen roetmixen niet mogelijk en zij hebben voor [bedrijf A] geen waarde.

De conclusie van het hof dat de bij verdachte aangetroffen rubbervellen en roetmixen moeten worden beschouwd als afvalstof, sluit ook in het algemeen aan bij de ratio van de Richtlijn 75/442/EEG en van de Wet Milieubeheer. Met die regelingen wordt immers onder meer beoogd dat de overheid toezicht kan houden op het transport, de wijze van opslag, de bestemming en de eventuele (wijze van) recycling van afgedankte stoffen, alles ter voorkoming van schade aan het milieu."

3.4 De tenlastelegging is toegesneden op art. 10.60 van de Wet milieubeheer (Wmb). Dit artikel luidde ten tijde van de tenlastegelegde gedragingen als volgt:

"1. Het is verboden handelingen te verrichten als bedoeld in artikel 26, eerste lid, van de EEG-verordening overbrenging van afvalstoffen. (...)"

Art. 26 van de Verordening (EEG) nr. 259/93 van de Raad van 1 februari 1993, PbEG 1993, L 30/1 (zoals nadien gewijzigd) betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap (EVOA) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"1. Als sluikhandel wordt beschouwd elke overbrenging van afvalstoffen die:

a) geschiedt zonder kennisgeving aan alle betrokken bevoegde autoriteiten overeenkomstig deze verordening. (...)"

Kort gezegd houdt de EVOA onder meer voor het overbrengen van afvalstoffen naar het buitenland voorschriften in, die onder andere zien op het in kennis stellen van de bevoegde autoriteiten van verzending.

De Verordening maakt onderscheid tussen ontvangende landen die EG-lidstaat zijn en landen die dat niet zijn. Voor bepaalde bestemmingen, zoals landen in Afrika, gelden vanuit een milieubeschermingsoogpunt, strengere eisen dan voor andere landen. De Verordening kent een aantal categorieën afvalstoffen, waarbij het (milieu)gevaarlijke karakter van de stof doorslaggevend is. In de bijlagen bij de Verordening is een groot aantal stoffen opgenomen, onderverdeeld in een 'groene lijst' (bijlage II)(1), een 'oranje lijst' (bijlage III) en een 'rode lijst' (bijlage IV). Voor elke lijst geldt een ander beleid.

In bijlage B van de Verordening 1547/1999 van de Commissie van 12 juli 1999, Pb EG 1999, L 185/1 is bepaald dat voor het overbrengen van een groot aantal afvalstoffen van de 'groene lijst' naar Indonesië de procedure van de 'rode lijst' geldt.(2)

3.5 In hoger beroep ging het om de vraag of hier überhaupt wel sprake was van afvalstoffen. Die vraag is door het Hof bevestigend beantwoord welk oordeel in de middelen wordt bestreden.

Voor wat betreft het begrip "afvalstof" verwijst de EVOA in art. 2a naar de Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15 juli 1975 PbEG 1975,L 194/39 betreffende afvalstoffen, zoals nadien gewijzigd.

Art .1 van de Richtlijn 75/442/EEG (verder: de Richtlijn) houdt onder meer in:

"In deze richtlijn wordt verstaan onder:

a) 'afvalstof': elke stof of voorwerp behorende tot de in bijlage I genoemde categorieën waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.

Bijlage I bij de Richtlijn houdt een aantal categorieën afvalstoffen in, waaronder:

"Q 10 Residuen van de fabricage/bewerking van producten (bij voorbeeld bij het draaien of frezen overgebleven residuen enz.) (...)

Q 14 Produkten die voor de houder niet of niet meer bruikbaar zijn (bij voorbeeld artikelen die zijn afgedankt door landbouw, huishoudens, kantoren, winkels, bedrijven enz.) (...)

Q 16 Alle stoffen of materialen of produkten die niet onder de hierboven vermelde categorieën vallen."

3.6 Voor zover het eerste middel de klacht behelst dat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op het gevoerde verweer, mist het feitelijke grondslag. Het Hof heeft immers uitvoerig gereageerd op dit verweer, zoals uit wat ik hiervoor onder 3.3 heb weergegeven moge blijken.

De klacht dat het Hof daarbij niet expliciet is ingegaan op een aantal stukken van het dossier faalt. De selectie en waardering van het materiaal komt toe aan het Hof als feitenrechter. Op grond van - door hem betrouwbaar geachte - verklaringen heeft het Hof de gang van zaken vastgesteld en deze betrokken bij zijn verwerping van het verweer.(3)

Beslissend is of 's Hofs oordeel in het licht van het gevoerde verweer, met inbegrip van de stukken waarop in het kader daarvan een beroep is gedaan, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of onbegrijpelijk is.

Ik voeg aan het voorgaande nog toe dat voor zover door de verdediging in hoger beroep feiten zijn aangevoerd die door het Hof in het midden zijn gelaten, in cassatie van die feiten zal moeten worden uitgegaan, waarmee uiteraard nog niet gezegd is dat die feiten in casu ook relevant zijn.

3.7 Het Hof is terecht uitgegaan van het begrip "afvalstof" zoals omschreven in de Richtlijn en van wat het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschap (HvJ EG) in zijn jurisprudentie daarover heeft beslist.(4) Het Hof heeft daarbij een beroep gedaan op het arrest inzake Arco Chemie (HvJEG 15 juni 2006, C-418/97, AB 2000, 311).

In het middel wordt in aansluiting op het gevoerde verweer een beroep gedaan op de latere arresten van het HvJEG in de zaken C-9/00 van 18 april 2002 (Palin Granit Oy), NJ 2002,461 en C-114/01 van 11 september 2003 (Avesta Polarit).

3.8 In de uitleg die het HvJ EG aan het begrip afvalstoffen heeft gegeven staat centraal de vraag of sprake is van een stof waarvan de houder zich ontdoet, dan wel zich wil of moet ontdoen. Het "zich ontdoen" kan plaatsvinden in de vorm van verwijderen (bijlage II A) en van het nuttig toepassen (bijlage II).

Het HvJ EG staat een ruime interpretatie van het begrip "afvalstof" voor. Voor de vraag of sprake is van een afvalstof moet worden gelet op alle omstandigheden. Telkens wordt ook benadrukt dat rekening moet worden gehouden met de doelstelling van Richtlijn 75/422 en dat ervoor moet worden gewaakt dat geen inbreuk wordt gemaakt op de doeltreffendheid ervan.

3.9 In het arrest Arco Chemie zijn als doorslaggevende criteria afgewezen de voordien in Nederland gehanteerde zogenaamde "niet- van-toepassings-criteria." Die kwamen hier op neer dat stoffen geen afvalstoffen zijn indien ze zonder (ingrijpende) bewerking op milieuhygiënisch verantwoorde wijze volledig kunnen worden benut. De toekomstige bestemming is volgens het Hof "niet van invloed" (vgl. § 64 e.v.).

In de latere arresten waarop het middel zich beroept (Palin en Avesta Polarit) is het Hof niet teruggekomen op het arrest inzake Arco Chemie. Integendeel dat arrest is het uitgangspunt van de redenering.

Wel is er sprake van een zekere nuancering, maar die gaat niet zover dat, zoals is aangevoerd, ingeval er voor de stof afzet aanwezig is en er een nuttige toepassing als grondstof voor bestaat (en zij een economische waarde vertegenwoordigt) dat meebrengt dat zij geen afvalstof meer kan zijn. Dat een zodanig betoog niet opgaat, volgt uit § 46 van Palin Granit.

Dat de definitie van het begrip "afvalstof" in essentie draait om het begrip "zich ontdoen van" betekent dat de aard van de stof) is de stof gevaarlijk voor het milieu) of de bruikbaarheid ervan (kan de stof worden hergebruikt?) op zichzelf niet doorslaggevend is. Elke stof kan in beginsel een afvalstof zijn, omdat elke stof door de bezitter ervan kan worden afgedankt. Dit betekent ook dat zelfs wanneer een bepaald materiaal op zichzelf voldoet aan de door het HvJ EG vastgestelde criteria om als een bijproduct en niet als afvalstof te worden beschouwd (zie hierna), het materiaal, als men er zich in de praktijk van ontdoet in de zin van de Richtlijn toch als afvalstof moet worden beschouwd en behandeld.(5)

3.10 De jurisprudentie van het HvJEG geeft geen pasklare definitie of scherpe criteria.

De nuancering die in de arresten Palin Granit Oy en Avesta Polarit is aangebracht, heeft betrekking op zogenaamde productresiduen die onder omstandigheden als een bijproduct kunnen worden beschouwd. Het gaat bij de term "bijproduct" overigens niet om een wettelijk begrip.

In vervolg op bovengenoemde uitspraken heeft het HvJEG in zijn beschikking van 15 januari 2004, C-235/02, AB 2004, 273 (Saetti en Frediani) zijn standpunt voor wat betreft bijproducten nog eens samengevat en daarbij het volgende overwogen:

"33. De inhoud van het begrip afvalstof hangt af van de betekenis van de term zich ontdoen, die wordt gebruikt in art. 1 sub a richtlijn 75/442. Het Hof heeft verduidelijkt dat het verrichten van een in bijlage II A of II B bij richtlijn 75/442 genoemde handeling op zich niet volstaat om een stof of een voorwerp als afvalstof aan te merken en dat, omgekeerd, het begrip afvalstof voorwerpen of stoffen die voor economisch hergebruik geschikt zijn, niet uitsluit. Het bij richtlijn 75/442 ingevoerde stelsel van toezicht en beheer, beoogt immers alle voorwerpen en stoffen te omvatten waarvan de eigenaar zich ontdoet, zelfs al hebben zij een commerciële waarde en worden zij voor handelsdoeleinden opgehaald met het oog op recycling, terugwinning of hergebruik (zie met name arrest van 18 april 2002, Palin Granit en Vehmassalon kansanterveystyön kuntayhtymän hallitus, C-9/00, Jur. p. I-3533; hierna: arrest Palin Granit, punten 22, 27, en 29).

34. Bepaalde omstandigheden kunnen een aanwijzing zijn voor een handeling, een voornemen of een verplichting om zich van een stof of een voorwerp te ontdoen in de zin van art. 1 sub a richtlijn 75/442. Dat is met name het geval wanneer de gebruikte stof een productieresidu is, dat wil zeggen een product dat niet als zodanig was beoogd (arrest van 15 juni 2000, ARCO Chemie Nederland e.a., C-418/97 en C-419/97, Jur. p. I-4475, punt 84). Het Hof heeft dan ook verduidelijkt dat bij winning vrijgekomen ganggesteente van een granietgroeve, dat niet het in eerste instantie door de exploitant beoogde product vormt, in beginsel een afvalstof vormt (arrest Palin Granit, punten 32 en 33).

35. Niettemin is een analyse aanvaardbaar volgens welke goederen, materialen of grondstoffen die vrijkomen bij productieprocessen of delvingen die niet in de eerste plaats op de winning daarvan zijn gericht, mogelijk geen residu vormen, maar een bijproduct waarvan de onderneming zich [niet] wil ontdoen in de zin van art. 1 sub a eerste alinea richtlijn 75/442, maar dat zij in een later stadium, in voor haar gunstige omstandigheden, wil exploiteren of op de markt brengen zonder voorafgaande bewerking. Een dergelijke analyse is immers niet in strijd met de doelstellingen van richtlijn 75/442 omdat er geen enkele rechtvaardigingsgrond is om de bepalingen daarvan, die zijn bedoeld om verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen te verzekeren, toe te passen op goederen, materialen of grondstoffen die, los van enige bewerking, economisch gezien de waarde van producten hebben en als zodanig zijn onderworpen aan de wettelijke regeling die op deze producten van toepassing is (arrest Palin Granit, punten 34 en 35).

36. Gelet echter op de verplichting om het begrip afvalstoffen ruim uit te leggen teneinde de nadelen en de schadelijke gevolgen die deze stoffen naar hun aard met zich brengen, te beperken, moet deze redenering met betrekking tot bijproducten alleen worden gevolgd voor situaties waarin hergebruik van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar zeker is, zonder voorafgaande bewerking en als voortzetting van het productieproces (arrest Palin Granit, punt 36).

37. Naast de hoedanigheid van productieresidu van een stof vormt dus de mate waarin het waarschijnlijk is dat deze stof zonder voorafgaande bewerking wordt hergebruikt, een tweede criterium dat relevant is om te beoordelen of het om een afvalstof in de zin van richtlijn 75/442 gaat. Wanneer er, naast de mogelijkheid om de stof te hergebruiken, voor de houder een economisch voordeel is om dit ook te doen, is de waarschijnlijkheid van een dergelijk hergebruik groot. In een dergelijk geval kan de betrokken stof niet meer worden beschouwd als een last waarvan de houder zich wil ontdoen, maar is zij een echt product (arrest Palin Granit, punt 37).

38. Zo heeft het Hof geoordeeld dat indien ganggesteente dat een residu van mijnbouw vormt, rechtmatig zonder voorafgaande bewerking in het productieproces wordt gebruikt voor de noodzakelijke opvulling van de mijngangen, dit niet kan worden beschouwd als een stof waarvan de exploitant zich ontdoet of waarvan hij voornemens is zich te ontdoen, aangezien hij die stof juist nodig heeft voor zijn hoofdactiviteit, mits hij evenwel afdoende garanties geeft voor de identificatie en het daadwerkelijke gebruik van genoemde stof (arrest van 11 september 2003, AvestaPolarit Chrome C-114/01, Jur.p. I-0000, punten 36-39 en 43).

39. Andere aanwijzingen dat het om een afvalstof in de zin van art. 1 sub a richtlijn 75/442 gaat, blijken eventueel uit de omstandigheid dat de methode voor de verwerking van de betrokken stof een gangbare wijze van verwerking van afvalstoffen is of dat de maatschappij genoemde stof als een afvalstof aanmerkt, en uit de omstandigheid dat, wanneer het om een productieresidu gaat, de stof voor geen enkel ander gebruik dan verwijdering in aanmerking kan komen of dat voor het gebruik bijzondere voorzorgsmaatregelen voor het milieu moeten worden getroffen (arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punten 69-72, 86 en 87).

40. Deze elementen zijn evenwel niet noodzakelijkerwijs doorslaggevend, en of er werkelijk sprake is van een afvalstof moet worden nagegaan aan de hand van alle omstandigheden, rekening houdend met de doelstelling van de richtlijn en zonder afbreuk te doen aan de doeltreffendheid van deze laatste (arrest ARCO Chemie Nederland e.a., reeds aangehaald, punt 88)."

3.11 Het ging in die zaak om petroleumcokes die bij het raffinageproces vrijkwamen en die in het betrokken bedrijf werden gebruikt als hoofdbestanddeel van de brandstof voor de geïntegreerde cogeneratiecentrale. Dat vrijkomen was het gevolg van een technische keuze (zij het dat de cokes niet behoorden tot de in de eerste plaats beoogde producten). Daarom konden de petroleumcokes niet worden beschouwd als een productresidu als bedoeld in § 34, dat wil zeggen als een product dat niet als zodanig was beoogd. Productresiduen zijn stoffen die onvermijdelijk ontstaan

Verdedigd is dat de criteria van § 36 alleen gelden voor - van productresiduen te onderscheiden - bijproducten.(6) Anders gezegd: als iets een productresidu is komt men aan de vraag of is voldaan aan de voorwaarden van "de mate van waarschijnlijkheid van hergebruik zonder voorafgaande bewerking in het kader van de voortzetting van het productieproces ", niet toe. Daarvóór spreekt dat een uitdrukkelijk onderscheid wordt gemaakt tussen residuen en bijproducten en dat in § 36 alleen wordt gesproken van bijproducten. Aan de andere kant wordt in § 34 de hoedanigheid van productresidu uitsluitend als een aanwijzing voor de status van afvalstof aangemerkt, terwijl in § 37 wordt gesproken van een tweede "criterium" naast de hoedanigheid van productieresidu. Kortom, het lijkt mij niet aannemelijk dat het enkele feit dat sprake is van een productresidu aan de toepassing van de Palin-rechtspraak in de weg staat.(7)

3.12 Uit de door het Hof vastgestelde feiten volgt dat de rubbervellen afkomstig waren van [bedrijf A]. [bedrijf A] houdt bij de productie van rubberen banden rubbercompounds over die niet voldoen aan de eisen die [bedrijf A] aan zijn A-kwaliteit banden stelt. In dat geval wordt opnieuw een cocktail gemaakt met het oog op de productie van banden van een B-kwaliteit. Indien rubber noch voor A- noch voor B-kwaliteit banden geschikt is, hebben de desbetreffende vellen voor [bedrijf A] geen waarde en stoot zij deze af. [bedrijf A] beoogt niet van deze rubbervellen enig ander product te maken en heeft ook geen technische voorzieningen om de resterende rubbervellen voor verdere verkoop geschikt te maken. De vellen worden slechts opnieuw gemengd en uitgerold met het oog op het vervoer daarvan in compacte vorm. Voor de voor [bedrijf A] niet bruikbare roetmixen geldt mutatis mutandis hetzelfde: bij [bedrijf A] is verwerking niet mogelijk en zij hebben voor [bedrijf A] geen waarde.

Zoals in 3.6 opgemerkt moet verder in cassatie worden uitgegaan van de door de verdediging in hoger beroep aangevoerde feiten die het Hof in het midden heeft gelaten.(8)

Gesteld is blijkens de pleitnota dat, anders dan de Rechtbank oordeelde, de omstandigheid dat de rubbervellen in Indonesië zonder nadere bewerking als grondstof voor diverse productieprocessen kan worden gebruikt van belang is en dat de Indonesische autoriteiten de rubbervellen niet als afvalstoffen aanmerken en dus de import ervan goedkeuren.(9)

3.13 In de eerste plaats gaat het mijns inziens dus onmiskenbaar niet om een - (mede) beoogd - productieresultaat en daarom, ander dan door de verdediging is betoogd, niet om een bijproduct maar om een productresidu. Dat is in ieder geval een aanwijzing dat van een afvalstof sprake is.

Aangenomen dat de door het HvJEG in paragraaf 36 van de hierboven weergegeven beschikking genoemde eisen onder omstandigheden mede kunnen worden toegepast op residuen moet cumulatief zijn voldaan aan de volgende voorwaarden:

(i) er moet sprake zijn van een situatie waarin hergebruik zonder voorafgaande bewerking van een goed, materiaal of grondstof niet slechts mogelijk, maar ook zeker is, en wel

(ii) als voortzetting van het productieproces.

3.14 Voor wat betreft de tweede voorwaarde wijs ik erop dat in de zaak Saetti de petroleumcokes in de eigen centrale werden gebruikt, terwijl het in Avesta Polarit ging om ganggesteente dat gebruikt werd als noodzakelijke opvulling van de mijngangen, waarbij de betrokkene die stoffen nodig had voor zijn hoofdactiviteit.

Aangenomen echter dat gebruik niet altijd in de eigen onderneming behoeft plaats te vinden(10), moet er mijns inziens in ieder geval wel sprake zijn van een zekere samenhang of continuïteit. [bedrijf A] gebruikte het materiaal niet zelf in haar bedrijf en had ook geen vaste relatie met een ander verwerkend bedrijf. Het Hof heeft vastgesteld dat [bedrijf A] geen "vaste afvalstroom heeft noch vaste afspraken met afnemers" (11). Wat het begrip " als voortzetting van het productieproces" ook precies moge inhouden, hier zal daarvan toch moeilijk kunnen worden gesproken.

3.15 Uit het voorgaande vloeit verder voort dat [bedrijf A] geen enkel zicht had op wat er met de rubber - die voor haar geen waarde had en waar zij vanaf wilde(12) - gebeurde, nadat dat aan verschillende afnemers zoals de verdachte, was verkocht. Verdachte trad slechts op als tussenpersoon, ging zelf niet tot hergebruik over, maar zette het materiaal in Indonesië af. Vanuit het gezichtspunt van [bedrijf A] gezien, kan dan ook geen zekerheid hebben bestaan dat hergebruik zonder voorafgaande bewerking zou plaatsvinden, laat staan dat het gebruik van alle rubber zeker was (dat was anders in Saetti; zie ook § 45).

Beslissend is in een geval als dit de situatie waarin [bedrijf A], het bedrijf waarvan het materiaal afkomstig is, verkeert en om zijn intentie. Dus waar de eerste schakel in de keten gelet op alle omstandigheden kennelijk op uit was. Dit komt ook tot uitdrukking in de rechtspraak van de Hoge Raad. (13)

3.16 Tegen deze achtergrond getuigt 's Hofs oordeel dat [bedrijf A] zich van de rubbervellen wilde ontdoen (en heeft ontdaan) en dat dus sprake is van "afvalstoffen" als bedoeld in Richtlijn 75/442/EEG niet van een onjuiste rechtsopvatting. Dat oordeel is evenmin onbegrijpelijk.

Daaraan doet niet af wat in de toelichting op het eerste middel in overeenstemming met het gevoerde verweer wordt gesteld te weten dat [bedrijf A] de rubbervellen aan verdachte verkocht, de omstandigheid dat de Indonesische koper op zijn beurt voor de vellen aan verdachte betaalde, het feit dat de vellen geschikt waren om zonder nadere bewerking te dienen als grondstof voor rubbermatten en andere producten en de omstandigheid dat voor de rubbervellen een zekere, door de Indonesische autoriteiten toegelaten, afzetmarkt bestond.

3.17 Het eerste en het tweede middel falen.

4.1 Het derde middel bevat de klacht dat het Hof niet heeft geantwoord op het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging dat de in de tenlastelegging bedoelde roetmixen nooit naar Indonesië zijn overgebracht, omdat de roetmix al door het Openbaar Ministerie in beslag is genomen voordat verdachte er ooit de beschikking over heeft gekregen.

4.2 De pleitnota in hoger beroep houdt onder meer het volgende in:

"Met betrekking tot de roetmix dient nog het volgende naar voren worden gebracht:

De rechtbank acht o.a. bewezen (zie pagina 3 van het vonnis onder 3.3.), dat in de periode van 1 mei 2002 tot en met 15 april 2003 roetmix zou zijn overgebracht zonder EVOA-kennisgeving naar Indonesië.

Uit het onderzoek ter terechtzitting blijkt dat het roet (door de verbalisanten aangeduid als roetmix) reeds voordat deze onder de beschikkingsmacht kwam van [verdachte] door toedoen van het Openbaar Ministerie was teruggestuurd naar [bedrijf A].

[verdachte] verklaart daarover:

Ons inziens wordt ten onrechte ten laste gelegd hetgeen het O.M. de naam "roetmixen" heeft gegeven.

Deze partij werd

1) geblokkeerd door [betrokkene 3] (KLPD) nog voordat ik deze partij had gezien, laat staat goed kon keuren voor vrijgave en verder transport

2) door [betrokkene 3] geretourneerd naar [bedrijf A te plaats A].

Dat er roet in een andere periode dan de onderhavige zou zijn overgebracht blijkt evenmin uit het dossier. Dus primair wordt bestreden dat er roet is overgebracht in de zin van de Verordening 259/93."

4.3 Het Hof heeft op dit verweer niet expliciet gereageerd. Even aannemende dat hier sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, ligt de verwerping van het verweer echter in de bewijsmiddelen besloten.(14) Daaruit volgt immers dat [verdachte] B.V. op 23 januari 2003 (bewijsmiddel 6) en 27 februari 2003 (bewijsmiddel 7) telefonisch contact heeft gehad met transportbedrijf [bedrijf B] Een telefoonnotitie van 23 januari 2003 houdt in dat bij [bedrijf A] pallets met rubbercompounds en vaten met roet dienden te worden afgehaald. Dat is, blijkens dezelfde notitie, kennelijk op 24 februari(15) 2003, gebeurd ("pallets opgehaald bij [bedrijf A] en alles opgeslagen op terrein [bedrijf B]"). De notitie van 27 februari 2003 betreft "ca 15 pallets inh. vaten roet, etc = Amsterdam" en "2 pallets rubber compound = [vestigingsplaats]". De notitie houdt voorts in dat op 4 maart 2003 16 pallets zijn afgehaald bij [bedrijf A] en gelost bij [bedrijf B], terwijl op 6 maart 2003 twee pallets zijn gelost in [vestigingsplaats]. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat verdachte opdracht heeft gegeven diverse pallets, onder meer inhoudende de roetmixen, te vervoeren, hetzij van de [bedrijf A]fabriek naar de opslagplaats van [bedrijf B] in Amsterdam, hetzij naar zijn eigen bedrijf in [vestigingsplaats].

Verder houdt bewijsmiddel 5, een factuur van [bedrijf A] aan [verdachte] te [vestigingsplaats] in dat op 2 oktober 2002 gratis een hoeveelheid van 2025 kg roetmixen is geleverd.

Ten slotte heeft de verdachte verklaard ( bewijsmiddel 1) dat (onder meer) "de roetmixen" bestemd waren voor de export naar Indonesië en dat hij daarover niet op voorhand contact heeft gehad met de Nederlandse autoriteiten.

Het Hof heeft het naar Indonesië overbrengen van de roetmix in de bewezenverklaarde periode uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden. Dat die overbrenging ten aanzien van een andere partij niet is gelukt omdat deze in Nederland is onderschept, doet daaraan niet af.

4.4 Het middel faalt dus.

5.1 Het volgende middel wordt in de schriftuur als "middel 3A" en "subsidiair" gepresenteerd. Het richt zich tegen het oordeel van het Hof dat roetmix een afvalstof is. Dit oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn, om dezelfde redenen als in het tweede middel aangevoerd.

5.2 Kort gezegd wordt ook hier het Hof verweten als centrale uitgangspunt te hebben genomen de vraag of de houder zich van de roetmixen heeft willen ontdoen. Ik verwijs naar hetgeen ik hierover bij de bespreking van het eerste en tweede middel heb opgemerkt: het Hof heeft de juiste maatstaf aangelegd, terwijl zijn oordeel dat [bedrijf A] zich van de roetmixen, die de verdachte gratis heeft verkregen (bewijsmiddel 5), wilde ontdoen, niet onbegrijpelijk is.

5.3 Het middel faalt.

6.1 Het vierde middel klaagt erover dat het Hof niet heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ten aanzien van feit 3.

6.2. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 3 bewezen verklaard dat hij:

"op tijdstippen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 15 april 2003 te Amsterdam, als degene die verpakkingen, inhoudende onder andere een gevaarlijke stof, als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, te weten Vulkanox MB/MG, ter beschikking heeft gesteld, terwijl bij die aflevering en/of het ter aflevering voorhanden hebben op die verpakking de benaming van het gevaar of de gevaren van de stof, als bedoeld in artikel 34 lid 2 van de Wet milieugevaarlijke stoffen met het bijbehorende symbool, onderscheidenlijk de bijbehorende symbolen en/of een verwijzing naar de bijzonder, aan het gebruik van de stof verbonden gevaren en/of de veiligheidsaanbevelingen ter vermijding van de belangrijkste, aan het gebruik van de stof verbonden gevaren, zoals bedoeld in artikel 36 lid 1 a tot en met e van de Wet milieugevaarlijke stoffen, niet waren aangeduid."

6.3 Blijkens de pleitnota in hoger beroep is door de verdediging aangevoerd dat de verpakkingsvoorschriften van de Wet milieugevaarlijke stoffen (verder ook: de Wet) alleen gelden wanneer het betreffende product in Nederland op de markt wordt gebracht. Nu dat in casu niet is gebeurd - de stoffen zouden immers worden uitgevoerd naar Indonesië - zou de Wet milieugevaarlijke stoffen hier niet van toepassing zijn.

6.4 De tenlastelegging is toegespitst op art. 34, eerste lid van de Wet en daarin is de term "ter beschikking stellen" kennelijk in overeenkomstige zin gebezigd als in die bepaling. Zo gezien is dus aangevoerd dat bedoelde term in de Wet moet worden uitgelegd als "op de markt brengen". Overigens zonder dat verder is aangegeven waarom dat zo zou zijn of aan welke voorwaarden zou moeten zijn voldaan wil van "op de markt brengen" sprake zijn; laat staan dat is gesteld in welk opzicht in dit geval niet aan die voorwaarden is voldaan. Vermoedelijk bedoelde de raadsman, gelet op de verwijzing naar de vaste afnemer in Indonesië (die verder de samenstelling van de stoffen zou kennen en dus etiketten etc. niet nodig had), dat pas wanneer de stoffen (tegen betaling) worden afgeleverd aan een persoon die ze verder gaat verhandelen of gebruiken, van ter beschikking stellen sprake is.

Het bestreden arrest houdt geen antwoord op het verweer in.

6.5 Het Hof had het verweer op grond van het navolgende slechts kunnen verwerpen.

De geschiedenis van de totstandkoming van de Wet houdt in:

"Het wetsontwerp gebruikt voorts niet de term "in de handel brengen", aangezien elke vorm van aanbieden of vervreemden van de stof, ook die waarbij van commerciële aktiviteiten geen sprake is, moet worden gedekt, zulks mede ter navolging van de richtlijn. De term " aan een ander ter beschikking stellen" omvat al dit soort activiteiten",

waarna nog wordt gesteld dat bij de wettelijke term niet wordt gedoeld op de afgifte binnen één bedrijfsvestiging door de ene werknemer aan de andere en verder nog aandacht wordt gegeven aan enkele mogelijke grensgevallen, zoals in de verhouding tussen een moedervennootschap en haar dochter.(16)

6.6 De aan het verweer ten grondslag liggende opvatting is dus rechtstreeks in strijd met wat de wetgever met het gebruik van de desbetreffende term heeft beoogd en mijns inziens ook met de strekking van de bepaling. Die komt er op neer dat uit een oogpunt van een effectieve bescherming van mens en milieu tegen gevaarlijke (chemische) stoffen, bij elke vorm van het aanbieden of vervreemden van zo'n stof aan de etiketteringplicht moet zijn voldaan, opdat (ook) niet ter zake kundigen op de mogelijke gevaren van de stof moeten worden geattendeerd. Daarbij is niet van belang of het ter beschikking stellen is gebeurd met het oog op de doorvoer naar een ander land.

6.7 Uit de gebezigde bewijsmiddelen heeft het Hof het ter beschikking stellen aan een ander ([bedrijf B]) van verpakkingen, inhoudende Vulkanox, kunnen afleiden.

6.8 Het middel is dus tevergeefs voorgesteld.

7. De middelen falen. De middelen 3, 3A en 4 kunnen met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden afgedaan. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 In die bijlage staat onder GK: Afval van rubber.

2 Ook voor afval van rubber zij het niet voor gebruikte luchtbanden

3 De door de raadsman bedoelde verklaringen, in het bijzonder die van [betrokkene 1], houden overigens vooral in een interpretatie van de gang van zaken in het licht van het begrip 'afvalstof"en de Europese rechtspraak daarover en hebben niet zozeer betrekking op de feiten.

4 Zie ook HR 17 april 2007, LJN: AZ0220.

5 Vgl. de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende afvalstoffen en bijproducten van 21 februari 2007 (COM 2007, 59 def.) blz. 6. Het gaat dan m.i om de wijze waarop en de omstandigheden waaronder men afstand doet van het materiaal.

6 Zie ook de noot van Tieman onder deze beschikking in AB 2004, 273.

7 In deze zin ook Ch. Backes in zijn noot onder AB 2004, 272.

8 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e, p. 87.

9 Er wordt ook nog een beroep gedaan op een - nadere - verklaring van [betrokkene 1] voor zover deze oordeelt dat van bijproducten sprake is, maar zoals al opgemerkt houdt die in feite een (juridische) conclusie van de betrokkene in.

10 Zie de in noot 3 genoemde Mededeling van de Commissie van 21 februari 2007, blz. 9.

11 Zie bewijsmiddel 3 verklaring van S. Dunhoft.

12 Idem.

13 Zie ook HR 14 december 2006, LJN AR 4900.

14 Vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393 m. nt. Buruma, rov. 3.8.2

15 Dit moet gelet op de overige inhoud van de notitie kennelijk "januari" zijn.

16 TK 1980-1981, 16 800, nr. 3 (MvT), p. 66.