Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC0389

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
C06/255HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC0389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aansprakelijkheidsrecht. Toegewezen schadevordering van een koper van te velde staand en door bestrijdingsmiddel aangetaste partij vlas tegen eigenaar van aangrenzend erf vanwaar het middel is overgewaaid; bewijsoordeel, waardering van deskundigenonderzoek (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 53
RvdW 2008, 156
JWB 2008/42
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/255HR

Mr. D.W.F. Verkade

Zitting 9 november 2007

Conclusie inzake:

[Eiseres],

advocaat mr. P.J.L.J. Duijsens

tegen:

[Verweerster]

(niet verschenen)

1. Inleiding

1.1. De partijen zullen hierna worden aangeduid als [eiseres] en [verweerster].

1.2. [Verweerster], opkoper van een partij te velde staand vlas, vordert van eigenaar [eiseres] van het aanpalend perceel schadevergoeding ad € 3.528 (hoofdsom) omdat bij het toepassen van een glysofaathoudend bestrijdingsmiddel door een werknemer van [eiseres] niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen. Daardoor is het door [verweerster] aangekochte vlas op het aangrenzende erf aangetast. Een door de rechtbank benoemde deskundige heeft geconcludeerd dat de schade aan het vlas was ontstaan door het overwaaien van spuitvloeistof (nevel) van het glysofaathoudend bestrijdingsmiddel.

1.3. Zowel rechtbank als hof namen de conclusies van de deskundige over en veroordeelden [eiseres] tot betaling van de gevorderde schadevergoeding.

Het cassatieberoep richt zich tegen de waardering van het deskundigenonderzoek, in samenhang met klachten over waardering van de causaliteitsvraag en de onrechtmatigheidsvraag.

1.4. De klachten kunnen m.i. niet tot cassatie leiden. Vragen, die in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling om beantwoording vragen (vgl. art. 81 RO) heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten(1)

2.1. Een zekere [betrokkene 1] is eigenaar van een perceel landbouwgrond in [plaats], groot 5.82 hectare. In het seizoen 2002 heeft hij daarop vlas geteeld.

2.2. Ten noordwesten van dit perceel grond, gescheiden door een dijk, ligt een perceel landbouwgrond van [eiseres]. Op 31 mei 2002, 's middags, heeft een werknemer van [eiseres], [betrokkene 2], dat perceel bespoten met een glysofaathoudend bestrijdingsmiddel.

2.3. Volgens het KNMI kwam die middag in Philippine, een nabijgelegen dorp in de gemeente Sas van Gent, de wind uit richtingen tussen west en noordwest met een gemiddelde snelheid van 5 m/s en tijdens de sterkste stoten van 11 m/s.

2.4. Op 4 juni 2002 heeft [verweerster], die stelde het vlas van [betrokkene 1] te hebben gekocht, geconstateerd dat het vlas schade had opgelopen. Bij brief van 11 juni 2002 heeft zij [eiseres] hiervoor aansprakelijk gesteld.

2.5. [Betrokkene 3] van NV [A] te [plaats] heeft op verzoek van [verweerster] het perceel vlas onderzocht. Bij brief van 12 juni 2002 heeft hij [verweerster] meegedeeld dat er schade is en dat die ontegenzeggelijk veroorzaakt is door drift van glysofaat.

2.6. Volgens een schriftelijke koopovereenkomst van 12 juni 2002 heeft [verweerster] van [betrokkene 1] de opbrengst van het door [betrokkene 1] op zijn perceel te verbouwen vlas gekocht tegen een prijs van € 756,48 per hectare.

2.7. Op verzoek van [verweerster] heeft de rechtbank Middelburg bij beschikking van 10 juli 2002 een voorlopig deskundigenbericht bevolen, uit te brengen door F. Thomaes. Deze deskundige concludeerde in zijn rapport van 26 juli 2002, na bezichtiging van het perceel van [betrokkene 1] op een moment dat het vlas nog op het land stond, dat schade aan het vlas was ontstaan met typische verschijnselen van glysofaatbeschadigingen. Volgens de deskundige was de schade ontstaan door het overwaaien van spuitvloeistof (nevel) van een glysofaathoudend bestrijdingsmiddel. De schade was aflopend te zien op 2.45 hectare. Op de eerste halve hectare (de hectare die het dichtst bij het perceel van [eiseres] ligt) is de schade 75% op zaad en op lange vezel, op de volgende halve hectare 50% op zaad en op lange vezel en op de rest gemiddeld 25%. Thomaes heeft de totale schade berekend op € 3.528.

3. Procesverloop

3.1. Bij dagvaarding van 3 april 2003 vorderde [verweerster] de veroordeling van [eiseres] tot betaling van het bedrag van € 3.528,- vermeerderd met € 1.023,80 wegens kosten (van de deskundige en van de procedure) en rente. Hieraan heeft [verweerster] ten grondslag gelegd dat als gevolg van drift van het bestrijdingsmiddel dat door [eiseres] of een van haar ondergeschikten of opdrachtnemers is gespoten op haar perceel grond de door de deskundige (Thomaes) begrote schade is ontstaan aan het vlas, dat bij het spuiten niet de vereiste zorgvuldigheid in acht is genomen en dat dit onrechtmatig handelen aan [eiseres] is te verwijten althans is toe te rekenen.

3.2. [Eiseres] voerde gemotiveerd verweer.

3.3. Bij tussenvonnis van 13 augustus 2003 heeft de rechtbank Middelburg (sector kanton, locatie Terneuzen) de bezwaren tegen de conclusies van de deskundige verworpen. De kantonrechter nam de conclusies van het rapport van Thomaes over. Voorts werd overwogen dat de schade een gevolg is van de door [betrokkene 2] uitgevoerde bespuiting en dat [betrokkene 2] daarbij een fout heeft gemaakt. Nu [betrokkene 2] die bespuiting heeft uitgevoerd als ondergeschikte in de zin van art. 6:170 BW van [eiseres], is [eiseres] voor die schade aansprakelijk, tenzij [verweerster] het vlas heeft gekocht toen de schade al was opgetreden. Daartoe heeft de rechtbank [verweerster] toegelaten tot bewijs van feiten en omstandigheden waaruit kan worden afgeleid dat de koopovereenkomst met betrekking tot het vlas vóór 4 juni 2002 is gesloten.

3.4. Getuigenverhoren vonden plaats op 4 november 2003.

In het eindvonnis van 3 maart 2004 achtte de kantonrechter [verweerster] geslaagd in haar bewijs en wees de vorderingen toe.

3.5. Bij exploot van 19 mei 2004, hersteld bij exploot van 26 mei 2004, is [eiseres] van beide vonnissen bij het gerechtshof te 's-Gravenhage in hoger beroep gekomen, onder aanvoering van drie grieven.

[Verweerster] heeft de grieven gemotiveerd bestreden. Hierna heeft [eiseres] bij akte producties in geding gebracht, waarop [verweerster] bij akte heeft gereageerd.

3.6. Bij arrest van 8 juni 2006 heeft het hof de bestreden vonnissen bekrachtigd.

3.7. [Eiseres] heeft tegen het arrest van het hof - tijdig(2) - beroep in cassatie ingesteld. Tegen [verweerster] is verstek verleend.

4. Beoordeling van de klachten

4.1. Alvorens tot bespreking van de klachten over te gaan, merk ik op dat in cassatie niet meer ter discussie staat dat de koopovereenkomst tussen [verweerster] en [betrokkene 1] is gesloten vóór 4 juni 2002. Ook is eventuele strijd met art. 198 Rv terzake van de totstandkoming van het deskundigenrapport in cassatie niet meer aan de orde.

4.2. De drie cassatiemiddelen zijn gericht tegen rov. 8 t/m 19, in het bijzonder rov. 11, 12 en 19, en tegen het dictum van het arrest. De aangevallen overwegingen hebben betrekking op de behandeling van grief 1 waarin [eiseres] haar bezwaren tegen het deskundigenrapport handhaaft en zij, onder overlegging van een contra-expertise, de inhoud ervan betwist.

Middel 1

4.3. Middel 1 klaagt dat [eiseres]s bezwaar tegen het afzien van monsterneming door de deskundige Thomaes ten onrechte dan wel onbegrijpelijk door het hof is verworpen. Het middel wordt toegelicht in de nrs. 2 t/m 8 van de cassatiedagvaarding, waarbij met name nr. 8 probeert de klacht te verduidelijken.

Het hof overwoog als volgt:

'11. [Eiseres] maakt er voorts bezwaar tegen dat de deskundige geen monster van het vlas heeft genomen en bewaard. De deskundige heeft het vlas beoordeeld terwijl het nog op het land stond. Hij achtte monstername niet nodig omdat volgens hem de beschadiging onomstotelijk was veroorzaakt door glysofaat.

12. Dat geen monster van het vlas is genomen en bewaard, is naar het oordeel van het hof niet een verwijt dat het oordeel van de deskundige of de procedure rondom de totstandkoming van het deskundigenbericht aantast. De deskundige is zonder monstername tot zijn oordeel gekomen. Ook dit bezwaar wordt verworpen.'

Rov. 17 is eveneens van belang voor beoordeling van onderhavige klacht:

'17. Het hof neemt het oordeel over van de deskundige Thomaes, nu deze kort na de spuitdatum het vlas op het land heeft onderzocht en, op grond van zijn ervaring en intuïtie, tot de conclusie is gekomen dat de schade is ontstaan door glysofaat.'

4.4. Vooropgesteld dient te worden dat de waardering van bewijs is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en dat deze daarbij een grote vrijheid heeft.(3) Het oordeel van een deskundige dient tot voorlichting van de rechter en kan tevens bijdragen tot het bewijs van feiten of tot een beter inzicht op de feiten.(4) De rechter is niet gebonden aan het resultaat van een deskundigenonderzoek, de waardering daarvan is aan zijn oordeel overgelaten. Dat geldt ook voor de eventuele noodzaak tot (en zo ja, de wijze van) monsterneming en -bewaring. Hierop stuit de rechtklacht af.

4.5.1. Wat de motiveringsklacht betreft, dient vooropgesteld te worden dat de rechter in beginsel een beperkte motiveringsplicht heeft, ook wat betreft zijn beslissing de zienswijze van een door hem benoemde deskundige al dan niet te volgen. Hoever deze motiveringsplicht in het concrete geval strekt, is echter afhankelijk van de aard en de mate van precisering van de daartegen door partijen aangevoerde bezwaren.(5) Daaromtrent merk ik het volgende op.

4.5.2. In alinea 7 van de MvG is het bezwaar van [eiseres] tegen het niet nemen van monsters door Thomaes kenbaar gemaakt. Over het nemen van monsters was in een brief van 14 augustus 2002 van de gemachtigde van [eiseres] (prod. bij inleidende dagvaarding) opgemerkt:

'Gelet op al het vorenstaande dient resp. diende monsters genomen te worden van het beschadigde gewas om die te vergelijken met de gewas- en/of onkruidschade die cliënte (bewust) heeft veroorzaakt op haar eigen perceel. Door analysering van deze monsters door een erkend instituut kan dan eerst tot conclusies worden gekomen!'

In reactie op deze brief heeft Thomaes in zijn brief van 26 augustus 2002 (prod. bij inleidende dagvaarding) aangegeven dat zijns inziens monsterneming niet nodig is omdat de schade in het vlas onomstotelijk veroorzaakt is door glysofaat.

4.5.3. Alinea 8 van de MvG (d.d. 11 november 2004) ging nader in op art. 198 lid 2 Rv waaruit onder andere is op te maken dat de deskundigen bij hun onderzoek partijen in de gelegenheid moeten stellen opmerkingen te maken en verzoeken te doen.(6) Uit deze alinea zou kunnen worden opgemaakt dat [eiseres] een verzoek tot het nemen van monsters door de deskundige zou hebben gedaan:

'Het verzoek van [eiseres] om monsters te bewaren, zodat de bevindingen van de deskundigen kunnen worden getoetst en eventueel weerlegt, is zonder meer redelijk te achten en hieraan is geheel ten onrechte niet voldaan.'

Het is echter onduidelijk of en zo ja wanneer [eiseres] een dergelijk verzoek zou hebben gedaan. Een dergelijk verzoek is in ieder geval niet gedaan bij brief van 15 juli 2002 door de toenmalige advocaat van [eiseres] (prod. IV bij Conclusie van repliek d.d. 4 juni 2003), terwijl het doen van een verzoek als hierboven bedoeld toen m.i. (nog) tot de mogelijkheden behoorde. Omtrent een later geuite wens tot monsterneming is niets gesteld of gebleken. Mocht de klacht neergelegd in middel 1 zo gelezen moeten worden dat deze ook betrekking heeft op het niet voldoen door Thomaes aan een verzoek zoals hier bedoeld, dan mist de klacht dus feitelijke grondslag.

4.5.4. Een jaar en negen maanden na de totstandkoming van het rapport van de door de rechtbank benoemde deskundige Thomaes heeft de door [eiseres] ingeschakelde deskundige [betrokkene 4] een rapport d.d. 16 mei 2004 uitgebracht (prod. 3 bij MvG, aangevuld bij akte in hoger beroep d.d. 6 januari 2005). Naar aanleiding van een reactie van Thomaes op dit rapport d.d. 13 december 2004 (prod. 1 bij MvA), repliceerde [betrokkene 4] bij brief van 30 maart 2005 (prod. 4 bij akte uitlating producties d.d. 31 maart 2005):

'Monsteranalyse is de juiste manier om vast te stellen dat van vergiftiging van vlas door glysofaat sprake is. Mede gezien de onzekerheid van het overwaaien van het glysofaat, gezien de afstand en de tussenliggende barrière, kon de deskundige niet zomaar op zijn eerste vermoeden af gaan.'

In zoverre heeft [eiseres], zoals het middel onder nr. 6 van de cassatiedagvaarding opmerkt, het belang van monsteropneming om bevindingen te kunnen doen, in rechte benadrukt. Echter: pas op dat tijdstip.

4.5.5. Hierboven (nr. 4.4) is al aangegeven dat de rechtsklacht van het middel faalt: de (eventuele) opvatting dat de deskundige steeds gehouden zou zijn tot monsterneming, vindt geen steun in het recht.

De motiveringsklacht faalt, omdat het hof, zonder dat dit onbegrijpelijk is, heeft kunnen overwegen dat de deskundige zonder monsterneming tot zijn oordeel kon komen (rov. 12) en eveneens dat de deskundige daartoe op grond van zijn ervaring en intuïtie kon komen (rov. 17). De motiveringsklachten blijken zich in wezen ook niet tegen die oordelen van het hof te richten, maar tegen de beperking van (verdere) controleerbaarheid van het oordeel van de deskundige door het ontbreken van monsterneming. Wat dat aangaat heeft het hof evenwel met zo veel woorden overwogen (rov. 12): 'Dat geen monster van het vlas is genomen en bewaard, is naar het oordeel van het hof niet een verwijt dat het oordeel van de deskundige of de procedure rondom de totstandkoming van het deskundigenbericht aantast.' In dit oordeel ligt besloten dat, indien [eiseres] met het oog op voormeld doel monsterneming wenste, het op haar weg had gelegen om deze wens tijdiger ter kennis van de deskundige te brengen. Gelet op hetgeen ik hierboven onder 4.5.2 t/m 4.5.4 gereleveerd heb, is niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd, dat het hof oordeelde dat aan de deskundige niet te verwijten valt dat dat niet gebeurd is. Overigens blijkt uit niets waarom [eiseres] niet zelf monsters heeft kunnen nemen en dat niet gedaan heeft.

4.6. Ik merk nog op dat, anders dan in nr. 8 van de cassatiedagvaarding wordt gesteld, [eiseres] bovendien niet(7) naar voren heeft gebracht dat de deskundige Thomaes niet heeft gelet op alternatieven of verder onderzoek heeft verricht, zodat zijn oordeel gebrekkig zou zijn. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.

Middel 2

4.7. Middel 2 stelt de vraag aan de orde of het hof terecht dan wel begrijpelijk en voldoende gemotiveerd heeft overwogen dat [eiseres] onzorgvuldig heeft gehandeld, welk handelen de door [verweerster] gestelde schade heeft veroorzaakt, zodat [eiseres] is gehouden tot vergoeding van de door [verweerster] geleden schade. Het middel wordt toegelicht in nrs. 9 t/m 18 van de cassatiedagvaarding.

4.8. Bij de beoordeling van dit middel moet het volgende vooropgesteld worden. De rechtmatigheid van het handelen van (de werknemer van) [eiseres] moet worden beoordeeld in het licht van de maatschappelijke opvattingen ten aanzien van het gebruik van bestrijdingsmiddelen en het risico daarvan voor - onder meer - omliggende vegetatie. Dat risico is een feit van algemene bekendheid.

Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (waaronder de windrichting en -sterkte), welk handelen (of juist: achterwege laten van handelingen) verwacht kan worden van hen die met bestrijdingsmiddelen omgaan, waarbij evenwel de even genoemde algemene bekendheid met de risico's daarvan steeds voorop moet staan.

Het hof heeft deze maatstaf klaarblijkelijk aan zijn beoordeling van het geschil tussen partijen ten grondslag gelegd. Het hof is dus van een juiste rechtsopvatting uitgegaan bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het handelen van (de werknemer van) [eiseres]. Voor zover het middel een daartegen gerichte rechtsklacht bevat, faalt het.

4.9. De klachten blijken zich voor het overige - zonder uitzondering - te richten op oordelen van feitelijke aard. Voor zover zij als nadere rechtsklachten zouden zijn bedoeld, miskennen zij (dus) de grenzen van hetgeen in cassatie nog aan de orde kan komen: die oordelen kunnen in cassatie immers niet op juistheid worden getoetst. Wel kan worden getoetst of de voor deze oordelen gegeven motivering begrijpelijk en genoegzaam is.

Ik acht de aangevallen oordelen niet onbegrijpelijk, noch onvoldoende gemotiveerd. De klachten gaan uit van motiveringseisen die niet kunnen worden gesteld aan oordelen die - zoals de onderhavige - berusten op de uitleg en waardering van gegevens van feitelijke aard. Zij vragen in de vorm van motiveringsklachten in wezen een hernieuwde beoordeling van de stellingen van [eiseres] en van het bewijsmateriaal, welke beoordeling de taak van de cassatierechter te buiten gaat.(8)

Middel 2 kan dus niet tot cassatie leiden.

4.10. Mocht uw Raad ten aanzien van een of meer van de in het middel vervatte gedetailleerde klachten een nadere stellingname mijnerzijds willen vernemen, dan houd ik mij daartoe op eerste afroep bereid.

Middel 3

4.11. Middel 3, toegelicht in de nrs. 19 t/m 22 van de cassatiedagvaarding, bouwt voort op middel 2, en stelt aan de orde of het hof in rov. 19 terecht dan wel voldoende begrijpelijk het door [eiseres] gedane bewijsaanbod heeft gepasseerd.

4.12. Het bewijsaanbod van [eiseres] heeft betrekking op de vraag of [betrokkene 2] op een gangbare hoogte van 50 centimeter en bij een lage spuitdruk heeft gewerkt, zodat onwaarschijnlijk is dat grote druppeldrift heeft plaatsgevonden.(9) Het hof oordeelde dat er mede gelet op het schadebeeld van moet worden uitgegaan dat de noordwestenwind met een kracht van 5 m/s dan wel van 11 m/s het beschadigende middel heeft verspreid, ook al heeft [betrokkene 2] op de gangbare hoogte gewerkt. Het hof mocht zodoende het bewijsaanbod van [eiseres] op dit punt als niet ter zake dienend passeren, omdat het resultaat van de bewijslevering geen invloed zou hebben op het eindoordeel. De rechtsklacht is daarom ongegrond: het hof oordeelt immers niet dat het bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd. De motivering van het hof om het bewijsaanbod te passeren is voldoende duidelijk en begrijpelijk, zodat ook de motiveringsklacht faalt.

5. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 De feiten zijn ontleend aan rov. 1.1 t/m 1.6 van het in cassatie bestreden arrest (zie ook rov. 1) en rov. 1 van het tussenvonnis van de rechtbank van 13 augustus 2003.

2 Het arrest dateert van 8 juni 2006; de cassatiedagvaarding is op 7 september 2006 uitgebracht.

3 Vgl. bijv. HR 8 januari 1999, NJ 1999, 319, m.nt. ARB en HR 14 december 2001, NJ 2002, 105, m.nt. DWFV.

4 Vgl. bijv. HR 5 december 2003, NJ 2004, 74.

5 HR 5 december 2003, NJ 2004, 74.

6 Zie nr. 6 van de cassatiedagvaarding, waar wordt verwezen naar alinea 8 van de MvG.

7 Ook niet in de in voetnoot 12 vermelde vindplaatsen, indien het middel zou bedoelen die ter adstructie aan te halen.

8 Vgl. HR 25 november 2005, nr. C04/182, RvdW 2005, 130, LJN AT8782 (Eternit/Erven H.), rov. 3.4.

9 Alinea 10 tweede streepje en alinea 20 van de MvG.