Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC0386

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
01-02-2008
Datum publicatie
01-02-2008
Zaaknummer
R07/084HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8355
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC0386
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over wijziging van partneralimentatie (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 68
RvdW 2008, 184
JWB 2008/57
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R07/084HR

Mr. D.W.F. Verkade

Parket 29 november 2007

Conclusie inzake:

[De man]

(hierna: de man)

tegen

[De vrouw]

(hierna: de vrouw)

1. Inleiding

1.1. In deze op de voet van art. 1:401 BW aangespannen zaak, betreffen de in cassatie te beoordelen klachten 's hofs vaststelling van de behoefte van de vrouw.

1.2. De klachten kunnen m.i. niet tot cassatie leiden. Rechtsvragen die beantwoording behoeven in het belang van de rechtseenheid en de rechtsontwikkeling (in de zin van art. 81 R.O.) heb ik niet aangetroffen.

2. Feiten(1) en procesverloop

2.1. Partijen zijn op 31 augustus 1972 in gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

2.2. Op 10 januari 2001 heeft de rechtbank Dordrecht tussen partijen de echtscheiding uitgesproken. De beschikking is op 29 mei 2001 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2.3. Bij de genoemde beschikking van 10 januari 2001 is bepaald dat de man ten behoeve van de vrouw een alimentatie zal betalen van f 4.000,- (€ 1.815,12) per maand.

2.4. Na door de man ingesteld hoger beroep heeft het hof te 's-Gravenhage bij beschikking van 28 november 2001 de alimentatieverplichting van de man ten behoeve van de vrouw (met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand) nader bepaald op € 1.361,- per maand.(2)

Krachtens wettelijke indexering is het maandelijks bedrag verhoogd tot - ten tijde van het huidige geding in eerste aanleg - € 1.533,- per maand.

2.5. Bij verzoekschrift van 15 maart 2005 heeft de man de rechtbank Dordrecht verzocht om de alimentatie, zoals door het hof te 's-Gravenhage in zijn beschikking van 28 november 2001 vastgesteld, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift op nihil te bepalen. Hij stelde, samengevat, (i) dat de vrouw inmiddels eigen inkomsten heeft en haar werkzaamheden kan uitbreiden, en (ii) dat het hof bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw is uitgegaan van een te laag (inkomen uit) vermogen aan haar zijde. De vrouw voerde verweer en stelde, samengevat, dat haar inkomsten ontoereikend zijn om geheel in haar levensonderhoud te voorzien, en dat uitbreiding van haar werkzaamheden op medische gronden voorshands niet mogelijk is.

2.6. In een zelfstandig verzoek vroeg de vrouw te bepalen dat de alimentatie wordt vastgesteld op € 4.400,- per maand. Zij voerde daartoe aan (i) dat het hof is uitgegaan van een onjuiste berekening van haar behoefte, (ii) dat zij inmiddels medische beperkingen heeft opgelopen die aan het vinden van een volledige dienstbetrekking in de weg staan, (iii) dat zij heeft moeten interen op haar vermogen, en (iv) dat zij de studiekosten voor de dochter van partijen thans geheel voor haar rekening neemt.

De man heeft het zelfstandig verzoek van de vrouw weersproken, onder meer stellende dat de door de vrouw gestelde behoefte absurd is en op vele posten moet worden gecorrigeerd.

2.7. Bij beschikking van 14 december 2005 heeft de rechtbank de beschikking van het hof 's-Gravenhage van 28 november 2001 gewijzigd en de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 15 maart 2005 op € 688,- per maand bepaald. Dat bedrag is als volgt tot stand gekomen: uitgangspunt is de totale bruto behoefte van de vrouw van € 2.269,-, verminderd met haar eigen inkomsten, door de rechtbank bepaald op € 721,- bruto per maand en de inkomsten uit vermogen (waarbij ook(3) de rechtbank uitgaat van een rendement van 4%) van € 860,- per maand.

2.8. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld. Zij verzocht, kort samengevat, verhoging van de alimentatie tot € 2.870,74 per maand, alsmede afwijzing van de door de man verzochte nihilstelling c.q. verlaging van de partneralimentatie.

2.9. De man heeft een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend. In het incidenteel beroep verzocht de man de beschikking van de rechtbank te vernietigen voor wat betreft de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie en deze op 8 maart 2002 te bepalen (vanaf welke datum de vrouw eigen inkomsten uit arbeid heeft) en de vrouw te bevelen de aldus teveel betaalde alimentatie terug te betalen, en voorts de alimentatieverplichtingen van de man per 1 januari 2006 op nihil te stellen omdat de vrouw vanaf die datum voldoende eigen inkomsten had.

2.10. De vrouw voerde verweer in het incidenteel appel. De mondelinge behandeling van het hoger beroep heeft plaatsgevonden op 29 november 2006.(4)

2.11. Bij beschikking van 24 januari 2007 vernietigde het hof de beschikking van de rechtbank, overwoog (rov. 20) dat zijn beschikking van 28 november 2001 tot 24 januari 2007 ongewijzigd van toepassing bleef, en stelde per 24 januari 2007 de alimentatie vast op € 1440,- per maand.

Het door het hof in zijn beschikking van 28 november 2001 bepaalde behoeftebedrag van € 2.269,- bruto per maand werd (dus ook) bekrachtigd (vgl. rov. 6). Het bedrag van € 1440,- komt tot stand door (kort gezegd) van het behoeftebedrag van € 2.269,- het bruto inkomen uit arbeid en het daadwerkelijk(5) behaalde bruto inkomen uit vermogen af te trekken (rov. 14), met bepaling van een gemiddelde, aangezien het inkomen van de vrouw fluctueert (rov. 15).

2.13. Bij verzoekschrift van 24 april 2007, op diezelfde dag binnengekomen bij de griffie van de Hoge Raad, heeft de man - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft het cassatieberoep tegengesproken.

3. Beoordeling van de klachten

3.1. Centraal in deze zaak staat de vaststelling van de behoefte van de vrouw.(6) De feitenrechter geniet bij de vaststelling van de hoogte van de behoefte een grote mate van vrijheid(7): aan beslissingen die uitsluitend betreffen het vaststellen en wegen van de door partijen met het oog op de behoefte aangevoerde omstandigheden kunnen geen hoge motiveringseisen worden gesteld(8). Ook is de rechter niet verplicht alle berekeningen in zijn beschikking op te nemen, mits uit de beschikking voldoende blijkt van welke gegevens de rechter bij zijn berekeningen gebruik heeft gemaakt.(9) Slechts indien de feitenrechter uitgaat van een verkeerde rechtsopvatting of indien er sprake is van evidente motiveringsgebreken of klaarblijkelijke (reken)-fouten kan daar in cassatie mogelijk met succes over worden geklaagd.(10) Dit hangt samen met 'het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtegang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden - in geval van openstaan van hogere voorzieningen: de hogere rechter daaronder begrepen - controleerbaar en aanvaardbaar te maken.'(11) Hoe ver, tegen deze achtergrond, de motiveringsplicht van de alimentatierechter gaat is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Tot die omstandigheden behoort mede het aan de beslissing ten grondslag liggende partijdebat. Zo mag niet voorbijgegaan worden gegaan aan een essentieel te achten stelling.(12)

3.2. Het middel bestaat uit drie onderdelen.

3.3. Onderdeel 1 klaagt dat het hof bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw (in rov. 14 en 15) in de voorafgaande rov. 12 en 13 heeft verzuimd de door de man aangevoerde koersstijging van het aandelenpakket over 2005 á € 20.373,84 in aanmerking te nemen. Het onderdeel acht evenzo onbegrijpelijk 's hofs overweging dat de man de door de vrouw in het geding gebrachte financiële gegevens niet heeft betwist en het overzicht werkelijke inkomsten uit vermogen onweersproken heeft gelaten, waarmee het hof ook buiten de grenzen van de rechtsstrijd zou zijn getreden.

3.4. De klacht faalt. Het hof heeft blijkens rov. 12 en 13 (in vergaande mate) gehoor gegeven aan het beroep van de vrouw op de omstandigheid dat het daadwerkelijk genoten inkomen uit vermogen aanzienlijk lager was dan het in de eerdere beschikking van het hof van 21 november 2001 tot uitgangspunt genomen fictief rendement van 4% over f 600.000.(13) Men kan zich afvragen of deze benadering van het hof een gelukkige benadering is. Het onderdeel bevat evenwel geen rechts- of motiveringsklachten dáártegen.

Dat het hof de door de man aangegeven, door de vrouw behaalde koerswinst ad € 20.373,84 niet bij het door het hof in rov. 13 bedoelde 'werkelijke inkomsten uit vermogen' heeft opgeteld, acht ik verre van onbegrijpelijk. De stellingname van de man gaat immers uit van de gedachte dat de door hem bedoelde koerswinst door de vrouw bij de inkomsten geteld, en daarmee als 'opsoupeerbaar' zou moeten worden beschouwd. Dat het hof - klaarblijkelijk - die gedachtegang verworpen heeft, is begrijpelijk. Koerswinsten zijn momentopnamen ten aanzien van de vermogenssituatie, evenals koersverliezen. De man zal - naar men mag aannemen - toch ook niet het standpunt hebben willen verdedigen dat bij een koersverlies ad € 20.373,84 of daaromtrent op de door hem bedoelde peildatum, de behoefte van de vrouw over de relevante periode 2002-2005 dienovereenkomstig vermeerderd zou zijn. Over kwesties wanneer precies de vrouw 'winst had moeten nemen' (of omgekeerd: de man 'verlies zou hebben te accepteren') met het oog op de behoefte van de vrouw, spreek ik dan nog niet eens. De benaderingswijze van de man is dus niet deugdelijk, en het hof heeft dat klaarblijkelijk doorzien, zonder dat dat nadere motivering behoefde.

3.5. Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 17. De man klaagt acht 's hofs overweging dat het '[g]elet op de proceshouding van de vrouw [...] onder de gegeven omstandigheden redelijk [is] de [gewijzigde] alimentatie eerst per heden vast te stellen' onbegrijpelijk. Volgens het onderdeel geeft de proceshouding van de vrouw juist geen aanleiding tot een door hem in 's hofs beschikking onderkend welwillend oordeel.

3.6. Ook deze klacht faalt. De waardering van een omstandigheid als de proceshouding van de partijen is bij uitstek overgelaten aan de feitenrechter, en kan in cassatie niet op juistheid worden, doch slechts op begrijpelijkheid worden getoetst, waarbij voor de feitenrechter geen hoge motiveringseisen gelden.

De vrouw heeft in de appelprocedure nader inzicht gegeven in haar (hogere) inkomsten en haar geactualiseerde vermogenssituatie. De omstandigheid dat de vrouw dat toen wél, en niet eerder in de - door de man geëntameerde - wijzigingsprocedure gedaan heeft, is door het hof klaarblijkelijk verdisconteerd in zijn in rov. 17 neergelegde oordeel. Ik teken hierbij nog aan dat het hof in rov. 9, laatste twee volzinnen - rechtens juist - heeft overwogen dat het niet informeren van de alimentatieplichtige omtrent het verwerven van inkomsten onder omstandigheden aangemerkt kan worden als een gedraging waardoor de alimentatiegerechtigde haar aanspraak kan verliezen, maar dat de man dáárover in het onderhavige geval niets gesteld heeft. Het middel bevat geen klacht tegen deze rov. 9.

3.7. Daar komt nog bij dat de rechter ook bij de vaststelling van de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatiebijdrage een zekere mate van vrijheid toekomt (art. 1:402 lid 1 BW) en als uitgangspunt kan gelden dat deze zonder nadere motivering op de datum van beschikking kan worden gesteld, anders dan bij een ingangsdatum met terugwerkende kracht het geval kan zijn.(14)

3.8. Onderdeel 3 richt zich tegen 's hofs oordeel in rov. 19(15), dat niet gebleken is 'dat de vrouw in 2006 geen behoefte meer heeft aan dit bedrag [€ 1440,- per maand], dan wel dat haar behoefte aan een bijdrage verminderd is'. In de kern verwijt het onderdeel het hof dat het is voorbijgegaan aan essentiële stellingen van de man omtrent inkomen uit arbeid van de vrouw. Daarom moet, zo meen ik, het onderdeel bezien worden in het licht van het partijdebat.

3.9. De verwijzing (op blz. 5 bovenaan van het verzoekschrift tot cassatie) naar de stellingen van de man in de MvA(16), nrs. 46-47, blijkt in dit verband geen hout te snijden. Aldaar gaat het om de in het kader van onderdeel 1 al besproken vermogensrendementkwestie, en verder om algemeenheden.

3.10. De tweede alinea op blz. 5 verwijst naar hetgeen in hoger beroep over en weer naar voren gekomen is over het hogere inkomen van de vrouw vanaf 1 januari 2006 tot (in elk geval) 1 juli 2007 ad € 1.155,- per maand. Niettegenstaande de desbetreffende stellingen over en weer van partijen, zou het hof daaraan ten onrechte geheel voorbij zijn gegaan. Het onderdeel verwijst naar enerzijds (i) productie 12 bij de brief van 17 november 2006(17) namens de vrouw en (ii) de pleitnota in appel zijdens de vrouw, blz. 2; en anderzijds (iii) de pleitnota in appel zijdens de man, blz. 6 en 9.

3.10.1. Op zichzelf is juist dat in de door de vrouw overgelegde, onder (i) bedoelde brief van haar werkgever ([A] BV) d.d. 14 november 2006 is aangegeven dat de vrouw over de periode 1 januari 2006 tot 1 juli 2007 € 1.155 bruto per maand verdient (waarin een verhoging met € 575 per maand met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 begrepen was). Dezelfde brief vermeldde echter ook dat - in verband met de beëindiging per 1 juli 2007 van het tijdelijke project waaraan zij zou participeren - per 1 juli 2007 de vrouw zou terugkeren naar een tijdelijk dienstverband van 16 uur per week voor een salaris van € 743 bruto per maand.

In de onder (ii) bedoelde pleitnota namens de vrouw, blz. 2, onderaan, is melding gemaakt van het hogere inkomen van 1 januari 2006 tot 1 juli 2007. Dit is echter geplaatst in de context van het lagere inkomen in de jaren daarvóór (per maand in 2002-2004: € 660; in 2004-2005: € 721; later in 2005: € 575) en in de context van het weer teruggaan naar € 575 per maand op 1 juli 2007. Daarnaast stond deze stellingname zijdens de vrouw in de context van het aantonen dat een hoger inkomen uit arbeid voor haar niet haalbaar is, waartoe verder onder meer gewezen werd op talrijke niet succesvolle sollicitatiepogingen, de leeftijd en de werkervaring van de vrouw, gezondheidsklachten, en de situatie op de arbeidsmarkt. Het betoog vervolgt (op blz. 3 bovenaan) dat de rechtbank over de periode tot januari 2006 van een te hoog inkomen van de vrouw is uitgegaan, en dat dit naar verwachting ook weer het geval zal zijn vanaf juli 2007.

3.10.2. Van de kant van de man is t.a.p. (pleitnota in appel blz. 6 en 9) het volgende betoogd. Onder het kopje 'De mogelijkheden voor mevrouw inkomsten uit arbeid te genereren' wordt op blz. 6 relatief uitvoerig stilgestaan bij de volgens de man betere kansen van de vrouw op de arbeidsmarkt en op haar vermeende werk(-on)willigheid. Ten aanzien van het hogere inkomen is slechts opgemerkt:

'Van harte wil ik mevrouw dan ook feliciteren dat zij het nu toch heeft klaargespeeld, toen zij eind 2005 hoorde dat haar alimentatie werd gehalveerd, zij uiteindelijk per 1 januari 2006 een verdubbeling van haar inkomen heeft weten te verkrijgen van haar werkgever. Deze werkgever is toch tot veel bereid ten aanzien van mevrouw.'

Afgezien van terloops en indirect geuite twijfel (onderaan blz. 6 van de pleitnota) is t.a.p. door de man niet ingegaan op de door de vrouw gestelde terugval tot € 575 per maand op 1 juli 2007.

Op blz. 9, waarnaar het onderdeel eveneens verwijst, is ten deze slechts te lezen: 'De felicitaties voor de verdubbeling van mevrouw's inkomen uit arbeid met ingang van 1 januari 2006 bracht ik al over.' Op de door de vrouw aangegeven terugval per 1 juli 2007 wordt niet ingegaan.

3.11. In het licht van dit partijdebat acht ik het niet onbegrijpelijk dat het hof de door het onderdeel aangehaalde stellingen van de man kennelijk gelezen heeft als een beroep van de man op de mogelijkheid van (blijvende) grotere arbeidsinkomensverwerving respectievelijk verdiencapaciteit van de vrouw, en dat het hof de aldus te begrijpen stellingname van de man, tegenover de stellingen van de vrouw, verworpen heeft. Evenmin acht ik het onbegrijpelijk dat het hof, tegen deze achtergrond, en tegen de achtergrond van rov. 15, luidende:

'De redelijkheid brengt met zich mede dat bij het vaststellen van de behoefte wordt uitgegaan van een gemiddelde, aangezien het inkomen van de vrouw fluctueert. Het hof stelt de aanvullende behoefte in deze in redelijkheid vast op € 1.440,- bruto per maand'

geen aanleiding heeft gezien om bij zijn beschikking van 7 januari 2007, met een door de vrouw gestelde en door de man niet genoegzaam weersproken (zie boven) op handen zijnde salaristeruggang van de vrouw per 1 juli 2007, een tijdelijke verlaging over de periode 1 januari 2006 tot 1 juli 2007 toe te passen. Ik teken nog aan dat het door het onderdeel gestelde structureel hogere inkomen na 1 juli 2007 (in verhouding tot het jaarinkomen ad € 8.042 in 2005) geen steun vindt in de feiten; integendeel(18).

3.12. De klacht lijkt voorts over het hoofd te zien dat de man andermaal de weg van art. 1:401 BW kan volgen, indien de door het hof vastgestelde alimentatie door (structurele) wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.

4. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De procureur-generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

A-G

1 Ontleend aan de beschikking van de rechtbank Dordrecht d.d. 14 december 2005, p. 2 boven.

2 De vermindering vond zijn grondslag hierin, dat het hof in tegenstelling tot de rechtbank van oordeel was dat de inkomsten die de vrouw kan genereren uit het aan haar toegekomen deel van de huwelijksgoederengemeenschap mede bepalend zijn voor haar behoefte. Het hof ging daarbij uit van een in redelijkheid te behalen rendement van 4%: beschikking hof d.d. 28 november 2001, rov. 2.

3 Vgl. vorige voetnoot.

4 Het proces-verbaal bevindt zich in het A-dossier, niet in het B-dossier.

5 Dit in tegenstelling tot het 4% fictief rendement, dat het hof in zijn beschikking van 28 november 2001 hanteerde.

6 Hierover in het algemeen: Asser-De Boer (2006), nr. 620 e.v.

7 Vgl. bijv. HR 25 november 1977, NJ 1978, 359.

8 Vgl. bijv. HR 24 december 1982, NJ 1983, 389, rov. 3.2 en HR 24 november 1995, NJ 1996, 260, rov. 3.3.

9 HR 17 maart 2000, NJ 2000, 313, rov. 3.4.

10 Vgl. bijv. HR 4 december 1981, NJ 1982, 60 en HR 4 september 1998, NJ 1998, 827, rov. 3.5 met verwijzing naar nrs. 2.12-2.17 van de conclusie van A-G Langemeijer.

11 Vgl. bijv. HR 29 juni 2001, NJ 2001, 495, rov. 3.3.

12 Vgl. bijv. HR 17 maart 2000, NJ 2000, 333, rov. 3.4.

13 Dat zou, in euro's, neerkomen op ruim € 10.000 per jaar; blijkens rov. 13 bedroegen de inkomsten uit vermogen 2002-2005 tussen de € 2.297 en € 4.147 per jaar.

14 Vgl. Asser-De Boer (2006), nr. 1049.

15 Het middel spreekt kennelijk abusievelijk over rov. 18.

16 Bedoeld is kennelijk: het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel.

17 Bedoeld is kennelijk: de brief van 21 november 2006.

18 Zie rov. 14, rechterkolom: bruto inkomen uit arbeid € 670 per maand, en de door de vrouw gemotiveerd gestelde teruggang per 1 juli 2007 tot € 575 per maand.