Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BC0258

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
R07/076HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7019
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BC0258
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over in de echtscheidingsprocedure vastgestelde partner- en kinderalimentatie (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 114
RvdW 2008, 231
JWB 2008/83
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. R07/00076HR

Mr. Huydecoper

Parket, 14 december 2007

Conclusie inzake

[De man]

verzoeker tot cassatie

tegen

[De vrouw]

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1) Het gaat in deze zaak om in het kader van een echtscheidingsprocedure vastgestelde verplichtingen inzake levensonderhoud. De feitelijke achtergrond is tamelijk overzichtelijk:

De verzoeker tot cassatie, [de man], en de verweerster in cassatie, [de vrouw], zijn in 1987 getrouwd. Zij zijn in 2004 feitelijk uiteengegaan. Als uitvloeisel van een in augustus 2005 ingediend verzoek tot echtscheiding is het huwelijk op 7 juni 2006 ontbonden door inschrijving van een echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

[De man] is geboren op [geboortedatum] 1953. Hij is op 5 juli 2006 hertrouwd. Zijn huidige echtgenote voorziet in haar eigen levensonderhoud. Zijn inkomen bestaat (afgezien van mogelijke "zwarte" inkomsten, die in deze zaak een voorwerp van geschil vormen) uit een pensioenuitkering en een WAO-uitkering van in totaal (afgerond) € 4.340,- bruto per maand.

[De vrouw] is geboren op [geboortedatum] 1958. Zij vormt een huishouding met de minderjarige dochter die uit het huwelijk van partijen is geboren(2). Haar inkomen bestaat uit salaris en een WAO-uitkering, van in totaal (afgerond) € 1.727,- bruto per maand.

2) De rechtbank heeft de behoefte van [de vrouw] geraamd op circa € 2.125,- per maand en die van de dochter van partijen op € 630,- per maand.

In 2004 heeft de Belastingdienst navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen aan [de man] opgelegd wegens een door hem verzwegen bankrekening in Luxemburg met een saldo per 31 januari 1994 van (omgerekend en afgerond) € 44.057,-. [De man] heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen zijn echter gehandhaafd.

Op een namens [de man] ingesteld beroep was (ten tijde van de in cassatie bestreden beschikking) nog niet bij einduitspraak beslist(3).

3) Bij de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank werd (onder andere) de partneralimentatie bepaald op € 1.210,- per maand en de kinderalimentatie op € 450,- per maand. De rechtbank ging voorbij aan van de kant van [de vrouw] aangevoerde stellingen omtrent "zwart geld" waarover [de man] zou beschikken, omdat - daar komt het op neer - die stellingen als onvoldoende aannemelijk werden beoordeeld.

4) In hoger beroep verzocht [de man] de partneralimentatie te bepalen op € 350,- per maand en de kinderalimentatie op € 312,- per maand.

Het hof heeft de stelling van de kant van [de vrouw] dat bij de bepaling van het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen "zwarte" inkomsten van [de man] moesten worden "meegenomen", wel als aannemelijk beoordeeld. Daaruit vloeide, volgens het hof, voort dat [de man] onvoldoende financiële inzage had verstrekt en dat het hof niet in staat was om voldoende inzicht te krijgen in het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van de partijen. Om die reden moest - nog steeds: volgens het hof -, met voorbijgaan aan de aangevoerde grieven, het verzoek van [de man] in appel worden afgewezen.

Aansluitend heeft het hof (bij beschikking van 11 januari 2007) de beschikking van de rechtbank bekrachtigd.

5) Tegen deze beschikking is namens [de man] tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(4). Van de kant van [de vrouw] is geen verweerschrift ingediend.

Bespreking van het cassatiemiddel

6) Onderdeel 1 van het middel richt zich tegen rov. 4.5. In die overweging heeft het hof op basis van de door de Belastingdienst in 2004 aan [de man] opgelegde navorderingsaanslagen en boetebeschikkingen, geoordeeld dat de stelling dat er in het verleden zwarte inkomsten zijn geweest, voldoende aannemelijk is geworden. Wat van de kant van [de man] ter bestrijding van deze stelling was aangevoerd - in hoofdzaak: dat op de tegen de bedoelde fiscale maatregelen aangewende rechtsmiddelen nog niet onherroepelijk was beslist, en dat pogingen om de desbetreffende Luxemburgse bank een verklaring ter ondersteuning van [De man zijn] standpunt te ontlokken, geen succes hadden gehad - werd daarbij beoordeeld als een onvoldoende gemotiveerd weerspreken van het namens [de vrouw] aangevoerde.

7) Het onderdeel klaagt in de eerste plaats dat ten onrechte niet aan [de vrouw] bewijs zou zijn opgedragen van haar onderhavige stelling(en).

Die klacht lijkt mij ondeugdelijk. Het hof heeft (in rov. 4.4 en 4.5) beslist dat wegens de vaststaande gegevens met betrekking tot door de Belastingdienst genomen maatregelen, de desbetreffende stellingen van [de vrouw] als voldoende aannemelijk moeten worden beoordeeld. Dan komt nadere bewijslevering door de partij wier stellingen zo worden beoordeeld, niet meer in aanmerking (maar kan de andere partij worden toegelaten tot tegenbewijs).

8) Anders dan in het middel wordt aangevoerd, gaat het hier om een bestendig en algemeen geaccepteerde wijze van behandeling en beoordeling van door partijen aangedragen feitenmateriaal. Als de stellingen van een partij (die ten aanzien van die stellingen de bewijslast draagt) door beschikbaar bewijsmateriaal voldoende worden ondersteund, kan de rechter besluiten dat die stellingen als aannemelijk(5) zijn aan te merken. De andere partij kan dan worden toegelaten tot tegenbewijs (omdat bewijs aan de kant van de partij die de bewijslast draagt al als voldoende geleverd wordt beoordeeld). Wil de andere partij zich beroepen op het recht om tegenbewijs te leveren, dan moet er wel een relevant aanbod tot het leveren van tegenbewijs zijn gedaan(6).

9) De zojuist bedoelde wijze van beoordeling ligt overigens dicht aan tegen - en vloeit dan ook soms over in - de beoordeling waarbij de nadruk ligt op de wederzijdse stelplicht(en). Naarmate een partij meer gespecificeerd en concreet de gegevens aangeeft waarop haar standpunt berust, dan wel die dat standpunt aannemelijk doen zijn, mag van de andere partij een verder gespecificeerde en geconcretiseerde weergave worden verlangd van het "tegenstandpunt"(7). Dan kan, als aan de bedoelde "verplichting"(8) niet wordt tegemoetgekomen, het standpunt van de eerstbedoelde partij worden aanvaard als on(voldoende) weersproken.

In rov. 4.5 heeft het hof inderdaad de beide hiervóór aangestipte benaderingswijzen gevolgd: de stellingen van de kant van [de vrouw] werden als ("voorshands") voldoende bewezen aangemerkt met het oog op de vaststaande gesties van de Belastingdienst; en de betwisting van de kant van [de man] werd - bovendien - als onvoldoende gemotiveerd beoordeeld. Beide benaderingswijzen zijn, zoals al aangestipt, geoorloofd.

10) De klacht van onderdeel 1 doet in dit verband een beroep op het adagium "negativa non sunt probanda", en voegt daaraan toe dat in omstandigheden zoals die hier aan de orde zouden zijn, van de partij in de positie van [de man] niet méér gevergd zou mogen worden dan een "blote" weerspreking van de stellingen van [de vrouw](9). Daarover heeft het hof echter expliciet anders geoordeeld, en dat lijkt mij bepaald niet onbegrijpelijk (en ook niet onjuist).

11) Men kan uit het dossier opmaken(10) dat de belastingmaatregelen ten laste van [de man] die het hof bij zijn oordeel als zwaarwegende aanwijzing heeft gebezigd, vooral berusten op uit België verkregen opgaven van bij een Luxemburgse bank aangehouden tegoeden, die via de eigen administratie van de Belastingdienst met de daar bekende namen zijn vergeleken en opnieuw zijn gecontroleerd aan de hand van de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer.

12) Er wordt niet aangegeven op welke inhoudelijke gronden namens [de man] (tegenover de fiscus) is weersproken dat het op deze manier verrichte onderzoek inderdaad een te zijnen name staande rekening heeft aangewezen(11). (Wel blijkt, dat in verschillende vormen de rechtmatigheid van de verkrijging en/of aanwending van de desbetreffende gegevens wordt betwist - maar de betekenis van het debat over deze kwestie(s) voor het huidige civiele twistgeding is, om voor de hand liggende redenen, niet zo groot.)

Het zou, is men geneigd te denken, toch mogelijk moeten zijn om op zijn minst duidelijk te maken waarom er redenen zijn om te twijfelen aan de inhoudelijke juistheid van het door de fiscus verrichte onderzoek c.q. de daaruit verkregen uitkomsten. Bij gebreke daarvan, verbaast het (mij) niet dat een "blote" ontkenning door het hof, in deze context, als ontoereikend is beoordeeld. Omgekeerd kan dan niet worden aanvaard, dat van [de man] geen nadere onderbouwing van zijn ontkenning gevergd mocht worden.

13) Daarnaast geldt dat het door [de man] betrokken standpunt kon worden onderbouwd en bevestigd door gegevens, afkomstig van de bank waar de rekening(en) zou(den) worden aangehouden. Namens [de man] is ook gesteld dat er - zonder succes - om dergelijke gegevens gevraagd zou zijn. Dat laat zien dat het niet zo is dat [De man zijn] standpunt zich niet voor nadere concretisering en onderbouwing leende - alleen dat het, misschien, niet gelukt is om die concretisering/onderbouwing te verschaffen. Dat is iets wezenlijk anders.

14) Om de hiervóór besproken redenen merk ik onderdeel 1 als niet-doeltreffend aan. Het beroep dat daarin nog wordt gedaan op art. 6 EVRM stuit er op af dat het hof de in de fiscale demarches gelegen aanwijzingen zeer wel kon opvatten als "prima facie" bewijs van de juistheid van de daarop voortbouwende stellingen van [de vrouw]. Het feit dat over de desbetreffende demarches nog niet onherroepelijk was beslist rechtvaardigt misschien een zekere terughoudendheid bij de waardering van de daaraan toe te kennen overtuigingskracht, maar vormt, noch in het licht van het EVRM noch anderszins, een beletsel om die demarches in de beoordeling te betrekken (en ook niet om daaraan doorslaggevend gewicht toe te kennen).

Het betreft hier verder een "feitelijke" waardering van bewijsmateriaal, die niet voor herbeoordeling in cassatie in aanmerking kan komen.

15) Onderdeel 2 klaagt, in essentie, dat de vaststellingen betreffende de in Luxemburg aangehouden "zwarte" tegoeden niet zouden rechtvaardigen dat aan de namens [de man] aangevoerde grieven zonder verder onderzoek voorbij werd gegaan.

Ik meen, per saldo, dat ook deze klacht niet behoort te slagen. Ik loop ter nadere toelichting van dit oordeel eerst de van de kant van [de man] als appellant aangevoerde grieven kort langs.

16) De beslissing van het hof dat aan de grieven voorbijgegaan kon (en moest) worden, berust op de slotsom, in rov. 4.6, dat het hof bij gebreke van adequate financiële "inzage" niet voldoende inzicht kon verwerven in het netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen.

Dat aan de eerste en de tweede grief voorbij moest worden gegaan dringt zich dan enigszins op, nu die grieven erop gericht waren dat de rechtbank was uitgegaan van een onjuiste vaststelling van het gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. (De specifieke klacht op dit thema die in subonderdeel 2.3.1 wordt aangevoerd, bespreek ik apart in alinea's 23 en 24 hierna.)

17) De derde grief bestreed de door de rechtbank toegepaste benadering van de behoefte van [de vrouw]. Ook hier werd het gezinsinkomen (naar in de rede ligt: bij het uiteengaan van partijen) tot uitgangspunt genomen.

Daarmee sloot de grief aan bij de benadering die ook door de rechtbank was gekozen (namelijk: berekening van de behoefte op basis van het aanvankelijke gezinsinkomen).

18) Gegeven dat, in de door het hof juist geoordeelde benadering, er geen deugdelijke gegevens voorhanden waren om het tot uitgangspunt gekozen gegeven - het gezinsinkomen bij het uiteengaan van partijen - te beoordelen, kwam ook het onderhavige betoog voor een groot deel in de lucht te hangen.

Namens [de man] was wel nog aangevoerd dat ook de "eigen inkomsten" van [de vrouw] hoger moesten worden gewaardeerd dan de rechtbank had gedaan, en dat [de vrouw] ook enig inkomen uit vermogen kon verwerven (wat in beide opzichten in appel van de kant van [de vrouw] was bestreden); maar de hier aanwezige verschillen zijn niet van dien aard dat die, ook afgezien van het dus in het ongewisse gebleven uitgangspunt van het gezamenlijke gezinsinkomen, tot een afwijkend oordeel over de door de rechtbank vastgestelde alimentatie noopten. Van de kant van [de man] werd ook (in appel) niet aangevoerd dat dat laatste het geval zou zijn.

19) De rechtbank was immers, blijkens p. 3 (eerste volle alinea) van haar beschikking, uitgegaan van een behoefte (van [de vrouw]), berekend naar rato van 60% van het door de rechtbank vastgestelde gezinsinkomen van € 4.172,-/m minus € 630,-/m (de tot uitgangspunt genomen kosten voor het minderjarige kind). Dat levert een saldo op van € 2.125,20/m. Daarop had de rechtbank "eigen verdiensten" van [de vrouw] ad € 1.320,-/m in mindering gebracht, zodat een netto behoefte van ongeveer € 805,-/m overbleef. Dat kwam overeen met de vastgestelde alimentatie van € 1.210,-/m bruto.

20) In grief III werd aangevoerd dat [de vrouw] niet € 1.320,-/m zou verdienen maar € 1.421,-/m (netto), en dat rekening moest worden gehouden met € 200,-/m aan potentieel inkomen uit vermogen - per saldo zo'n € 300,-/m méér dan de rechtbank in aanmerking had genomen.

Dit (van de kant van [de vrouw] intussen gemotiveerd betwiste) verschil is niet van dien aard dat duidelijk wordt dat er, ook bij een substantiële (maar niet goed te bepalen) afwijking van de tot uitgangspunt genomen middelen en het daaruit voortvloeiende gezinsinkomen, toch een deugdelijke basis kan resteren om de door de rechtbank vastgestelde alimentatie op een (bepaalbaar) lager niveau vast te stellen.

Nu aan de constatering dat, daar komt het op neer, [de man] "zwarte" middelen had verzwegen (en dat [de man] bij die houding volhardde), inherent is dat er inderdaad geen verantwoorde vaststelling van het tot uitgangspunt te nemen gezinsinkomen mogelijk is, denk ik dat de beslissing van het hof om ook aan deze grief voorbij te gaan, voldoende steun vindt in de daaraan ten grondslag gelegde overweging(en).

21) Grief IV voerde aan dat de draagkracht van [de man] lager was dan door de rechtbank in aanmerking was genomen. Dat deze Grief niet voor beoordeling in aanmerking komt als aangenomen moet worden dat [de man] onvoldoende financiële inzage heeft verstrekt om het destijds beschikbare gezinsinkomen te kunnen beoordelen (en wel: vanwege onduidelijkheden betreffende de bijdrage van [de man] aan dat inkomen), ligt dan weer voor de hand.

Anders dan onderdeel 2.3.2 veronderstelt, ga ik er daarbij van uit dat het hof heeft aangenomen dat de "zwarte" middelen die, naar 's hofs oordeel, in appel aannemelijk waren gemaakt, ook de huidige draagkracht van [de man] (positief, zij het in een niet nader vast te stellen omvang) beïnvloeden. Dat kon het hof ook als aannemelijk beoordelen, of in elk geval als mogelijkheid in aanmerking nemen: bij het ontbreken van adequate "financiële inzage" is dit immers een alleszins reële mogelijkheid.

De gevolgtrekkingen die het onderdeel op zijn andere uitgangspunt baseert, merk ik daarom als ongegrond aan.

22) In verschillende van de subonderdelen van onderdeel 2 wordt volgens mij verder miskend dat de rechter bij gebreke van deugdelijke weerspreking van de kant van de alimentatieplichtige, stellingen van de alimentatiegerechtigde voor onweersproken mag (of zelfs: moet) houden(12). Hetzelfde geldt, in appel, als het gaat om vaststellingen uit de eerste aanleg waar de geïntimeerde/alimentatiegerechtigde zich bij heeft aangesloten, en waar de appellant-alimentatieplichtige geen voldoende gemotiveerd betoog tegen in stelling heeft gebracht(13).

Anders dan her en der in de subonderdelen van onderdeel 2 wordt aangevoerd, valt er geen aanmerking op te maken dat het hof zich aan deze regels heeft geconformeerd.

23) Aan het slot van onderdeel 2.3 meen ik (niet meer dan) een herhaling te lezen van de voornaamste klachten van onderdeel 1. Die behoeven in dit verband geen nadere bespreking. Hoogstens zou kunnen worden toegevoegd dat voor zover deze klacht ertoe strekt dat art. 6 EVRM ook onbeperkt de vrijheid van procespartijen zou waarborgen om bewust onware stellingen te (blijven) verdedigen, die klacht volgens mij op een misverstand berust(14).

24) Voor de in subonderdeel 2.3.1 neergelegde klacht geldt overigens, denk ik, het eerder gezegde dienovereenkomstig: hier wordt geklaagd dat namens [de man] (in het kader van Grief I) aanmerking was gemaakt op "bijtelling", bij het oorspronkelijke gezinsinkomen van partijen, van ongeveer € 900,-/m netto aan inkomsten van [de vrouw], terwijl aangevoerd werd dat [de vrouw] (kort) voor het uiteengaan van partijen een inkomen van slechts (afgerond) € 378,-/m zou hebben gehad. Er zou dus van ca. € 520,-/m te veel aan gezinsinkomen zijn uitgegaan.

25) Ik meen echter, zoals al aangestipt, dat bij gebreke van deugdelijke houvast om het werkelijke gezinsinkomen van destijds adequaat vast te stellen, en gegeven dat dit viel toe te rekenen aan volgens het hof van de kant van [de man] onjuist verstrekte (of achterwege gelaten) informatie(15), het hof de vrijheid had - zo het daar al niet toe verplicht was - om de door de rechtbank vastgestelde en (in zoverre) van de kant van [de vrouw] niet bestreden gegevens, als vaststaand aan te nemen. Het namens [de man] gestelde bleek immers in bepalende mate als niet deugdelijk (onderbouwd) te moeten worden aangemerkt.

26) Voor zover dit onderdeel ertoe strekt dat de appelrechter, (ook) als die bevindt dat het namens een appellant aangevoerde als onbetrouwbaar terzijde moet worden gesteld, gehouden zou zijn om toch verder te onderzoeken of er geen (feitelijke) aanknopingspunten kunnen worden gevonden die kunnen rechtvaardigen dat tegemoet wordt gekomen aan datgene wat de appellant wenst, denk ik dat het op een onjuiste opvatting berust. Naar ik meen is het in voetnoot 13 gestelde (ook) hier van toepassing. Op de hier veronderstelde manier tegemoet komen aan de ene partij zou de verdediging voor de andere partij dusdanig bemoeilijken, dat dat als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt.

27) Aan het slot van subonderdeel 2.3.1 wordt nog verwezen naar stellingen van de kant van [de man] die ertoe strekten dat [de vrouw] meer eigen inkomen zou kunnen verwerven. Ik merk hierover op dat [de man] in appel nauwelijks meer had aangevoerd dan de "loutere" bewering dat [de vrouw] meer zou kunnen verdienen, zonder noemenswaardige feitelijke onderbouwing(16); en dat van de kant van [de vrouw] (summier) gemotiveerd was betwist dat de hier gestelde ruimte bestond(17). Bij die stand van zaken was er voor het hof geen aanleiding (en zelfs geen noemenswaardige houvast) om gemotiveerd op dit punt in te gaan.

28) Daarmee ben ik terug bij het uitgangspunt: de bevinding dat ik de klachten van onderdeel 2 als niet-doeltreffend beoordeel.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan rov. 2.1 - 2.7 van de in cassatie bestreden beschikking.

2 Uit het huwelijk is ook een zoon geboren, inmiddels meerderjarig. Er zouden kosten, gemaakt ten behoeve van deze zoon, ten laste van [de vrouw] komen (verweerschrift in appel, p. 4).

3 Bij tussenuitspraak van 23 augustus 2006 is wel een beslissing gegeven over een geschilpunt betreffende de mate waarin de Belastingdienst verplicht was tot het verstrekken van informatie over en/of inzage in de gegevens over het onderzoek dat (mede) de grondslag vormde voor de aan [de man] opgelegde maatregelen.

4 Zoals vermeld is de beschikking van het hof van 11 januari 2007. Het cassatierekest is op 11 april 2007 ingediend.

5 Bij dergelijke besluiten wordt ook wel gezegd dat de stellingen in kwestie als "voorshands" aannemelijk worden beoordeeld; zie over die terminologie bijvoorbeeld Asser, Bewijslastverdeling, 2004, nr. 44.

6 Zie voor deze benadering van bewijslevering bijvoorbeeld HR 15 december 2006, NJ 2007, 203 m.nt. M.R. Mok, rov. 3.4; Stein - Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2007, nrs. 7.1.4, 7.2.3 (p. 132 - 133) en 7.2.5; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2005, Morée - Beenders, art. 150, aant. 4 en 6; Hugenholtz - Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands burgerlijk procesrecht, 2006, nr. 80; Asser, Bewijslastverdeling, 2004, nr. 44; Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nrs. 214 en 215; Visser, TCR 1997, p. 75 - 77.

7 Een illustratie levert HR 25 mei 2007, RvdW 2007, 503, rov. 3.4.3.

8 Het betreft hier niet een werkelijke (afdwingbare) verplichting, maar een last die herinnert aan de kwalificatie van "Obliegenheit" die wij uit de Duitse doctrine kennen.

9 Dat een dergelijke weerspreking maar bij (hoge) uitzondering als voldoende kan worden aanvaard, wordt algemeen aangenomen: Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Rutgers, art. 149, aant. 7; Stein - Rueb, Compendium van het burgerlijk procesrecht, 2007, nrs. 6.5.2 sub a en 7.1.3 sub b; T&C Burgerlijke Rechtsvordering, 2005, Morée - Beenders, art. 149, aant. 2 sub b; Van den Brink, NbBW 2004, p. 129; Snijders - Ynzonides - Meijer, Nederlands burgerlijk procesrecht, 2002, nrs. 145 en 206.

10 Bijvoorbeeld uit de beslissing op bezwaar in de fiscale procedure, die als prod. E bij het verweerschrift namens [de vrouw] in appel is overgelegd.

11 Ik trof alleen een "blote" ontkenning aan in alinea 4 van de pleitnota bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in appel van 8 november 2006, overeenkomend met de uitlatingen van de advocaat van [de man] zoals weergegeven op p. 2 en 4 van het proces-verbaal van deze mondelinge behandeling.

12 Ik merk echter op dat de subonderdelen 2.2 en 2.3 wel naar deze regel verwijzen. Zij nemen verder, en volgens mij ten onrechte, kennelijk tot uitgangspunt dat die regel hier niet mocht worden toegepast.

13 Subonderdeel 2.3.2 doet in dit verband een beroep op de zogenaamde devolutieve werking van het hoger beroep. Die werking brengt echter niet mee dat de appelrechter die bevindt dat de klachten van de appellant ondeugdelijk zijn, alsnog op de basis van andere uit het dossier kenbare argumenten de gegrondheid van het hoger beroep zou moeten (of mogen) onderzoeken. Het leerstuk van het zogenaamde "grievenstelsel" verzet zich hier juist tegen.

14 Men versta mij niet verkeerd: ik doe er geen uitspraak over of het namens [de man] over "zwart geld" aangevoerde wel of niet waar is. Het hof heeft klaarblijkelijk aangenomen dat dat niet waar was; en het middel lijkt te verdedigen dat zo'n oordeel, of althans de daaraan door het hof verbonden consequentie, niet met art. 6 EVRM verenigbaar zou(den) zijn. Dat is zeker niet het geval.

15 "Oh, what a tangled web we weave, when first we practice to deceive" (Walter Scott, Marmion, Canto vi, Stanza 17).

16 Appelrekest, alinea 12, eerste drie regels; beperkt nader uitgewerkt bij pleitnota in appel, alinea's 10 en 11.

17 Verweerschrift in appel, alinea 9, eerste drie regels.