Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB9841

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-02-2008
Datum publicatie
20-02-2008
Zaaknummer
00729/07 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB9841
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Zekerheidstelling. Het conservatoir beslag ex art. 94a Sv op voorwerpen is opgeheven nadat klager zekerheid had gesteld ex art. 118a Sv van EUR 400.000,-. Stelling in cassatie is dat er op de OvJ van rechtswege de plicht rust om de gekweekte rente tussentijds uit te betalen aan klager. Nu de inbeslaggenomen voorwerpen aan klager zijn teruggegeven, is het beslag geëindigd. Dit brengt met zich dat klager n-o moet worden verklaard. HR tekent aan dat over geschillen omtrent de uitvoering van de overeengekomen zekerheidstelling de teruggave daaronder begrepen, de burgerlijke rechter bevoegd is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 227 met annotatie van J.M. Reijntjes
JOL 2008, 131
RvdW 2008, 270
NJB 2008, 628
JOW 2008, 52
VA 2009/18 met annotatie van J. Silvis
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 00729/07 B

Mr. Knigge

Zitting: 6 november 2007

Conclusie inzake:

[klager]

1. De Rechtbank heeft bij beschikking van 27 oktober 2006 het door klager ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de wettelijke rente over het door hem als zekerheidstelling(1) in de zin van art. 118a Sv gestorte bedrag van €400.000 ongegrond verklaard.

2. Namens klager heeft mr. A.A. Franken, advocaat te Amsterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

3. Het middel klaagt dat de Rechtbank ten onrechte het beklag ongegrond heeft verklaard daartoe overwegende dat op de officier van justitie geen wettelijke plicht rust om tussentijds wettelijke rente over de gestelde zekerheid af te dragen en dat vergoeding van deze rente pas aan de orde komt op het moment dat het in beslag genomen geld wordt teruggegeven, althans dat de Rechtbank een onjuist criterium heeft gehanteerd voor de beoordeling van het klaagschrift en/of dat de Rechtbank haar beslissing onjuist en/of onvoldoende heeft gemotiveerd.

4. De beslissing van de Rechtbank luidt als volgt:

"Uit het onderzoek in raadkamer is het navolgende naar voren gekomen.

De rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de rechtbank 's Hertogenbosch heeft op vordering van de officier van justitie een machtiging verleend tot het instellen van een strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO) jegens klager en zijn vennootschappen tot een bedrag van €1.500.000,-. Blijkens de vordering SFO en de daarmee verband houdende stukken in het dossier worden klager en zijn vennootschappen verdacht van (leidinggeven aan) omvangrijke valsheid in geschrifte ter zake van partijen melkpoeder bestemd voor de markt in respectievelijk Libanon, Chili, Libië en Taiwan.

Klager is directeur van een aantal vennootschappen waaronder [bedrijf A], [bedrijf B] en [bedrijf C]. Onder klager is een aantal auto's inbeslaggenomen. Daarnaast is beslag gelegd onder het Productschap Zuivel op alle zaken en vermogensrechten van de firma [bedrijf A / B] en aan de firma en aan [klager] verbonden ondernemingen in de ruimste zin van het woord. Het gaat hierbij steeds om conservatoire beslagen ex artikel 94a van het Wetboek van Strafvordering.

Op 8 mei 2003 heeft de raadsman van klager de officier van justitie een aanbod gedaan zekerheid te geven voor een snelle afwikkeling van het beslag op de auto's. Op 22 mei 2003 is door de raadsman van klager een bedrag van € 70.000 gestort op een rekening van justitie. Hierop heeft de officier van justitie de beslagen op de auto's van klager opgeheven en de auto's aan klager doen teruggeven.

Bij brief van 28 mei 2003 heeft klager de officier van justitie erop gewezen dat zijn ondernemingen in aanzienlijke financiële problemen terecht waren gekomen als gevolg van de voortdurende beslagen onder het Productschap Zuivel en haar verzocht een vervangende zekerheid te aanvaarden. Na overleg met klager heeft de officier van justitie een aanvullende zekerheid van € 330.000,- aanvaard, waardoor op 18 juli 2003 ook de conservatoire beslagen onder het Productschap Zuivel werden opgeheven.

Per brief van 10 oktober 2005 heeft de raadsman van klager de officier van justitie verzocht de wettelijke rente die inmiddels is aangegroeid over de beide zekerheidstellingen op zijn derdenrekening te storten. Het gaat hierbij om bedragen van respectievelijk € 7.666,59 en € 22.510,60.

De officier van justitie heeft zich in haar brief van 14 november 2005 op het standpunt gesteld dat zij niet voornemens is de wettelijke rente aan klager af te dragen zolang nog niet definitief beslist is over de hoogte van de eventuele geldboete dan wel het wederrechtelijk te ontnemen voordeel. Ter zitting in openbare raadkamer van 6 oktober 2000 heeft de officier van justitie gepersisteerd bij haar ingenomen standpunt.

Klager stelt zich op het standpunt dat de door hem te stellen zekerheid in overleg met de officier van justitie is vastgesteld op een bedrag van € 400.000,-, dat op de officier van justitie van rechtswege de plicht rust om dit bedrag op zorgvuldige wijze te beheren en dat deze derhalve verplicht is om de over dit bedrag gekweekte wettelijke rente tussentijds uit te betalen aan klager. Klager wijst er hierbij op dat de officier van justitie ten tijde van het stellen van de zekerheid ook akkoord zou zijn gegaan met een bankgarantie van € 400.000,- en dat klager in dat geval de rente over dit bedrag van de bank zou hebben ontvangen.

De rechtbank is van oordeel dat er geen wettelijke plicht rust op de officier van justitie om tussentijds wettelijke rente over de gestelde zekerheid af te dragen aan klager. De bewaarder van strafvorderlijk inbeslaggenomen geld heeft weliswaar de plicht "als een goed huisvader" voor dit geld te zorgen, welke zorgplicht met zich kan brengen dat er rente wordt gekweekt, maar vergoeding van deze rente komt pas aan de orde op het moment dat het inbeslaggenomen geldbedrag aan klager wordt teruggegeven. In dit stadium van de procedure is de officier van justitie dan ook niet gehouden rente aan klager te vergoeden. Het beklag tegen het uitblijven van een rentevergoeding zal ongegrond worden verklaard."

5. Onder punt 2.5 van de toelichting op het middel wordt gesteld dat de Rechtbank ten onrechte spreekt van inbeslaggenomen geld. Betoogd wordt dat de zekerheidstelling tot gevolg heeft dat het gelegde beslag wordt opgeheven: "Geldswaarden die op voet van art. 118a Sv tot zekerheid worden gestort, vervangen dat beslag". Daarmee snijdt de steller van het middel niet alleen een interessante kwestie aan, maar misschien ook wel zich zelf in de vingers. Want als geen sprake meer is van beslag, is de vraag of nog wel ex art. 552a Sv kan worden geklaagd. Hoofdregel is immers dat het beklag niet ontvankelijk is als het beslag is opgeheven.

6. Art. 118a Sv, destijds in de wet gekomen als art. 118b Sv, is door de wetgever gezien als de strafvorderlijke variant van art. 705 lid 2 Rv.(2) In de burgerlijke rechtsvordering geldt inderdaad dat ingeval van zekerheidstelling geen sprake (meer) is van beslag. Zoals uit de tekst van art. 705 lid 2 Rv en van 438 lid 2 Rv blijkt, is zekerheidstelling één van de redenen om het beslag op te heffen. Het kan zijn dat de wetgever art. 118a Sv in dezelfde sleutel heeft willen zetten. Daarop wijst dat zekerheidstelling in art. 118a lid 1 Sv (én in art. 353 lid 4 Sv) vorm is gegeven als teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp. Volgens art. 134 lid 2 Sv eindigt het beslag door die teruggave. Niet onbelangrijk is daarbij dat een met art. 117 lid 4 Sv overeenkomende bepaling ontbreekt. Ik merk daarbij ook nog op dat zekerheidstelling ook kan geschieden in de vorm van een bankgarantie. Het is nog maar de vraag of daarop beslag kan rusten.(3)

7. Daar staat tegenover dat in de literatuur, overigens zonder enige vorm van argumentatie, wordt aangenomen dat met de teruggave onder zekerheidstelling van conservatoir inbeslaggenomen goederen het beslag niet eindigt. Dat rust weliswaar niet meer op de teruggegeven goederen, maar is komen te rusten op hetgeen tot zekerheid is gesteld.(4) Ik moet bekennen dat die opvatting, in gevallen waarin de zekerheid is gesteld in de vorm van storting van een geldsom, mij sympathiek aandoet. Dit omdat aldus wordt bereikt dat de regeling van de bewaring van inbeslaggenomen voorwerpen (art. 118 Sv jo. het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen) van toepassing is op het beheer van de gestorte geldsom. Bovendien wordt bereikt dat (bijvoorbeeld in geval van sepot of vrijspraak) over de niet teruggave van de gestorte geldsom ex art. 552a lid 1 Sv kan worden geklaagd. Het heeft mijns inziens de voorkeur dat de ingevolge art. 13 EVRM vereiste effective remedy zoveel mogelijk binnen het systeem van de strafvordering wordt geboden.

8. Ik stel mij daarom op het mijns inziens verdedigbare standpunt dat de zekerheidstelling, in gevallen waarin zij bestaat uit de storting van een geldsom, voor de toepassing van artt. 118 en 119 Sv jo. het Besluit inbeslaggenomen voorwerpen gelijkgesteld moet worden aan (voortdurend) beslag. Naar analogie van art. 117 lid 4 Sv komt het beslag te rusten op de gestorte geldsom.

9. Ik ga er in het onderstaande dus vanuit dat in casu sprake is van beslag, zodat over het uitblijven van een last tot teruggave van de zekerheidstelling op voet van art. 552a lid 1 Sv kan worden geklaagd. Ik merk daarbij op dat, mocht de Hoge Raad daarover anders oordelen, de consequentie daarvan mij lijkt te moeten zijn dat de klager alsnog niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn beklag. Hoewel over de ontvankelijkheidsbeslissing van de Rechtbank begrijpelijk genoeg niet wordt geklaagd, ligt ambtshalve ingrijpen mijns inziens in de rede omdat de ontvankelijkheidsvraag in casu moeilijk los kan worden gezien van de merites van het beklag.(5)

10. In zijn arrest van 22 april 1986 heeft de Hoge Raad overwogen dat uit art. 552a Sv jo art. 10 lid 3 Besluit inbeslaggenomen voorwerpen (oud) (thans art. 11 lid 4 van het huidige Besluit inbeslaggenomen voorwerpen) volgt dat in het recht van belanghebbenden om zich te beklagen over het uitblijven van een last tot teruggave van inbeslaggenomen voorwerpen is begrepen het recht van beklag omtrent het uitblijven van een last tot afgifte van tijdens het beslag verkregen rente.(6) Dus als op een inbeslaggenomen geldbedrag gedurende het beslag rente is gekweekt, zal een last tot teruggave tevens die rente moeten betreffen en kan, als die rente niet wordt teruggegeven, ook daarover ex art. 552a Sv worden geklaagd.

11. Hetzelfde zal mijns inziens hebben te gelden als sprake is van een op voet van art. 118a Sv gegeven zekerheidstelling. Het gaat dan misschien niet om een inbeslaggenomen voorwerp, maar zoals gezegd wel om een voorwerp waarop beslag rust. Reden om hier verschil te maken, zie ik niet.

12. In de bedoelde uitspraak overweegt de Hoge Raad dat indien op het inbeslaggenomen geldsbedrag "gedurende het beslag in feite rente is gekweekt, een last tot teruggave tevens die rente moet betreffen". Daaruit valt af te leiden dat het beklag strekkende tot teruggave van de gedurende het beslag genoten rente verbonden is met een beklag strekkende tot teruggave van het inbeslaggenomen bedrag. Als er teruggegeven wordt, dan moet ook de rente worden teruggegeven. Een tussentijdse teruggave van de gekweekte rente lijkt de Hoge Raad niet voor ogen te hebben gestaan.

13. In de toelichting op het middel wordt de opvatting verdedigd dat er in elk geval wel een recht op teruggave van de tussentijds gekweekte rente bestaat als het, zoals in casu, gaat om rente gekweekt op een tot zekerheid gesteld geldbedrag. Dit omdat de aanvaarding van het tot zekerheid gestelde bedrag door het Openbaar Ministerie zou betekenen dat de zekerheidstelling afdoende is voor de bewaring van het recht op verhaal. Op meer zekerheid (in de vorm van rente) heeft het Openbaar Ministerie dan geen recht.

14. Ik behandel eerst de vraag of dit argument in zijn algemeenheid op gaat. Dat lijkt mij alleen het geval te kunnen zijn als ervan uitgegaan moet worden dat van de mogelijkheid van art. 118a Sv alleen gebruik gemaakt mag worden als zekerheid wordt geboden tot het maximumbedrag waarvoor het recht op verhaal wordt uitgeoefend. Alleen dan immers impliceert de aanvaarding van de zekerheidstelling dat het recht op verhaal naar het oordeel van het Openbaar Ministerie afdoende is verzekerd.(7)

15. Ik meen dat voor een dergelijke beperkte interpretatie van art. 118a Sv geen goede grond aanwezig is. In de tekst van het artikel vindt zij geen steun, terwijl zij mij ook niet in het belang van de rechthebbende lijkt. Daaraan doet mijns inziens niet af dat in de wetsgeschiedenis wel een verband is gelegd tussen de verplichting van art. 94c sub b Sv om het maximumbedrag waarvoor het recht op verhaal wordt uitgeoefend in het proces-verbaal van inbeslagneming of het beslagexploit te vermelden en de mogelijkheid tot zekerheidstelling die art. 118a Sv biedt. Volgens de MvT is het belang van bedoelde verplichting "gelegen in het kunnen aanbieden van een zekerheidstelling als bedoeld in art. 118b [thans art. 118a, Kn] als voorgesteld, alsmede in de kenbaarheid voor derden (...)".(8) Ik meen dat, zo daaruit iets valt af te leiden, dit slechts is dat teruggave onder zekerheidstelling niet mag worden geweigerd als tot bedoeld maximumbedrag zekerheid wordt geboden. Daaruit kan dus niet de conclusie worden getrokken dat slechts tot teruggave onder zekerheidstelling mag worden overgegaan als tot dat maximumbedrag zekerheid wordt geboden.

16. De stelling dat het Openbaar Ministerie zich met de aanvaarding van de zekerheidstelling op het standpunt heeft gesteld dat daarmee het recht op verhaal volledig is veiliggesteld, is in haar algemeenheid dus onjuist. Een argument voor een recht op tussentijdse teruggave van gekweekte rente kan daaraan niet worden ontleend. Dit terwijl aan het doel van het conservatoire beslag (bewaring van het recht op verhaal) een krachtig argument kan worden ontleend om gekweekte rente niet tussentijds terug te geven. Die rente kan immers aangewend worden om het recht op verhaal mede te verzekeren. Ik meen dan ook dat er (ook, of misschien wel juist) in geval van conservatoir beslag alle reden is om als regel aan te houden dat van teruggave van gekweekte rente pas sprake kan zijn als de geldsom waarop die rente is gekweekt, wordt teruggegeven. Een reden om daarover anders te oordelen als sprake is van een zekerheidstelling, zie ik niet.

17. Ik sluit niet uit dat dit in bijzondere gevallen anders is. Ik denk daarbij aan een drietal gevallen. In de eerste plaats het geval waarin tot het in art. 94c sub b Sv bedoelde maximumbedrag zekerheid is geboden. In de tweede plaats het geval waarin de zekerheidstelling als gevolg van de daarop gekweekte rente het bedoelde maximumbedrag heeft overschreden. In de derde plaats het geval waarin het Openbaar Ministerie heeft toegezegd dat de tussentijds gekweekte rente zal worden teruggegeven.

18. Of in de eerste twee gevallen een uitzondering zou moeten worden gemaakt, kan hier in het midden blijven.(9) Dit omdat van dergelijke gevallen in casu geen sprake is. Ik wijs erop dat de Rechter-Commissaris een machtiging tot het instellen van een SFO jegens onder meer klager heeft verleend tot een bedrag van €1.500.000. Ik wijs er bovendien op dat eerst een bedrag van € 70.000,- als zekerheid is gesteld en daarna nog eens een bedrag van € 330.000,-. De hoogte van deze twee zekerheidsstellingen kan dus bezwaarlijk gekoppeld zijn geweest aan het maximumbedrag waarvoor het recht op verhaal wordt uitgeoefend. Die hoogte was telkens gekoppeld aan de waarde van de teruggegeven inbeslaggenomen voorwerpen.

19. Ook de vraag of het Openbaar Ministerie gebonden is aan toezeggingen om de gekweekte rente tussentijds terug te geven, zou hier in het midden kunnen blijven omdat - anders dan de steller van het middel meent - uit de schriftelijke afspraken waarop hij zich beroept, geenszins valt af te leiden dat een dergelijke toezegging is gedaan. Daarin valt slechts te lezen dat afgesproken is dat de tot zekerheid gestelde geldbedragen op een rentedragende rekening zouden worden geparkeerd (zie het klaagschrift alsmede de daaraan gehechte briefwisseling). Ik merk daarbij op dat die toezegging naadloos aansluit bij hetgeen in de Aanwijzing ontneming is voorgeschreven. (10) In die aanwijzing wordt van tussentijdse teruggave van rente niet gerept. Ik zou haast zeggen integendeel: het "vervolgprofijt" wordt tot het wederrechtelijk verkregen voordeel gerekend (paragraaf 4.4.1).

20. Overigens meen ik dat er geen reden is om het Openbaar Ministerie niet aan een gedane toezegging gebonden te achten. In strijd met de wet lijkt mij een dergelijke toezegging niet te zijn. Art. 118a lid 2 Sv geeft het Openbaar Ministerie beoordelingsvrijheid zowel wat het bedrag betreft als de wijze waarop zekerheid wordt gesteld. Daartoe kunnen dunkt me ook afspraken over het al dan niet tussentijds teruggeven van rente worden gerekend.

21. Dat brengt mij op de opmerking in de toelichting op het middel met betrekking tot de parallel die getrokken zou moeten worden tussen een zekerheidstelling door contante betaling en een zekerheidstelling door een bankgarantie. Aan zekerheidstelling plegen onderhandelingen met het Openbaar Ministerie vooraf te gaan. De klager is daar bij wijze van spreken zelf bij. In casu heeft klager zelf, kennelijk voorzien van rechtskundig advies, gekozen voor zekerheidstelling door contante betaling zonder te bedingen dat de rente tussentijds wordt teruggegeven.

22. Gelet op al het voorgaande geeft het oordeel van de Rechtbank dat er geen wettelijke plicht rust op de Officier van Justitie om tussentijds wettelijke rente over de gestelde zekerheid af te dragen aan klager alsmede dat vergoeding van deze rente pas aan de orde komt op het moment dat het tot zekerheid gestelde bedrag aan klager wordt teruggegeven geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Het is ook niet onbegrijpelijk.

23. Het middel faalt derhalve.

24. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 In art. 118a Sv wordt zekerheidstelling met dubbel s (zekerheidsstelling) geschreven. In art. 353 lid 4 Sv echter wordt de term met één s geschreven. Hetzelfde geldt voor de artt. 616, 438 en 705 Rv. Ik hou in deze conclusie deze zuinige spelling aan.

2 Kamerstukken II 1989/1990, 21504, nr 3, p. 24/25.

3 Uitgangspunt in het civiele procesrecht lijkt te zijn dat derdenbeslag op een bankgarantie niet toelaatbaar is. Omstreden is vooral vanaf welk moment dit beletsel wordt opgeheven, dus of conservatoir derenbeslag wel mogelijk is op vermogensbestanddelen van de begunstigde na uitkering van het geld van de bankgarantie. Zie daarover Janssen en Slegers, Advocatenblad 2004, p. 60 met daarin een bespreking van de (lagere) rechtspraak, waaronder Hof 's-Gravenhage 21 september 1994, NJ 1995, 586 en Hof Amsterdam 16 oktober 2003, JOR 2003, 291.

4 Vennix, Boef en beslag, p. 245; Melai, aant. 7 op art. 118a Sv.

5 Vgl. HR 11 september 2007, LJN BA6561.

6 HR 22 april 1986, NJ 1986, 783, m. nt ThWvV.

7 Helemaal zeker is dat overigens niet. In HR 31 januari 2006, LJN AU4691 is uitgemaakt dat het maximumbedrag waarvoor verhaal wordt uitgeoefend niet het maximale bedrag aangeeft waarvoor beslag mag worden gelegd. Dit in verband met gelijktijdig beslag door andere crediteuren. Wellicht echter brengt het waarborgkarakter van de zekerheidstelling mee, dat niet door derden beslag mag worden gelegd op de gestorte geldsom. Ik besef overigens dat een dergelijke aparte positie voor de zekerheidstelling een argument oplevert tegen de gelijkstelling met gecontinueerd beslag. Het is daarom dat onder punt 8 een beperkte gelijkstelling is verdedigd: alleen voor de toepassing van de genoemde wettelijke bepalingen en niet als sprake is van een bankgarantie.

8 Kamerstukken II 1989/1990, 21504, nr 3, p. 24/25.

9 HR 31 januari 2006, LJN AU4691 zorgt hier voor complicaties. Vergelijk noot 6.

10 Aanwijzing ontneming (2005A002), paragraaf 4.4.2.