Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB8989

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-01-2008
Datum publicatie
08-01-2008
Zaaknummer
03393/06 B
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB8989
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Beklag. Het vonnis in de strafzaak tegen verdachte (thans klager) houdt in dat een geldbedrag wordt bewaard t.b.v. de rechthebbende. Dit vonnis is gewezen na de beschikking strekkende tot ongegrondverklaring, waartegen cassatie is ingesteld. Klager is n-o, omdat de bestreden beschikking naar zijn aard een beslissing inhield, gegeven in afwachting van het oordeel van de Rb. Door die beslissing van de Rb omtrent het beslag in de strafzaak kan op het bestaande klaagschrift geen (andersluidende) beslissing meer volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NS 2008, 41
NJ 2008, 53
JOL 2008, 2
RvdW 2008, 100
NJB 2008, 302
JOW 2008, 57
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Griffienr. 03393/06 B

Mr Wortel

Zitting:30 oktober 2007

Conclusie inzake:

[klager]

1. Dit cassatieberoep betreft een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam waarbij een klaagschrift, namens de bovengenoemde persoon (hierna: verzoeker) ingediend naar aanleiding van een aankondiging dat de officier van justitie voornemens was met inbeslaggenomen geldbedragen te handelen als waren die verbeurdverklaard, deels gegrond en deels ongegrond is verklaard.

2. Namens verzoeker heeft mr C.W. Noorduyn, advocaat te 's-Gravenhage, een schriftuur houdende cassatieklachten ingediend.

3. In de bestreden beschikking is overwogen, voor zover hier van belang:

"Klager maakt bezwaar tegen het voornemen van de officier van justitie van 25 januari 2006, om met betrekking tot onder klager inbeslaggenomen geldbedragen 'te handelen als verbeurd verklaard'.

Het klaagschrift strekt tot teruggave van de onder klager inbeslaggenomen geldbedragen, te weten:

5.318,00 Belgische Frank (omgerekend € 131,83)

2.000,00 Duitse Mark(omgerekend € 1.022,58)

7.145,95 gulden(omgerekend € 3.242,69)

263.575,00 gulden(omgerekend € 119.605,12)

In een brief van 10 maart 2006 van de raadsman aan de officier van justitie wordt verzocht tot teruggave van een bedrag van fl. 9.500,- dat klager heeft gestort als garantie voor de onder hem inbeslag genomen personenauto. Daarnaast wordt tevens om een vergoeding van redelijke rente verzocht.

In raadkamer heeft de raadsvrouw van klager verklaard dat het klaagschrift tevens strekt tot teruggave van het bedrag van fl. 9.500 (omgerekend € 4.310,91), en tot toekenning van een vergoeding van de wettelijke rente.

Bovendien heeft de raadsvrouw, zoals ook in de door haar in raadkamer aan de rechtbank overgelegde pleitnotities onder punt 6. staat vermeld, verzocht om het ingediende klaagschrift te beschouwen [als] mede gericht tegen het voornemen van het openbaar ministerie om de gelden te bewaren in de zin van artikel 116 lid 2 sub b Sv.

Voorts dient het bedrag van 2.000 Duitse Mark te worden gelezen als 2 Duitse Mark.

Beoordeling.

Uit de stukken is het volgende gebleken.

Klager werd verdacht van heling en lidmaatschap van een criminele organisatie.

Op 11 februari 1999 zijn onder klager voornoemde geldbedragen inbeslaggenomen.

De officier van justitie heeft bij brief van 25 januari 2006 aan klager laten weten voornemens te zijn om met betrekking tot onder klager inbeslaggenomen geldbedragen 'te handelen als verbeurd verklaard'.

De officier van justitie heeft in zijn brief van 3 maart 2006 aan klager medegedeeld dat het argument in het klaagschrift van klager juist is, in die zin dat het inderdaad juridisch niet mogelijk is om te handelen als verbeurdverklaard. Bedoeld werd klager te informeren dat het voornemen bestond om de gelden te bewaren ten behoeve van de rechthebbende.

De officier van justitie is van oordeel dat het bedrag van fl. 263.575,- (omgerekend € 119.605,12) niet aan klager kan worden teruggegeven omdat zijns inziens vastgesteld kan worden dat klager geen eigenaar van dat inbeslaggenomen geldbedrag is.

De officier van justitie heeft verklaard zich niet te verzetten tegen teruggave van de overige geldbedragen.

Klager en zijn raadsman hebben bij brief van 10 maart 2006 aan de officier van justitie te kennen gegeven het niet eens te zijn met het voornemen van de officier van justitie. Aangevoerd wordt dat artikel 116 lid 1 Sv voorschrijft dat in beslaggenomen goederen aan de beslagene dienen te worden teruggegeven indien het belang van strafvordering zich daar niet tegen verzet.

Van deze hoofdregel kan worden afgeweken indien beslagene schriftelijk afstand heeft gedaan van de voorwerpen, of wanneer beslagene het voorwerp kennelijk door middel van een strafbaar feit aan de rechthebbende heeft onttrokken. Deze uitzonderingen doen zich niet voor, aldus klager en zijn raadsman.

De officier van justitie heeft bij brief van 17 maart 2006 als reactie op de brief van de raadsman geschreven dat hij persisteert bij zijn standpunt dat klager niet de rechthebbende is op het geldbedrag.

Klager stelt zich in het klaagschrift op het standpunt dat hij nooit heeft verklaard afstand te doen van deze geldbedragen. Daarom heeft de officier van justitie niet de mogelijkheid ex artikel 116 lid 2, sub c Sv te gelasten dat met deze gelden dient te worden gehandeld als waren deze gelden verbeurdverklaard.

Evenmin heeft het openbaar ministerie de mogelijkheid om de verbeurdverklaring te baseren op artikel 116 lid 3 Sv. De in dit lid genoemde mogelijkheid is beperkt tot de beslissing tot teruggave aan de rechthebbende (artikel 116 lid 2 sub a Sv) of bewaring ten behoeve van de rechthebbende (artikel 116 lid 2 sub b Sv).

In openbare raadkamer heeft de officier van justitie verklaard te persisteren in zijn verzet tegen teruggave van het bedrag van fl. 263.575,-. De officier van justitie verzet zich niet tegen teruggave van al het overige inbeslaggenomen geld, alsmede het bedrag van fl. 9.500,- (omgerekend € 4.310,91) borgstelling en een vergoeding voor de wettelijke rente.

De raadsvrouwe heeft in openbare raadkamer gepersisteerd bij het standpunt van klager en de verdediging.

De rechtbank overweegt het volgende.

De verklaring van klager dat het geldbedrag van [lees] fl. 263.575,- niet aan hem toebehoort is niet voor andere uitleg vatbaar. Dat brengt mee dat de officier van justitie op grond van artikel 116 lid 3 juncto lid 2 onder b Sv kan beslissen het inbeslaggenomen geld te bewaren ten behoeve van de rechthebbende. De hoofdregel zoals bepaald in lid 1 van artikel 116 Sv wordt hierdoor doorbroken. Klager kan niet redelijkerwijs als rechthebbende worden aangemerkt.

De rechtbank zal dan ook het klaagschrift met betrekking tot het geldbedrag [van] fl. 263.575,- ongegrond verklaren.

Voor het overige dient het klaagschrift, gelet op het standpunt van de officier va justitie gegrond te worden verklaard. De resterende geldbedragen dienen derhalve aan klager te worden teruggegeven, te vermeerderen met de wettelijke rente te berekenen vanaf de datum van inbeslagneming.

(...)"

4. De bestreden beschikking is gegeven op 19 mei 2006.

Bij de stukken is gevoegd een fotokopie van een verkort vonnis van dezelfde Rechtbank, gewezen op 2 november 2006, waarbij het Openbaar Ministerie in de vervolging van verzoeker niet-ontvankelijk is verklaard, deels vanwege verjaring, deels wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

In dit vonnis, gewezen onder hetzelfde parketnummer dat ook in de bestreden beschikking is vermeld, is als bijkomende beslissing gelast dat een geldbedrag van € 119.605,12 zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende, "nu niet gebleken is dat verdachte daarvan de rechthebbende is".

5. Er kan worden aangenomen dat het in dit vonnis genoemde geldbedrag hetzelfde geldbedrag is ten aanzien waarvan bij de thans bestreden beschikking het klaagschrift ongegrond is verklaard. Derhalve is op een later tijdstip een eindbeslissing genomen, waardoor de nu bestreden beschikking in zoverre haar betekenis heeft verloren.

Het komt mij daarom voor dat het beroep reeds moet worden verworpen omdat verzoeker daar geen belang bij heeft.

6. Dit wordt naar mijn inzicht niet anders door de omstandigheid dat art. 353 Sv een beslissing omtrent inbeslaggenomen voorwerpen voorschrijft indien bij einduitspraak - kort gezegd - de in art. 350 Sr genoemde hoofdvragen worden beslecht, maar geen melding maakt van uitspraken die beperkt zijn tot de in art. 349, eerste lid Sv bedoelde voorvragen.

Men kan ervan uitgaan dat de uitspraken houdende onbevoegdverklaring, niet-ontvankelijkverklaring, nietigheid van de inleidende dagvaarding of schorsing van de vervolging in art. 353 Sv ongenoemd zijn gebleven in verband met de vooronderstelling dat ook na een dergelijke beslissing nog een materiële uitspraak kan worden uitgelokt, bij de wèl bevoegde rechter en/of na wegneming van het vervolgingsimpediment en/of herstel van het gebrek in de dagvaarding en/of nadat de reden om de vervolging stil te leggen is vervallen. Vanuit die vooronderstelling is het logisch om de beslissing aangaande voortduren van het strafvorderlijk beslag bij het Openbaar Ministerie te laten, en de bevoegdheid van de rechter te beperken tot de beoordeling van een (tegen de - voorgenomen - beslissing van de officier van justitie gericht) beklag.

7. Uit het bij de stukken gevoegde vonnis dat in deze zaak is gewezen blijkt evenwel dat de officier van justitie zelf heeft gevorderd dat het Openbaar Ministerie wegens grove overschrijding van de in art. 6, eerste lid EVRM gewaarborgde redelijke termijn niet-ontvankelijk zou worden verklaard, terwijl de raadsvrouwe er bovendien op wees dat een deel van het tenlastegelegde was verjaard. In dit geval kan derhalve worden aangenomen dat het vonnis een definitief einde aan de vervolging heeft gemaakt. Bovendien blijkt uit het aangehechte proces-verbaal van de behandeling ter terechtzitting dat beide partijen een beslissing omtrent het nog immer inbeslaggenomen geld verlangden; de officier van justitie bewaring ten behoeve van de rechthebbende, en de raadsvrouwe teruggave aan verzoeker.

8. Het komt mij daarom voor dat de Rechtbank zich in dit bijzondere geval bevoegd mocht achten een beslissing op het nog liggende beslag te nemen. In ieder geval is er, gelet op het bovenstaande, geen reden om consequenties te verbinden aan de omstandigheid dat art. 353 Sv een beslissing op een eventueel nog bestaand beslag niet voorschrijft bij een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie.

9. Doch ook overigens meen ik dat de middelen geen doel zouden kunnen treffen.

10. De klacht, in het eerste middel, dat de rechtbank alleen heeft vastgesteld dat verzoeker redelijkerwijs niet als rechthebbende is aan te merken, en daarmee heeft verzuimd te onderzoeken of de officier van justitie iemand op het oog had die redelijkerwijs wèl als rechthebbende kan worden beschouwd mist doel om de evidente reden dat in het standpunt van de officier van justitie en in de (herhaalde) beslissing van de Rechtbank besloten ligt dat de mogelijke rechthebbende nog helemaal niet in het vizier is.

11. Voorts is in HR NJ 2003, 19 uit de parlementaire geschiedenis van de herziening van het strafvorderlijk beslag, in werking getreden op 1 januari 1996, afgeleid dat met die herziening is beoogd te voorkomen dat de rechter wordt gedwongen het inbeslaggenomene te doen teruggeven aan degene die daar naar het oordeel van de rechter geen recht op heeft. Daarom heeft de Hoge Raad aangenomen dat de rechter de vrijheid heeft om de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten indien aannemelijk is dat degene onder wie in beslag werd genomen niet die rechthebbende is. In dat geval kan bij toepassing van art. 353 Sv dus van de hoofdregel in het eerste lid van art. 116 Sv worden afgeweken.

Ik zie niet in waarom dit anders zou moeten zijn indien de rechter moet beslissen op een beklag tegen de mededeling van de officier van justitie dat deze voornemens is het inbeslaggenomen ten behoeve van de rechthebbende te blijven bewaren. Naar mijn inzicht is in de bestreden beschikking terecht overwogen dat de bevoegdheid van de officier van justitie om aldus te handelen besloten ligt in art. 116, derde lid in samenhang met het tweede lid onder b, Sv.

12. De klacht in het tweede middel dat de Rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt heeft genomen dat verzoeker heeft verklaard dat het geld niet van hem is, aangezien de Rechtbank niet heeft vermeld waar verzoeker die verklaring heeft afgelegd of in welk processtuk die verklaring te vinden is, faalt eveneens. Blijkens het verhandelde in openbare raadkamer, en in het bijzonder de aldaar overgelegde pleitaantekeningen is bij de behandeling van het klaagschrift aan de orde gekomen dat verzoeker in het opsporingsonderzoek heeft verklaard - kort en zakelijk weergegeven - dat hij van een slechts bij voornaam bekende persoon een groot bedrag aan vreemde valuta in ontvangst heeft genomen om dat geld te wisselen in Nederlands geld, en dat verzoeker niet weet om wiens geld het ging.

Het staat dus wel vast waaraan de Rechtbank de feitelijke grondslag van haar beslissing heeft ontleend.

13. De stelling, in datzelfde middel, dat de Rechtbank haar nu bestreden beslissing niet (zonder meer) had mogen baseren op de verklaringen die verzoeker als verdachte in het opsporingsonderzoek heeft afgelegd, omdat namens verzoeker is betoogd dat de overtuigende kracht van die verklaringen nooit in een strafzaak was of zou worden vastgesteld, en die verklaringen geen toereikende basis zijn om - binnen de beperkte mogelijkheden van een raadkamerprocedure - vast te stellen wie in civielrechtelijke zin rechthebbende op het geld is, zou ten slotte geen doel kunnen treffen omdat de rechter die op een beklag als het onderhavige heeft te beslissen vrij is in zijn waardering van het voorhanden materiaal, welk oordeel niet afhankelijk is van, of ondergeschikt is aan, de beslissingen die in de onderliggende strafzaak slechts genomen kunnen worden na volledige behandeling ten gronde.

14. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,