Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB8864

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
29-02-2008
Datum publicatie
29-02-2008
Zaaknummer
C06/256HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB8864
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil over betaling achterstallige premies ziekenfondsverzekering. Slagend cassatieberoep vonnis kantonrechter (art. 80 RO), onbegrijpelijk oordeel; HR doet zelf de zaak af.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 164
RvdW 2008, 285
NJB 2008, 687
JWB 2008/114
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/256HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 23 nov. 2007

conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Algemeen Ziekenfonds De Volharding U.A.

Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een vonnis van een kantonrechter.

2. Uit de gedingstukken blijkt het volgende.

(i) Bij exploot van 24 november 2005 heeft thans verweerster in cassatie, hierna: het Ziekenfonds, thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], gedagvaard voor de Rechtbank 's-Gravenhage, Sector Kanton, locatie 's-Gravenhage, hierna: de kantonrechter, tot betaling van Euro 350,55 met de wettelijke rente en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

(ii) Het Ziekenfonds heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [eiser] uit hoofde van een tussen partijen bestaande ziekenfondsverzekering tot en met augustus 2005 een achterstand in de betaling van verschuldigde premies heeft doen ontstaan van Euro 1.042,05, welk bedrag is te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ad Euro 178,50. Hierop strekt in mindering een betaling door [eiser] van Euro 870,-, zodat resteert Euro 350,55.

(iii) [Eiser] heeft bij conclusie van antwoord de hoogte van de vordering betwist. Voorts heeft hij betwist buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn.

(iv) Het Ziekenfonds heeft bij conclusie van repliek producties overgelegd en de eis vermeerderd tot, wat de hoofdsom betreft, een bedrag van Euro 449,25. Zij heeft daartoe gesteld dat de achterstand tot en met de maand december 2005 tot dat bedrag is opgelopen en heeft dit bedrag als volgt gespecificeerd:

hoofdsom Euro 1.217,30

buitengerechtelijke incassokosten Euro 178,50 +

Euro 1.395,80

voldaan Euro 946,55 -

Euro 449,25

(v) [Eiser] heeft bij conclusie van dupliek volhard bij zijn verweer en producties overgelegd.

3. Bij vonnis van 11 april 2006 heeft de kantonrechter onder meer overwogen:

"6. Gelet op de door gedaagde ([eiser]; A-G) overgelegde bankafschriften tot en met december 2005 is niet gebleken dat er meer is betaald dan eiseres (het Ziekenfonds; A-G) in mindering heeft gebracht op de vordering. De door gedaagde betaalde bedragen corresponderen met de betalingen die zijn opgenomen in het overzicht van eiseres. Nu gedaagde niet aannemelijk heeft gemaakt dat de cijfers van eiseres niet kloppen is de vordering met de wettelijke rente voor toewijzing vatbaar. Echter op de vordering strekt nog wel in mindering de betaling van gedaagde van 21 maart 2006 ten bedrage van Euro 197,40, voorzover deze rechtens betaald blijkt te zijn.

7. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen. (...).

8. Gedaagde zal worden veroordeeld in de proceskosten, nu hij nodeloos proceskosten aan de zijde van eiseres veroorzaakt doordat hij zijn betalingsgedrag niet aan past en hij onregelmatig blijft betalen."

De kantonrechter heeft [eiser] vervolgens veroordeeld aan het Ziekenfonds te betalen

"een bedrag van Euro 449,25, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 24 november 2005 tot de dag der algehele voldoening, waarop in mindering strekt hetgeen rechtens betaald blijkt te zijn",

met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4. [Eiser] is tegen het vonnis van de kantonrechter (tijdig) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. Het Ziekenfonds is in cassatie niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

5. Het middel keert zich tegen de hoogte van het bedrag dat de kantonrechter in hoofdsom aan het Ziekenfonds heeft toegewezen en tegen de proceskostenveroordeling. Volgens onderdeel A klopt het door de kantonrechter berekende bedrag aan nog onbetaald gebleven premies niet, en volgens onderdeel B heeft de kantonrechter ten onrechte de medegevorderde buitengerechtelijke incassokosten toegewezen en [eiser] in de proceskosten veroordeeld.

6. Voor zover de onderdelen de gewraakte beslissingen van de kantonrechter met rechtsklachten bestrijden (zie de aanhef van het middel), stranden zij op het bepaalde in art. 80 lid 1 RO: tegen een vonnis of beschikking van de kantonrechter in een burgerlijke zaak waartegen, zoals in het onderhavige geval (zie art. 332 lid 1 Rv), geen hoger beroep kan of kon worden ingesteld, kan, behoudens de hier niet toepasselijke uitzondering bedoeld in HR 16 maart 2007, RvdW 2007, 307, geen beroep in cassatie worden ingesteld wegens schending van het recht.

7. Voor zover de onderdelen motiveringsklachten inhouden, geldt het volgende.

8. Wat het restant aan onbetaald gebleven premies betreft (onderdeel A), heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat het Ziekenfonds tot en met de maand december 2005 van [eiser] aan premies te vorderen had een bedrag van in totaal Euro 1.217,30. Dit uitgangspunt wordt (behalve dat het onderdeel stelt dat dit bedrag iets hoger moet zijn, namelijk Euro 1.227,30) door het onderdeel niet bestreden. Voorts heeft de kantonrechter tot uitgangspunt genomen dat [eiser] aan premiebetaling heeft voldaan een bedrag van Euro 946,55 en voorts - op 21 maart 2006 - nog een bedrag van Euro 197,40. Dit laatste bedrag heeft de kantonrechter - blijkens r.o. 6 en het dictum van zijn vonnis - in aanmerking genomen voor zover het rechtens betaald blijkt te zijn. Ook dit uitgangspunt wordt door het onderdeel niet bestreden. Dit betekent dat de kantonrechter uitkomt op een openstaand bedrag aan onbetaalde premies van Euro 1.217,30 minus (Euro 946,55 plus Euro 197,40 is) Euro 1.143,95 is Euro 73,35. Het aan hoofdsom door de kantonrechter toegewezen bedrag stemt hiermee overeen: Euro 73,35 plus Euro 178,50 (aan buitengerechtelijke incassokosten) plus Euro 197,40 (betaling van 21 maart 2006, welke betaling de kantonrechter, zoals gezegd, slechts in mindering brengt, voor zover dit rechtens betaald blijkt te zijn) is Euro 449,25.

9. Onderdeel A stelt dat volgens de door [eiser] ontwikkelde, met producties gestaafde berekeningen nog Euro 83,45 aan premies onbetaald is gebleven. In aanmerking genomen dat het onderdeel uitgaat van een totaal bedrag aan verschuldigde premies dat Euro 10,- hoger is dan de kantonrechter tot uitgangspunt heeft genomen, komt de kantonrechter derhalve uit op hetzelfde bedrag aan nog openstaande premies als volgens het onderdeel volgt uit de stellingen van [eiser]. De motiveringsklacht van onderdeel A faalt derhalve wegens gebrek aan feitelijke grondslag.

10. Onderdeel B treft doel voor zover het zich beklaagt over de toewijzing van de medegevorderde buitengerechtelijke incassokosten. Nu de kantonrechter in r.o. 7 heeft overwogen dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zullen worden afgewezen, is niet begrijpelijk dat de kantonrechter in het dictum van zijn vonnis een bedrag heeft toegewezen dat mede het door het Ziekenfonds gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten omvat.

11. Voor zover onderdeel B klaagt over de proceskostenveroordeling, faalt het. De strekking van de klacht is kennelijk dat, indien onderdeel A slaagt en het oordeel van de kantonrechter omtrent de premieachterstand dus geen stand kan houden, de door de kantonrechter aan zijn oordeel omtrent de proceskostenveroordeling meegegeven motivering (het betalingsgedrag van [eiser] met betrekking tot de premies) evenmin stand kan houden. Aangezien onderdeel A faalt, treft de onderhavige klacht evenmin doel.

12. Het bestreden vonnis kan, nu onderdeel B gedeeltelijk doel treft, niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door, met vernietiging van het bestreden vonnis in zoverre, het aan hoofdsom toegewezen bedrag van Euro 449,25 te verminderen met Euro 178,50 en te bepalen op Euro 270,75.

De conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden vonnis en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad in voege als aangegeven onder 12.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden