Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB8106

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-01-2008
Datum publicatie
25-01-2008
Zaaknummer
C06/265HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB8106
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Koop. Geschil tussen verkoper en koper c.s. van een stuk grond over schadevergoeding wegens bedrog bij kooptransactie door verzwijging van bebouwingsmogelijkheid (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 55
RvdW 2008, 157
JWB 2008/44
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C06/265HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 9 november 2007

Conclusie inzake

[Eiseres]

eiseres tot cassatie

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerder 2]

3. de Gemeente Oirschot

en

4. [Verweerder 4]

verweerders in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. Deze zaak betreft een koopovereenkomst die de eiseres tot cassatie, [eiseres], samen met haar enige tijd nadien overleden echtgenoot [betrokkene 1], in 1996 heeft gesloten met de vierde verweerder in cassatie, [verweerder 4]. [eiseres] c.s. verkochten bij die gelegenheid een in het centrum van [plaats] gelegen stuk grond aan [verweerder 4](2). Voorafgaand aan de koop hadden [eiseres] c.s. herhaaldelijk pogingen ondernomen om toestemming tot het bebouwen van deze grond te verkrijgen, maar zonder succes. Nog vrij kort voordien, namelijk bij KB van 21 februari 1994, waren bezwaren van o.a. [eiseres] c.s. tegen het bestemmingsplan dat bebouwing van deze grond (verder) zou beletten, verworpen.

2. Wanneer de koopovereenkomst tussen [eiseres] c.s. en [verweerder 4] precies tot stand is gekomen, vormt een van de centrale twistpunten in de onderhavige procedure. Vast staat dat de koop heeft geleid tot een notarieel verleden koop- en transportakte van 5 april 1996 en dat in maart 1996 een concept is opgemaakt, waarin (nog) relevante ontbindende voorwaarden waren opgenomen (die in de definitieve overeenkomst allicht ontbraken)(3).

3. Blijkens een op 21 mei 1997 opgestelde verklaring van de tweede verweerder in cassatie, [verweerder 2], die in de relevante periode wethouder was van de derde verweerster in cassatie, de Gemeente, heeft [verweerder 4] in maart 1996 het spreekuur van [verweerder 2] bezocht. [verweerder 4] zou toen een situatiekaart uit het bestemmingsplan hebben laten zien, en hebben gevraagd of op het terrein dat hij, [verweerder 4], van [betrokkene 1] wilde kopen, een bouwblok zou mogen worden geplaatst. [Verweerder 2] zou toen hebben toegezegd dat daar inderdaad gebouwd mocht worden.

4. [Eiseres] (haar echtgenoot was inmiddels overleden) heeft in 1999 de verschillende verweerders in cassatie aangesproken. Zij vorderde, kort gezegd, schadevergoeding op de grond dat er bij de kooptransactie bedrog was gepleegd doordat [verweerder 4] de door hem verkregen informatie over de bebouwingsmogelijkheid van het terrein had verzwegen. Aan de Gemeente, aan [verweerder 2] en aan de eerste verweerder in cassatie, [verweerder 1], die destijds de burgemeester van de Gemeente was, werd verweten dat in strijd met het bestemmingsplan was gehandeld door het doen van onverantwoorde toezeggingen (aan [verweerder 4]) terwijl toestemming van overeenkomstige strekking telkens aan [eiseres] c.s. werd onthouden.

5. In de eerste aanleg oordeelde de rechtbank (in een tussenvonnis van 22 juni 2001) dat als beslissend moest worden aangemerkt of tussen [eiseres] c.s. en [verweerder 4] al definitieve - dat wil zeggen: niet aan nadere voorwaarden onderhevige - wilsovereenstemming was bereikt voordat [verweerder 4] met [verweerder 2] sprak (wat op 26 maart 1996 zou zijn gebeurd); en dat, als dit het geval zou blijken te zijn, niet meer terzake deed of [verweerder 2] aan [verweerder 4] een toezegging had gedaan en of een toezegging van de kant van de Gemeente al-dan-niet als verantwoord moest worden aangemerkt. Naar in de rede ligt, zou dan ook niet meer aan de orde zijn of [verweerder 4] [eiseres] c.s. over het gebeurde had behoren in te lichten.

De rechtbank oordeelde verder dat het aan [eiseres] was om te bewijzen dat de (definitieve) wilsovereenstemming pas in april 1996 - dus na het contact tussen [verweerder 2] en [verweerder 4] - was bereikt. Na getuigenverhoren en verder debat oordeelde de rechtbank dat het bewijs niet geleverd was. Dat leidde tot afwijzing van de vordering(en).

6. [Eiseres] stelde hoger beroep in. In het hoger beroep werd (vooral) de door de rechtbank aan het aangevoerde bewijs gegeven waardering bestreden. Er werd dus niet opgekomen tegen het oordeel van de rechtbank over de bewijslastverdeling. Aangezien [eiseres] in appel een nader bewijsaanbod deed, liet het hof haar toe tot bewijslevering. Nadat die bewijslevering - in de vorm van getuigenverhoren en verder debat - had plaatsgehad, oordeelde het hof dat het bewijs ook thans niet was geleverd. Dat leidde tot bekrachtiging van de beslissingen van de eerste aanleg, behalve dat een relatief onbeduidend aspect van de proceskostenveroordeling werd "herzien".

7. Namens [eiseres] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(4). [Verweerder 2], [verweerder 1] en de Gemeente zijn in cassatie verschenen. Tegen [verweerder 4] is verstek verleend. De verschenen partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. Van de kant van [eiseres] is gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddelen

8. Middel 1 bestrijdt in de eerste plaats rov. 4.6.1 van het tussenarrest van het hof, waar wordt overwogen dat een daar genoemde verklaring van Van Zelst, een in de eerste aanleg gehoorde getuige, onvoldoende is voor het bewijs van het probandum.

Men kan zich afvragen of [eiseres] bij deze klacht belang heeft. Het hof heeft immers in dit tussenarrest weliswaar een oordeel uitgesproken over de resultaten van de bewijslevering tot dan toe, maar het heeft [eiseres] vervolgens toegelaten tot nadere bewijslevering. Pas na die nadere bewijslevering heeft het hof zijn uiteindelijke oordeel over de zaak gegeven. Naar in de rede ligt, wordt dat oordeel niet aangetast, ook als de "tussentijdse" beoordeling, aan de hand van andere bewijsgegeven, in enig opzicht als gebrekkig zou worden aangemerkt (en in het verlengde daarvan dan voor herbeoordeling in aanmerking zou komen). En dat leidt er dan weer toe, de klacht als verstoken van relevant belang aan te merken.

9. Voorzover de klachten van dit Middel ertoe strekken dat het hof de in de bestreden overweging genoemde getuigenverklaring van [betrokkene 2] - al-dan-niet in verband met andere bewijsgegevens - wél als voldoende bewijs van de hier te beoordelen stelling had moeten aanmerken missen die klachten doel, omdat de waardering van bewijs aan de rechters van de feitelijke instanties is voorbehouden(5). Het hier door het hof gegeven oordeel daarover is zeker niet als onvoldoende begrijpelijk aan te merken

10. Verder bevat dit Middel beschouwingen die ertoe strekken dat voor de zaak beslissend was of tussen de partijen [eiseres] c.s. en [verweerder 4] pas begin april (dat wil zeggen: na het gesprek tussen [verweerder 2] en [verweerder 4]) definitieve overeenstemming was bereikt, of al vóór het bedoelde gesprek. Deze argumenten snijden geen hout omdat het hof er geen enkele twijfel over heeft laten bestaan dat het eveneens dit gegeven als een van de beslissende punten voor de beoordeling van het geschil heeft aangemerkt. Het hof heeft dan ook een op dat punt gerichte bewijsopdracht geformuleerd.

11. Als ik het goed zie, bestrijdt onderdeel 1.6 van dit middel de bewijslastverdeling, en betoogt het dat het aan [verweerder 4] was om te bewijzen dat de overeenstemming tussen partijen al vóór het gesprek met [verweerder 2] definitief was.

Deze klacht stuit reeds daarop af, dat over de bewijslastverdeling op dit punt door de rechtbank in de eerste aanleg was geoordeeld, en dat het oordeel van de rechtbank daarover in appel niet was bestreden (dat wordt in subonderdeel 4.4 van het middel ook erkend). In een dergelijk geval staat het de appelrechter niet vrij om ten gunste van de appellant van het in de eerste aanleg gegeven oordeel af te wijken. Het zogenaamde "grievenstelsel" staat daaraan in de weg(6).

Volledigheidshalve merk ik op dat men inderdaad kan betwijfelen of de rechtbank de vraag van bewijslastverdeling die hier aan de orde kwam, juist heeft beoordeeld(7). Aangezien dit oordeel van de rechtbank niet in dit cassatiegeding kan worden getoetst, meen ik er goed aan te doen, verder onderzoek daarnaar achterwege te laten.

12. Tenslotte bevat Middel I argumenten die ertoe strekken dat het hof de stellingen van de kant van [eiseres] op het onderhavige punt als onweersproken had moeten aanmerken, naast de al even genoemde stelling dat het hof het beschikbare bewijs - reeds in zijn tussenarrest - anders had moeten beoordelen dan in feite is gebeurd. Die argumenten stuiten er op af, dat het ook hier gaat om waardering van partijstellingen die reeds in de eerste aanleg heeft plaatsgevonden en waarover in appel niet geklaagd is; en bovendien op het gegeven dat de uitleg van de partijstandpunten in de gedingstukken aan de rechters van de feitelijke instanties is voorbehouden(8) (en dat hetzelfde geldt voor de waardering van bewijs). In cassatie kan wel worden geklaagd over onvoldoende begrijpelijke motivering van beslissingen als hier bedoeld; maar ik heb in het Middel geen klachten aangetroffen die steekhoudende bezwaren tegen de motivering van het hof met betrekking tot de hier bedoelde kwesties (kunnen) opleveren.

13. Volledigheidshalve vermeld ik dat dit Middel op een aantal plaatsen - onder andere in de onderdelen 1.3 en 1.4 - nadere aandacht vraagt voor de in het geding gebrachte verklaring van [verweerder 2].

In deze verklaring staat echter geen uitspraak die specifiek is gericht op de vraag, wanneer de wilsovereenstemming tussen partijen precies beklonken was; terwijl het die vraag was, die het hof in de hier bestreden overweging(en) heeft onderzocht. (Al) daarom is goed te begrijpen dat het hof aan deze verklaring - naar in rov. 4.6.2 van het tussenarrest van 10 februari 2004 expliciet wordt overwogen - geen doorslaggevend gewicht voor de beoordeling van dit geschilpunt heeft toegekend.

14. Middel II doet er - vooral - een beroep op dat aan [betrokkene 2], die bij gelegenheid van de getuigenverhoren in hoger beroep als "gemachtigde" voor [eiseres] zou zijn opgetreden, is belet om aan de getuigen vragen te stellen; en dat op deze aan het hof verweten onzuiverheid in de procesgang, ook een concreet aan het hof voorgelegd bezwaar zou zijn gebaseerd.

Ter onderbouwing van het laatste wordt verwezen naar een als prod. 1 bij de conclusie na enquete van 13 juli 2004(9) overgelegd stuk. Dat is een "open brief" van [betrokkene 2] aan de Commissaris van de Koningin in Noord Brabant(10). Die brief is 20 pagina's lang. Daarin wordt een groot aantal kwesties en stellingen, waarvan slechts een deel op de onderhavige procedure betrekking heeft, naar voren gebracht.

15. Als bijlagen bij de bedoelde brief (en dus eveneens als stukken bij de conclusie na enquete) bevinden zich nog nadere stukken, aangeduid als bijlagen 1 t/m 3. De bijlagen 1 en 2 hebben ogenschijnlijk betrekking op een andere zaak, die met de onderhavige zaak geen relevant verband houdt. Bijlage 3 is een stuk van 10 pagina's, klaarblijkelijk ook opgesteld door [betrokkene 2], waarin stellingen over (het onderwerp van) de onderhavige procedure worden ontwikkeld, met verwijzing naar vier vrij omvangrijke bijlagen-bij-de-bijlage. Al met al gaat het hier om ongeveer 100 pagina's tekst, terwijl er geen aanduiding wordt gegeven van de relevantie die daaraan, naar de mening van [eiseres], zou toekomen. Er wordt - in de conclusie na enquete - volstaan met de mededeling dat [eiseres] mede op grond van de daarbij ingebrachte stukken meent, dat zij in haar bewijslevering is geslaagd.

16. De rechter behoort alle ordentelijk en behoorlijk te zijner kennis gebrachte argumenten en gegevens bij de beoordeling van een zaak te betrekken. Hij - de rechter - is echter niet geroepen om omvangrijke stukken waarvan de relevantie voor het ter beoordeling voorgelegde geschil niet of onvoldoende wordt toegelicht, te gaan "doorspitten" om na te gaan of daarin misschien gegevens voorkomen die op de hem voorgelegde vraag betrekking (kunnen) hebben. Sterker nog: de rechter mag dat niet doen, omdat op die manier te zijner kennis gekomen gegevens niet duidelijk aan de andere partij(en) in de procedure zijn voorgehouden, en omdat er mee rekening moet worden gehouden dat die andere partijen daarvan onvoldoende hebben kunnen kennis nemen om die bij hun standpuntbepaling in aanmerking te (kunnen) nemen.

Het beginsel van hoor en wederhoor rechtvaardigt daarom niet alleen dat de rechter aan op deze manier "ingebrachte" gegevens voorbij gaat, maar verplicht daar in voorkomend geval zelfs toe(11).

17. De gegevens waarop in Middel II een beroep wordt gedaan behoren zonder twijfel tot de hiervóór besproken categorie. Het hof kon daaraan dan ook voorbijgaan, als het al niet zo was dat het hof gehouden was, dat te doen.

Waar onderdeel 2.4 ervan uit lijkt te gaan dat het hof de stellingen uit de bij de conclusie na enquete geproduceerde documenten als vaststaand had aan te nemen naar de mate dat die niet van de kant van de geïntimeerden waren weersproken, wordt het zojuist gezegde wederom miskend: het gaat er juist om dat op die manier in een procedure ingebrachte gegevens (veelal) geen houvast bieden voor behoorlijk verweer. Aan het feit dat dergelijk verweer uitblijft, mogen dan allicht geen voor de betrokkenen nadelige consequenties worden verbonden.

18. Onderdeel 2.5 betreft een geheel andere vraag, namelijk: of het hof, ondanks het feit dat van de kant van [eiseres] was afgezien van verdere bewijslevering in appel, had behoren te onderkennen dat verhoor van twee ter sprake gebrachte (maar niet verschenen resp. niet deugdelijk opgeroepen) getuigen met het oog op de waarheidsvinding nodig en relevant was; en (ambtshalve?) nader verhoor van de betrokkenen had moeten bevelen.

Deze klacht stelt irreële eisen aan de rechter. Het is aan partijen om te beoordelen wat er ter onderbouwing van hun stellingen en argumenten dienstig is. Als partijen van nadere bewijslevering afzien kan de rechter gevoeglijk aannemen dat zij dat doen omdat zij menen dat verdere bewijslevering niet (voldoende) tot de van hun kant verdedigde standpunten zal bijdragen.

19. Ook in deze zaak was er geen aanleiding voor het hof om zich af te vragen of het afzien van bewijslevering aan de kant van [eiseres] weloverwogen en verstandig was. Ik betwijfel of het ooit voorkomt dat het in die mate "er dik erboven op ligt" dat een partij in dit opzicht verkeerd handelt, dat dat de rechter tot ambtshalve ingrijpen zou kunnen verplichten. Hier was daarvan in elk geval geen sprake.

Voorzover dit middelonderdeel opnieuw aanvoert dat het hof zich door de van de kant van [eiseres] aangevoerde gegevens had behoren te laten overtuigen van de juistheid van het van haar kant verdedigde standpunt, miskent het opnieuw dat het hier een aan de "feitenrechter" voorbehouden waardering betreft (zie o.a. de in voetnoot 5 aangehaalde bronnen).

20. Voor (sub)onderdeel 2.6, dat een compilatie bevat van de daarvóór al aangevoerde argumenten, geldt mutatis mutandis hetzelfde. Volledigheidshalve wijs ik er op dat het verzuim, aan de kant van een procespartij, om bepaalde getuigen voor te brengen of om aan te dringen op voortzetting van getuigenverhoren (in plaats van daarvan af te zien), niet aangemerkt kan worden als een van de "formaliteiten" waar art. 184 Rv. het oog op heeft.

21. Subonderdeel 2.7 betoogt dat het hof ambtshalve had behoren te onderkennen dat van de kant van [eiseres] met het oog op de bezwaren die [betrokkene 2] in prod. 1 bij de conclusie na enquete naar voren had gebracht, was afgezien van verder getuigenverhoor. Het lijkt mij evident dat het hof niet gehouden was om deze weinig voor de hand liggende gevolgtrekking te maken. Overigens: ook al zou inderdaad om deze reden besloten zijn om van verder getuigenverhoor af te zien, dan nog blijft dit een beslissing die voor rekening van de partij in kwestie komt; ook dan blijft gelden dat de rechter er van uit mag gaan dat partijen zelf het beste weten, waarmee zij hun zaak dienen.

22. Middel III klaagt er over dat het hof bij zijn beoordeling van de bewijslevering mede in aanmerking zou hebben genomen dat in de inleidende dagvaarding reeds was gesteld dat "het bod' al vóór 25 maart 1996 was aanvaard.

Ook hier gaat het om 's hofs eerste waardering van het tot dan toe geproduceerde bewijs; een waardering die inmiddels niet meer relevant is, omdat die gevolgd is door 's hofs latere, definitieve waardering van alle inmiddels beschikbare bewijsgegevens. Zoals in alinea 8 hiervóór al opgemerkt, kan men daarom betwijfelen of [eiseres] in dit stadium van de procedure bij bestrijding van dit oordeel nog belang heeft.

23. Overigens berust het hier bestreden oordeel op een uitleg, door het hof, van de in de inleidende dagvaarding ingenomen stellingen. Die uitleg is, zoals al werd opgemerkt, aan het hof voorbehouden (zie de in voetnoot 8 aangehaalde bronnen); en die uitleg is zeker niet onvoldoende begrijpelijk. Dat wordt niet anders door het feit dat men aan de desbetreffende stellingen ook een andere uitleg zou kunnen geven (zoals die in dit Middel wordt aangenomen).

24. Ik meen dat de verdere onderdelen van dit middel herhalingen opleveren van de klachten over de bewijslastverdeling en de bewijswaardering; en dat daarvoor het in alinea's 11 en 12 hiervóór op gemerkte van overeenkomstige toepassing is.

Voorzover het middel nog beoogt aan te voeren dat het hof bijzondere betekenis had moeten toekennen aan (de vraag of partijen al voor 26 maart 1994 overeenstemming hadden bereikt over) de datum van transport, faalt het omdat het hier een detail van ondergeschikt belang betreft, waaraan het hof dan ook als van verwaarloosbare betekenis voorbij kon gaan.

25. Middel IV klaagt over de betekenis die het hof heeft toegekend aan in het laatste stadium van de procedure van de kant van [eiseres] overgelegde, ten overstaan van een notaris afgelegde, beëdigde verklaringen van [betrokkene 2] en [eiseres] zelf.

Als ik het goed begrijp strekt de klacht van subonderdeel 4.5 er toe dat het hof de desbetreffende verklaringen als bewijsmateriaal niet (in volle omvang) als toelaatbaar zou hebben beoordeeld. Dat is echter niet het geval: het hof heeft expliciet geoordeeld dat deze verklaringen wél als bewijsmateriaal toelaatbaar waren; maar heeft vervolgens geoordeeld dat het bewijs daaraan niet kon worden ontleend. Het betreft dus, ook hier, beoordeling van de overtuigingskracht van ingebracht bewijsmateriaal, en daarmee een aan de "feitenrechter" voorbehouden oordeel (zie wederom de in voetnoot 5 aangehaalde bronnen).

26. Dat oordeel is in dit geval bovendien zeer wel te begrijpen: het ligt enigszins voor de hand om buiten rechte opgemaakte verklaringen van de partij zelf en van een familielid die als de "gemachtigde" van de partij optreedt, met terughoudendheid te beoordelen. Dat het hof dat heeft gedaan, verbaast dan ook in het geheel niet.

Passages in dit Middel die ertoe tenderen dat aan de onderhavige verklaringen, omdat die notarieel waren verleden, een bijzondere bewijskracht had moeten worden toegekend, miskennen dat de dwingende bewijskracht van een notariële akte beperkt is tot het gegeven dát het in de akte opgenomene ten overstaan van de notaris heeft plaatsgehad. Of wat in de akte verklaard wordt ook waar is, is een andere vraag; daarvoor geldt de bijzondere met een authentieke akte gepaard gaande bewijskracht in elk geval niet(12).

27. Onderdeel 4.7 miskent dat het in de daar bestreden overweging, rov. 12.5 van het eindarrest, niet gaat over de eerder beoordeelde notarieel vastgelegde verklaringen, maar om de verdere brieven/verklaringen van de hand van [betrokkene 2] die bij de conclusie na enquete zijn overgelegd. Dat, en waarom, het hof aan (de inhoud van) deze stukken voorbij kon gaan kwam al in alinea's 14 - 17 hiervóór ter sprake. De motivering uit de hier bestreden rov. 12.5 sluit bij het daar (door mij) opgemerkte aan. Hetgeen onderdeel 4.8 van dit Middel hier tegen in brengt, stuit op mijn eerdere bedenkingen af.

28. Middel V klaagt dat een proceskostenveroordeling ten gunste van twee van de in appel betrokken (groepen van) partijen is uitgesproken - en niet een "totale" veroordeling ten gunste van alle geïntimeerden; en dat ten onrechte niet de destijds geldende versie van het zogenaamde Liquidatietarief zou zijn toegepast.

Beide klachten zien er aan voorbij dat de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid bij de beoordeling van de proceskostenveroordelingen heeft, en dat het zgn. Liquidatietarief daarbij wel houvast kan bieden, maar geen "verbindende" norm oplevert(13).

29. Daarnaast geldt dat in procedures tussen meer dan twee partijen, als de "winnende" partijen ieder zelfstandige standpunten hebben betrokken en ook door "eigen" raadslieden zijn vertegenwoordigd, het gebruikelijk en redelijk tegelijk is dat ten gunste van iedere desbetreffende partij een "eigen" proceskostenveroordeling wordt uitgesproken. Het gaat in een dergelijk geval vaak - en het gaat ook in het onderhavige geval - om geheel verschillende procedures, met relevant verschillende vragen als inzet, die om praktische redenen tegelijk worden gevoerd en beoordeeld. Ook dat verzet zich ertegen, de partijen in dit opzicht "over een kam te scheren".

De klacht over de toepassing van het Liquidatietarief mist ook feitelijke grondslag: het hof heeft wel degelijk het ten tijde van de desbetreffende beslissingen geldende tarief toegepast(14).

30. De middelonderdelen die hiervóór niet specifiek ter sprake zijn gekomen bevatten, naar ik meen, geen zelfstandige klachten. Aangezien alle klachten die ik wél heb aangetroffen mij ongegrond toeschijnen, zal ik in de daarbij behorende zin concluderen. Ik merk op dat mij geen vragen zijn opgevallen die met het oog op de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling een antwoord zouden behoeven.

Conclusie

Ik concludeer tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan de rov. 3.1 - 3.1.3 van een in de eerste aanleg op 22 juni 2001 gewezen tussenvonnis en rov. 4.2.1 - 4.2.5 van het tussenarrest in hoger beroep van 10 februari 2004.

2 Verwikkelingen in verband met deze transactie hebben geleid tot een aantal andere procedures. Een daarvan werd onlangs in cassatie beoordeeld, zie HR 23 februari 2007, NJ 2007, 433 m.nt. E.J. Dommering. Het ging daar echter om vragen die voor de onderhavige zaak niet van belang zijn. Over een kort geding betreffende een conservatoir beslag aan het begin van de onderhavige zaak, werd geoordeeld in HR 1 maart 2002, rechtspraak.nl LJN AD9591. Ook in dat geding speelden geen vragen die voor het huidige cassatiegeding nog van belang zijn.

3 In onderdeel 1.3 van Middel I wordt uitvoerig uit dit concept geciteerd.

4 Het eindarrest van het hof is van 7 februari 2006. De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 8 mei 2006. Dat was een maandag, zodat de termijn op die dag verstreek.

5 HR 15 juni 2007, NJ 2007, 335, rov. 3.5.3; HR 9 februari 2007, NJ 2007, 105, rov. 3.4.1; HR 1 december 2006, NJ 2007, 385, rov. 3.11.2.

6 HR 22 juni 2007, NJ 2007, 344, rov. 3.5 - 3.7; HR 5 december 2003, NJ 2004, 76, rov. 3.4.1; Ras-Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2004, nrs. 16 - 19 en nrs. 24 - 28; Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, nr. .

7 Zie bijvoorbeeld HR 19 januari 2007, RvdW 2007, 108, rov. 3.5.1 - 3.5.2; HR 15 december 2006, NJ 2007, 203 m.nt. MRM, rov. 3.3.

8 HR 7 september 2007, RvdW 2007, 747, rov. 3.9; HR 13 juli 2007, rechtspraak.nl LJN AZ1598, rov. 3.7.2; HR 13 juli 2007, rechtspraak.nl LJN BA3520, rov. 4.2; HR 29 juni 2007, NJ 2007, 355, rov. 3.5.2; HR 13 april 2007, NJ 2007, 219, rov. 3.3.3; HR 27 maart 2007, NJ 2007, 333, rov. 4.3.

9 De benaming van dit stuk als "conclusie" kan een niet geheel juiste indruk wekken: het stuk bevat geen inhoudelijke stellingen, maar beperkt zich tot de verklaring dat de hierna te bespreken brieven en bijlagen in het geding worden gebracht.

10 Ik heb de indruk dat dit dezelfde brief is die aan de in NJ 2007, 433 beoordeelde zaak ten grondslag heeft gelegen.

11 Zie bijvoorbeeld HR 8 januari 1999, NJ 1999, 342, rov. 3.3.4. Ik verwijs ook naar HR 31 januari 2003, NJ 2004, 48 m.nt. DA en naar de alinea's 9 - 19 van de conclusie voor die beslissing. Volledigheidshalve wijs ik er op dat in de annotatie een ruimere verplichting van de rechter tot het in aanmerking nemen van de daar besproken gegevens wordt bepleit, dan in de conclusie voor de beslissing wordt verdedigd. Men is geneigd te denken dat de positie die de rechter hier moet kiezen sterk van de omstandigheden afhangt; waarbij de omvang, de duidelijkheid, de toegankelijkheid en de relevantie van de desbetreffende gegevens in elk geval gewicht in de schaal zullen leggen. Maar voorzover ik kan beoordelen, meent ook de annotator dat gegevens waar de wederpartij zich niet adequaat op heeft hoeven of kunnen prepareren, in elk geval niet zonder meer in de beoordeling mogen worden betrokken.

In dezelfde zin (dan ook) de rechtspraak over de ambtshalve aanvulling van partijstellingen: daarin heeft de Hoge Raad zich gekeerd tegen het "verzamelen" van gegevens uit in het dossier aanwezige bronnen, zo lang niet een partij een stelling naar voren heeft gebracht die duidelijk maakt dat die gegevens relevant zijn, en dat die in de beoordeling mee (kunnen) wegen; zie bijvoorbeeld HR 12 januari 2007, RvdW 2007, 88, rov. 3.4; HR 29 september 2006, RvdW 2006, 900, rov. 3.4.3; HR 31 maart 2006, NJ 2006, 233, rov. 3.3.

12 O.a. T&C Burgerlijke Rechtsvordering, Morée - Beenders, 2005, art. 157, aant. 2 sub b.

13 HR 3 april 1998, NJ 1998, 571, rov. 3.2 - 3.4; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Numann, art. 239, aant. 3.

14 Door de onbegrensde mogelijkheden van digitale informatievoorziening is het vaak lastig om vast te stellen hoe iets "vroeger" was. Ik baseer mijn bevinding op het feit dat het huidige Liquidatietarief (o.a. te raadplegen via de "website" "rechtspraak.nl") voor het door het hof gehanteerde Tarief II een bedrag van € 452,- vermeldt, terwijl het hof bij toepassing van Tarief II een bedrag van € 390,- heeft berekend.