Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB7032

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
08-02-2008
Datum publicatie
08-02-2008
Zaaknummer
C06/228HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2006:AX0845
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB7032
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht; absolute competentie, ambtshalve oordeel; appellabiliteit (art. 332 lid 1 Rv.), invloed van verklaring voor recht; HR doet zelf de zaak af.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 332
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2008, 97
RvdW 2008, 208
NJB 2008, 504
JWB 2008/70
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. C06/228HR

Mr. Huydecoper

Zitting van 2 november 2007

Conclusie inzake

[Eiser],

eiser tot cassatie

tegen

de stichting Woningstichting Bergh

verweerster in cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1. De eiser tot cassatie, [eiser], huurt van de verweerster in cassatie, de Woningstichting, een (woon)appartement in [woonplaats]. Het complex waar het appartement toe behoort is omringd door een groenvoorziening(2). De Woningstichting brengt [eiser] iedere maand een (voorschot)bedrag wegens onderhoudskosten van de "gemeenschappelijke tuin" in rekening.

De Huurcommissie heeft in een zaak op de voet van art. 13 van de Huurprijzenwet Woonruimte (HPW, inmiddels ingetrokken) geoordeeld dat niet sprake is van openbaar groen en dat de onderhoudsverplichting rust op de verhuurder. De verhuurder mag een redelijke vergoeding hiervoor via de servicekosten in rekening brengen. Voor het jaar 2001 is deze vergoeding door de Huurcommissie vastgesteld op € 100,07.

2. In deze zaak vorderde [eiser](3) een verklaring voor recht dat hem ten onrechte een bijdrage in de onderhoudskosten van de groenvoorziening in rekening werd gebracht, en terugbetaling, door de Woningstichting, van een bedrag van € 473,56 wegens over de jaren 1993 (toen de huurverhouding aanving) tot het begin van de procedure (in 2004) ten onrechte op die titel betaalde kosten.

3. In de eerste aanleg sloot de kantonrechter zich in hoofdzaak aan bij het namens [eiser] verdedigde standpunt en werden de vorderingen dus toegewezen.

De Woningstichting liet hoger beroep instellen. Het hof kwam tot het oordeel dat de groenvoorziening waarover partijen verschillen weliswaar een openbaar karakter heeft maar geen openbare bestemming; en dat daarom de onderhoudskosten wel aan de huurders, waaronder [eiser], mochten worden "doorberekend". Dat leidde tot afwijzing, alsnog, van de vorderingen van [eiser].

4. Namens [eiser] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(4). Voor de Woningstichting is tot verwerping geconcludeerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten. Van de kant van [eiser] is gerepliceerd.

Bespreking van het cassatiemiddel

5. In cassatie gaat het niet over de huurrechtelijke merites van de vordering(en) van [eiser] of de daartegen door de Woningstichting ingebrachte argumenten. Het gaat daarentegen alleen over de procesrechtelijke vraag of de Woningstichting terecht in haar hoger beroep tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing(en) is ontvangen, met inbegrip van de vraag of het hof verplicht was dit ambtshalve te onderzoeken en beoordelen.

6. Die vraag kan aan de orde komen, omdat de vordering van [eiser] materieel een bedrag van € 473,56 betrof; en daarmee een bedrag dat, ook als men met rente rekening houdt, aanzienlijk lager is dan de in art. 332 lid 1 Rv. genoemde "appeldrempel" van € 1.750,-. In dit geval was weliswaar mede een vordering van onbepaalde waarde ingesteld (namelijk een vordering die strekte tot verkrijging van een verklaring voor recht); maar het middel voert aan dat zich hier voordoet het in art. 332 lid 1 Rv. onder ogen geziene geval dat er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan de genoemde € 1.750,-.

7. De passage uit art. 332 lid 1 Rv. waar ik in de vorige alinea naar verwees, is ingegeven door ontwikkelingen in de rechtspraak(5). Een - betrekkelijk - recente illustratie levert HR 12 mei 1995, NJ 1995, 514. In die zaak waren (eveneens) een vordering voor een geldsbedrag, in combinatie met een vordering terzake van een verklaring voor recht, aan de orde. Het gevorderde bedrag lag beneden de destijds geldende "appeldrempel".

In cassatie werd verdedigd dat de verklaring voor recht een onbepaalde waarde vertegenwoordigde; en dat daarom de beslissing in de appelinstantie, waar het appel met het oog op de waarde van de geldvordering als niet-ontvankelijk was beoordeeld, onjuist was. Dat werd door de Hoge Raad niet aanvaard, met de redenering (zie rov. 3.3.2) die inmiddels in art. 332 lid 1 Rv. "doorklinkt".

8. Vervolgens kwam in HR 26 april 1996, NJ 1997, 325 de vraag aan de orde of er (ook dan) aanwijzingen mogen worden aangenomen als in de hiervóór aangeduide formulering bedoeld, wanneer het oordeel over de geldvordering die met een verklaring voor recht gepaard gaat, consequenties heeft voor verdere verplichtingen van partijen (of hun rechtsopvolgers) in de toekomst.

Het ging in dat geval om een meningsverschil over de in een bepaald jaar (al-dan-niet) verschuldigd geworden huurverhoging. De verhuurster vorderde het bedrag aan achterstallige huur dat uit haar berekening van de geldende huurprijs voortvloeide (en dat bedrag lag weer onder de destijds geldende "appeldrempel"). De huurder verweerde zich met de van zijn kant verdedigde berekening van de - lagere - huur, en vorderde een dienovereenkomstige verklaring voor recht.

9. Ter verdediging dat hier wél appel moest worden toegelaten, werd aangevoerd dat de beslissing over de geldende huurprijs gevolgen had voor de voor de toekomst - voor een onbepaald aantal jaren - geldende huurprijs, wat zou meebrengen dat de verklaring voor recht hier als een "echte" vordering van onbepaalde waarde moest worden aangemerkt.

Dat argument verwierp de Hoge Raad met de overweging (in rov. 3.5.3), dat de gevolgen van de toe- of afwijzing van de ter beoordeling voorgelegde vorderingen voor (huurprijs en huuraanpassing in) de toekomst een zo onzeker element vormen dat de eisen van rechtszekerheid zich ertegen verzetten om daarmee bij de beoordeling van de "appeldrempel" rekening te houden.

10. Het zojuist besproken arrest betekent overigens niet, dat iedere onzekerheid over het effect van de gevraagde beslissing voor nog niet vaststaande vorderingen ertoe leidt dat de daarmee gemoeide waarde bij de beoordeling van de appellabiliteit buiten beschouwing moet worden gelaten. Dat wordt geïllustreerd door de zaak die ik in alinea 7 hiervóór noemde. Daar werd aangevoerd dat er, naast het daadwerkelijk gevorderde bedrag aan schadevergoeding (dat dus onder de "appeldrempel" lag), rekening moest worden gehouden met toekomstige schade (en een schadestaatprocedure). De Hoge Raad overwoog (in rov. 3.3.2 van dit arrest) dat bij de combinatie van een vordering ter verkrijging van een verklaring voor recht dat een zekere handeling onrechtmatig is met een geldvordering op grond van de bedoelde handeling, het beloop van beide vorderingen samen in de regel wordt bepaald door het gevorderde bedrag. Dat is slechts anders als onmiskenbaar blijkt dat de eiser gegronde reden heeft om later nog verdere schadevergoeding te vorderen en hij ook een voorbehoud terzake heeft gemaakt(6).

11. Het laat zich denken dat de grens tussen de "onzekere" gevallen waarin de in alinea 9 aangegeven regel op gaat en de gevallen waarop het in alinea 10 aangehaalde arrest doelt, niet altijd gemakkelijk aan te geven zal zijn. Dat geldt echter niet voor het geval dat vandaag ter beoordeling staat: dat merk ik aan als "on all fours" met het geval uit het arrest van 26 april 1996. Het hangt immers van allerlei in hoge mate onzekere ontwikkelingen af, welke consequenties de in de vorige instanties gegeven beslissing over het onderhavige geschil voor toekomstige aanspraken wegens "servicekosten" zal hebben. (Bovendien is het op de voorhand bepaald weinig voor de hand liggend dat de "appeldrempel" van € 1.750,- daarbij kan worden benaderd, laat staan overschreden.) Er zijn dus inderdaad duidelijke aanwijzingen dat de vorderingen die in de eerste aanleg zijn beoordeeld, geen waarde vertegenwoordigden die boven die drempel uitkwam.

12. Ik wil niet onvermeld laten dat de thans in art. 332 lid 1 Rv. tot uitdrukking komende, aan de hiervóór genoemde jurisprudentie ontleende regel, mij aanspreekt. Zou men die regel loslaten dan zouden partijen het in de hand hebben om, door de materieel onbeduidende stap van het combineren van een geldvordering met een op de rechtsgrond van die vordering betrekking hebbende verklaring voor recht, aan de door de wet gestelde appelgrens de werking te ontnemen. Dat lijkt mij bepaald onwenselijk. De wet stelt die grens uit overweging, dat het niet te verantwoorden is dat partijen en het rechterlijke apparaat belast worden met rechtspraak in twee feitelijke instanties, als het gaat om belangen die een betrekkelijk geringe waarde vertegenwoordigen(7). Dan moet een uitleg van de daarop gerichte regel die het mogelijk zou maken om die met aanwending van een inhoudelijk irrelevante toegevoegde vordering te omzeilen, niet worden aanvaard.

12. Uit HR 24 mei 1996, NJ 1996, 538, rov. 3 blijkt dat de rechter gehouden is ambtshalve te "bewaken" dat de appelgrenzen, waaronder de grens die thans in art. 332 lid 1 Rv. tot uitdrukking komt, worden gerespecteerd. Uit dat arrest blijkt ook dat in cassatie - voor het eerst - kan worden opgeworpen dat in appel over het hoofd is gezien dat van een beneden de "appeldrempel" gelegen vordering sprake was; met als verder uitvloeisel, dat in cassatie alsnog kan worden onderzocht of de daarop gerichte regels goed zijn toegepast(8).

In de vandaag te beoordelen zaak staat de waarde van de in eerste aanleg geldend gemaakte geldvordering vast; en kan ook zonder nader feitelijk onderzoek worden vastgesteld dat, al heeft de in eerste aanleg gegeven beslissing repercussies voor de betalingsverplichtingen in de toekomst, het hier om dusdanig onzekere ontwikkelingen gaat dat die naar de maatstaf van het arrest van 26 april 1996 moeten worden beoordeeld.

13. Uit deze beschouwingen vloeit voort dat ik de klacht van het middel als gegrond aanmerk. De Hoge Raad kan, denk ik, de zaak zelf afdoen met de constatering dat de Woningstichting in haar hoger beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, en dienovereenkomstige beslissingen.

Conclusie

Ik concludeer dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen; de appellante niet-ontvankelijk zal verklaren in het door haar ingestelde hoger beroep; en de appellante, respectievelijk de verweerster in cassatie zal veroordelen in de kosten van het hoger beroep en van het geding in cassatie.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan rov. 2.1 - 2.3 van het in eerste aanleg gewezen eindvonnis; blijkens rov. 3.1 van het in cassatie bestreden arrest ook door het hof (met een onbeduidende aanvulling) tot uitgangspunt genomen.

2 Deze wordt in de stukken nader omschreven; maar de eigenschappen hiervan zijn in cassatie niet van belang.

3 De vordering was mede betiteld als hoger beroep tegen de genoemde beslissing van de Huurcommissie; maar het hof heeft de vordering (in rov. 4.1) alsnog uitgelegd, zoals ik die heb weergegeven.

4 Het in cassatie bestreden arrest is van 11 april 2006. De cassatiedagvaarding is op 7 juli 2006 uitgebracht.

5 Van Mierlo-Bart, Parlementaire Geschiedenis (Rv.), 2002, p. 456.

6 De latere rechtspraak roept bij mij de indruk op, dat het verder ook zo moet zijn dat niet op de voorhand aannemelijk is dat de toekomstige vordering een zo geringe waarde vertegenwoordigt dat de totale waarde de "appeldrempel" niet overschrijdt.

7 Snijders-Wendels, Civiel Appel, 2003, p. 63; Snijders-Ynzonides-Meijer, Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2002, p. 236.

8 Dat veronderstelt wel dat er geen nader feitelijk onderzoek nodig is om dit te kunnen beoordelen; maar zoals in de tekst ook wordt opgemerkt, denk ik dat aan die voorwaarde is in de onderhavige zaak wel is voldaan.