Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB7031

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-02-2008
Datum publicatie
15-02-2008
Zaaknummer
C06/225HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB7031
Rechtsgebieden
Civiel recht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Onteigeningszaak. Goedkeuring Kroon gemeentelijk onteigeningsbesluit, marginale toetsing rechter; zelfrealisatie; motivering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWB 2008/89
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C06/225HR

mr. Keus

Zitting 2 november 2007

Conclusie inzake:

de erven van [betrokkene 1]

(hierna: [eisers])

eisers tot cassatie

tegen

de gemeente Venray

(hierna: de Gemeente)

verweerster in cassatie

Het gaat in deze onteigeningszaak om de vraag of een beroep op zelfrealisatie aan onteigening ten behoeve van de uitvoering van een bestemmingsplan in de weg staat. Daarbij is in het bijzonder van belang dat de Gemeente beoogt het betrokken plandeel tot uitvoering te brengen door middel van de uitgifte van kavels voor "eigenbouw" (particulier opdrachtgeverschap). De zaak hangt samen met zaak C06/224HR, waarin ik heden eveneens concludeer.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Op 24 juni 2003 heeft de raad van de Gemeente besloten tot onteigening ten name van de Gemeente van de bij dat besluit aangewezen percelen, zulks ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan "Brabander"(1).

1.2 In genoemd raadsbesluit is ter onteigening, onder meer, aangewezen (1) een gedeelte, groot 00.09.03 ha, van het perceel, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nummer [003], in totaal groot 00.24.95 ha, (2) het perceel, groot 00.71.30 ha, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nummer [004], (3) een gedeelte, groot 00.34.78 ha, van het perceel, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nummer [005], in totaal groot 01.13.25 ha en (4) het perceel groot 01.06.40 ha, kadastraal bekend gemeente Venray, sectie [A], nummer [006](2).

1.3 [Betrokkene 2] heeft als weduwe van de op 3 juni 1991 overleden [betrokkene 1], de eigenaar van voornoemde percelen en perceelsgedeelten, bedenkingen tegen het raadsbesluit aan de Kroon kenbaar gemaakt(3).

1.4 Het raadsbesluit is nadien gedeeltelijk goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 6 mei 2004, nr. 04.001759, Stcrt. 2004, 96(4). De gedeeltelijke onthouding van goedkeuring had geen betrekking op het besluit tot onteigening van de percelen van [eisers].

1.5 Op verzoek van de Gemeente heeft de rechtbank Roermond bij beschikking van 15 september 2004 voor de op 3 juni 1991 overleden [betrokkene 1] mr. Chr.H. Noordhuis, advocaat en procureur te Roermond, benoemd tot derde, tegen wie het onteigeningsgeding op de voet van art. 20 Ow kan worden gevoerd.

1.6 Bij exploot van 15 oktober 2004 heeft de Gemeente mr. Chr.H. Noordhuis gedagvaard voor de rechtbank Roermond en een vervroegde uitspraak over de onteigening gevorderd(5). Als schadeloosstelling heeft zij een bedrag van € 634.152,50 aangeboden.

1.7 Op 27 oktober 2004, de eerstdienende dag, zijn [eisers] bij procureur op de aan mr. Chr.H. Noordhuis uitgebrachte dagvaarding verschenen, waardoor op de voet van art. 20 lid 2 Ow de dagvaarding als aan hen geschied wordt beschouwd en het geding tegen hen wordt gevoerd.

1.8 [Eisers] hebben de vordering tot onteigening bestreden met een beroep op zelfrealisatie. Zij hebben betoogd dat zij in samenwerking met [B] B.V. (hierna: [B]) te [plaats] in staat zijn om zelf de op hun grond rustende bestemming te verwezenlijken. Dat geldt volgens [eisers] in het bijzonder nu de Gemeente als vorm van planuitvoering voor particulier opdrachtgeverschap heeft gekozen en de wijze van realisatie die zij voorstaan nagenoeg is gelijk te stellen met hetgeen de Gemeente beoogt. Daarom ontbreekt volgens [eisers] de noodzaak om tot onteigening over te gaan, althans kan deze niet worden geacht in het publiek belang, doch slechts in een particulier belang te worden verricht. Subsidiair hebben [eisers] betoogd dat gedeeltelijke zelfrealisatie moet worden toegestaan ten aanzien van de grondexploitatie.

1.9 De Gemeente heeft zich op het standpunt gesteld dat van zelfrealisatie door [eisers] geen sprake is, omdat [eisers] met [B] niet ontwikkeling, maar verkoop van de betrokken grond zijn overeengekomen. Daarnaast moet volgens de Gemeente het beroep op zelfrealisatie worden afgewezen, omdat de door [eisers] voorgestelde verwezenlijking van de bestemming niet met de door de Gemeente gewenste vorm van planuitvoering overeenkomt. Daarbij heeft de Gemeente erop gewezen dat de Kroon zulks ook heeft beslist en dat de onteigeningsrechter de beslissing van de Kroon op dit punt slechts marginaal kan toetsen.

1.10 De rechtbank heeft bij vonnis van 13 april 2005 de Gemeente in haar vordering tot onteigening niet-ontvankelijk verklaard. Kern van het oordeel van de rechtbank is dat de Gemeente niet heeft aangetoond (en ook uit de beslissing van de Kroon onvoldoende blijkt) dat en waarom (juist) aan de door de Gemeente gewenste vorm van planuitvoering in het publiek belang dringend behoefte bestaat.

1.11 De Gemeente heeft, onder aanvoering van een algemene en een viertal nadere grieven, bij het hof 's-Hertogenbosch hoger beroep van dit vonnis ingesteld(6). Het hof heeft op 25 juli 2006 arrest gewezen.

1.12 In (de in cassatie niet bestreden) rov. 3 heeft het hof allereerst tot uitgangspunt genomen dat de toetsing door de onteigeningsrechter, "voor zover het betreft de afweging van de belangen die zijn betrokken bij het Koninklijk Besluit houdende de goedkeuring van een gemeentelijk onteigeningsbesluit, zich dient te beperken tot de vraag of de Kroon in redelijkheid tot die goedkeuring heeft kunnen komen". In de tweede plaats heeft het hof in aanmerking genomen dat de Kroon haar goedkeuring aan het onteigeningsbesluit kan onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven, wegens het niet of onvoldoende gediend zijn van het volkshuisvestingsbelang, het ruimtelijk ontwikkelingsbelang of het publiek belang, of het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak of de urgentie van de onteigening(7). Dat geldt, naar 's hofs oordeel, ook wanneer de eigenaar zelf een ander plan wil realiseren dan de gemeente voor ogen staat.

1.13 Het hof heeft vervolgens de door [betrokkene 2] in de Kroonprocedure naar voren gebrachte bedenkingen (rov. 4) en de beslissing daarover van de Kroon (rov. 5) weergegeven:

"4. In het onderhavige geval hebben [eiser] c.s. bij de Kroon bedenkingen aangevoerd. In de eerste plaats hebben zij aangevoerd dat niet of onvoldoende is geprobeerd via minnelijke weg tot overeenstemming te komen. In de tweede plaats hebben zij betoogd dat, nu werd onteigend ten behoeve van particulier opdrachtgeverschap, daarmee geen publiek belang werd gediend en er dus geen noodzaak van onteigening was. Ten derde hebben zij naar voren gebracht, dat, gelet op het rijksbeleid, het samengaan van het vergroten van de betrokkenheid van burgers bij de planontwikkeling kan samengaan met consumentgerichte bouw door projectontwikkelaars, dat een aan hen gelieerde projectontwikkelaar heeft aangegeven dat hij deze consumentgerichte bouw wil realiseren en dat de Gemeente geen inzicht heeft gegeven in de door haar te stellen eisen, waardoor strijd optreedt met het 'fair balance'-beginsel uit artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM. Ten slotte hebben zij een beroep gedaan op zelfrealisering.

5. De Kroon heeft blijkens haar besluit deze bezwaren gewogen en terzake beslissingen genomen. Zij heeft geoordeeld dat, gelet op het gevoerde overleg en de onaannemelijkheid van overeenstemming op korte termijn, de Gemeente in beginsel tot onteigening heeft kunnen besluiten. Zij heeft voorts geoordeeld dat onteigening ten behoeve van de uitvoering van het bestemmingsplan door middel van uitgifte van bouwkavels aan particulieren in het publiek belang kan worden geacht en dat het de Gemeente vrijstaat terzake, vooruitlopend op rijksbeleid, eigen beleid te ontwikkelen. Tevens heeft de Kroon in den brede uiteengezet dat en hoe de Gemeente heeft aangegeven welke eisen zij stelde aan de planuitvoering. Tenslotte heeft de Kroon geoordeeld dat [eiser] c.s. het bestemmingsplan niet kunnen uitvoeren in de door de Gemeente gewenste vorm (vrij opdrachtgeverschap), nu met hun tussenkomst de individuele kopers niet zelf hun architect en aannemer kunnen kiezen. Het zelfstandig voeren van de grondexploitatie door [eiser] c.s. kan naar het oordeel van de Kroon niet worden beschouwd als het zelf verwezenlijken van een deel van het bestemmingsplan en moet naar het oordeel van de Kroon ook uit een oogpunt van doelmatigheid ongewenst worden geacht."

Daaraan heeft het hof de navolgende gevolgtrekkingen verbonden:

"6. Naar het oordeel van het hof heeft de Kroon hiermee op de door [eiser] c.s. ingebrachte bedenkingen gemotiveerd beslist. Feiten of omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de Kroon bij de afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs niet tot deze beslissing had kunnen komen, zijn niet gebleken. In het licht van artikel 79 Ow is de Kroon niet gehouden uitdrukkelijke beslissingen te nemen ter zake van die toetsingsmaatstaven waarop de ingediende bedenkingen geen betrekking hebben. Daarbij merkt het hof nog op, dat de bedenking ter zake van het ontbreken van publiek belang bij onteigening ten behoeve van particuliere bouw principieel gesteld was en dat feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de concrete onteigening daarbij niet naar voren zijn gebracht. Derhalve kon de Kroon bij de beoordeling daarvan volstaan met een weerlegging van dit principiële betoog. Uit de beslissing van de Kroon kan dan ook niet worden afgeleid dat aan deze wijze van planuitvoering in het publiek belang geen dringende behoefte zou bestaan. In die beslissing ligt besloten dat dit naar het oordeel van de Kroon wel het geval is.

7. Uit het bovenstaande volgt dat de grieven slagen. Dit leidt ertoe dat het de stellingen van [eiser] c.s. in eerste aanleg, voor zover niet in het bovenstaande reeds weerlegd, opnieuw ter beoordeling voorliggen. Daarbij dienen stellingen met betrekking tot het niet of onvoldoende gediend zijn van het volkshuisvestingsbelang, het ruimtelijke-ontwikkelingsbelang of het publieke belang, dan wel het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak of de urgentie van de onteigening, die voor het eerst bij de onteigeningsrechter naar voren zijn gebracht, buiten beschouwing te blijven. Bezwaren van deze aard dienen bij de Kroon naar voren te worden gebracht en kunnen niet voor het eerst bij de onteigeningsrechter worden aangevoerd. Derhalve blijft slechts over het betoog van [eiser] dat per definitie onteigening met het oog op realisatie door particulieren geen wettelijke basis kent en een nodeloze inbreuk op het eigendomsrecht vormt die in strijd komt met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM.

8. Het hof volgt dit betoog niet. Het stelsel van de Onteigeningswet vereist niet dat de daadwerkelijke realisatie van de doeleinden waarvoor onteigend wordt, door een publiekrechtelijke rechtspersoon plaats vindt. Dat blijkt reeds uit het feit dat de onteigening in bepaalde gevallen (niet in het onderhavige) kan geschieden ten name van privaatrechtelijke (rechts)personen (zie de artikelen 1, tweede streepje, en 78 Ow). Ingeval de onteigening, zoals in casu, ten name van een gemeente plaats vindt, is deze gehouden de deugdelijke uitvoering van het plan te waarborgen. Niet valt in te zien waarom de Gemeente daarbij, zoals zij kan kiezen voor gehele of gedeeltelijke realisatie door een of meer projectontwikkelaars, niet evenzeer zou mogen kiezen voor realisatie door vrije opdrachtgevers. Zolang de onteigening plaatsvindt met het oog op een van de in artikel 79 genoemde belangen, staat daarmee tevens vast dat de onteigening plaatsvindt in het algemeen belang in de zin van artikel 1 van het eerste protocol bij het EVRM. Het enkele feit dat de onteigende gronden ter realisatie worden uitgegeven aan (niet met name bepaalde) vrije opdrachtgevers, maakt dat niet anders.

9. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van later gewijzigde of aan het licht gekomen omstandigheden aan de zijde van de Gemeente die zouden moeten leiden tot het oordeel dat wordt onteigend voor een ander doel dan tijdens de administratieve procedure gepresenteerd, dan wel dat de uitvoering van het plan niet meer is verzekerd.

10. Het boven overwogene leidt tot de slotsom dat de vonnissen van de rechtbank dienen te worden vernietigd en dat de vorderingen van de Gemeente tot onteigening voor toewijzing gereed liggen. Het hof begrijpt de vorderingen in hoger beroep (zoals weergegeven in de dagvaardingen in hoger beroep, de memories van grieven en de pleitnota) aldus, dat gevorderd wordt dat het hof vervroegd de onteigening van de percelen zal uitspreken onder toekenning van een voorschot op de schadeloosstelling en de benoeming van drie deskundigen.

11. Het hof zal de vervroegde onteigening van de betreffende percelen uitspreken. Aangezien niet is gebleken dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over het te betalen voorschot, zal het hof de voorschotten vaststellen op de aangeboden schadeloosstellingen; het opleggen van een verplichting voor de Gemeente tot het stellen van zekerheid kan dientengevolge achterwege blijven. Het hof zal tevens drie deskundigen benoemen teneinde de schadeloosstellingen te begroten en een raadsheer-commissaris benoemen.

12. Alle verdere beslissingen zullen worden aangehouden."

[Eisers] hebben van het arrest waarin de onteigening vervroegd is uitgesproken, tijdig(8) cassatieberoep ingesteld. De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping. Beide partijen hebben hun zaak schriftelijk doen toelichten. Daarna hebben [eisers] nog gerepliceerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit een algemene klacht, die in acht onderdelen (a-h)(9) wordt uitgewerkt.

2.2 De algemene klacht is een motiveringsklacht gericht tegen rov. 6 van het bestreden arrest. Het hof heeft daarin geoordeeld dat de Kroon in het licht van de bedenkingen van [betrokkene 2], weduwe en één van de erven van [betrokkene 1], haar beslissing tot goedkeuring van het onteigeningsbesluit van een voldoende motivering heeft voorzien, dat er geen feiten en omstandigheden zijn gebleken waaruit de kennelijke onredelijkheid van de beslissing van de Kroon blijkt en dat, anders dan de rechtbank oordeelde, in die beslissing besloten ligt dat aan de wijze van planuitvoering in het publiek belang een dringende behoefte bestaat. Het lot van deze klacht is geheel van het welslagen van de hierna te bespreken onderdelen afhankelijk.

2.3 Kern van de klachten van de onderdelen a en b is dat het bestreden oordeel onbegrijpelijk is, omdat de Kroon onvoldoende zou hebben gerespondeerd op de door [betrokkene 2] geuite bedenking dat niet is aangetoond dat aan de door de Gemeente voorgestane wijze van planuitvoering, aangeduid met "eigenbouw" of "particulier opdrachtgeverschap", in het publiek belang dringend behoefte bestaat, althans dat daarbij een zodanig publiek belang is betrokken dat het persoonlijke belang van [betrokkene 2] hiervoor moet wijken. De Kroon heeft slechts beoordeeld of de door de Gemeente voorgestane wijze van planuitvoering in het publiek belang moet worden geacht, maar niet of aan die wijze van planuitvoering ook dringend behoefte bestaat (onderdeel a, eerste klacht). Dat (zoals het hof in rov. 6, laatste volzin, heeft geoordeeld) in het besluit van de Kroon besloten ligt dat in het publiek belang een dringende behoefte aan de bedoelde wijze van planuitvoering bestaat, wordt door onderdeel a bestreden; daarbij wijst het onderdeel niet alleen op het stilzwijgen van het Kroonbesluit, maar ook op het stilzwijgen van het desbetreffende raadsbesluit ter zake, nadat [betrokkene 2] haar mede op het ontbreken van een dringende behoefte betrekking hebbende zienswijze naar aanleiding van het voornemen tot onteigening naar voren had gebracht (onderdeel a, tweede klacht). Onderdeel b bestrijdt het oordeel van het hof, voor zover dit aldus moet worden uitgelegd dat de Kroon in verband met het ontbreken van daarop gerichte bedenkingen niet was gehouden een uitdrukkelijke overweging aan de toetsingsmaatstaf van een dringende behoefte te wijden; volgens het onderdeel heeft [betrokkene 2] het ontbreken van een dringende behoefte niet alleen in haar zienswijze naar aanleiding van het voornemen tot onteigening, maar ook in haar bij de Kroon naar voren gebrachte bedenkingen betrokken. De klachten zullen gezamenlijk worden behandeld.

Toetsing door de Kroon

2.4 Een besluit van de gemeenteraad tot onteigening ten name van de gemeente behoeft goedkeuring van de Kroon. De Kroon kan haar goedkeuring onthouden indien de ingebrachte bedenkingen daartoe aanleiding geven, wegens het niet of onvoldoende gediend zijn van het volkshuisvestingsbelang, het ruimtelijk ontwikkelingsbelang of het publiek belang, of het onvoldoende aanwezig zijn van de noodzaak of de urgentie (art. 79 Ow(10)).

2.5 Uit jurisprudentie van de Kroon volgt dat een beroep op zelfrealisatie aan de noodzaak tot onteigening in de weg kan staan. In haar besluit in de onderhavige zaak heeft de Kroon ter zake (op p. 7/8) overwogen:

"Ten aanzien van de bedenkingen van de reclamanten onder b., dat zij zelf bereid en in staat zijn (een gedeelte van) het bestemmingsplan te verwezenlijken overwegen Wij vooreerst in het algemeen, dat in het kader van een voorgenomen onteigening zal moeten zijn aangetoond, dat zonder de voorgestelde grondverwerving door de gemeente het doel waarvoor wordt onteigend niet of niet in de door de gemeente gewenste vorm te bereiken is. Hierbij is van belang, dat indien een grondeigenaar bereid en in staat is zelf de op zijn grond rustende bestemming(en) te verwezenlijken, onteigening voor dat doel in beginsel niet noodzakelijk is.

Dit beginsel kan uitzondering lijden, indien door de gemeente ter verwezenlijking van de betrokken bestemming(en) een andere vorm van planuitvoering wordt gewenst dan de eigenaar voor ogen staat. In een dergelijk geval is onteigening echter slechts dan gerechtvaardigd, indien is aangetoond, dat aan die andere vorm van planuitvoering in het publieke belang dringend behoefte bestaat."

Na toetsing heeft de Kroon (op p. 9) geconcludeerd:

" (...) Naar Ons oordeel kunnen de reclamanten de woonbestemming in dit plandeel niet uitvoeren in de door de gemeente gewenste en hiervoor omschreven vorm. Met de tussenkomst van de reclamanten en hun beroep op zelfrealisatie zullen de individuele kopers namelijk niet zelf hun architect en aannemer kunnen kiezen (...)"

2.6 In onderhavig zaak is de noodzaak tot onteigening betwist, maar ook, omdat het hier om particulier opdrachtgeverschap gaat, dat met de onteigening een publiek belang zou zijn gediend. De Kroon heeft daarover (op p. 9) als volgt geoordeeld:

"(...) Zoals hiervoor aangegeven wenst de gemeente de gronden te verwerven teneinde de bouw van vrijstaande woningen voor individuele kopers in samenwerking met door hen zelf uit te kiezen architecten en aannemers mogelijk te maken. Anders dan de reclamanten stellen kan onteigening ten behoeve van het uitvoeren van het bestemmingsplan in de door de gemeente gewenste vorm, waar dit geschiedt ten behoeve van bouwkavels voor particulieren, in het publiek belang worden geacht. Dat in de door de reclamanten genoemde Nota mensen, wensen, wonen uit 2000 wordt vermeld dat vanaf 2005 in beginsel eenderde van de nieuwbouw langs de weg van particulier opdrachtgeverschap moet worden gebouwd, doet hieraan niet af. Het staat de gemeente vrij vooruitlopend daarop eigen beleid te ontwikkelen (...)"

Toetsing door de burgerlijke rechter

2.7 Na de uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) van 23 oktober 1985 (Benthem/Nederland), NJ 1986, 102, m.nt. EAA, wordt ervan uitgegaan dat de onteigeningsrechter bevoegd is de goedkeuring van het onteigeningsbesluit inhoudelijk te toetsen, als de stellingen van de te onteigenen partij daartoe aanleiding geven. De onteigeningsrechter mag in geval van betwisting de onteigening niet uitspreken, voordat hij zich van de rechtmatigheid van dat goedkeuringsbesluit heeft vergewist(11). Voorwaarde voor toetsing aan de hand van de stellingen van de te onteigenen partij is wel, dat die partij haar bezwaren al in de administratieve procedure (aan de gemeenteraad respectievelijk de Kroon) heeft kenbaar gemaakt, tenzij het betrokken bezwaar zozeer aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg staat, dat voor een afweging daarvan tegen de belangen die de gemeente bij uitvoering van het bestemmingsplan heeft, geen plaats is(12). Voorts geldt dat de toetsing door de onteigeningsrechter, voor zover deze toetsing de afweging van de bij de goedkeuring van het onteigeningsbesluit betrokken belangen betreft, zich dient te beperken tot de vraag of de Kroon bij die afweging in redelijkheid heeft kunnen komen tot het oordeel dat het betrokken perceel dient te worden onteigend(13). Een dergelijke marginale toetsing is ook dan aangewezen, als de te onteigenen partij aanvoert dat de onteigening niet noodzakelijk is, omdat zij bereid en in staat is zelf de beoogde bestemming te realiseren. De toetsing blijft dan beperkt tot de vraag of de onteigenende partij bij het nemen van het onteigeningsbesluit - c.q. de Kroon bij de goedkeuring daarvan - in redelijkheid tot het oordeel heeft kunnen komen dat die bereidheid of mogelijkheid niet bestaat(14). Bij de beantwoording van die vraag heeft de onteigeningsrechter slechts acht te slaan op feiten die tijdig in de administratieve procedure naar voren zijn gebracht (toetsing ex tunc)(15).

2.8 In rov. 6 heeft het hof geoordeeld dat de Kroon gemotiveerd op de (onder anderen) door [betrokkene 2] ingebrachte bedenkingen heeft beslist en dat feiten of omstandigheden die tot de conclusie zouden moeten leiden dat de Kroon bij de afweging van de betrokken belangen redelijkerwijs niet tot haar beslissing had kunnen komen, niet zijn gebleken. In het licht van hetgeen partijen over en weer in de administratieve fase hebben gesteld, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Uit het door partijen gevoerde debat blijkt dat [betrokkene 2] in haar bij de raad van de Gemeente ingebrachte zienswijze weliswaar heeft betwist dat in het onderhavige geval in het publiek belang dringend behoefte aan de door de Gemeente voorgestane vorm van planuitvoering bestaat, maar deze betwisting, voor zover betrekking hebbend op het ontbreken van een dringende behoefte, niet nader heeft gesubstantieerd. [Betrokkene 2] heeft haar betoog wel nader onderbouwd ten aanzien van (zo niet toegespitst op) het ontbreken van een publiek belang, met de stelling dat met de door de Gemeente voorgestane vorm van planuitvoering (eigenbouw) slechts het particuliere belang van de verwerver van de particuliere kavel wordt gediend:

"Indien het bij eigenbouw gaat om een vorm van planuitvoering waaraan uit het publieke belang dringend behoefte bestaat dan zullen cliënten daaraan medewerking verlenen. Vooralsnog wordt echter ontkend dat het bij eigenbouw gaat om een in redelijkheid door de gemeente te eisen vorm van planuitvoering, voorts wordt betwist dat daarbij het publiek belang wordt nagestreefd, maar vooral ook dat het zou gaan om een publiek belang waaraan dringend behoefte bestaat. Uiteindelijk wordt immers slechts het particuliere belang, van de verwerver van de particuliere kavel gediend. Het is dan geen onteigening ten name van de gemeente Venray, maar een onteigening ten name van de toekomstige kaveleigenaar. Daartegen zullen cliënten zich verzetten."(16)

2.9 Blijkens het in het onteigeningsbesluit van 24 juni 2003 overgenomen voorstel van burgemeester en wethouders van de Gemeente(17) heeft de raad van de Gemeente als volgt op deze zienswijze gereageerd:

"Ten aanzien van onderdeel 7 van de zienswijze over het ontbreken van het vereiste publieke belang bij de door de gemeente voorgestane "eigenbouw" in de vorm van particulier opdrachtgeverschap (hier wordt gerefereerd aan een in het voorstel aan de raad vervatte samenvatting van het standpunt van - onder anderen - [betrokkene 2]; punt 7 van die samenvatting luidt: "Gezien de zakelijke beschrijving zijn reclamanten van mening dat door het accent te leggen op "eigenbouw" geen sprake meer is van een publiek belang waarvoor de gemeente wenst te onteigenen."; LK) merken wij het volgende op. Voor de bewuste kavels staan wij een maximale vrijheid voor de particuliere eigenaar voor ten aanzien van de wijze van uitvoering van het bestemmingsplan. Deze door ons beoogde wijze van planuitvoering houdt in dat de eigenaar volledig vrij moet zijn in de keuze van zowel de architect als de aannemer, als het ontwerp van de woning (uiteraard binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitplan), het zogenaamde particulier opdrachtgeverschap. Naar ons oordeel wordt alleen op deze wijze, waarbij dus geen sprake is van enige vorm van "opgelegde" projectmatige ontwikkeling, een optimale diversiteit van woningbouw in het plangebied gewaarborgd. Deze door de gemeente beoogde maximale diversiteit in de te realiseren woningbouw kan niet worden bereikt met de door reclamanten voorgestelde maatwerktransacties met de eigenaren, waarbij de basis wordt gevormd door een bouwplan dat past binnen de randvoorwaarden van het bestemmingsplan. Het gegeven dat er binnen de gemeente bij particulieren behoefte bestaat aan en vraag is naar deze vorm van planuitvoering betekent niet dat de gemeente (uitsluitend) een particulier belang zou dienen, door in deze behoefte te voorzien.

De stimulering van het particuliere "eigenbouwen" wordt ook door de Rijksoverheid nadrukkelijk ondersteund. In de Nota Wonen heeft het kabinet in 2000 de visie op wonen in de 21e eeuw neergelegd. In deze Nota is bijvoorbeeld het streven vastgelegd om één derde van de toekomstige nieuwbouw uit te laten voeren door particulier opdrachtgeverschap. In het bestemmingsplan Brabander is dit streven uitgewerkt door voor een deel van het plangebied, plandeel Laagheide, vast te leggen dat de daarin gelegen kavels zijn bestemd voor de eigenbouwers. Dat er ook vraag is naar deze manier van woningbouw, bewijst het grote aantal inschrijvingen voor de lotingen van de al uitgegeven kavels in de fasen 1 (305 gegadigden voor 27 kavels) en 2a (83 gegadigden voor 39 kavels) van Laagheide. Wij zien het waarborgen van een gedifferentieerd woningaanbod - in overeenstemming met de bestaande en toekomstige behoeften van burgers - daarom nadrukkelijk als een publieke taak."

Uit deze reactie volgt dat de Gemeente de zienswijze van [betrokkene 2] vooral heeft opgevat als te zijn gericht tegen de opvatting dat hier een publiek in plaats van een particulier belang in het geding is. Daarbij heeft de Gemeente overigens wel het publiek belang bij eigenbouw ("een optimale diversiteit van woningbouw in het plangebied" en "het waarborgen van een gedifferentieerd woningaanbod - in overeenstemming met de bestaande en toekomstige behoeften van burgers -") geëxpliciteerd en de behoefte van particulieren aan de voorgenomen wijze van planuitvoering met cijfers onderbouwd.

2.10 In de door [betrokkene 2] bij de Kroon naar voren gebrachte bedenkingen, zoals vervat in de brief van haar raadsman van 27 augustus 2003 (die in algemene zin naar de als "herhaald en ingelast te beschouwen" en bij de raad van de Gemeente ingebrachte zienswijze verwijst), is weliswaar (wederom) ingegaan op het particuliere karakter van het belang dat met het voorstaan van particulier opdrachtgeverschap zou worden gediend, maar is geen kanttekening geplaatst bij de vraag of aan de door de Gemeente voorgenomen wijze van planuitvoering in het publiek belang een dringende behoefte bestaat. Ik wijs allereerst op de beschouwing onder het hoofdje "Noodzaak onteigening" op p. 2 van die brief:

"Centraal staat de vraag of voor de verwezenlijking van de bestemming de onteigening noodzakelijk is. De gemeente Venray vermeldt als noodzaak voor de onteigening de aanleg van de verlengde Westsingel en de realisering van de in het deelgebied 1 Lagerheide geprojecteerde woningbouw, ca. 160 vrijstaande woningen (inclusief bestaande woningen) in de vrije sector.

De noodzaak dient erin gelegen te zijn dat een publiek belang gediend wordt. De gemeente ziet dit publieke belang in de door de gemeente gewenste 'eigenbouw'. Particuliere eigenaren geven met een maximale vrijheid opdracht ten aanzien van de wijze van uitvoering van het bestemmingsplan, onder de noemer van 'het particulier opdrachtgeverschap'. De gemeente wil op deze manier opgelegde projectmatige ontwikkeling voorkomen. Diversiteit van woningbouw is waar het de gemeente om gaat. Deze gewenste diversiteit kan naar de mening van de gemeente niet bereikt worden door een projectontwikkelaar in overleg met de eigenaren. [B] B.V. kan zich met dit standpunt niet verenigen. Met het voorstaan van particulier opdrachtgeverschap worden immers enkel particuliere belangen gediend. [B] B.V. ziet niet in op welke wijze er in casu een publiek belang wordt gediend. Van enige noodzaak tot onteigening is derhalve dan ook geen sprake."

Verderop, op p. 4, onder het hoofdje "Beroep op zelfrealisering" wordt weliswaar verwezen naar de standaardformulering van de Kroon volgens welke een door de gemeente voorgestane, andere vorm van planuitvoering dan de eigenaar voor ogen staat, een onteigening slechts dan rechtvaardigt, indien is aangetoond, dat aan die andere vorm van planuitvoering in het publiek belang dringend behoefte bestaat, maar wordt in het vervolg niet verder op dat deel van de formule ingegaan. In plaats daarvan wordt betoogd dat

"(...) in het onderhavige geval [B] B.V. dezelfde verwezenlijking van bestemming voor ogen staat als de gemeente en [B] B.V. voorts bereid en in staat is deze bestemmingen te verwezenlijken (...)"

en dat dus

"(...) geconcludeerd (moet) worden dat onteigening niet noodzakelijk is."

2.11 Ten slotte heeft de Kroon in haar weergave van het standpunt van [betrokkene 2] onderscheiden tussen hetgeen in het geschrift met zienswijzen (in de zin van art. 80 lid 1 Ow jo art. 3:13 (oud) Awb(18)) is aangevoerd (zie p. 6/7 van het goedkeuringsbesluit, waar onder meer ook wordt gerefereerd aan de van de zienswijze van [betrokkene 2] deel uitmakende betwisting dat "het (bij "eigenbouw") zou gaan om een publiek belang waaraan dringend behoefte bestaat") en hetgeen in het geschrift met bedenkingen (in de zin van art. 79 Ow) is betoogd (p. 7 van het goedkeuringsbesluit). Vervolgens heeft de Kroon (overeenkomstig art. 79 Ow) de bedenkingen van [betrokkene 2] besproken; zie in het bijzonder p. 7, laatste alinea, van het goedkeuringsbesluit ("Ten aanzien van de bedenkingen van de reclamanten onder b., dat zij zelf bereid en in staat zijn (een gedeelte van het bestemmingsplan te verwezenlijken overwegen Wij vooreerst (...)"), p. 8, tweede tekstblok, van het goedkeuringsbesluit ("Voor de verdere beoordeling van de bedenkingen van de reclamanten onder b., dat zij in staat en bereid zijn (...)", p. 9, derde tekstblok ("Met betrekking tot de bedenking van de reclamanten, dat bij onteigening voor "eigenbouwers", zoals wordt beoogd, geen onteigening ten name van de gemeente Venraij maar van de toekomstige kaveleigenaar plaatsvindt (...)") en p. 10, tweede tekstblok ("Gezien het vorenstaande kunnen de bedenkingen van (...) de reclamanten onder b. niet ertoe leiden (...)").

2.12 Bij het gegeven verloop van het partijdebat in de administratieve procedure en gelet op de inhoud van het goedkeuringsbesluit acht ik niet onbegrijpelijk dat het hof kennelijk van oordeel was dat [betrokkene 2] met haar bij de Kroon ingebrachte bedenkingen niet had bestreden (en dat in de administratieve procedure ten overstaan van de Kroon mitsdien niet ter discussie stond) dat aan de door de Gemeente voorgestane wijze van planuitvoering, indien deze (zoals de Gemeente meende, maar [betrokkene 2] ook ten overstaan van de Kroon betwistte) het publiek belang daadwerkelijk diende, een dringende behoefte bestond. De onderdelen a en b stuiten reeds hierop af.

2.13 Onderdeel c komt op tegen het oordeel in rov. 6 dat de bedenking van [betrokkene 2] ter zake van het ontbreken van publiek belang bij onteigening ten behoeve van particuliere bouw principieel was gesteld en dat feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de concrete onteigening daarbij niet naar voren zijn gebracht. Het onderdeel voert aan dat ter zake een beroep is gedaan op de bereidheid en het in staat zijn tot zelfrealisatie door middel van het aangaan van maatwerktransacties met toekomstige eigenaren.

2.14 Het onderdeel kan niet slagen. Het bestreden oordeel betreft de weerlegging door de Kroon van de (volgens het hof) principiële bedenking dat het publiek belang niet met het voorstaan van particulier opdrachtgeverschap is gediend. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof (in navolging van de Kroon) het beroep op zelfrealisatie niet met de bedenking aangaande het ontbreken van een publiek belang bij de voorgestane planuitvoering, maar met de bedenking over de noodzaak van de onteigening in verband gebracht. Waar het bestreden oordeel slechts ertoe strekt vast te stellen dat de Kroon gemotiveerd op de door [betrokkene 2] ingebrachte bedenkingen heeft beslist, is overigens van belang dat de Kroon naar aanleiding van de bedenking met betrekking tot de onteigeningsnoodzaak het beroep op zelfrealisatie van [betrokkene 2] wel degelijk en ampel heeft besproken (zie p. 7-9 van het goedkeuringsbesluit).

2.15 Onderdeel d klaagt dat het hof zijn oordeel over het subsidiair door [betrokkene 2] ingebrachte standpunt dat haar in ieder geval de grondexploitatie moet worden toegestaan, onvoldoende of onbegrijpelijk heeft gemotiveerd. Volgens het door [betrokkene 2] (en door [eisers] in de feitelijke instanties van het onteigeningsgeding) ingenomen standpunt is particulier opdrachtgeverschap zeer wel verenigbaar met zelfstandige grondexploitatie door [betrokkene 2] (c.q. [eisers]), die overigens in niets van de door de Gemeente in het kader van de voorgenomen planuitvoering te voeren grondexploitatie zou verschillen. De Kroon heeft daarover geoordeeld dat het zelfstandig voeren van grondexploitatie niet kan worden beschouwd als het zelf verwezenlijken van een deel van het bestemmingsplan en ook uit een oogpunt van doelmatigheid ongewenst moet worden geacht, welk oordeel het hof blijkens rov. 6, eerste volzin, in samenhang met rov. 5, slot, als gemotiveerde beslissing op het desbetreffende standpunt van [betrokkene 2] heeft beschouwd.

2.16 Het bestreden oordeel is in het licht van het partijdebat geenszins onbegrijpelijk. [Betrokkene 2] heeft het bedoelde subsidiaire standpunt eerst in een laat stadium en slechts summier gemotiveerd ten overstaan van de Kroon betrokken(19):

"Het vorenstaande betekent ook dat subsidiair door [B], [eiser] en [betrokkene 2] het standpunt wordt ingenomen dat in ieder geval de grondexploitatie door henzelf kan plaatsvinden. Eventueel particulier opdrachtgeverschap wordt door zo'n eigen grondexploitatie op geen enkele wijze belemmerd. (...)"

De Kroon heeft daarop gerespondeerd met de overweging dat het zelfstandig voeren van de grondexploitatie (a) niet kan worden beschouwd als het zelf verwezenlijken van een deel van het bestemmingsplan en (b) uit het oogpunt van doelmatigheid ongewenst moet worden geacht.

In het geding voor de onteigeningsrechter hebben [eisers] tegen dit oordeel vooral aangevoerd, dat, als het oordeel onder (a) juist is, de onteigening kennelijk niet strekt tot verwezenlijking van het bestemmingsplan, omdat de eigen rol van de Gemeente daarbij niet meer uitgebreid zal zijn dan de grondexploitatie die [betrokkene 2] (c.q. [eisers]) zich wil(len) voorbehouden, en dat, wat het oordeel onder (b) betreft, de door [betrokkene 2] (c.q. [eisers]) voorgestane grondexploitatie niet minder doelmatig is dan de versnippering van het plandeel via gronduitgifte zoals de Gemeente voorstaat(20). De Gemeente heeft van haar kant in het onteigeningsgeding betoogd dat het oordeel van de Kroon juist is(21) en daarbij het standpunt betrokken dat de omstandigheid dat de Gemeente het bestemmingsplan niet zelf uitvoert, niet impliceert dat de onteigening dus niet tot verwezenlijking van het bestemmingsplan strekt, en voorts dat, vanwege de complexiteit van de grondexploitatie, óók in het geval dat zelfrealisatie wordt toegestaan, gemeenten de betrokken gronden bouwrijp plegen te maken en bouwkavels plegen uit te geven.

Voor zover [eisers] zich hebben beroepen op de ongerijmdheid van het oordeel van de Kroon dat de door hen voorgestane zelfrealisatie in de vorm van grondexploitatie niet als verwezenlijking van (een deel van) het bestemmingsplan kan worden beschouwd, omdat dan hetzelfde zou gelden voor de rol die de Gemeente zich in de voorgestane planuitvoering voorbehoudt en dit zou impliceren dat de onteigening niet tot verwezenlijking van het bestemmingsplan strekt en een onteigeningsnoodzaak ontbreekt, behoefde het hof mijns inziens niet expliciet op de stellingen van [eisers] in te gaan. Naar ook de Gemeente in de feitelijke instanties heeft betoogd, berusten deze stellingen kennelijk op de misvatting dat onteigening ten name van de Gemeente slechts tot verwezenlijking van het betrokken bestemmingsplan door de Gemeente zelf kan strekken. In dit verband komt overigens mede betekenis toe aan hetgeen het hof in rov. 8 heeft overwogen.

Ook de summiere stellingen van [eisers] met betrekking tot de door de Kroon aangenomen ondoelmatigheid van een door [betrokkene 2] (c.q. door hen) voor te behouden grondexploitatie dwongen het hof mijns inziens niet tot een nadere motivering van het bestreden oordeel. De door [eisers] bedoelde versnippering van het plandeel door de Gemeente (de uitgifte van - bouwrijpe - kavels voor "eigenbouw"), is onmiskenbaar onvergelijkbaar met een (óók het bouwrijp maken van de grond en de aanleg van infrastructuur en openbare voorzieningen rakende) versnippering van de grondexploitatie zoals [eisers] die voorstaan; dat geldt temeer nu uit het voorstel dat aan het onteigeningsbesluit van de raad van de Gemeente ten grondslag ligt, blijkt dat slechts een deel van de gronden van [eisers] de bestemming "Woondoeleinden" heeft en een groot deel van de te onteigenen gronden is benodigd voor infrastructuur en andere openbare voorzieningen in het plandeel, die de Gemeente onder haar regie door één partij wil laten realiseren.

2.17 Nu, anders dan onderdeel e betoogt, de onderdelen a-d falen, doet zich niet het geval door dat het slagen van één of meer van die onderdelen in rov. 7 doorwerkt, in die zin dat ook rov. 7 niet in stand kan blijven.

2.18 Het onderdeel klaagt echter mede over het feit dat het hof blijkens rov. 7 het betoog van [eisers] aldus heeft opgevat "dat per definitie onteigening met het oog op realisatie door particulieren geen wettelijke basis kent en een nodeloze inbreuk op het eigendomsrecht vormt die in strijd komt met artikel 1 van het Eerste protocol bij het EVRM". Volgens het onderdeel is deze opvatting van het betoog van [eisers] te beperkt, omdat zij niet alleen hebben betoogd dat een wettelijke basis voor de onteigening ontbreekt, maar ook dat onteigening met het oog op "eigenbouw" en particulier opdrachtgeverschap met het "fair balance"-beginsel, ook wel aangeduid als proportionaliteitsbeginsel, van art. 1 Eerste Protocol in strijd komt. Het onderdeel verwijst in dit verband naar verschillende vindplaatsen in de gedingstukken. Uit die gedingstukken blijkt dat het beroep van [eisers] op het proportionaliteitsbeginsel inhoudt dat, als een bestemmingsplan door zelfrealisatie kan worden uitgevoerd, dit aan realisatie van het bestemmingsplan door middel van onteigening ten behoeve van particulier opdrachtgeverschap in de weg staat.

Voor zover het onderdeel klaagt dat het hof de opvatting van [eisers] te beperkt heeft opgevat, mist het doel. Blijkens de in rov. 7 gegeven samenvatting van het betoog van [eisers] heeft het hof immers wel degelijk onderkend dat dit betoog mede ertoe strekte dat onteigening met het oog op realisatie door particulieren een nodeloze inbreuk op het eigendomsrecht vormt die met art. 1 Eerste Protocol (welke bepaling het door [eisers] bedoelde "fair balance"- of proportionaliteitsbeginsel insluit) in strijd komt.

Ook voor zover het onderdeel klaagt dat het hof onvoldoende op de gestelde schending van het "fair balance"- of proportionaliteitsbeginsel van art. 1 Eerste Protocol heeft gerespondeerd, kan het niet tot cassatie leiden. Nadat de Kroon reeds heeft geoordeeld (en volgens het hof ook in redelijkheid heeft kunnen oordelen) dat de door de Gemeente beoogde planuitvoering een publiek belang dient waaraan de door [eisers] beoogde zelfrealisatie onvoldoende tegemoet komt, heeft het hof in rov. 8, laatste volzin, daaraan nog toegevoegd dat een onteigening met het oog op de in art. 79 Ow genoemde belangen (waaronder het publiek belang) in het algemeen belang in de zin van art. 1 Eerste Protocol plaatsvindt en dat een beoogde planuitvoering door gronduitgifte aan (niet met name bepaalde) vrije opdrachtgevers daaraan niet afdoet. Bij die stand van zaken behoefde de stelling dat hier van een nodeloze en met (het "fair balance"- of proportionaliteitsbeginsel van) art. 1 Eerste Protocol strijdige onteigening sprake zou zijn, geen nadere bespreking.

2.19 Onderdeel f, dat voortbouwt op onderdeel e, maar is gericht tegen rov. 8, kan evenmin slagen.

Ook voor rov. 8 geldt naar mijn mening dat zij mede moet worden bezien in het licht van het door het hof reeds (marginaal) getoetste oordeel van de Kroon dat de zelfrealisatie die [eisers] voor ogen staat, aan het publiek belang dat met de door de Gemeente beoogde wijze van planuitvoering door middel van particulier opdrachtgeverschap is gediend, onvoldoende tegemoet komt. In dat oordeel ligt besloten dat een onteigening om de door de Gemeente beoogde planuitvoering mogelijk te maken, in verband met de door [eisers] beoogde zelfrealisatie niet zonder meer als nodeloze (disproportionele) inbreuk op het eigendomsrecht van [eisers] kan gelden.

2.20 Onderdeel g voegt aan de voorgaande onderdelen toe dat de waarborgen van art. 6 EVRM zich ertegen verzetten dat het hof het oordeel van de Kroon sanctioneert zonder zich voldoende rekenschap te geven van de inhoud van de bedenkingen die [betrokkene 2] bij de Kroon heeft aangevoerd en die [eisers] in de gerechtelijke procedure hebben gehandhaafd, en van de motivering waarmee de Kroon die bedenkingen ter zijde heeft gesteld. Het onderdeel verduidelijkt niet in welke opzichten het hof de inhoud van de bedenkingen van [betrokkene 2] en de motivering waarmee de Kroon die bedenkingen ter zijde heeft gesteld, zou hebben veronachtzaamd, terwijl ook met de voorgaande onderdelen een dergelijke veronachtzaming niet is blootgelegd. Daarom kan ook onderdeel g niet tot cassatie leiden. Voor het geval dat het onderdeel meer in het algemeen is gericht tegen de beperkingen waaraan de toetsing van het goedkeuringsbesluit door de onteigeningsrechter is onderworpen, teken ik volledigheidshalve nog aan dat uit EHRM 27 november 1991 (Oerlemans/Nederland), NJ 1992, 666, m.nt. EJD, § 56-58, voortvloeit dat een toetsing door de civiele rechter van een beslissing van een bestuursorgaan aan de wet en aan de beginselen van behoorlijk bestuur niet met art. 6 EVRM in strijd is(22).

2.21 Onderdeel h heeft geen zelfstandige betekenis en deelt het lot van de voorgaande klachten.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Art. 77 lid 1, aanhef en onder 1, Ow, alsmede art. 79, eerste volzin, Ow, beide bepalingen in hun destijds (tot 1 februari 2004 resp. 1 juli 2005) geldende versies. Zie voor die versies de Wet van 28 mei 2002, Stb. 348, in werking getreden op 13 juli 2002 (zie in dat verband mede Stcrt. 2002, 101), resp. de Wet van 6 november 1997, Stb. 510, in werking getreden op 1 januari 1998 (Stb. 1997, 581). Zie voor de opvolgende versies de Wet van 20 november 2003, Stb. 519, in werking getreden op 1 februari 2004 (Stb. 2004, 27), resp. de Wet van 26 mei 2005, Stb. 282, in werking getreden op 1 juli 2005 (Stb. 2005, 320). Het raadsbesluit is overgelegd als bijlage 1 bij prod. 4 bij de conclusie van antwoord.

2 Art. 83 Ow.

3 Art. 84 en 86 Ow, beide bepalingen in hun destijds geldende versies. Zie voor die versies de Wet van 22 december 1993, Stb. 1994, 28, in werking getreden op 19 januari 1994, resp. de Wet van 28 januari 1999, Stb. 30, in werking getreden op 17 februari 1999 (Stb. 1999, 40). Zie voor de opvolgende versies de Wet van 26 mei 2005, Stb. 282, in werking getreden op 1 juli 2005 (Stb. 2005, 320).

4 Art. 79 Ow, in zijn destijds geldende versie; zie voetnoot 1. Het KB is overgelegd als prod. 3 bij de conclusie van antwoord, en voorts gepubliceerd in BR 2004, p. 975, m.nt. B.S. ten Kate.

5 Art. 54f Ow.

6 Art. 54f Ow jo art. 54h Ow (die laatste bepaling in haar destijds en op grond van de Wet van 27 oktober 1972, Stb. 578, geldende versie; zie voor de opvolgende versie de Wet van 6 oktober 2005, Stb. 534, ingevolge Stb. 2005, 535, op 2 november 2005 in werking getreden) jo art. 26 Ow.

7 Dit is de maatstaf, zoals neergelegd in art. 79 Ow.

8 Zie voor de ontvankelijkheid van de onteigende partij in haar cassatieberoep tegen een ingevolge art. 26 Ow in hoger beroep gedane uitspraak waarbij alsnog vervroegde onteigening is uitgesproken, HR 27 oktober 1999, NJ 1999, 819, en de conclusie van A-G Ilsink voor dit arrest onder 2.1-2-5. In zijn conclusie gaat A-G Ilsink onder 2.6-2.9 mede in op de vraag op welke wijze en binnen welke termijn zodanig cassatieberoep moet worden ingesteld, en concludeert hij dat de algemene cassatietermijn van art. 402 Rv van toepassing is. Overigens zou het onderhavige cassatieberoep ook dan tijdig zijn ingesteld, als de art. 54l jo 52 en 53 Ow hier van overeenkomstige toepassing zijn. In dat geval zou immers hebben te gelden dat de in art. 54l jo 52 lid 3 Ow bedoelde verklaring binnen twee weken na 25 juli 2006 (op 4 augustus 2006) ter griffie van het hof 's-Hertogenbosch is afgelegd en dat de in art. 54l jo 53 lid 1 Ow bedoelde betekening binnen vier weken na 25 juli 2006 (en wel op 22 augustus 2006) heeft plaatsgevonden.

9 De cassatiedagvaarding spreekt van subonderdelen.

10 De huidige versie (zie de Wet van 26 mei 2005, Stb. 282; zie voor de inwerkingtreding per 1 juli 2005 Stb. 2005, 320) verschilt niet noemenswaard van die welke destijds (ingevolge de Wet van 6 november 1997, Stb. 510; zie voor de inwerkingtreding per 1 januari 1998 Stb. 1997, 581) gold.

11 HR 25 mei 1988 (3x), NJ 1988, 927, m.nt. M.S onder NJ 1988, 928, NJ 1988, 928, m.nt. MS, resp. NJ 1988, 930, m.nt. EAA; HR 29 juni 1988, NJ 1989, 52, m.nt. MS; zie ook BR 1988, p. 757, m.nt. P.C.E. van Wijmen; zie voorts J.E.F.M. den Drijver-van Rijckevorsel en A.W. van Engen, Onteigening (2003), p. 22 en 47, alsmede Onteigening, eigendomsbeperking en kostenverhaal, art. 77, 1.A-86e-1.A-90 (J.W. van Zundert).

12 Zie HR 7 november 1990, NJ 1991, 65, rov. 3, waarin de Hoge Raad, overigens met betrekking tot een beroep op zelfrealisatie, oordeelde dat "een bezwaar als het onderhavige, dat in de procedure voorafgaande aan het onteigeningsgeding niet door de toenmalige eigenaar naar voren is gebracht, in dit geding niet kan worden betrokken bij de toetsing van de aan het besluit tot onteigening en de goedkeuring daarvan ten grondslag liggende belangenafweging" en dat "(v)an het onderhavige bezwaar (...) niet (kan) worden gezegd dat het (...) behoort tot een categorie van bezwaren die zonder enige belangenafweging aan de rechtmatigheid van de onteigening in de weg staan". Vgl. HR 25 mei 1988, NJ 1988, 927, m.nt. M.S onder NJ 1988, 928, waarin een voor het eerst ten overstaan van de onteigeningsrechter gedaan beroep op gebleken onzekerheid aangaande de wil van de gemeente het bestemmingsplan uit te voeren, wél werd toegestaan; een afweging van belangen is evenmin aan de orde, als de te onteigenen partij het verweer voert dat de onteigening niet geschiedt ter uitvoering van het desbetreffende bestemmingsplan; zie HR 2 april 1997, NJ 1997, 730, m.nt. PCEvW.

13 HR 25 mei 1988, NJ 1988, 928, m.nt. MS.

14 HR 27 oktober 1999, NJ 1999, 819, rov. 3.3.2.

15 HR 9 februari 2000, NJ 2000, 418, m.nt. PCEvW, rov. 4.2.1-4.2.2.

16 Zie (p. 2 van) de brief van de raadsman van [betrokkene 2] aan de raad van de Gemeente van 4 april 2003, houdende de zienswijze van [betrokkene 2]; deze brief is bijlage 2 gevoegd bij de als prod. 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde brief van de raadsman van [betrokkene 2] aan de Kroon van 27 augustus 2003.

17 Voorstel aan de raad van de Gemeente van 10 juni 2003, p. 10-11. Dit voorstel is als bijlage 1 gevoegd bij de als prod. 4 bij de conclusie van antwoord overgelegde brief van de raadsman van [betrokkene 2] aan de Kroon van 27 augustus 2003.

18 Ik doel hier op de bepaling zoals die (op grond van de Wet van 29 december 1993, Stb. 1994, 1, in werking getreden op 1 januari 1994; zie voor de inwerkingtreding Stb. 1993, 693) tot 1 juli 2005 gold; zie voor de thans geldende regeling art. 3:15 Awb, zoals vastgesteld bij de Wet van 24 januari 2002, Stb. 54, in werking getreden op 1 juli 2005 (Stb 2005, 320).

19 Zie p. 3 van de brief van de raadsman van [betrokkene 2] aan de minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer van 28 november 2003, prod. 5 bij de conclusie van antwoord. Dat neemt overigens niet weg dat (zoals ook mr. Gelpke in zijn schriftelijke toelichting onder 33 en in voetnoot 12 terecht opmerkt) de Kroon kennelijk wel heeft gemeend dat het subsidiaire standpunt van [betrokkene 2] een voldoende grondslag vindt in de bij de raad van de Gemeente naar voren gebrachte zienswijze. Vgl. in dit verband HR 30 september 1998, NJ 1999, 412, m.nt. PCEvW onder NJ 1999, 411.

20 Conclusie van antwoord, p. 7-8, memorie van antwoord, p. 20-21.

21 Pleitaantekeningen mr. Zeilmaker van 25 februari 2005, onder 34-36, alsmede memorie van grieven, onder 48.

22 Zie daarover ook P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure (1996), p. 32.