Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB6185

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-03-2008
Datum publicatie
14-03-2008
Zaaknummer
C06/213HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2006:AX0775
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB6185
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Huwelijksvermogensrecht. Schadevergoeding wegens onrechtmatige daden gepleegd tijdens het huwelijk; echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/44
JOL 2008, 193
RvdW 2008, 317
NJB 2008, 752
JWB 2008/117

Conclusie

C06/213HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 21 december 2007

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

Deze zaak betreft de vermogensrechtelijke afwikkeling van een huwelijk. In cassatie is voornamelijk de vraag aan de orde of het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. Het dossier van deze zaak is betrekkelijk gecompliceerd, mede als gevolg van verscheidene wijzigingen van eis. In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten die in het bestreden arrest onder 3.1 - 3.9 zijn vastgesteld. In het kort houden deze feiten het volgende in:

1.1.1. Eiser tot cassatie (hierna: de man) en verweerster in cassatie (de vrouw) zijn op 3 november 1973 met elkaar gehuwd. Zij hebben in hun huwelijkse voorwaarden iedere gemeenschap van goederen uitgesloten.

1.1.2. Bij beschikking van de rechtbank te Utrecht van 6 maart 2002 is de echtscheiding uitgesproken(1).

1.1.3. Uit de akte van huwelijkse voorwaarden blijkt dat de vrouw onder meer haar woning te [plaats B] heeft aangebracht ten huwelijk. De man heeft geen goederen aangebracht ten huwelijk.

1.1.4. Met betrekking tot de opeenvolgende echtelijke woningen staat vast:

Tot 1976 hebben partijen gewoond in de woning te [plaats B], die eigendom was van de vrouw. De vrouw heeft deze woning aan een derde verkocht voor f 70.503,13.

In april 1976 hebben partijen de woning aan de [b-straat 1] te [plaats A] gekocht als echtelijke woning voor f 148.000,-, te vermeerderen met kosten koper. Deze woning (hierna aangeduid als: de tweede echtelijke woning) is op naam van de man gesteld. Partijen hebben hiervoor een hypothecaire lening gesloten van f 160.000,-, welke schuld gedeeltelijk is afgelost met de opbrengst van de (eerste) woning te [plaats B]. Daarna resteerde een hypothecaire schuld van f 89.496,87 (dan wel f 88.294,18)(2).

In 1984 wilden partijen een nieuwe woning laten bouwen aan de [a-straat 1] te [plaats A] (in de gedingstukken aangeduid als: de derde echtelijke woning). De kavel is in eigendom overgedragen aan de man. Ter financiering van de koopsom hebben partijen als hoofdelijk medeschuldenaren f 125.000,- bij een bank geleend.

Nadat in 1984 de tweede echtelijke woning was verkocht is uit de opbrengst van f 250.000,- onder meer de geldlening afgelost.

Na aanvang van de echtscheidingsprocedure heeft de man de (derde) echtelijke woning aan een derde verkocht en op 3 januari 2005 geleverd. De (bruto) verkoopopbrengst bedroeg € 570.000,-.

1.1.5. Met betrekking tot het zgn. veerhuis staat vast:

In 1977 heeft de vrouw het veerhuis te [plaats B] van haar moeder gekocht voor f 68.000,-. In verband hiermee heeft de vrouw f 18.000,-- van haar moeder geleend. Het veerhuis is geleverd aan de man, zulks in afwijking van een eerdere concept-transportakte.

In 1978 heeft de belastingdienst de man aangeslagen, omdat volgens de belastingdienst de waarde ten tijde van de overdracht niet f 68.000,-, maar f 90.000,- was. Over het verschil van f 22.000,- moest schenkingsrecht worden betaald. Het verschuldigde is voldaan door de vrouw.

In 1998 heeft de man het veerhuis belast met een tweede hypotheek van f 25.000,-.

1.1.6. Met betrekking tot de vakantiewoning in Zeeland staat vast:

In 1994 heeft de man een perceel grond aangekocht voor f 58.750,-. Deze aankoop is voor f 50.000,- gefinancierd met geld dat de moeder van de vrouw had geschonken aan de kinderen van partijen en voor de resterende f 8.750,- door de vrouw. Met financiering van een bank heeft de man op dit perceel een vakantiewoning laten bouwen, bestemd voor verhuur. In 2000 heeft de man de vakantiewoning verkocht.

1.1.7. Met betrekking tot de inkomsten van partijen tijdens het huwelijk staat vast dat de vrouw sinds 2 januari 1975 een eenmanszaak (fietsherstellers- en bromfietsbedrijf) exploiteerde. Deze onderneming was gevestigd in een van de bijgebouwen van het veerhuis. De man was tijdens het huwelijk in loondienst werkzaam als landmeter.

1.1.8. Voor de aangiften van de vrouw bij de politie ter zake van mishandeling door de man en het strafrechtelijk vervolg daarop zij verwezen naar het bestreden arrest.

1.2. Op 23 augustus 2001 heeft de vrouw de man gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht. Met inachtneming van de wijziging van eis bij conclusie van repliek in conventie en verkort weergegeven, heeft zij primair gevorderd dat de man zal worden veroordeeld tot:

(a) het verlenen van medewerking aan het op naam van de vrouw zetten van de onverdeelde helft van de (derde) echtelijke woning en de helft van de daarop rustende hypothecaire schuld, met bepaling dat als de man zijn medewerking weigert, het vonnis in de plaats van de noodzakelijke akte treedt;

(b) betaling van f 938.000,- (€ 425.646,-) op grond van het verrekenbeding in de akte van huwelijkse voorwaarden, te vermeerderen met wettelijke rente;

(c) vergoeding van f 15.000,- (€ 6.807,-) wegens door de man verkochte inboedelgoederen van de vrouw, vermeerderd met wettelijke rente;

(d) betaling van f 1.000,- (€ 453,78) in verband met een door de vrouw verrichte aanbetaling van een reis van de man, vermeerderd met wettelijke rente;

(e) afgifte van inboedelgoederen uit de echtelijke woning, op straffe van een dwangsom;

(f) het verlenen van medewerking aan het op naam van de vrouw zetten van het veerhuis en de hypothecaire schuld daarop, met bepaling dat als de man zijn medewerking weigert, het vonnis in de plaats van de noodzakelijke akte treedt;

(g) betaling van f 14.711,30 (€ 6.767,-) in verband met inbreng door de vrouw van geld voor de aanschaf van de vakantiewoning in Zeeland, te vermeerderen met wettelijke rente, respectievelijk wegens waardevermeerdering van die vakantiewoning.

Subsidiair heeft de vrouw, na wijziging van eis, bij repliek een bedrag van f 175.798,59 (€ 79.774,-) gevorderd bij wijze van vergoeding/terugbetaling van door haar gedane investeringen, onverminderd het overigens gevorderde(3).

1.3. De man heeft verweer gevoerd en een vordering in reconventie ingesteld. De vordering in reconventie is in eerste aanleg afgewezen. Omdat zij in cassatie niet langer aan de orde is, blijft de vordering in reconventie in deze conclusie onbesproken.

1.4. De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 7 mei 2003 aan partijen inlichtingen gevraagd. Nadat deze waren verstrekt, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 3 september 2003 de volgende beslissingen genomen:

(a) Met betrekking tot de vordering onder a heeft de rechtbank, behoudens door de man te leveren tegenbewijs, de stelling van de vrouw bewezen geacht dat de tweede en derde echtelijke woning op naam van de man zijn gesteld met het argument dat de woningen geen verhaalsobject mochten vormen voor de handelscrediteuren van de vrouw (rov. 2.10 Rb); de rechtbank heeft de man toegelaten tot tegenbewijs. De rechtbank heeft de vrouw toegelaten tot bewijs van haar stelling dat vóór de aankoop van de tweede en de derde echtelijke woning sprake is geweest van mishandeling, bedreiging en/of (ander) misbruik van omstandigheden, ten opzichte van de vrouw begaan door de man, en dat de vrouw als gevolg daarvan ermee heeft ingestemd dat de woningen op naam van de man zijn gezet (rov. 2.11 Rb).

(b) De rechtbank heeft de vordering onder b niet toewijsbaar geacht.

(c) De rechtbank heeft de vordering onder c wel toewijsbaar geacht.

(d) De rechtbank heeft de vordering onder d wel toewijsbaar geacht.

(e) M.b.t. de vordering onder e heeft de rechtbank de zaak naar de rol verwezen.

(f) M.b.t. de vordering onder f heeft de rechtbank de primaire grondslag van de hand gewezen: het beroep van de vrouw op art. 3:44 BW gaat niet op omdat niet zij, maar haar moeder het veerhuis aan de man heeft verkocht (rov. 2.21 Rb). Naar aanleiding van de subsidiaire grondslag heeft de rechtbank de vrouw toegelaten tot bewijs van haar stelling dat de man onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door misbruik te maken van omstandigheden en/of door haar te bedreigen met (ernstige) mishandelingen en deze ook uit te voeren en haar daardoor te bewegen in te stemmen met het alleen aan de man verkopen van het veerhuis (door de moeder van de vrouw; rov. 2.26 Rb). Verder achtte de rechtbank voorshands, behoudens door de man te leveren tegenbewijs, bewezen dat de aankoop van het veerhuis mede is gefinancierd met een lening van de moeder van de vrouw aan de vrouw van f 18.000,- en een bijdrage van f 1.445,- van de vrouw zelf.

(g) De rechtbank heeft de vordering onder g wel toewijsbaar geacht.

1.5. Na getuigenverhoren heeft de rechtbank bij tussenvonnis van 3 november 2004:

(a) m.b.t. de vordering onder a vastgesteld dat de man geen tegenbewijs heeft geleverd (rov. 2.4 Rb). De rechtbank was van oordeel dat ook de vrouw het van haar verlangde bewijs niet heeft geleverd (rov. 2.7 en rov. 2.5bis Rb), zodat de rechtbank de primaire vordering niet toewijsbaar achtte; de rechtbank verzocht de vrouw een toelichting te geven op haar subsidiaire vordering;

(e) de vordering onder e toewijsbaar geacht;

(f) m.b.t. de vordering onder f het bewijs door de vrouw niet geleverd geacht en de primaire vordering daarom niet toewijsbaar geacht; voor zover de vordering strekt tot terugbetaling van het nominaal door de vrouw in het veerhuis geïnvesteerde bedrag (f 18.000,- plus f 1.445,-), achtte de rechtbank de vordering wel toewijsbaar (rov. 2.14 Rb).

1.6. Bij akte ter rolle van 1 december 2004 heeft de vrouw de subsidiaire vordering nader toegelicht en gewijzigd. Zij stelde, subsidiair, aanspraak te maken op het bedrag van f 70.503,13 (de opbrengst van haar woning te [plaats B]) plus haar aandeel in de waardevermeerdering van de tweede en van de derde echtelijke woning. Zij stelde haar aandeel in deze waardevermeerdering op f 104.932,20(4), waarmee haar subsidiaire vordering ter zake van de echtelijke woningen in totaal uitkwam op f 175.435,33.

1.7. Bij eindvonnis van 2 maart 2005 heeft de rechtbank ter zake van de echtelijke woningen (de subsidiaire vordering onder a) het bedrag van f 175.435,33 (€ 79.609,08) toewijsbaar geacht (rov. 2.12 Rb). In totaal heeft de rechtbank ter zake van de posten onder a, c, d, f en g een bedrag van f 225.793,47 (€ 102.460,61) aan de vrouw toegewezen en de man veroordeeld tot afgifte van de onder e bedoelde inboedelgoederen.

1.8. De vrouw heeft hoger beroep ingesteld en in de appeldagvaarding vernietiging van het eindvonnis gevorderd en alsnog toewijzing van de door haar in eerste aanleg ingestelde vorderingen. Bij memorie van grieven heeft de vrouw een grief gericht tegen het bewijsoordeel in het tussenvonnis van 3 november 2004. Aan het slot van de memorie van grieven heeft de vrouw geconcludeerd tot vernietiging van het eindvonnis van de rechtbank en tot het verstrekken van een tweetal verklaringen voor recht, zoals weergegeven in rov. 1.2 van het thans bestreden arrest.

1.9. Bij arrest van 4 mei 2006 heeft het gerechtshof te Amsterdam het vonnis waarvan beroep vernietigd voor zover daarin is volstaan met veroordeling tot betaling van een bedrag van € 102.460,61 terzake van de echtelijke woningen en voor zover daarin de primaire vordering van de vrouw met betrekking tot het veerhuis is afgewezen. Het hof heeft, te dien aanzien opnieuw recht doende, de man veroordeeld om als schadevergoeding aan de vrouw te betalen de door hem gerealiseerde overwinst (d.w.z. de verkoopopbrengst verminderd met de hypothecaire lening waarvoor partijen bij de verkoop hoofdelijk aansprakelijk waren, de niet door de hypothecaire lening gedekte bouwkosten en de verkoopkosten) van de woning aan de [a-straat 1] te [plaats A], onder verrekening van een bedrag van € 29.214,53 (f 64.439,86) dat reeds in voormeld bedrag van € 102.460,61 was begrepen.

Vervolgens heeft het hof - met betrekking tot de vordering onder f - de man veroordeeld om binnen 48 uur na betekening van het arrest als schadevergoeding aan de vrouw in eigendom over te dragen en te leveren de woning aan de [b-straat 2] te [plaats A] (het veerhuis), onder de verplichting van de vrouw de op deze woning rustende hypotheek, waarvoor partijen beide hoofdelijk aansprakelijk zijn, geheel voor haar rekening te nemen alsmede het onderhoudswerk en de reparaties waartoe de vrouw door de kantonrechter bij vonnis van 24 maart 2004 is gemachtigd, voor zover deze inmiddels door de man zijn voldaan. Het hof heeft bepaald dat indien de man zijn medewerking aan overdracht en levering van deze woning aan de vrouw weigert, het arrest in de plaats treedt van de wilsverklaring daartoe van de man. Het hof heeft dit arrest uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders gevorderde afgewezen.

1.10. De man heeft - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. De vrouw heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten, waarna de man heeft gerepliceerd. Na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, heeft elk van partijen een akte ter rolle genomen met betrekking tot de ontvankelijkheidsvraag.

2. De ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

2.1. Volgens het cassatierekest(5) is het cassatieberoep mede gericht tegen de beslissing van het hof met betrekking tot het veerhuis. Het hof heeft bepaald dat, indien de man zijn medewerking aan overdracht en levering van het veerhuis aan de vrouw weigert, het arrest van het hof in de plaats treedt van de wilsverklaring van de man (zie art. 3:301 lid 1 en lid 2 BW). Uit de ter rolle in cassatie genomen akten is komen vaststaan dat het cassatieberoep niet tijdig is ingeschreven in het in art. 433 Rv bedoelde register. Voor zover het cassatieberoep is gericht tegen de veroordeling tot overdracht en levering van het veerhuis (de beslissing op de vordering onder f), is het derhalve niet-ontvankelijk.

2.2. Er is onvoldoende grond om aan te nemen dat de in art. 3:301 lid 2 BW voorziene niet-ontvankelijkheid het cassatieberoep ook treft, voor zover dit klachten richt tegen oordelen die niet betrekking hebben op dat gedeelte van de bestreden uitspraak dat, blijkens het dictum, in de plaats treedt van de tot levering bestemde akte(6). In het onderhavige geval kan m.i. een splitsing worden gemaakt tussen het gedeelte van het bestreden arrest dat betrekking heeft op de veroordeling tot overdracht en levering van het veerhuis en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen (de beslissing op de vordering onder f), en anderzijds het gedeelte dat betrekking heeft op de overige punten van geschil, inzonderheid de beslissingen met betrekking tot de echtelijke woningen (de vorderingen onder a). Ten aanzien van het overige gedeelte acht ik het cassatieberoep wel ontvankelijk.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. De klachten I en II (cassatiedagvaarding onder 3.1 - 3.6) lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij hebben in het bijzonder betrekking op rov. 4.14, waarin het hof overwoog:

"Het hof begrijpt de vordering van de vrouw, mede gelet op haar vordering in eerste instantie, aldus dat zij, naast een verklaring voor recht, abusievelijk geen veroordeling tot betaling voor wat betreft de woning aan de [a-straat 1] te [plaats A] heeft gevraagd, maar dit wel beoogt, en zal de vordering aldus toewijzen."

3.2. Klacht I houdt in dat de beslissing ontoereikend is gemotiveerd omdat de vrouw in hoger beroep een nieuwe vordering had ingesteld zonder de daarvoor noodzakelijke onderbouwing te geven. In verband hiermee wordt geklaagd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is getreden. Klacht II houdt in dat de beslissing onbegrijpelijk is, nu in hoger beroep geen debat heeft plaatsgevonden over de door het hof veronderstelde vordering, noch over de omvang van het bedrag dat aan de vrouw zou toekomen. Tot slot wordt in dit onderdeel geklaagd over een ontoelaatbare verrassingsbeslissing (cassatiedagvaarding onder 3.6). Ter toelichting heeft de man gesteld dat de vrouw bij memorie van grieven met betrekking tot de opbrengst van de echtelijke woning uitsluitend een verklaring voor recht had gevorderd. Volgens de man had het hof deze vordering niet mogen `transformeren' in een vordering tot betaling van de overwinst.

3.3. Inzage van het dossier leert het volgende. Aan het slot van de dagvaarding in hoger beroep d.d. 31 mei 2005 heeft de vrouw de vernietiging van het eindvonnis van 2 maart 2005 gevorderd en toewijzing van hetgeen zij in eerste aanleg had gevorderd, met inachtneming van de wijziging van eis bij haar akte ter rolle van 1 december 2004. Tot de - uiteindelijke - vorderingen in eerste aanleg behoorde niet een vordering tot het delen van de overwinst, behaald bij de verkoop van de (derde) echtelijke woning(7). Bij memorie van grieven heeft de vrouw gesteld dat de man de (derde) echtelijke woning inmiddels aan een ander had geleverd. De vrouw stelde niettemin belang te hebben bij vaststelling in rechte dat het steeds de bedoeling van partijen is geweest de echtelijke woning op beider naam te stellen, maar dat de man door bedreiging en mishandeling van de vrouw de woning op zijn naam gesteld heeft weten te krijgen. Het petitum van de memorie van grieven luidde, voor zover hier van belang:

"te verklaren voor recht dat de woning te [plaats A], staande en gelegen aan de [a-straat 1], (destijds) door mishandelingen/bedreigingen c.q. misbruik van omstandigheden alleen op naam van de man is komen te staan, alsook te verklaren voor recht dat als passende vergoeding voor de inmiddels verkochte woning heeft te gelden dat de vrouw recht heeft op de helft van de verkoopopbrengst van deze woning".

3.4. Bij memorie van antwoord (blz. 5) heeft de man tegen deze vordering ingebracht dat hem niet duidelijk was wat de vrouw in hoger beroep vorderde: vorderde zij wat in de appeldagvaarding was gevorderd of vorderde zij hetgeen aan het slot van de memorie van grieven als petitum was geformuleerd? De man klaagde over een innerlijke tegenstrijdigheid in de vorderingen van de vrouw.

3.5. De gewijzigde eis in het petitum van de memorie van grieven hield kennelijk verband met de omstandigheid dat de vordering om de (derde) echtelijke woning mede op naam van de vrouw te stellen niet langer uitvoerbaar was, omdat de woning inmiddels aan een derde was verkocht geleverd. Derhalve volstond de vrouw met een vordering tot een verklaring voor recht. Het hof heeft (in rov. 4.14, reeds aangehaald) verondersteld dat de vrouw, naast deze verklaring voor recht, in hoger beroep ook veroordeling van de man tot betaling vorderde.

3.6. Bij de uitleg van de vordering behoort de rechter erop te letten of de wederpartij (in dit geval: de man) de vordering van de vrouw in dezelfde zin heeft begrepen als het hof dan wel redelijkerwijs in die zin had behoren te begrijpen. Anders zou afbreuk worden gedaan aan de mogelijkheden van de man om zich tegen de vordering van de vrouw te verdedigen. Mijns inziens is deze regel, die terug te voeren is op het beginsel van hoor en wederhoor, in dit geval geschonden. Het gestelde in de memorie van antwoord maakte duidelijk dat de man de in hoger beroep opnieuw geformuleerde vordering van de vrouw niet heeft begrepen en in elk geval niet heeft begrepen in dezelfde zin, waarin het hof de vordering van de vrouw heeft verstaan, te weten als een vordering tot betaling. De uitleg welke het hof aan de vordering van de vrouw in hoger beroep heeft gegeven, is onbegrijpelijk, hetzij geeft ervan blijk dat het hof in strijd met de wet meer toewijst dan de vrouw had gevorderd. Klacht I slaagt.

3.7. Indien klacht I slaagt, behoeft klacht II geen bespreking meer. Voor zover de Hoge Raad hieraan toekomt, acht ik ook deze klacht gegrond. In hoger beroep heeft inderdaad geen debat plaatsgevonden over de (door het hof veronderstelde) vordering tot betaling. In zoverre is het beginsel van hoor en wederhoor geschonden.

3.8. Het hof heeft de man veroordeeld tot betaling van de door hem gerealiseerde overwinst (verkoopopbrengst minus hypothecaire lening, de niet door de hypothecaire lening gedekte bouwkosten en de verkoopkosten) van de (derde) echtelijke woning. Het hof heeft rekening gehouden met een bedrag van € 29.214,53 (f 64.439,86), dat reeds is begrepen in het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 102.460,61. Mogelijk als gevolg van het ontbreken van partijdebat over de door het hof veronderstelde vordering in hoger beroep, lijkt hierbij door het hof over het hoofd te zijn gezien dat in het door de rechtbank toegewezen - en in hoger beroep in stand gelaten - bedrag ook de opbrengst van de eerste echtelijke woning (f 70.503,13) zat, welke is aangewend voor gedeeltelijke aflossing van de hypothecaire lening voor de aanschaf van de tweede echtelijke woning, alsmede het aandeel van de vrouw in de waardevermeerdering van de tweede echtelijke woning (f 40.492,34), waaruit de geldlening voor de derde echtelijke woning is afgelost. De wijze waarop het dictum is geformuleerd houdt het risico in van een dubbeltelling, wanneer de man de door hem gerealiseerde overwinst(8) moet afgeven aan de vrouw naast hetgeen hij ingevolge het vonnis van de rechtbank moet voldoen. Voor zover het hof het risico van een dubbeltelling wel in zijn beslissing heeft betrokken, is voor de lezer niet inzichtelijk hoe dat is geschied. De klacht over onbegrijpelijkheid van de door het hof uitgesproken veroordeling van de man, acht ik daarom gegrond.

3.9. De klacht over een ontoelaatbare `verrassingsbeslissing' behoeft na het voorgaande geen bespreking meer. Van een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is sprake wanneer procespartijen over wezenlijke elementen die aan de rechterlijke beslissing ten grondslag liggen onvoldoende door de rechter zijn gehoord en worden verrast met een beslissing waarmee zij, gelet op het verloop van het processuele debat, geen rekening behoefden te houden(9).

3.10. Klacht III (cassatiedagvaarding onder 3.7 en 3.8) houdt in dat de bestreden beslissing onbegrijpelijk is als gevolg van een innerlijke tegenstrijdigheid in 's hofs redenering. Volgens het middelonderdeel heeft het hof in rov. 4.1, gelezen in verbinding met het tussenvonnis van de rechtbank van 3 september 2003, vastgesteld dat de tweede en de derde echtelijke woning op naam van de man zijn gezet omdat deze geen verhaalsobject mochten vormen voor de handelscrediteuren van de vrouw. In rov. 4.11 en 4.13 heeft het hof echter aangenomen dat de man bij de aankoop van de tweede en derde echtelijke woning zijn overwicht jegens de vrouw heeft gebruikt om zichzelf te verrijken ten koste van de vrouw en dat de vrouw zonder deze druk de bedoelde transacties nimmer had laten passeren. Volgens de klacht zijn deze vaststellingen onderling onverenigbaar.

3.11. Mijns inziens is geen sprake van een tegenstrijdigheid. In rov. 2.8 van het tussenvonnis van 3 september 2003 heeft de rechtbank uiteengezet dat de vrouw had aangevoerd dat de tweede en de derde echtelijke woning op naam van (alleen) de man zijn gezet, omdat de man zich op het standpunt had gesteld dat de woning geen verhaalsobject mocht vormen voor eventuele handelscrediteuren van de vrouw. De vrouw heeft voorts aangevoerd dat zij zich daarbij heeft neergelegd, uitsluitend als gevolg van de bedreigingen en mishandelingen door de man. De man heeft deze stellingen van de vrouw betwist. In hoger beroep moest het hof hierover opnieuw een beslissing nemen. Rov. 4.1 heeft betrekking op de vaststelling dat de man aan de vrouw heeft opgegeven dat de echtelijke woning (het gaat hier om de tweede en de derde echtelijke woning) om deze reden op zijn naam moest worden gezet en dat de vrouw daarmee heeft ingestemd. Uit rov. 4.10 volgt dat dit slechts een voorgewende reden was. Rov. 4.11 - 4.13 hebben kennelijk betrekking op de reden waarom de vrouw zich bij de tenaamstelling van de woning op naam van de man heeft neergelegd, namelijk onder invloed van bedreiging of mishandeling, althans misbruik van omstandigheden, door de man. Klacht III faalt.

3.12. Klacht IV (cassatiedagvaarding onder 3.9 - 3.11) noemt onbegrijpelijk hoe het arrest van het hof zich verhoudt tot (het dictum van) het eindvonnis van de rechtbank. Blijkens de toelichting, gaat deze klacht uit van de veronderstelling dat de vordering van de vrouw in hoger beroep strekte tot vernietiging van het gehele eindvonnis, dus ook van het gedeelte van het vonnis waarin de vorderingen van de vrouw waren toegewezen. Volgens de toelichting leent de uitspraak zich niet voor een uitsplitsing van de toegewezen bedragen.

3.13. Het door de rechtbank toegewezen bedrag van € 102.460,61 was opgebouwd als volgt(10):

- m.b.t. de echtelijke woning (a): € 79.609,08(f 175.435,33)

Noot A-G: het bedrag van f 175.435,33 wordt gevormd door optelling van de opbrengst van de eerste echtelijke woning die gebruikt is voor de financiering van de tweede echtelijke woning (f 70.503,13), de door de vrouw gestelde waardevermeerdering van de tweede echtelijke woning (f 40.492,34) en de door de vrouw gestelde waardevermeerdering van de derde echtelijke woning (f 64.439,86).

- m.b.t. vergoeding van inboedel (c): € 6.807,-

- m.b.t. aanbetaling reis (d): € 453,78

- m.b.t. het veerhuis (f): € 8.168,04 plus € 655,71

- m.b.t. de vakantiewoning in Zeeland (g): € 6.767,-.

3.14. Het hoger beroep van de vrouw was - vanzelfsprekend - niet gericht tegen de beslissing van de rechtbank tot (gedeeltelijke) toewijzing van haar vorderingen. Het hoger beroep van de vrouw stelde uitsluitend de vraag aan de orde of de vrouw recht had op meer dan haar was toegewezen. Daarom heeft het hof het eindvonnis van de rechtbank slechts gedeeltelijk vernietigd. Klacht IV is gebaseerd op een onjuiste lezing van het bestreden arrest en kan daarom niet tot cassatie leiden.

3.15. Klacht V (cassatiedagvaarding onder 3.12 - 3.14) houdt in dat het hof hetzij buiten de grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep is getreden, hetzij een onbegrijpelijke beslissing heeft gegeven. Volgens deze klacht kon het hof, zonder dat de vrouw een daartoe strekkende grief had aangevoerd, niet de beslissing van de rechtbank opzij zetten, dat op gronden van redelijkheid en billijkheid aan de vrouw € 79.774,- toekomt als vergoeding voor haar investering in de echtelijke woning. Het middel voert aan dat in dit geding vaststaat dat de vrouw geen eigendomsrecht op de (derde) echtelijke woning kon laten gelden. Daarbij komt dat zonder nadere uitleg, die in het arrest ontbreekt, niet valt in te zien waarom de vrouw gerechtigd zou zijn volledig mee te delen in de overwinst.

3.16. Het eerste deel van deze klacht berust mogelijk op een verkeerde lezing van de gedingstukken. De vrouw heeft in eerste aanleg subsidiair f 175.798,59 (€ 79.774,-) gevorderd als vergoeding van haar investering in de echtelijke woningen. Na de wijziging van eis, bij akte van 1 december 2004, was haar vordering anders opgebouwd; zie alinea 1.6 hiervoor. De rechtbank heeft ter zake van de echtelijke woningen niet dat oorspronkelijk subsidiair gevorderde bedrag van € 79.774,- toegewezen, maar op de grondslag van de gewijzigde vordering het bedrag van f 175.435,33 (€ 79.609,08). Die laatste toewijzing is door het hof in stand gelaten, omdat het hoger beroep van de vrouw zich niet richtte tegen de beslissing waarbij aan haar enig bedrag was toegewezen.

3.17. Het tweede deel van de klacht is wel gegrond. In rov. 4.13 overweegt het hof dat de vrouw van de man als schadevergoeding de helft van de netto overwinst van de derde echtelijke woning behoort te ontvangen (zij het onder verrekening van € 29.241,53 omdat dit bedrag reeds begrepen is in het door de rechtbank aan de vrouw toegekende bedrag van € 102.460,61). In het dictum echter heeft het hof de man veroordeeld tot betaling van de gehele netto overwinst. Deze discrepantie tussen de inhoud van de veroordeling en de inhoud van de daaraan voorafgaande overwegingen (100 of 50 %) maakt inderdaad onbegrijpelijk waarom de vrouw gerechtigd zou zijn volledig mee te delen in de overwinst.

3.18. In de cassatiedagvaarding onder 3.14 wordt geklaagd dat de norm, waarvan het hof aanneemt dat de man die heeft overtreden (te weten: het verbod om de vrouw te bedreigen) niet strekt tot bescherming tegen schade zoals de vrouw die heeft geleden, te weten het niet volledig meedelen in de overwinst. Volgens de klacht getuigt het oordeel van het hof dat de man in relatie tot de tenaamstelling van de woningen onrechtmatig jegens de vrouw heeft gehandeld, van een misvatting.

3.19. Deze klacht treft geen doel. Voor zover de steller van het middel een beroep wil doen op het relativiteitsbeginsel (art. 6:163 BW) gaat het om een nieuw verweer, dat niet voor het eerst in cassatie kan worden opgeworpen. Overigens zou het verweer m.i. niet slagen. In het algemeen strekt het verbod van mishandeling en bedreiging tot bescherming van de lichamelijke (en, voor zover van toepassing, geestelijke) integriteit van de betrokken benadeelde. Het hof heeft het oog op deze strekking. Volgens het hof heeft de man bij de aankoop van de tweede en de derde echtelijke woning zijn, door uitoefening van grote psychische en lichamelijke druk verkregen, overwicht op de vrouw gebruikt om zichzelf te verrijken ten koste van de vrouw. Zonder schending van het relativiteitsbeginsel is het hof tot het oordeel kunnen komen dat de overtreden norm ook strekt ter bescherming tegen schade zoals de vrouw die heeft geleden.

3.20. Klacht VI (cassatiedagvaarding onder 3.15) heeft betrekking op de bewijswaardering. Deze klacht kan, om de in rubriek 2 aangegeven reden, alleen aan de orde komen voor zover zij betrekking heeft op de echtelijke woningen, niet voor zover zij betrekking heeft op het veerhuis.

In de toelichting op de klacht wordt benadrukt dat de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht niet slechts inhield dat de vrouw de door haar gestelde bedreigingen en/of mishandelingen moest aantonen, maar óók dat als gevolg daarvan de tweede respectievelijk derde echtelijke woning op naam van (uitsluitend) de man is gesteld. Volgens het middelonderdeel heeft slechts de vrouw als getuige over dit laatste iets gezegd, maar de andere getuigen niet. Het middelonderdeel acht om deze reden 's hofs beslissing dat de vrouw dit bewezen heeft, onbegrijpelijk. Aan het slot van deze klacht wijst het middel op de bepaling dat hetgeen door een partijgetuige is verklaard geen bewijs ten voordele van die partij oplevert, tenzij het steun vindt in andere bewijsmiddelen (art. 213 lid 1 (oud) Rv, thans art. 164 lid 2 Rv).

3.21. Het hof heeft feitelijk vastgesteld dat de man gedurende het huwelijk druk en overwicht op de vrouw uitoefende, al dan niet gepaard met mishandeling, en dat deze gedragingen zich uitstrekten over een zeer lange periode (rov. 4.6 - 4.9). Vervolgens heeft het hof in rov. 4.9 - 4.11 het verband gelegd met de tenaamstelling van de woningen. Het hof heeft aan een reeks omstandigheden het vermoeden ontleend dat de vrouw ten tijde van de tenaamstelling van de tweede en derde echtelijke woning onder invloed heeft gehandeld van de psychische en lichamelijke druk die de man op haar uitoefende. Het hof heeft hieruit, en uit het ontbreken van een plausibele andere verklaring voor de tenaamstelling op naam van de man, afgeleid dat de man zijn geestelijke overwicht op de vrouw heeft gebruikt om zichzelf ten koste van de vrouw te verrijken. Het hof heeft hieraan de gevolgtrekking verbonden dat de vrouw de bedoelde transacties nimmer zou hebben laten passeren indien deze druk er niet was geweest (rov. 4.11).

3.22. Met deze overwegingen heeft het hof voldoende duidelijk gemaakt op welke gronden zijn bewijsoordeel steunt. Het bewijsoordeel geeft niet blijk van miskenning van de bewijsregel in art. 164 lid 2 Rv. Het bewijsoordeel steunt immers niet uitsluitend op de verklaring die de vrouw als partijgetuige heeft afgelegd, maar op alle in rov. 4.6 - 4.11 genoemde feiten en omstandigheden.

3.23. Klacht VII (cassatiedagvaarding onder 3.16) is gericht tegen de overweging aan het slot van rov. 4.11, dat het hof geen aanleiding ziet de man toe te laten tot nader tegenbewijs. De klacht houdt samengevat in dat het al of niet aanbieden van bewijs door de man niet los mag worden gezien van de vordering van de vrouw, die door het hof is "getransformeerd".

3.24. In eerste aanleg is de man toegelaten tot levering van tegenbewijs tegen hetgeen de rechtbank op voorhand bewezen achtte (zie het tussenvonnis van 3 september 2003). Voor wat betreft de bewijsopdrachten die de rechtbank aan de vrouw had gegeven, heeft de vrouw getuigen laten horen. Blijkens het proces-verbaal van enquete op 23 oktober 2003, heeft de man laten weten geen getuigen te zullen oproepen m.b.t. de (tegen-)bewijsopdrachten die de rechtbank hem in rov. 2.10 en 2.27 had gegeven. In contra-enquete, d.w.z. in het gedeelte van het getuigenverhoor dat betrekking had op de bewijsopdracht die de rechtbank (in rov. 2.11 en 2.26 aan de vrouw had gegeven, heeft de man alleen zichzelf als (partij-)getuige laten horen en afgezien van verder getuigenverhoor(11). In hoger beroep is in het bewijsthema geen verandering gekomen: het ging nog steeds om de bewijsopdrachten die de rechtbank aan de vrouw had gegeven. Toen het hof, anders dan de rechtbank, het bewijs wel geleverd achtte, behoefde het hof niet ongevraagd de man andermaal tot levering van tegenbewijs door middel van getuigen in staat te stellen. De man heeft in zijn memorie van antwoord niet een nader getuigenverhoor verzocht. De klacht behoeft om deze redenen niet tot cassatie te leiden.

3.25. Vanwege de gegrondbevinding van de klachten I, II en V (gedeeltelijk) kan het bestreden arrest m.i. niet in stand blijven.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot de niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn cassatieberoep, voor zover dit is gericht tegen zijn veroordeling tot overdracht van de woning aan de [b-straat 2] te [plaats A] (het zgn. veerhuis) aan de vrouw.

Voor het overige strekt de conclusie tot vernietiging van het bestreden arrest en tot verwijzing van de zaak in zoverre naar een ander gerechtshof.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Uit het dossier blijkt niet op welke datum de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

2 Over het exacte bedrag van de schuld bestaat volgens het hof onduidelijkheid.

3 Zie voor de berekening van dit bedrag: CvR conventie blz. 8.

4 Voor de tweede echtelijke woning: f 40.492,34; voor de derde woning: f 64.439,86.

5 Zie blz. 4 en 17 van het cassatierekest.

6 HR 24 december 1999, NJ 2000, 495; HR 4 mei 2007, LJN: AZ7611 en HR 4 mei 2007, LJN: AZ7615.

7 In de inleidende dagvaarding (blz. 8) had de vrouw m.b.t. de echtelijke woning een bedrag van f 673.750,- gevorderd. Dit werd als volgt berekend. Uitgangspunt is de overwaarde (geschatte waarde van de woning min het restant van de hypothecaire bankschuld). Hiervan maakte de vrouw eerst aanspraak op het bedrag dat zij in de tweede echtelijke woning had geïnvesteerd uit de opbrengst van de eerste echtelijke woning (f 70.500,-). Van hetgeen daarna overblijft van de overwaarde maakte de vrouw aanspraak op de helft. Als gevolg van de wijziging van eis in eerste aanleg was deze vordering echter gewijzigd in een vordering tot wijziging van de tenaamstelling van de derde echtelijke woning.

8 Een punt apart is de veroordeling tot afgifte van de gehele overwinst, terwijl de overwegingen van het hof wijzen op een verplichting tot afgifte van de helft van de overwinst. Dit punt komt aan de orde bij klacht V.

9 Zie onder meer: HR 6 maart 1992, NJ 1993, 79 m.nt. HJS; HR 21 december 2001, NJ 2004, 34 m.nt. DA; E. Tjong Tjin Tai, Verrassingsbeslissingen door de civiele rechter, NJB 2000, blz. 259 - 264; EHRM 13 oktober 2005, EHRC 2005, 117 m.nt. F. Fernhout.

10 Zie rov. 2.13 van het eindvonnis van 2 maart 2005.

11 Zie het p.-v. van getuigenverhoor d.d. 9 april 2004, blz. 9.

C06/213HR

Mr. F.F. Langemeijer

Rolzitting 19 oktober 2007

Incidentele conclusie inzake:

[de man]

tegen

[de vrouw]

Het cassatieberoep in deze zaak is gericht tegen een arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 4 mei 2006 waarin de man, thans eiser tot cassatie, onder meer is veroordeeld om als schadevergoeding aan de vrouw, thans verweerster in cassatie, in eigendom over te dragen en te leveren de woning, staande en gelegen aan de [b-straat 2] te [plaats A]. Het hof heeft bepaald dat indien de man zijn medewerking aan overdracht en levering van deze woning aan de vrouw weigert, het arrest in de plaats treedt van de wilsverklaring van de man daartoe. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uit de overgelegde gedingstukken blijkt niet of het cassatieberoep binnen acht dagen is ingeschreven in het in art. 433 Rv bedoelde register (art. 3:301 lid 2 BW; HR 4 mei 2007, LJN-nrs. AZ7611 en AZ7615).

Deze incidentele conclusie strekt tot aanhouding van de zaak voor een tijdvak van vier weken teneinde eiser tot cassatie in de gelegenheid te stellen ter rolzitting een bewijs van inschrijving in genoemd register over te leggen.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden