Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB5370

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
15-01-2008
Datum publicatie
16-01-2008
Zaaknummer
02507/06 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB5370
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Het Hof heeft voor de bewezenverklaring van feit 1 (diefstal met verbreking van een bromfiets op 9-6-04 te Weesp) mede redengevend geacht de omstandigheid dat verdachte op 30-4-04 te Amsterdam betrokken was bij de poging tot diefstal van een bromfiets, waarbij eveneens sprake was van verbreking (feit 2). In de gedachtegang van het Hof is bij dat laatste feit t.a.v. de verbreking kennelijk sprake geweest van een werkwijze die op essentiële punten overeenkomt met die welke is gevolgd bij de onder 1 tll. diefstal, zodat de betrokkenheid bij die eerdere poging tot diefstal redengevend kan zijn voor bewezenverklaring van feit 1. Dat oordeel is, gelet op hetgeen het Hof omtrent die verbrekingen heeft vastgesteld, niet zonder meer begrijpelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 61
JOL 2008, 12
RvdW 2008, 114
NJB 2008, 348
J. Silvis annotatie in VA 2009/16
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02507/06 J

Mr. Vellinga

Zitting: 18 september 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam bij arrest van 6 juni 2007 wegens 1 primair. 'diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking' en 2. 'poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen' veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van éénentachtig dagen waarvan zestig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf voor de duur van zevenenveertig uren, subsidiair drieëntwintig dagen hechtenis. Daarnaast heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een aantal inbeslaggenomen en niet teruggeven voorwerpen. Voorts heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Namens verdachte hebben mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, vijf middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof de dagvaarding in hoger beroep niet nietig heeft verklaard althans het onderzoek ter terechtzitting niet heeft aangehouden, nu de verdachte bij het instellen van het hoger beroep een ander adres dan zijn gba-adres heeft opgegeven en een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep niet aan dat opgegeven adres is verstuurd, althans dat uit de stukken van het geding niet blijkt van verzending van een afschrift van de appeldagvaarding aan dat adres.

4. De akte instellen hoger beroep houdt in dat op 9 juni 2005 namens verdachte advocaat mr. J. van Weers hoger beroep instelt tegen het vonnis van de kinderrechter van diezelfde dag. Bij het instellen van het hoger beroep wordt als adres van de verdachte opgegeven [a-straat 1], [postcode] [woonplaats].

5. De akte van uitreiking van de dagvaarding in hoger beroep houdt in dat op 10 april 2006 is getracht de dagvaarding aan te bieden op het adres [b-straat 1], [postcode] te [woonplaats], maar dat niemand op dat adres verbleef. Daarop is een bericht van aankomst achtergelaten op genoemd adres. Nadat op 19 april 2006 noch de verdachte noch een door hem gemachtigde zich had gemeld bij het postkantoor om de dagvaarding in ontvangst te nemen is op die dag de dagvaarding retour gezonden. Daarop is op 26 april 2006 gecontroleerd of de verdachte op de dag van aanbieding en vijf dagen nadien stond ingeschreven in het gba-register op genoemd adres. Dat bleek het geval aldus de akte van uitreiking waarop de dagvaarding als gewone brief verzonden aan het genoemde adres van de verdachte.

6. Aan het dubbel van de dagvaarding in hoger beroep is een tweede dagvaarding en een dubbel gehecht. Op beide stukken staat het namens de verdachte bij het instellen van hoger beroep opgegeven adres vermeld. Op de dagvaarding met het in de appelakte vermelde adres is een stempel geplaatst met de inhoud: "Ingekomen unit strafzaken 14 apr 2006 Gerechtshof / Ressortsparket Amsterdam". Op hetzelfde stuk staat bij het adres met de hand bijgeschreven dat de postcode en het adres niet corresponderen en dat de verdachte niet op dit adres woont waarbij een pijltje van deze aantekening wijst naar het huisnummer [1] van de [a-straat].

7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt -voorzover voor de beoordeling van het middel van belang- in:

"De verdachte, gedagvaard als:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,

ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens op het adres:

[b-straat 1], [postcode] [woonplaats],

is niet verschenen.

Als raadsman van de verdachte is ter terechtzitting aanwezig mr. J. van Weers, advocaat te Amsterdam, die desgevraagd verklaart door de verdachte niet uitdrukkelijk te zijn gemachtigd als advocaat de verdachte te verdedigen.

De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat zowel op de datum van het uitreiken van de dagvaarding als vier dagen voor de terechtzitting en heden door middel van geautomatiseerde informatiesystemen (VIP) is gecontroleerd of verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval bleek te zijn.

De raadsman deelt mede dat de verdachte op de hoogte is van de behandeling in hoger beroep en vermoedelijk onderweg is naar de zitting.

Het hof onderbreekt de zitting voor drie kwartier teneinde de komst van de verdachte af te wachten. Nadat de zitting is hervat blijkt de verdachte nog niet te zijn verschenen.

Na beraad in raadkamer verleent het gerechtshof op vordering van de advocaat-generaal verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan."

8. Vooropgesteld moet worden dat nu de raadsman in de gelegenheid is geweest om een klacht over de niet-inachtneming van de aanvullende regels in verband met het aanwezigheidsrecht ( in casu in het bijzonder art. 588a lid 1 onder c Sv) aan de feitenrechter voor te leggen en daar geen gebruik van heeft gemaakt, in cassatie niet met vrucht over die niet-inachtneming en de wijze van betekening van de dagvaarding of oproepingen geklaagd kan worden.(1)

9. Ten overvloede merk ik het volgende op.

10. Het in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel van het Hof dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, geeft geen blijk geeft van een verkeerde rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.(2) Uit het gba-overzicht ten behoeve van de betekening van de aanzegging in cassatie volgt dat de verdachte sinds 14 juli 2005 staat ingeschreven op het adres [b-straat 1], [postcode] [woonplaats].

11. Sinds 1 november 2005 schrijft art. 588a lid 1 onder c Sv voor dat een afschrift van de dagvaarding wordt gezonden naar het bij het instellen van het hoger beroep daartoe opgegeven adres. In het licht van HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.38, waaraan die regel is ontleend(3), zal het bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres moeten worden aangemerkt als het adres waaraan - in de bewoordingen van art. 588a lid 1 onder c Sv - mededelingen over de strafzaak kunnen worden toegezonden. Ten tijde van het instellen van het hoger beroep was laatstgenoemde bepaling immers nog niet in werking getreden zodat er ten tijde van het instellen van het hoger beroep ook geen reden was uitdrukkelijk te vermelden dat het opgegeven adres een adres was als in art. 588a lid 1 onder c Sv bedoeld. Een afschrift van de dagvaarding had dus moeten worden gezonden naar het bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres

12. De oorspronkelijk in de rechtspraak van de Hoge Raad(4), sinds 1 november 2005 in art. 588a lid 1 onder c Sv voorziene toezending van een afschrift van de dagvaarding naar het bij het instellen van het hoger beroep daartoe opgegeven adres is bedoeld om zoveel mogelijk te waarborgen dat de verdachte in de gelegenheid is zijn aanwezigheidsrecht uit te oefenen.(5) Gelet op de uitlating van verdachtes raadsman ter terechtzitting van het Hof dat zijn cliënt op de hoogte was van de zitting, heeft het achterwege blijven van die toezending er kennelijk niet toe geleid dat de verdachte niet in de gelegenheid is geweest zijn aanwezigheidsrecht te verwezenlijken. Dit betekent dat de verdachte door het achterwege blijven van de toezending van een afschrift van de dagvaarding naar het bij het instellen van het hoger beroep opgegeven adres niet in zijn rechtens beschermde belangen is geschaad.

13. Het middel faalt.

14. Het tweede middel klaagt dat het onder 1 primair bewezenverklaarde niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid en onvoldoende met redenen is omkleed.

15. Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

"hij op 9 juni 2004 te Weesp tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, heeft weggenomen een bromfiets, merk Gilera, toebehorend aan [benadeelde partij 1], waarbij hij, verdachte, en zijn mededader die weg te nemen bromfiets onder hun bereik hebben gebracht door het contactslot van voornoemde bromfiets te verbreken;"

16. Het Hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

"1. Een proces-verbaal met nummer PL1400/04-036163 van 9 juni 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 6], surveillant van de Regiopolitie Gooi en Vechtstreek.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als verklaring van [benadeelde partij 1]:

Ik doe aangifte van diefstal van mijn bromfiets van het merk Gilera, type Runner, kleur paars/zwart, voorzien van bromfietsplaatje [AAA 000].

Op 9 juni 2006 omstreeks 9.05 uur plaatste ik mijn bromfiets in het brommerhok van het Casparuscollege te Weesp. Ik heb vervolgens mijn bromfiets afgesloten door middel van het stuurslot. Op 9 juni 2004 omstreeks 11.00 uur kwam ik terug bij mijn bromfiets en zag dat deze was weggenomen. De bromfiets is mijn eigendom. Ik gaf aan niemand het recht of toestemming tot het plegen van dit feit.

2. Een geschrift, zijnde een kopie van een proces-verbaal met nummer 2004144182-1 van 9 juni 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent, en [verbalisant 2], inspecteur van de Regiopolitie Amsterdam/Amstelland.

Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als relaas van bevindingen van verbalisanten:

Op 9 juni 2004 omstreeks 10.17 uur stelden wij een onderzoek in. Naar aanleiding hiervan verklaren wij het volgende.

Op genoemd tijdstip bevonden wij ons in uniform gekleed in een opvallende dienstauto op de Middenweg ter hoogte van de Kruislaan te Amsterdam. Aldaar zagen wij een zwartgekleurde bromscooter rijden. Wij zagen dat er twee Marokkaanse jongens op de bromscooter zaten en dat beide jongens geen helm droegen.

De jongens bleken later te zijn genaamd [medeverdachte 1] en [verdachte].

Wij zagen dat de jongens van de bromscooter afsprongen en wegrenden.

Ik, tweede verbalisant, ben naar de bromscooter gegaan om deze te onderzoeken. Ik zag dat de bromscooter van het merk Gilera, type Runner, was.

Ik zag dat het contactslot in zijn geheel was verdwenen. Gezien dit feit en het feit dat de jongens waren weggerend had ik op dat moment het vermoeden dat de bromfiets van diefstal afkomstig was.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 9 juni 2005.

Deze verklaring houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:

Op 9 juni 2004 te Amsterdam reed ik mee met [medeverdachte 1] achterop een brommer. Het klopt dat wij ons uit de voeten maakten voor de politie.

(...)

De hiervoor vermelde bewijsmiddelen zijn, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° van het Wetboek van Strafvordering betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen."

17. Ten aanzien van deze bewezenverklaring heeft het Hof in zijn arrest overwogen:

"Nadere bewijsoverweging ten aanzien van liet onder 1 primair tenlastegelegde

Het hof acht het onder 1 primair tenlastegelegde bewezen, nu de aangeefster heeft verklaard dat haar bromfiets op 9 juni 2004 tussen 9.05 uur en 11.30 uur in Weesp is gestolen, verdachte en zijn mededader die ochtend om 10.17 uur in Amsterdam worden gezien terwijl zij zonder helm op deze gestolen bromfiets rijden en verdachte en zijn mededader er bij het zien van de politie onmiddellijk -niet achterlating van de bromfiets - vandoor gaan.

Omdat verdachte, noch de mededader [medeverdachte 1] een aannemelijke verklaring hebben gegeven voor het bezit van deze bromfiets zo kort nadat die gestolen was, houdt het hof verdachte en zijn mededader verantwoordelijk voor de diefstal."

18. De aanvulling op het arrest bevat de volgende overweging van het Hof:

"Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 primair

Verdachte en zijn mededader zijn zeer kort na de diefstal in het bezit van de gestolen bromfiets aangetroffen. Zij hebben hiervoor geen enkele aannemelijke verklaring gegeven. Nu verdachte en zijn mededader zich bovendien aan staandehouding hebben trachten te onttrekken door voor de politie weg te rennen met achterlating van de bromfiets en verdachte voorts al eerder betrokken was bij een poging tot diefstal van een bromfiets met onder andere verbreking (feit 2), houdt het hof het ervoor dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader deze bromfiets door middel van verbreking van het contactslot heeft gestolen."

19. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen niet kan volgen dat de gestolen bromfiets en de bromfiets waarop de verdachte zat dezelfde bromfiets is en dat de verschillende omschrijving van de kleur van de bromfiets door de aangever en de verbalisanten daarop reeds wijst. Ten tweede wordt betoogd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte de diefstal tezamen en in vereniging met een ander heeft gepleegd, omdat het tijdsverloop niet van die aard is dat het Hof op die grond kon aannemen dat de verdachte bij de diefstal betrokken is geweest. Ten derde wordt aangevoerd dat de omstandigheid dat de verdachte en zijn medeverdachte bij de dreigende politieconfrontatie zich uit de voeten maakten geen redengevende omstandigheid voor de diefstal oplevert, nu de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard dat hij wegrende omdat hij geen boete voor het rijden zonder helm wilde krijgen.

20. Het feitelijke oordeel van het Hof dat de bromfiets waarover de aangever spreekt en die waarover de politieambtenaren spreken dezelfde is, is niet onbegrijpelijk gelet op de omstandigheid dat het merk en type in beide bewijsmiddelen overeenkomen, de bromfiets met het stuurslot was afgesloten en kort daarna met een verbroken contactslot in handen van anderen dan de eigenaar werd aangetroffen. De in de toelichting aangevoerde omstandigheid dat de aangever spreekt van paars/zwart en de politieambtenaren van zwart maakt dat niet anders. Die omstandigheid lijkt mij eerder een aanwijzing dat het om dezelfde brommer gaat. Het verschil tussen beide kleuren betreft immers slechts een nuance. Genoemd oordeel leent zich vanwege zijn feitelijke aard niet voor verdere toetsing in cassatie.

21. Ook de tweede klacht van het middel faalt. Het Hof heeft vastgesteld dat de bromfiets op 9 juni 2004 tussen negen en elf uur is gestolen uit het brommerhok van het Casparuscollege te Weesp en dat de verdachte op diezelfde brommer, waarvan het contactslot was verbroken, is aangetroffen op 9 juni 2004 omstreeks 10.17 op de Middenweg ter hoogte van de Kruislaan te Amsterdam. Gelet op de plaats en het tijdstip van de diefstal en de plaats en het tijdstip waarop de verdachte en zijn medeverdachte op de brommer werden aangetroffen, welke immers inhouden dat de verdachte en zijn medeverdachte kort na de diefstal van de gestolen bromfiets in het bezit van die bromfiets worden aangetroffen, terwijl de verdachte daarvoor, zoals het hof heeft overwogen, geen aannemelijke verklaring heeft gegeven(6), is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.(7)

22. De derde klacht van het middel behelst dat de omstandigheid dat de verdachte zich uit de voeten maakte bij de dreigende confrontatie met de politie, niet redengevend is voor de bewezenverklaring van de tenlastegelegde gekwalificeerde diefstal, omdat de verdachte in eerste aanleg heeft verklaard geen boete voor het rijden op een brommer zonder helm te willen ontvangen. Ook deze klacht faalt. Deze omstandigheid sluit immers niet uit dat de verdachte en zijn medeverdachte ook op de vlucht sloegen omdat zij vreesden te worden aangehouden wegens diefstal van een bromfiets, een vrees die allesbehalve ongegrond moet zijn geweest nu kennelijk aan het verbroken contactslot van de bromfiets in één oogopslag viel te zien dat deze vermoedelijk was gestolen.

23. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

24. Het derde middel klaagt dat het Hof ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde mede redengevend heeft geacht dat de verdachte eerder betrokken is geweest bij een poging tot diefstal van een bromfiets met onder andere verbreking.

25. Het middel richt zich tegen de in aanvulling opgenomen nadere bewijsoverweging. Die bewijsoverweging luidt:

"Verdachte en zijn mededader zijn zeer kort na de diefstal in het bezit van de gestolen bromfiets aangetroffen. Zij hebben hiervoor geen enkele aannemelijke verklaring gegeven. Nu verdachte en zijn mededader zich bovendien aan staandehouding hebben trachten te onttrekken door voor de politie weg te rennen met achterlating van de bromfiets en verdachte voorts al eerder betrokken was bij een poging tot diefstal van een bromfiets met onder andere verbreking (feit 2), houdt het hof het ervoor dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader deze bromfiets door middel van verbreking van het contactslot heeft gestolen."

26. Het middel kan buiten bespreking blijven nu, zoals volgt uit de bespreking van het tweede middel, de overwegingen en de gebezigde bewijsmiddelen los van de aangevallen overweging de bewezenverklaring zelfstandig kunnen dragen.(8)

27. Het middel faalt.

28. Het vierde middel klaagt dat het Hof zijn oordeel dat op de ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde feiten minderjarige verdachte het volwassenenstrafrecht moet worden toegepast onvoldoende heeft gemotiveerd.

29. Het Hof heeft in zijn arrest overwogen:

"Oplegging van straf en maatregelen

De kinderrechter in de rechtbank te Amsterdam heeft de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken en voor het onder 1 subsidiair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot jeugddetentie voor de duur van 81 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren en met de bijzondere voorwaarde dat de verdachte gedurende de proeftijd onder toezicht en begeleiding blijft van Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam. Voorts heeft de kinderrechter de verdachte veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 128 uren, subsidiair 64 dagen vervangende jeugddetentie, alsmede tot een leerstraf (de cursus Sociale Vaardigheden) voor de duur van 25 uren, subsidiair 12 dagen vervangende jeugddetentie. De in beslag genomen voorwerpen zijn onttrokken aan het verkeer. De kinderrechter heeft de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 200,-, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Tegen voormeld vonnis is namens de verdachte hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld, met toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, tot een gevangenisstraf voor de duur van 81 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, alsmede tot een werkstraf voor de duur van 47 uren, subsidiair 23 dagen vervangende hechtenis. Voorts vordert de advocaat-generaal dat het hof de vordering van de benadeelde partij zal toewijzen tot een bedrag € 200,- met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregelen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan diefstal van een bromfiets, waardoor de rechtmatige eigenaar hinder, overlast en materiële schade heeft ondervonden. Voorts heeft verdachte samen met anderen geprobeerd op straat een leeftijdgenoot van diens bromfiets te beroven. Een dergelijk feit is niet alleen bedreigend voor het slachtoffer, die daarvan naar de ervaring leert nog geruime tijd de negatieve gevolgen zal ondervinden, maar versterkt bovendien de gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens een de verdachte Uittreksel Justitiële Documentatie van 11 april 2006 is verdachte terzake van strafbare feiten veroordeeld.

Het hof acht, alles afwegende en met toepassing van artikel 77b van het wetboek van Strafrecht, nu aan de daarin gestelde voorwaarden is voldaan, een (deels voorwaardelijke) gevangenisstraf en een werkstraf van na te melden duur passend en geboden.

(...)"

30. In de toelichting op het middel wordt betoogd dat het Hof de strekking van art. 77b Sr heeft miskend door te overwegen dat nu aan de voorwaarden van genoemd artikel is voldaan, aan dat artikel toepassing moest worden gegeven.

31. Art. 77b Sr. luidt:

Ten aanzien van degene die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren heeft bereikt, kan de rechter de artikelen 77g tot en met 77gg buiten toepassing laten en recht doen overeenkomstig de bepalingen in de voorgaande titels vervat, indien hij daartoe grond vindt in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Het oordeel van het Hof moet aldus worden verstaan dat het naar het oordeel van het Hof op grond van de door het Hof uitgebreid uiteengezette ernst van de bewezenverklaarde feiten alsmede op grond van de persoon van de verdachte zoals deze tot uitdrukking komt in het Uittreksel Justitiële Documentatie in de zaak van de - inmiddels negentienjarige - verdachte aangewezen is de artikelen 77g tot en met 77gg Sr, zoals art. 77b Sr mogelijk maakt, buiten toepassing te laten.(9) Aldus geeft het oordeel van het Hof geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting, is het niet onbegrijpelijk, en toereikend gemotiveerd.(10)

32. Het vijfde middel klaagt dat het Hof de vordering van de benadeelde partij ten onrechte althans op onbegrijpelijk gronden heeft toegewezen, nu de kinderrechter de vordering heeft afgewezen en de benadeelde partij zich in hoger beroep niet opnieuw heeft gevoegd.

33. De benadeelde partij heeft zich gevoegd in de strafzaak tegen de verdachte met een vordering van € 1190,36 ter zake van de onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde feiten. De Kinderrechter heeft deze vordering toegewezen tot een bedrag van € 200 en de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in het overige deel van haar vordering. Voorzover in de toelichting op het middel wordt gesteld dat de Kinderrechter de benadeelde partij voor haar gehele vordering niet-ontvankelijk heeft verklaard, ontbeert het middel dus feitelijke grondslag.

34. Bij de stukken van het geding bevindt zich een 'voegingsformulier hoger beroep' van de benadeelde partij aan het ressortsparket te Amsterdam. Dit formulier houdt de vraag in of de benadeelde partij haar tot een bedrag € 200,-- toegewezen vordering wenst te handhaven. De benadeelde partij heeft op dit formulier ingevuld dat zij de bij de Officier van Justitie ingediende vordering wel wenst te handhaven, daarbij opmerkende dat de toegewezen tweehonderd euro maar een fractie is van de gemaakte onkosten "en dan wil ik niet eens spreken over emotionele schade en het onrechtvaardigheidsgevoel! (dief moet afstand doen van gestolen scooter!)". Dit formulier is op 29 maart 2006 bij het ressortsparket ingekomen.

35. Het Hof heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij -voor zover van belang- overwogen:

"De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep op de voet van artikel 421, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering gevoegd met een vordering van EUR 1190,36 zoals door haar ook in eerste aanleg is gevorderd."

36. Het oordeel van het Hof dat de benadeelde partij zich in hoger beroep binnen de grenzen van haar eerste vordering heeft gevoegd, is gelet op de bewoordingen van het voegingsformulier in hoger beroep geenszins onbegrijpelijk.

37. Het middel faalt.

38. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

39. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

40. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.41, HR 1 april 2003, LJN AF4128.

2 Vgl. HR 22 november 2005, NJ 2006, 194.

3 Kamerstukken II 2004-2005, 29 805, nr. 3, p. 4

4 HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.38.

5 HR 12 maart 2002, NJ 2002, 317, rov. 3.33 e.v., Kamerstukken II 2004-2005, 29 805, nr. 3, p. 4, 5.

6 HR 3 juni 1997, NJ 1997, 584.

7 Vgl. HR 18 september 2001, LJN AD3530; HR 10 juni 2003, LJN AF8059 (niet gepubliceerd) en HR 13 juni 2006, LJN AW3625 (niet gepubliceerd).

8 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, Deventer 2004, vijfde druk, p. 86.

9 Zie voor een vergelijkbare lezing van de strafmotivering voor wat betreft de door de wet in art. 359 lid 6 Sv uitdrukkelijk geëiste motivering voor de keuze voor een vrijheidsbenemende straf HR 3 juli 2007, LJN BA3133, BA3128 en BA4994.

10 HR 9 april 1974, NJ 1974, 244, HR 21 november 2000, J 2001, 97.