Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB4130

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
11-01-2008
Datum publicatie
11-01-2008
Zaaknummer
03628/06 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB4130
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Antilliaanse zaak. 1. Oproeping ouders minderjarige verdachte. 2. Openbare behandeling jeugdzaak. Ad 1. Bij de aan de HR gezonden stukken bevindt zich wel een o.g.v. art. 497.1 SvNA ter kennis van de ouders van verdachte gebrachte appeldagvaarding, doch niet een stuk waaruit kan worden afgeleid dat zij o.g.v. art. 489.1 SvNA tot bijwoning van de tz. in appel zijn opgeroepen. Voorts vermeldt het pv. ttz. in appel niet dat de ouders (of een van hen) daar zijn verschenen, zodat moet worden aangenomen dat zij aldaar niet tegenwoordig waren. Daaruit, in onderling verband en samenhang beschouwd, vloeit het ernstige vermoeden voort dat t.a.v. de oproeping van de ouders art. 489.1 SvNA niet is nageleefd. Dat voorschrift is van zo grote betekenis dat, al is dit niet uitdrukkelijk in de wet bepaald, de niet-nakoming ervan moet worden geacht aan een geldige behandeling van de zaak ttz. in de weg te staan. Ad 2. Verdachte had op het tijdstip waarop de vervolging is aangevangen, de leeftijd van 16 jaar bereikt, zodat de in art. 488 SvNA vermelde grond voor het niet in het openbaar behandelen van het rechtsgeding niet toepasselijk was, en had zij t.t.v. de behandeling van de zaak in appel de leeftijd van 18 jaar nog niet bereikt. De opvatting, dat art. 40 Verdrag inz. de rechten van het kind in een geval als i.c. meebrengt dat de zaak niet op een openbare tz. wordt behandeld is onjuist. Daarbij verdient opmerking dat het pv. ttz. van het Hof niet inhoudt dat door of namens verdachte is verzocht om een niet-openbare behandeling van de zaak dan wel dat aldaar beroep is gedaan op genoemde verdragsbepaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 86
JOL 2008, 82
RvdW 2008, 193
NJB 2008, 343
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 03628/06 A

Mr Machielse

Zitting 4 september 2007

Conclusie inzake:

[verdachte](1)

1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba heeft op 12 september 2006 verdachte voor 1 subsidiair: "medeplegen van doodslag gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden" en 2 primair: "medeplegen van moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twintig jaren. Voorts zijn de inbeslaggenomen messen onttrokken aan het verkeer.

2. Namens de verdachte is tijdig cassatie ingesteld. Mrs. G.P. Hamer en B.P. de Boer, beiden advocaten te Amsterdam, hebben een schriftuur ingezonden, houdende zes middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt erover dat uit de stukken van het geding niet zou blijken dat voor de behandeling van de zaak bij het hof de ouders van de minderjarige verdachte zijn opgeroepen, dit in strijd met art. 489 SvNA.

3.2. In het door de Hoge Raad ontvangen procesdossier bevindt zich een akte van uitreiking waaruit blijkt dat de dagvaarding voor de zitting van 29 augustus 2006 aan beide ouders is uitgereikt. De stellers van het middel hebben op 12 maart 2007, op verzoek, een kopie van de akte van uitreiking toegezonden gekregen van de griffie van de Hoge Raad.

De stellers van het middel voeren aan dat het verzenden van een afschrift van de dagvaarding aan de ouders onvoldoende is en dat zij afzonderlijk moeten worden opgeroepen. Art. 489, eerste lid, SvNA zou anders naast art. 497, eerste lid, SvNA, dat voorschrijft dat alle dagvaardingen, oproepingen et cetera tevens ter kennis worden gebracht van de ouders of voogd, alsmede van de advocaat, geen zelfstandige betekenis hebben.

Ik beaam wat het middel over de verhouding tussen beide genoemde voorschiften aanvoert, maar de vraag is wel of het verzuim om afzonderlijk een oproeping aan de ouders te verzenden tot nietigheid moet leiden. In dat kader acht ik van belang dat op niet-naleving van art. 489 SvNA geen nietigheid is gesteld. De vader van verdachte is in eerste aanleg verschenen hoewel in eerste aanleg niet afzonderlijk via een oproeping gevolg was gegeven aan het bepaalde in art. 489, eerste lid, SvNA. Daaruit is wel af te leiden dat de vader van verdachte zich niet door het ontbreken van een afzonderlijke oproeping zal hebben laten weerhouden het proces tegen zijn dochter bij te wonen. Verdachte werd in eerste aanleg en in appèl bijgestaan door een advocaat en heeft, indien zij prijs stelde op de afzonderlijke oproeping van haar ouders, haar wensen aan de rechters kunnen voorleggen. Niet blijkt dat de verdediging te kennen heeft gegeven dat de ouders van verdachte nog eens afzonderlijk moesten worden opgeroepen, waaruit het hof impliciet heeft kunnen opmaken dat de verdediging de belangen van verdachte heeft gewogen en het niet opportuun heeft geacht om aanhouding te verzoeken teneinde alsnog de ouders van verdachte op te roepen.

Nu gelet op dit samenstel van gegevens het hof heeft kunnen oordelen dat de belangen van de verdediging kennelijk niet vergden dat de ouders nog eens afzonderlijk werden opgeroepen faalt het middel.

4.1. Het tweede middel houdt in dat het onderzoek ter terechtzitting nietig is, omdat dit onderzoek, ondanks dat de verdachte nog geen achttien jaren oud was, in de openbaarheid heeft plaatsgevonden. De wettelijke bepaling in het Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen die dit toestaat is volgens de stellers van het middel in strijd met art. 40, tweede lid, van het Verdrag inzake de rechten van het kind (in het vervolg: het Verdrag).

4.2. Het Verdrag inzake de rechten van het kind(2) kent 45 artikelen, waarvan slechts een zeer beperkt aantal artikelen betrekking heeft op straf(proces)recht. Het is van toepassing op het Koninkrijk der Nederlanden.(3) Het merendeel der bepalingen heeft betrekking op de burgerlijke, politieke, economische, sociale en culturele rechten van kinderen. De wetgever is van mening dat het Nederlandse recht voldoet aan de vereisten die het Verdrag stelt.(4)

Artikel 40 van het Verdrag heeft - voorzover hier relevant - de volgende inhoud:

"1. De Staten die partij zijn, erkennen het recht van ieder kind dat wordt verdacht van, vervolgd wegens of veroordeeld terzake van het begaan van een strafbaar feit, op een wijze van behandeling die geen afbreuk doet aan het gevoel van waardigheid en eigenwaarde van het kind, die de eerbied van het kind voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden van anderen vergroot, en waarbij rekening wordt gehouden met de leeftijd van het kind en met de wenselijkheid van het bevorderen van de herintegratie van het kind en van de aanvaarding door het kind van een opbouwende rol in de samenleving.

2. Hiertoe, en met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van internationale akten, waarborgen de Staten die partij zijn met name dat:

(...)

b. ieder kind dat wordt verdacht van of vervolgd wegens het begaan van een strafbaar feit, ten minste de volgende garanties heeft:

(...)

(vii) dat zijn of haar privéleven volledig wordt geëerbiedigd tijdens alle stadia van het proces."

4.3. Art. 488, eerste lid, SvNA luidt:

"Het rechtsgeding wordt in het openbaar behandeld, tenzij de verdachte of diens medeverdachten op het tijdstip waarop de vervolging tegen hen is aangevangen de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt. In dat geval kan de rechter tot bijwoning van deze niet-openbare terechtzitting bijzondere toegang verlenen."

Bij de invoering van het huidige Wetboek van Strafvordering van de Nederlandse Antillen en Aruba is blijkens de Memorie van Toelichting(5) voor die grens aansluiting gezocht bij de Commissie Anneveldt. Die Commissie achtte verlaging van de grens van achttien jaar (art. 135bis SvNA (oud)) naar zestien jaar (het voorgestelde art. 492 in het Oorspronkelijk Regeringsontwerp, maar uiteindelijk het huidige art. 488 SvNA) gerechtvaardigd.(6) De Commissie erkent dat een niet-openbare behandeling kan worden gerechtvaardigd vanuit de beschermingsgedachte en de pedagogische doelstelling en er eveneens indirect toe kan dienen het privéleven van de familie waartoe de jeugdige behoort, te beschermen. Naar het oordeel van de Commissie is een kind van zestien jaar nog zozeer betrokken bij dat gezin dat voor de bescherming van dat gezin een niet-openbare behandeling de voorkeur verdient. Voor gewelds- en vermogensdelicten gepleegd in groepsverband leert de ervaring, zo stelt de Commissie, dat de leeftijd in die groep varieert van zestien tot vierentwintig jaren. De voordelen van openbaarheid (meer in het bijzonder wanneer deze zaken gevoegd worden behandeld) weegt dan zwaarder dan de nadelen.

4.4. Anders dan de stellers van het middel kan ik in artikel 40 van het Verdrag niet lezen dat iedere strafprocedure gevoerd tegen een persoon jonger dan achttien jaar met gesloten deuren moet geschieden. Ook een proces dat in het openbaar wordt gevoerd kan zodanig worden ingericht dat het privéleven van de verdachte wordt geëerbiedigd. Het proces-verbaal van het onderzoek in hoger beroep van 29 augustus 2006 geeft geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de rechters van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie deze eis van het Verdrag uit het oog zouden hebben verloren. De stellers van het middel blijven ook in gebreke aan te geven op welke punten het privéleven van verdachte niet zou zijn gerespecteerd. Daarenboven blijkt niet dat de verdediging tijdens de behandeling heeft verzocht het proces, of een deel daarvan, achter gesloten deuren te houden, hetgeen op grond van art. 488, tweede lid, SvNA mogelijk is.

Voor zover de klacht zich richt tegen het onderzoek in eerste aanleg, miskent het middel bovendien dat het hof het vonnis van eerste aanleg heeft vernietigd.

Nu in feitelijke aanleg noch in cassatie is aangevoerd dat het privéleven van verdachte door de rechtsgang onvoldoende is beschermd en nu de stellers van het middel blijven steken in mogelijke algemeenheden zie ik in het feit dat de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep in openbaarheid is gevoerd geen grond voor vernietiging.

Het middel faalt.

5.1. Het derde middel houdt in dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten, nu het de naam van het slachtoffer in het onder 2 tenlastegelegde (stilzwijgend) heeft veranderd.

5.2. Onder 2 zijn tenlastegelegd de handelingen die ten aanzien van het vrouwelijke slachtoffer [slachtoffer 1] zijn gepleegd. De officier van justitie heeft middels een vordering wijziging tenlastelegging op de zitting bij het Gerecht in Eerste Aanleg wijzigingen gevorderd die, blijkens p. 1 van het proces-verbaal van de zitting, betrekking hadden op de foutieve naamsopgave van de slachtoffers. Die wijzigingen zijn, blijkens het vonnis, toegestaan. De oorspronkelijke bedoeling van de steller van de tenlastelegging was om feit 1 betrekking te laten hebben op het mannelijke slachtoffer [slachtoffer 2], en feit 2 op het voornoemde vrouwelijke slachtoffer.

De vordering wijziging tenlastelegging begint ook met de opmerking dat de naam [achternaam slachtoffer 2] onder 2 primair dient te worden vervangen door [achternaam slachtoffer 1]. Helaas is in de daaronder weergegeven tekst in de vordering wijziging tenlastelegging die fout blijven staan: in de laatste regel is nog steeds de naam [achternaam slachtoffer 2] blijven staan, daar waar evident de naam [achternaam slachtoffer 1] had moeten staan.

Het Gerecht in eerste Aanleg en het Gemeenschappelijk Hof hebben deze naam toch verbeterd gelezen, dus gedaan wat de officier van justitie beoogde. Het betreft hier een evidente schrijffout. Het is de verdachte van meet af aan duidelijk geweest tegen welke aantijgingen zij zich diende te verdedigen, zodat er geen sprake van kan zijn dat de verdachte door het verbeterd lezen van de tenlastelegging in haar belangen is geschaad.

Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel richt zich tegen de bewezenverklaring van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer 2]. Zonder een nadere motivering zou niet voldoende begrijpelijk zijn dat de verdachte als medepleger kan worden aangemerkt, althans heeft het hof een verweer aangaande het medeplegen van feit 1 onvoldoende weerlegd.

6.2. Onder 1 is bewezenverklaard:

""dat zij op 14 oktober 2005 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 2] van het leven heeft beroofd, immers heeft haar mededader met dat opzet die [slachtoffer 2] een aantal keren met een mes in het lichaam gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer 2] voornoemd is overleden, welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd van enig strafbaar feit, te weten diefstal met geweld en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om die uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijk te maken."

6.3. Als bewijsmiddelen heeft het hof de volgende stukken gebezigd:

"1

Een proces-verbaal van politie AHO7 "Aantreffen plaats delict", voor zover inhoudende als bevindingen van verbalisanten van het Atrakoteam te Curaçao, zakelijk weergegeven:

Op 14 oktober 2005 troffen wij op bet perceel [a-straat 1] in de woning een vrouw aan die geen teken van leven gaf. De vrouw bleek in leven te zijn genaamd: [slachtoffer 1]. Op het erf werd het lichaam van een man aangetroffen die geen teken van leven gaf. De man bleek in leven te zijn genaamd [slachtoffer 2].

2

Een obductierapport van de patholoog Abreu de Martinez, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het lichaam van de man [slachtoffer 2] vertoonde meerdere steekwonden waarvan er ongeveer 7 dodelijk waren. De aangerichte longperforaties veroorzaakten interne bloedingen en de dood.

3

Een obductierapport van de patholoog Abreu de Martinez, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Het lichaam van de vrouw [slachtoffer 1] vertoonde meerdere steekwonden, waarvan een dodelijke die de schildklier en de luchtpijp penetreerde, welke penetratie bloedingen en ademhalingsproblemen teweegbracht die haar dood veroorzaakten.

4

Een proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] door de Rechter-Commissaris, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Mijn zus [verdachte] en ik hebben het plan beraamd om op 14 oktober 2005 een beroving te plegen bij de man, [slachtoffer 2] te [plaats A] om de auto van het merk Mazda, model Tribute, van de vrouw die elke dag naar die woning komt.

[Verdachte] en ik zijn die dag naar de woning gegaan. Ik klom als eerste over het transformatorhuisje het erf op. Mijn zus volgde. Wij hadden allebei een slagersmes. Op geblaf van honden kwam de man naar buiten. Hij kon ons niet zien omdat wij ons achter de jeep schuil hielden. Toen hij met zijn rug naar ons toe stond ging ik op hem af. Ik hield de man in een nekgreep vast en mijn zus kwam mij te hulp. Mijn zus ging naar binnen om naar de autosleutel te vragen. De man begon met mij te discussiëren. Ik heb hem toen op verschillende plaatsen van zijn lichaam gestoken. Ik bleef steken omdat hij maar niet bang wilde worden. Daarna ging ik naar binnen. Ik zag dat mijn zus de vrouw in een nekgreep vasthield en haar mes aan de nek van de vrouw had geplaatst. Ik zag dat de vrouw in de buurt van haar borstkas aan het bloeden was. Ik dacht meteen dat mijn zus haar in haar nek gestoken had. Zij had een verwonding, een messnede in haar rechterhals. Ik kreeg van de vrouw de sleutel van de Mazda Tribute. Ik ging naar buiten en haalde sleutels voor het hek uit de broekzak van de man. Het hek ging daarmee niet open. Ik ging weer naar binnen. Mijn zus zat in gehurkte houding met de vrouw, die heel erg bloedde vanuit haar nek en haar mond. Het mes dat mijn zus in haar handen had zat vol bloed. Ik heb haar daarna de vrouw met het mes in haar hartstreek/zij met het mes zien steken.

5

Een proces-verbaal van politie nr. 200515100630 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte afgelegd op 15 oktober 2005, zakelijk weergegeven:

[Medeverdachte] had met mij de afspraak gemaakt dat hij de vrouw zou aanvallen en ik de man moest vasthouden. Wij klommen over de afrastering en kwamen zo op het erf van [a-straat 1]. De man die daar woont kwam naar buiten. Toen hij in onze richting keek viel [medeverdachte] de man meteen aan met het kleine mes. Ik zag dat [medeverdachte] de man vasthield in een nekgreep en ik zag dat [medeverdachte] meerdere steekbewegingen maakte richting de man. Daarna moest ik naar binnen gaan om de vrouw aan te vallen.

6

Een proces-verbaal van politie nr. 0510171205, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte afgelegd op 17 oktober 2005, zakelijk weergegeven:

We hebben vele malen het plan gehad om de mensen op het adres [a-straat 1] te beroven van de jeep. Ik had het grotere mes en [medeverdachte] het kleinere. Toen [medeverdachte] de man aanviel ben ik naar binnen gegaan. Ik pakte de vrouw snel vast van achteren om de nek met mijn linkerhand. Ik plaatste de punt van het mes in haar nek met mijn rechterhand. Ik stak de vrouw bovenhands in haar nek op de plaats waar de punt van het mes was. Het mes ging gemakkelijk in haar nek. Daarna stak ik haar nog een keer in haar buik. Toen mijn broer binnenkwam stak hij haar nog eens in haar nek met zijn mes.

7

De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:

Ik weet dat mijn broer in staat is tot zulke verschrikkelijke dingen dat ik me daar geen voorstelling van durf te maken.

8

Een proces-verbaal van politie nr. 0510161400 V 02-02, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte, zakelijk weergegeven:

De zwarte damestas die u mij toont is afkomstig van de beroving. Dit is de tas waaruit we het geld en de gsm hebben weggenomen. De jeep van het merk Mazda die gisteren 15 oktober 2005 in beslag is genomen en die u mij toont is de jeep die we buitgemaakt hebben tijdens de beroving op [a-straat 1].

9

Een proces-verbaal van politie nr. 0510261000 V 03-09, voor zover inhoudende als verklaring van [medeverdachte], zakelijk weergegeven:

Ik heb de jeep gestart met de sleutel die ik van de vrouw heb gekregen. Mijn zus opende het hek met de sleutel die ik binnen had gevonden. Ik had de man afgedekt en de wasmachine geschoven. Nadat ik de jeep van het erf had gereden deed [verdachte] het hek weer op slot en ze stapte in de jeep."

6.4. Daarnaast heeft het hof in het vonnis overwogen:

"Nadere bewijsoverwegingen met betrekking tot de feiten 1 subsidiair en 2 primair

Voorbedachte raad

Het Hof acht voorbedachte raad ten aanzien van feit 1 niet bewezen, maar ten aanzien van feit 2 wel. Uit de bewijsmiddelen blijkt de volgende gang van zaken. Verdachte en haar broer beramen een plan om de mensen op perceel [a-straat 1] te beroven van de Jeep van de vrouw. leder bewapend met een mes gaan ze vervolgens naar dat perceel. Verdachte weet dat haar broer in staat is tot dingen die zo ernstig zijn dat ze zich daar geen voorstelling van durft te maken. Zij ziet vervolgens dat haar broer de mannelijke bewoner vastgrijpt en meerdere malen met een mes steekt. Zij treedt dan niet terug, maar gaat over tot de volgende fase van het plan, te weten het overmeesteren van de vrouw. Zij loopt naar het huis en gaat naar binnen. Binnengekomen pakt zij de vrouw vast. Ook de vrouw wordt vervolgens met een mes dodelijk verwond. Indien verdachte haar niet zelf de dodelijke messteek heeft toegebracht geldt dat zij, gelet op de geschetste voorgeschiedenis en haar wetenschap omtrent hetgeen waartoe haar broer in staat was willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard heeft dat deze opnieuw zijn mes zou gebruiken en de vrouw dodelijk zou verwonden. De tijd die verliep tussen het steken van de man door haar broer en het naar het huis toe lopen, binnengaan en vastpakken van de vrouw door verdachte was naar alle waarschijnlijkheid niet lang, maar wel voldoende om zich te beraden op het genomen besluit om door te gaan met de beroving. Zij had de tijd om na te denken over de betekenis of de gevolgen van de voorgenomen daad en af te zien van de verdere uitvoering van het berovingsplan. Zij had zich kunnen bezinnen. Van die gelegenheid maakt zij geen gebruik. Aldus werd bij het doden van de vrouw weloverwogen, rustig en na rijp beraad tewerk gegaan, hetgeen de conclusie wettigt dat sprake was van voorbedachte raad ten aanzien van feit 2. Het Hof komt op die grond, eenparig, tot het oordeel dat het onder 2 primair tenlastegelegde feit, waarvan verdachte in eerste aanleg was vrijgesproken, is bewezen.

Opzet

De slachtoffers zijn gestoken in de longen ([slachtoffer 2]) respectievelijk de hals ([slachtoffer 1]). Door op die plaatsen met een mes te steken werd, naar van algemene bekendheid is, het aanmerkelijke risico in het leven geroepen dat de slachtoffers aan de gevolgen van dat steken zouden overlijden. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zou intreden. Indien ervan wordt uitgegaan dat het de broer van verdachte was die beide slachtoffers dodelijk heeft verwond geldt dat zij nauw en bewust met hem heeft samengewerkt om de beroving te doen plaatsvinden, hoewel zij wist dat hij een mes bij zich had en tot verschrikkelijke dingen in staat is. (...)"

6.5. Uit de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen volgt dat de verdachte samen met haar broer het plan heeft opgevat om een auto te stelen. Daarbij is van tevoren uitdrukkelijk aan de orde geweest dat zij desnoods geweld zouden aanwenden om de sleutels te bemachtigen. De verdachte en haar mededader hebben slagersmessen meegenomen. Buiten overmeesteren zij eerst het mannelijke slachtoffer. Verdachte heeft toegegeven dat haar broer tot de meest vreselijke dingen in staat was.(7) Het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen kunnen afleiden dat de verdachte zich bewust was van de aanmerkelijke kans dat haar broer dodelijk geweld zou aanwenden om zijn doel te bereiken en dat de verdachte deze kans welbewust heeft aanvaard.

Zij heeft zich, na het toegepaste geweld, ook op geen enkele wijze gedistantieerd van de daden van haar broer, integendeel zou ik zeggen.

De door de stellers van het middel aangehaalde zaak van het hof Den Haag van 22 februari 2005 (LJN AS8924), verschilt in zoverre van de onderhavige zaak dat in die zaak volgens het hof niet vaststond of de verdachte op de hoogte was van de geweldsreputatie van een medeverdachte, en evenmin of de verdachte op de hoogte was van het feit dat de medeverdachte een vuurwapen bij zich had. De verdachte is ook niet in de woning geweest waar de schietpartij plaatsvond.

Het vierde middel faalt.

7.1. Het vijfde middel richt zich tegen de bewezenverklaarde moord op [slachtoffer 1]. De stellers van het middel richten hun pijlen op de door het hof opgenomen omstandigheid dat de verdachte zou hebben gezien dat haar mededader instak op het mannelijke slachtoffer, (bewijsmiddel 5 en de bewijsoverweging) maar uit bewijsmiddel 4 zou blijken dat zij op het moment dat haar mededader begon met steken, al naar binnen was, en dus helemaal niet heeft kunnen zien wat haar mededader met het mannelijke slachtoffer heeft gedaan.

7.2. Ik zie die tegenstrijdigheid niet zo scherp als de stellers van het middel. De medeverdachte heeft de man aangevallen. De verdachte heeft hem daarbij geholpen. Haar mededader heeft meermalen het mannelijke slachtoffer gestoken. Vervolgens, aldus bewijsmiddel 4, ging verdachte naar binnen om naar de autosleutels te vragen. Anders dan de stellers van het middel betogen volgt hieruit niet onomstotelijk dat verdachte niet heeft kunnen zien dat haar broer de man doodstak. De stellers van het middel gaan ervan uit dat verdachte zich binnen in de woning bevond op het moment dat haar broer stekende bewegingen maakte, maar deze veronderstelling is niet noodzakelijkerwijs met de inhoud van bewijsmiddel 4 gegeven. Daaruit volgt immers dat verdachte naar binnen ging.

De medeverdachte kan met steken zijn begonnen terwijl de verdachte dat nog kon zien, vlak voor, of terwijl zij naar het huis liep. In ieder geval heeft verdachte zelf duidelijk verklaard over wat zij heeft waargenomen, en dat lijkt mij doorslaggevend.

Essentieel voor de voorbedachte raad is dat vast is komen te staan dat de verdachte niet in paniek heeft gehandeld, maar de tijd heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van de door haar voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven.(8) Het hof heeft dit in de bewijsoverweging, hier onder 6.4 opgenomen, overwogen. Het medeplegen van moord kan uit de bewijsmiddelen worden afgeleid. De bewijsoverweging van het hof getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.

Het vijfde middel faalt eveneens.

8.1. Het zesde middel tenslotte richt zich tegen de strafmotivering. Ten eerste wijzen de stellers van het middel er op dat ten onrechte wordt gesproken van een dubbele moord, terwijl een van de feiten niet als moord is gekwalificeerd. De stellers van het middel achten de strafoplegging daarnaast verbazing wekken, omdat het hier een verdachte betreft die ten tijde van het plegen van de delicten zestien jaar en zes maanden oud was, en uit de rapportage naar voren komt dat de verdachte aan een persoonlijkheidsstoornis lijdt. Een strafoplegging van twintig jaren zou zich niet verhouden met de overweging van het hof dat haar nog toekomstperspectief moet worden geboden.

8.2. De strafmotivering van het hof luidt als volgt:

"De op te leggen straf

Bij de bepaling van de straf heeft het Hof gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt en op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken. Meer in het bijzonder overweegt het Hof het volgende.

Namens verdachte is bepleit het strafrecht voor jeugdigen toe te passen.

Verdachte was ten tijde van de uitspraak in eerste aanleg 17 jaar oud. In beginsel kan dus op haar het strafrecht voor jeugdigen worden toegepast. Bij verdachte is volgens het over haar uitgebrachte psychiatrische rapport sprake van een zich ontwikkelende antisociale persoonlijkheidsstoornis. In het over haar uitgebrachte psychologische rapport is sprake van een zeer hoog agressieniveau en ernstige gedragsstoornissen. Het rapport van de Voogdijraad spreekt over seksueel misbruik en deelname aan zeer ernstige strafbare feiten. In alle rapportages wordt het gevaar van herhaling hoog ingeschat. Ingevolge de toepasselijke wettelijke bepalingen voor jeugdigen kan verdachte ter beschikking van de regering worden gesteld tot maximaal haar eenentwintigste levensjaar. De tenuitvoerlegging van een dergelijke maatregel geschiedt in een niet beveiligde inrichting (het Gouvernements Opvoedings Gesticht). Een dergelijke tenuitvoerlegging is in het geval van verdachte onaanvaardbaar gelet op het hoge recidiverisico. Daarbij komt dat de duur van die maatregel beperkt is. In de praktijk zou verdachte nog maximaal drie jaar in die instelling kunnen verblijven. Die periode lijkt ten enenmale te kort om met de behandeling van verdachte een zodanige vooruitgang te kunnen boeken dat het gevaar voor herhaling tot aanvaardbare proporties is teruggebracht wanneer zij eenentwintig jaar wordt. Van belang is voorts nog dat de gepleegde feiten zodanig ernstig zijn dat aan die ernst onvoldoende recht gedaan wordt door een behandeling van verdachte van zo beperkte duur als geschetst. Op deze gronden zal het Hof niet tot het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling van de regering overgaan. Het strafrecht voor jeugdigen kent als hoofdstraf nog de geldboete, maar het opleggen daarvan doet geen recht aan de ernst van de feiten. Het bestaande sanctiestelsel biedt het Hof derhalve onvoldoende mogelijkheden om recht te doen conform het strafrecht voor jeugdigen. Mede gelet op het feit dat uit de rapportage kan worden afgeleid dat verdachte het ontwikkelingsniveau van een jong volwassene heeft zal het Hof daarom gebruik maken van de bevoegdheid die in artikel 41 septies, vijfde lid, Wetboek van Strafrecht is gegeven en het strafrecht voor volwassenen toepassen.

Het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind, waarop door de verdediging een beroep is gedaan, staat aan een regeling als bedoeld in artikel 41 septies, vijfde lid, Wetboek van Strafrecht niet in de weg. De verdediging heeft nog bepleit aan verdachte op te leggen de, in het Nederlandse Wetboek van Strafrecht opgenomen maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, maar nu het hier te lande geldende wetboek van strafrecht een dergelijke maatregel niet kent is daarvoor geen plaats. Het pleidooi om die maatregel vervolgens in Nederland ten uitvoer te leggen komt om die reden niet meer aan de orde.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van doodslag en moord. Doordat de slachtoffers gedood zijn heeft verdachte hen, samen met haar mededader, beroofd van het kostbaarste goed dat de mens bezit, te weten het leven. Zij heeft daardoor onpeilbaar verdriet veroorzaakt bij de nabestaanden, die voor de schier onmogelijke taak staan het gebeurde een plaats te geven in hun leven. Naast verdriet is bij die nabestaanden ook angst veroorzaakt. Een en ander is treffend tot uiting gebracht in de brief van [betrokkene 1], de dochter van het slachtoffer [slachtoffer 1]. welke brief gericht is aan haar overleden moeder (en kenbaar is uit het requisitoir in eerste aanleg, pagina 9/10):

Naast de constant aanwezige angst thuis, in de auto en in de winkel om overvallen of om het leven gebracht te worden, wellicht op de verkeerde plek te zijn op het verkeerde moment, is er het gemis aan u, de leegte, het verdriet en de pijn dat we u nooit meer zullen zien, dat we het moeten hebben van herinneringen waaraan nooit meer nieuwe zullen worden toegevoegd. Dit verdriet is met geen pen te beschrijven en aan iemand die zoiets niet heeft meegemaakt ook niet uit te leggen. Verwerking van het verdriet is daarom een heel eenzaam proces waar jaren overheen gaan, als je er ooit helemaal overheen komt".

Het is echter niet alleen de familie van de slachtoffers die door de feiten is geschokt. Ook de bevolking van Curaçao is door het feit dat een dubbele moord heeft plaatsgevonden ernstig geschokt. Het feit dat het ging om twee gewone burgers, op leeftijd bovendien, maakt dat niet slechts sprake was van verbijstering en verontwaardiging, maar ook van angst, dat eenzelfde lot al die andere gewone burgers (kennelijk) ook kan treffen.

Moord en doodslag behoren tot de categorie delicten die de wetgever met levenslange en de maximale tijdelijke gevangenisstraf (van vierentwintig jaar) heeft bedreigd. Bij samenloop wordt de maximale tijdelijke gevangenisstraf bovendien verhoogd naar dertig jaren. Die hoge strafdreiging toont aan dat de wetgever delicten als de onderhavige uiterst strafwaardig heeft geacht.

In de over verdachte uitgebrachte rapportage wordt haar agressieniveau als zeer hoog beschreven. De kans op herhaling wordt groot genoemd. Uit het oogpunt van bescherming van de maatschappij en als vergelding voor hetgeen gebeurd is oordeelt het Hof een Iangdurige gevangenisstraf op zijn plaats.

Het Hof zal echter, net als de eerste rechter gedaan heeft, rekening houden met de jeugdige leeftijd van verdachte. Ten tijde van de feiten was zij zestien jaar, nu zeventien. Verdachte kan nog aan zichzelf werken. Haar moet het perspectief geboden worden dat het de moeite loont dat te doen omdat zij dan, al is het dan pas wanneer zij de dertig gepasseerd is, in de maatschappij kan terugkeren. Om die reden wordt volstaan met het opleggen van na te melden gevangenisstraf.

Die gevangenisstraf is niettemin hoger dan de in eerste aanleg opgelegde straf, deels omdat het Hof tot een andere bewezenverklaring komt en de strafwaardigheid van feit 2 om die reden hoger inschat, maar deels ook omdat het de jeugdige leeftijd van verdachte iets minder in haar voordeel laat meewegen dan de eerste rechter kennelijk heeft gedaan."

8.3. In de strafmotivering wordt inderdaad gerept over een dubbele moord in het kader van de indruk die de misdrijven op de bevolking van Curaçao hebben gemaakt. Nog daargelaten dat op moord en gekwalificeerde doodslag (art. 301 SvNA) hetzelfde strafmaximum staat, heeft het hof klaarblijkelijk met deze verwijzing bedoeld tot uitdrukking te brengen hoe het voorval in de gemeenschap wordt ervaren. Gelet op het feitenrelaas wordt in de volksmond al snel gesproken van een dubbele (roof)moord. Ik wijs erop dat haar tegelijkertijd berechte mededader wel voor een dubbele moord is veroordeeld. Daarnaast komt in de strafmotivering op andere plekken wel naar voren dat het hof zich heeft gerealiseerd dat het in haar geval gaat om een moord en een gekwalificeerde doodslag, zodat er van uit mag worden gegaan dat het hof bij de beraadslaging uit is gegaan van het bewezenverklaarde en de kwalificatie daarvan.

8.4. Ten aanzien van de hoogte van de opgelegde straf geldt het volgende. Vooropgesteld zij dat de feitenrechter vrij is in de waardering van de factoren die hij van belang acht voor de straftoemeting. Deze afweging is aan hem voorbehouden. In cassatie kan dus niet worden onderzocht of de juiste straf is opgelegd en evenmin of de straf beantwoordt aan alle daarvoor in aanmerking komende factoren, zoals de ernst van het feit of de persoon van de verdachte.(9) In cassatie kan ten aanzien van de strafoplegging worden ingegrepen als de strafmotivering onbegrijpelijk is. Dit kan zo zijn in het geval van onjuiste of oncontroleerbare gegevens is uitgegaan, de opgelegde straf in geen verhouding staat met de bewezenverklaarde feiten (verbazingscriterium) of de motivering, gelet op een gevoerd verweer, als onvoldoende kan worden beschouwd.

Het hof heeft uitdrukkelijk onder ogen gezien dat het hier gaat om een jeugdig persoon met problemen maar het meende, mede gelet op de ernst van de feiten, niet anders dan een gevangenisstraf voor lange duur te kunnen opleggen. Gelet op het strafmaximum dat op de feiten is gesteld, en ook gelet op een eis van dertig jaren, wekt de opgelegde gevangenisstraf geen verbazing noch getuigt deze van een 'onmetelijke hardheid'. Het is de taak van de strafrechter in de straftoemeting rekening te houden met de belangen waarvan de samenleving de bescherming in zijn handen heeft gelegd. Daaronder bevinden zich de individuele belangen van daders, slachtoffers en nabestaanden, maar ook de belangen van normhandhaving en preventie. Dat de stellers van het middel een andere en eenzijdige nadruk in de straftoemeting willen leggen is begrijpelijk maar dat zich ook een andere strafoplegging laat denken doet de strafmotivering van het hof niet willekeurig of bevreemdend zijn. Dat het gevangenisregime in de Nederlandse Antillen niet de mogelijkheden kent qua begeleiding en/of opleiding, zoals een Nederlandse gevangenis, heeft het hof onder ogen gezien. Het hof heeft daaruit consequenties getrokken die niet onbegrijpelijk zijn en die niet getuigen van een verkeerde afweging van de belangen die aan het hof zijn toevertrouwd.

Ook het laatste middel faalt.

9. Alle middelen falen. De middelen 3 tot en met 6 kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging behoren te leiden.

10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Deze zaak hangt samen met de zaak tegen [medeverdachte], nr. 03626/06 A, in welke zaak ik heden eveneens concludeer.

2 Verdrag inzake de rechten van het kind, New York, 20 november 1989, Trb. 1990, 170.

3 Zie art. 1 van de Goedkeuringsrijkswet Verdrag inzake de rechten van het kind.

4 Kamerstukken II, 1993/94, 22 855, nr. 6 (Nota naar aanleiding van het verslag), p. 7.

5 Ontwerp van een nieuwe Wetboek van Strafvordering, Staten der Nederlandse Antillen, Zitting 1987-1988, Memorie van Toelichting, p. 138 ev.

6 Rapport van de commissie herziening strafrecht voor jeugdigen, Sanctierecht voor jeugdigen, p. 18, 19 en 30 (Commissie Anneveldt).

7 Zie over het toerekenen van daden van mededaders aan een verdachte onder meer Hazewinkel Suringa/Remmelink, 5e druk, p. 436-437; Het opzet van de deelnemer door G. Knigge, in de De Hullu bundel, Glijdende schalen, 2003, p. 291 ev en De Hullu, Materieel Strafrecht, 3e druk, p. 419 ev.

8 Zie bijvoorbeeld HR 4 april 2006, LJN AU9428.

9 Van Dorst, Cassatie in strafzaken, 5e druk, p. 220.