Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2008:BB0678

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-12-2008
Datum publicatie
05-12-2008
Zaaknummer
43908
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2007:AZ7369
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2008:BB0678
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Toegang verlenen tot een zogenoemde peepshow; art. 9 lid 2, aanhef en letter a, Wet OB 1968; post 14, letter d, van Tabel I, onderdeel b behorende bij de Wet OB 1968; is het verlaagde BTW-tarief van toepassing?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BNB 2009/89 met annotatie van J.J.P. Swinkels
Belastingadvies 2009/2.11
V-N 2008/59.23
FutD 2007-1456 met annotatie van Fiscaal up to Date
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 43908

PROCUREUR-GENERAAL BIJ DE HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

MR. C.W.M. VAN BALLEGOOIJEN

ADVOCAAT-GENERAAL

Derde kamer (A)

19 juli 2007

Omzetbelasting 2002-2003

Conclusie inzake:

De staatssecretaris van Financiën

tegen

Fiscale eenheid X Holding B.V. c.s.

1. Feiten en loop van het geding

1.1 Belanghebbende exploiteert een onderneming in de seksindustrie. Zij geeft het publiek de gelegenheid om een peepshow bij te wonen. Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal (hierna: de Van Dale) beschrijft een peepshow als "een op seksuele opwinding gerichte show van een naakte vrouw (man) die, tegen inworp van muntstukken, door het kijkvenster van een cabine kan worden gadegeslagen". In het pand van belanghebbende staan twee ronddraaiende podia met een doorsnede van ongeveer 2.60 meter opgesteld, waarop zich tijdens een peepshow telkens één meisje vertoont. De bezoekers van een peepshow (maximaal vijftien) kunnen naar het optreden van het meisje kijken. Dit doen zij vanuit éénpersoonscabines. Ze betalen door het inwerpen van contant geld of door middel van een elektronisch oplaadbare kaart. De matglazen ruit die zich tussen de cabine en het podium van de peepshow bevindt, verandert door de betaling in helder glas.

1.2 Belanghebbende heeft over het tijdvak juni 2002 omzetbelasting op aangifte voldaan. Tegen het op aangifte voldane bedrag heeft zij bezwaar gemaakt, het standpunt innemend dat de omzet behaald met de peepshows onder het verlaagde tarief valt. De inspecteur heeft het bezwaar afgewezen. Hij heeft voorts over de tijdvakken juli 2002 tot en met juni 2003 twaalf naheffingsaanslagen opgelegd, omdat volgens hem ten onrechte het verlaagde tarief is toegepast terzake van deze omzet. Belanghebbende heeft ook tegen deze naheffingsaanslagen bezwaar gemaakt. De Inspecteur(1) heeft de bezwaren inzake de tijdvakken juni, juli en november 2002 ongegrond verklaard, het bezwaar tegen de naheffingsaanslag over juni 2003 vanwege termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard en de bezwaren tegen de overige naheffingsaanslagen (om andere redenen dan waarop dit geschil ziet) gegrond verklaard en de naheffingsaanslagen verminderd. Tegen deze in totaal dertien beslissingen van de inspecteur heeft belanghebbende in één geschrift beroep aangetekend bij de Rechtbank Haarlem (hierna: de Rechtbank). Tegen de uitspraak van de Rechtbank heeft belanghebbende hoger beroep ingediend bij het Gerechtshof Amsterdam (hierna: het Hof).

2. Het geschil

Rechtbank en Hof

2.1 Voor de Rechtbank en voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of de dienst van het tegen betaling van een vergoeding toegang verlenen tot peepshows kan worden aangemerkt als "het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, alsmede lezingen", als bedoeld in onderdeel b, post 14, letter d, van tabel I behorend bij de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet). Deze vraag wordt door belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoord. Voor het Hof was niet in geschil dat de Rechtbank het beroep betreffende de naheffingsaanslag over juni 2003 terecht ongegrond heeft verklaard, alsmede, indien het gelijk aan de inspecteur is, welk gedeelte van de omzetten behaald over de tijdvakken juni 2002 tot en met januari 2003 en over de tijdvakken februari tot en met mei 2003 onder het verlaagde respectievelijk het algemene tarief moet worden begrepen.(2) Voorts is niet in geschil dat, indien het gelijk aan belanghebbende is, de naheffingsaanslagen moeten worden vernietigd en een teruggaaf ad € 934 moet worden verleend over het tijdvak juni 2002.

2.2 De Rechtbank heeft overwogen:

5.4. In zijn arrest van 30 juni 1999, nr. 34.621, BNB 1999/360, heeft de Hoge Raad overwogen dat het redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is dat de richtlijngever de nationale wetgevers de vrijheid heeft gelaten om zelf te bepalen welke van de in categorie 7 van bijlage H genoemde culturele evenementen en voorzieningen kunnen delen in het verlaagde tarief. Nu shows niet zijn overgenomen in Tabel I, post b.14, aanhef en sub d, kan het verlaagde tarief naar het oordeel van de rechtbank niet op een show worden toegepast. De rechtbank kan daarom in het midden laten of peepshows zijn aan te merken als shows.

5.5. De klacht dat een peepshow een toneeluitvoering is, treft evenmin doel. Bijlage H bij de Zesde Richtlijn ziet, voorzover hier van belang, op schouwburgen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen. Zoals hiervoor onder 5.1. is overwogen, kan het verlaagde tarief uitsluitend daarop van toepassing zijn. Naar het oordeel van de rechtbank kan een peepshow niet als een soortgelijk cultureel evenement of voorziening als bedoeld in bijlage H worden aangemerkt. Overigens was, zoals verweerder heeft aangevoerd, voor de wetgever de achterliggende gedachte om Tabel I, post b.14, aanhef en sub d, in te voeren, het compenseren van bezuinigingen op het terrein van de cultuur (zie hiervoor ook onder 5.2. 'Hoofdlijnen van de aanwending'). De rechtbank stelt voorop dat eiseres niet actief is in de gesubsidieerde culturele sector en overweegt dat de wetgever niet zal hebben bedoeld om de activiteiten van eiseres onder Tabel I, post b.14, aanhef en sub d te brengen. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat in het arrest van de Hoge Raad van 30 juni 1999, nr. 34.621, de doorslaggevende betekenis van cultuur niet naar voren komt, geldt dat in het desbetreffende arrest de interpretatie van het begrip 'bioscoop' aan de orde was.(3)

2.3 De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 27 maart 2006 ongegrond verklaard.

2.4 Het Hof heeft overwogen:

2.5.3. Uit de tekst van post b.14, onderdeel d, van de bij de Wet behorende tabel I en de onder 2.5.2 weergegeven deel van de parlementaire behandeling(4) leidt het Hof af dat de begrippen muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen ruim moeten worden opgevat. Hoewel tijdens de parlementaire behandeling steeds is gesproken over culturele diensten, is in de tekst van de post het culturele karakter c.q. het culturele niveau van een voorstelling niet opgenomen als voorwaarde voor toepassing van het verlaagde tarief. In onderdeel 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn komt de zinsnede 'en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen' voor. Die zinsnede slaat onder meer terug op voorzieningen als amusementsparken en kermissen, en kennelijk is gedacht aan culturele evenementen in de (meest) brede zin van het woord waaronder evenementen op het gebied van ontspanning en vermaak. In het algemeen geldt dat de wetgever een ruime definitie voorstaat met betrekking tot het begrip dienstverlening op de gebieden cultuur, sport, vermaak, recreatie en ontspanning en verstrooiing, hetgeen ook blijkt uit de wetsgeschiedenis bij de posten 3, 10, 11, 15 en 17 van de bij de Wet behorende Tabel I, onderdeel b.

2.5.4. Bij de in geding zijnde peepshows is sprake van een toneel, waarop door een of meer personen een voorstelling wordt gegeven die door een aantal personen tegen betaling kan worden bijgewoond. Het verlenen van toegang tot deze shows is daarvan uitgaande naar het oordeel van het Hof naar zijn aard het verlenen van toegang tot een toneelvoorstelling. Daaraan doet het (erotische) karakter van de voorstelling niet af, evenmin als de omstandigheid dat sprake is van een doorlopende voorstelling waarbij de uitvoerende personen elkaar afwisselen, en dat de tijd die men naar de voorstelling kan kijken afhankelijk is van de betaalde vergoeding. Ook doet daaraan naar het oordeel van het Hof niet af dat de bezoekers van de shows op een meer afgezonderde wijze de voorstelling volgen dan gebruikelijk is voor het bijwonen van toneelvoorstellingen. Het eventueel ontbreken van een vocaal aspect aan de voorstelling ontneemt die voorstelling evenmin het karakter van een toneeluitvoering. In dit verband merkt het Hof volledigheidshalve nog op dat blijkens de tekst van de post pantomimes uitdrukkelijk tot de toneelvoorstellingen worden gerekend.

2.5.5. Uit het onder 2.5.3 en 2.5.4 overwogene volgt dat het rangschikken van het verlenen van toegang tot peepshows als de onderhavige onder post b.14 van tabel I bij de Wet in overeenstemming is met de tekst van de post, de geschiedenis van de totstandkoming daarvan en de tekst van de corresponderende bepaling in de Zesde richtlijn. Het Hof is van oordeel dat voor de door de inspecteur voorgestane restrictieve uitleg van de tabelpost, geen redelijke grond is.

2.5.6. De inspecteur heeft rangschikking van het verlenen van toegang tot peepshows onder de post afgewezen omdat geen sprake is van een culturele dienst. Blijkens het vorenoverwogene is die stelling ongegrond.

2.5.7. Uit het hiervoor overwogene onder 2.5.2. tot en met 2.5.7. volgt dat de in geding zijnde dienstverlening kan worden gerangschikt onder post b.14, onderdeel d, van Tabel I bij de Wet. De dienstverlening is derhalve op grond van artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet onderworpen aan het verlaagde tarief.(5)

2.5Het Hof heeft het beroep bij uitspraak van 22 januari 2007 gegrond verklaard voor wat betreft de bezwaren tegen de voldoening op aangifte en tegen de naheffingsaanslagen over de tijdvakken juni 2002 tot en met mei 2003(6). Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank, behoudens voorzover die betrekking heeft op het tijdvak juni 2003, vernietigd, de uitspraken op bezwaar en de naheffingsaanslagen over de tijdvakken juni 2002 tot en met mei 2003 vernietigd en voorts een teruggaaf verleend over het tijdvak juni 2002.

Cassatie

2.6 De staatssecretaris van Financiën (hierna: de Staatssecretaris) heeft op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Het cassatieberoep houdt één cassatiemiddel in, ertoe strekkende dat het Hof het recht heeft geschonden, in het bijzonder artikel 9, tweede lid, onderdeel a, van de Wet juncto onderdeel b, post 14, letter d, van tabel I, in samenhang met categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn, doordat het Hof heeft geoordeeld dat het tegen betaling toegang verlenen tot peepshows kan worden gerangschikt onder de voormelde tabelpost en derhalve is onderworpen aan het verlaagde tarief, zulks ten onrechte. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof miskend dat het begrip toneelvoorstelling refereert aan de vertolking door acteurs van een rol naar tekst en enscenering van een toneelschrijver, dat weliswaar het begrip niet te restrictief moet worden uitgelegd doch de verruiming niet verder gaat dan de in onderdeel b, post 14, letter d, genoemde voorstellingen, dat deze voorstellingen als gemeenschappelijk kenmerk hebben dat sprake is van een culturele prestatie vergelijkbaar met een muziek- en/of toneeluitvoering en dat hiervan bij een peepshow geen sprake is. Verwezen wordt naar de wetsgeschiedenis en naar adviesnota's in het algemeen van de Raad voor Cultuur en de Raad voor de Kunst. Tevens stelt de Staatssecretaris dat geen sprake is van een soortgelijk cultureel evenement als bedoeld in categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn.

2.7 Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en daarin het voorgaande, mede onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis, weersproken en gesteld dat toneelvoorstellingen met naakte acteurs of een erotisch karakter heden ten dage algemeen geaccepteerd zijn als onderdeel van onze cultuur, dat het niveau van een culturele prestatie niet van belang is voor de toepassing van het verlaagde tarief en dat de toepassing van dat tarief op peepshows conform de in bijlage H gehanteerde begrippen is.

3. Reacties in de literatuur en de Tweede Kamer op de onderhavige zaak

3.1 De onderhavige zaak heeft tot opschudding en berichtgeving in de landelijke dagbladen(7) geleid. Zo heeft het lid van de Tweede Kamer Van der Vlies over de zaak vragen gesteld aan de Staatssecretaris. Hij vroeg onder meer:

Deelt u de mening dat peepshows zodanig van karakter zijn dat zij behoren te vallen onder de categorie toneelvoorstellingen? Deelt u de mening dat bij de totstandkoming van de wet is beoogd dergelijke shows eronder te laten vallen? (....)

Welke maatregelen denkt u te gaan nemen om alsnog het hoge BTW-tarief te laten gelden voor deze en vergelijkbare voorstellingen om daarmee terug te keren tot de gevestigde praktijk dat ze onder het hoge BTW-tarief vallen? (8)

3.2 De Staatssecretaris antwoordde:

(...) Tegen het oordeel van het Hof pleit naar mijn mening dat de bij de uitvoering van een toneelstuk betrokken acteurs hun rol vertolken naar tekst en enscenering van een toneelschrijver. (...) Voorts gaat het Hof er naar mijn mening ten onrechte vanuit dat de tekst van de tabelpost en de tekst van de daarmee corresponderende richtlijnbepaling, de ruimte bieden om het verlenen van toegang tot een peepshow als een culturele prestatie aan te merken. (...)

In afwachting van het oordeel van de Hoge Raad op het beroep in cassatie zal het beleid in dezen, dat wil zeggen de toepassing van het algemene BTW-tarief ten aanzien van peepshows of andere dergelijke erotische shows, niet veranderen. Het kan zijn dat het arrest van de Hoge Raad en een eventueel oordeel van het Europese Hof van Justitie over de strekking van het gemeenschapsrecht terzake tot een nadere bezinning over de reikwijdte van de tabelpost leidt. Ik wil daarop thans echter niet vooruitlopen.

3.3 De redactie van de Vakstudie Nieuws verwijst in haar aantekening bij de brief van de Staatssecretaris naar de wetsgeschiedenis en meent dat het verlenen van toegang tot peepshows in het verlaagde tarief kan delen:

Hoe komt het nu dat het hof een andere richting is ingeslagen? Dat komt zo te zien voornamelijk doordat het hof zijn beslissing ook heeft gegrond op de parlementaire geschiedenis van de totstandkoming van post b 14 Tabel I en daaruit een volstrekt andere conclusie heeft getrokken dan de rechtbank. Uit in het bijzonder de wetsgeschiedenis leidt het hof af dat de begrippen 'muziekuitvoeringen' en 'toneeluitvoeringen' ruim moeten worden opgevat en dat het culturele karakter of het culturele niveau van een voorstelling niet geldt als voorwaarde voor toepassing van het verlaagde tarief. (...)

Het mag zijn dat de staatssecretaris argumenten heeft aangedragen die op zichzelf toereikend zijn om peepshows buiten het verlaagde tarief te houden. Niettemin lijkt het er al met al op dat de exploitant van de peepshows voor een terecht beroep op het verlaagde tarief de wetsgeschiedenis aan zijn kant heeft. Uit de wetsgeschiedenis komt het beeld naar voren van een door de wetgever uitdrukkelijk beoogde ruime gebruikmaking van de met onderdeel 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn gegeven bevoegdheid. Het valt wat dat betreft op, dat de staatssecretaris in de beantwoording van de kamervragen met geen woord rept over de wetsgeschiedenis. Dat is te meer opvallend, nu met de derde kamervraag is bedoeld te vernemen of bij de totstandkoming van de tabelpost is beoogd ook peepshows onder het verlaagde tarief te brengen.

Het is niet geheel uitgesloten dat het instellen van beroep in cassatie tegen de hofuitspraak ook een gelegenheidsbesluit is. In die zin dat de staatssecretaris een beslissing van de Hoge Raad nodig vindt om aan de hand daarvan nieuw beleid uit te stippelen. De staatssecretaris spreekt zelf van een nadere bezinning over de reikwijdte van de tabelpost. Het woord is nu aan de Hoge Raad. (9)

3.4 Ook Nieuwenhuizen in zijn aantekening bij de uitspraak in het NTFR meent dat het Hof een juiste uitspraak heeft gedaan. Hij stelt dat het erotische karakter van peepshows geen reden is om het verlaagde tarief uit te sluiten:

De ophef van de CDA-fractie(10) in de Tweede Kamer over deze uitspraak begrijp ik helemaal niet. (...) Klaarblijkelijk houdt het CDA de jurisprudentie niet goed in de gaten, want het arrest van de Hoge Raad van 7 november 2003, nr. 38.792, NTFR 2004/57 had voor het CDA meer in zich om zich druk over te maken. Het ging daar om de, eveneens in dit soort gelegenheden aanwezige, 'videocabines', waarin veelal slechts één persoon naar een film kan kijken. In navolging van Hof 's-Gravenhage (12 juli 2002, nr. 01/3209) oordeelde de Hoge Raad dat ook zo'n éénpersoonsvoorstelling als bioscoopvoorstelling kan worden beschouwd. Een wetgever die dit niet wenselijk had geacht kon rustig ingrijpen en had het lage btw-tarief voor bioscoopvoorstellingen kunnen koppelen aan het aantal personen dat in de zaal kan plaatsnemen.

Dat de peepshow nu tot zo veel ophef leidt, begrijp ik dan ook niet. Bij de videocabine bleef de politiek stil zitten, terwijl ingrijpen eenvoudig mogelijk was. Terwijl nu, bij de peepshow, waarbij een 'reparatie' veel moeilijker zal worden, er wel commotie ontstaat. Wat had het CDA dan in gedachten? In de wet opnemen dat het geen 'erotisch karakter' mag hebben? Zoiets zal het aantal procedures enorm doen toenemen; de chaos is dan pas echt compleet. (...) Cassatie zal naar mijn mening weinig succesvol zijn. Hof Amsterdam geeft een voortreffelijke analyse van de problematiek.(11)

4. Beschouwing over tabel I, onderdeel b, post 14, letter d

4.1 Ingevolge artikel 9, tweede lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet bedraagt de belasting 6% voor de leveringen en diensten genoemd in tabel I bij de Wet. In tabel I is in onderdeel b opgenomen post 14, die luidt:

14. het verlenen van toegang tot:

a. circussen;

b. dierentuinen;

c. openbare musea of verzamelingen, daaronder begrepen nauw daarmee samenhangende leveringen van goederen, zoals catalogi, foto's en fotokopieën;

d. muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets, alsmede lezingen;

e. bioscopen;

f. sportwedstrijden, sportdemonstraties en dergelijke;

g. attractieparken, speel- en siertuinen, en andere dergelijke primair en permanent voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorzieningen;

De toepassing van het verlaagde tarief is gegrond op bijlage H bij de Zesde richtlijn, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis van de invoering van de tariefpost:

In het onderhavige wetsvoorstel stel ik voor het verlaagde btw-tarief toe te passen op culturele prestaties waarvoor dat op grond van bijlage H bij de richtlijn - de zogenoemde btw-tarieflijst - mogelijk is, maar waarvoor dat in Nederland nog niet het geval is. Het gaat daarbij om het verlenen van toegang tot openbare musea (voorzover niet vrijgesteld), tot muziek- en toneeluitvoeringen en tot bioscopen. (12)

Bijlage H luidt (voorzover van belang):

Bijlage H

Lijst van de leveringen van goederen en de diensten waarop verlaagde BTW-tarieven mogen worden toegepast

(...)

CategorieOmschrijving

7. Het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen. Ontvangst van radio- en televisie-uitzendingen.

4.2 Bij de inwerkingtreding van de Wet per 1 januari 1969 was een post c opgenomen in tabel I. Op grond van die post gold gedurende de jaren 1969, 1970 en 1971 het verlaagde tarief voor "het verlenen van toegang tot muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen (opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals, cabarets en circussen daaronder begrepen)". Het verlaagde tarief werd toegepast in afwachting van de afschaffing van de vermakelijkheidsbelasting.(13) De periode waarover het verlaagde tarief kon worden toegepast is meerdere malen verlengd, totdat post c uiteindelijk per 1 januari 1980 is komen te vervallen.(14)

4.3 In 1995 werd voorgesteld om onderdeel b, post 14, letter d van tabel I (hierna: post b.14-d) in te voeren. Dat gebeurde in het wetsvoorstel tot Wijziging van de Wet op de vermogensbelasting 1964, de Wet op de omzetbelasting 1968, de Wet op belastingen van rechtsverkeer, de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de Invorderingswet 1990 (terugsluis opbrengst reparatiewetsvoorstel-btw). De bedoeling was om met post b.14-d culturele prestaties te stimuleren. Tevens bestond de wens om bepaalde instanties in de culturele sector te compenseren voor in het regeerakkoord vastgelegde bezuinigingen op subsidies. Erkend werd dat ook commerciële ondernemers in de culturele sector zouden delen in het verlaagde tarief, hoewel die van de vermindering van subsidies geen last hadden. Over de aanwending van het voordeel van deze tariefverlaging wilde de regering met hen afspraken maken. Bij de parlementaire behandeling is daarover opgemerkt:

Voorts is in het onderhavige voorstel een aantal maatregelen specifiek op het terrein van de omzetbelasting opgenomen. Zo wordt met betrekking tot de cultuur en sport voorgesteld de toegang tot alle voor de btw belaste vormen van cultuur (bijvoorbeeld musea, toneel, muziek en dans) alsmede de toegang tot sportwedstrijden van het algemene btw-tarief naar het verlaagde btw-tarief over te brengen. Daarmee wordt wat betreft de culturele prestaties tegemoetgekomen aan de wens van de betrokken sectoren en de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Deze maatregel moet tevens worden gezien in het licht van de inzet van het kabinet om de effecten van de in het regeerakkoord vastgelegde ombuigingen voor de gesubsidieerde culturele sector te compenseren.(15)

Reeds vele jaren wordt in Nederland van veel kanten gepleit voor de toepassing van het verlaagde btw-tarief op culturele prestaties. In dit verband denk ik niet alleen aan de onderscheiden sectoren zelf, maar ook de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft zich ter zake meer dan eens positief uitgesproken, en onlangs heeft de Raad voor de kunst nog een pleidooi gehouden voor bedoelde btw-tariefmaatregel. (...) In deze nota's wordt onder meer ingegaan op de internationale aspecten van cultuurbeleid, de rol van culturele voorzieningen in de economische concurrentiestrijd tussen steden en regio's in Europa, het belang van het culturele aanbod voor de toeristenindustrie en de bijdrage die het Nederlandse cultuurbezit kan leveren aan de bevordering van de nationale en plaatselijke economie en de werkgelegenheid. Het is mede tegen vorenstaande achtergrond dat het kabinet voorstelt een deel van de budgettaire opbrengst van het reparatiewetsvoorstel-btw in te zetten om de eerdergenoemde culturele prestaties over te brengen naar het verlaagde btw-tarief.

(...)

Met het overbrengen van culturele prestaties naar het verlaagde tarief wordt tevens een eerste bijdrage geleverd aan de zogenoemde ombuigingsproblematiek voor de gesubsidieerde culturele sector. (...) De toepassing van het verlaagde btw-tarief betekent voor de door het Rijk gesubsidieerde podiumkunsten en de musea een lastenverlichting van circa f 6 mln respectievelijk f 1,5 mln. Toepassing van het verlaagde tarief heeft echter eveneens gevolgen voor de zogenoemde vrije producenten - de commerciële ondernemers - in de culturele sectoren, voor wie de vermindering van de subsidies geen consequenties heeft.

Gegeven de problematiek van de cultuurbegroting en het bij de laatste Algemene Politieke Beschouwingen aan het kabinet gerichte verzoek om te bezien of een verlaging van het btw-tarief voor culturele prestaties kan bijdragen aan een oplossing voor deze problematiek, wordt gepoogd een convenant tot stand te brengen met de commerciële ondernemers in de culturele sector. Het is de bedoeling dat dit convenant ertoe leidt dat de helft van het voordeel dat door de btw-tariefverlaging toekomt aan de niet gesubsidieerde instellingen in de culturele sector, wordt teruggesluisd ten behoeve van het gesubsidieerde deel van de culturele sector. (16)

[H]et Kabinet zal onderzoeken of het mogelijk is om, indien het btw-tarief op culturele prestaties wordt verlaagd, de opbrengst daarvan ten goede te laten komen aan dat onderdeel van de culturele sector waarop een bezuinigingstaakstelling rust. (...) Uit bovenbedoeld Kabinetsonderzoek is gebleken dat de mogelijkheden beperkt zijn om het voordeel dat in de culturele sector optreedt als gevolg van de verlaging van het btw-tarief voor culturele prestaties, aan te wenden voor dat deel van de culturele sector waarop de bezuinigingstaakstelling rust. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek is besloten dat de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen nader zal onderzoeken in hoeverre door middel van met de commerciële producenten in de sector podiumkunsten af te sluiten convenanten een bijdrage kan worden geleverd aan de ombuigingsproblematiek in de sector (...).(17)

De prioriteit die wordt toegekend aan een verlaging van het btw-tarief voor culturele prestaties wordt ingegeven door de wens om een actief cultuurbeleid te voeren. Deze wens wordt gevoed door de gedachte dat de culturele infrastructuur bijdraagt aan een open, hechte en flexibele samenleving en als zodanig een positieve invloed heeft op het sociale en economische klimaat. In verband daarmee is ook door het parlement diverse malen met klem aangedrongen op de onderhavige maatregel, waarbij tevens is gewezen op het feit dat in het merendeel van de EU-landen cultuur onder het verlaagde btw-tarief valt.(18)

4.4 Uit deze citaten kan worden opgemaakt dat het verlaagde tarief bedoeld is voor "culturele prestaties", voor "prestaties in de culturele sector", ook indien deze door commerciële ondernemers worden geleverd. De wetgever is van mening dat bijlage H van de Zesde richtlijn geen enkele culturele prestatie van het verlaagde tarief uitsluit, en hij wil post b.14-d dezelfde reikwijdte geven:

Op grond van de btw-tarieflijst kan het verlaagde tarief worden toegepast op onder meer het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, concerten, musea, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen. De bijlage sluit derhalve geen enkele culturele prestatie uit van de toepassing van het verlaagde btw-tarief. Mede in verband hiermee heb ik besloten evenmin restrictief te zijn, en voor te stellen in Nederland in dezen dezelfde reikwijdte te geven aan de toepassing van het verlaagde tarief. In verband hiermee is in de wettekst expliciet aangegeven dat onder muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen ook zijn begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets. (19)

Om geen enkele culturele prestatie uit te sluiten heeft de wetgever in de post expliciet aangegeven dat onder de begrippen muziek- en toneeluitvoeringen tevens moeten worden begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets.(20) Wat in dit verband precies onder 'culturele prestaties' moet worden verstaan, is echter niet duidelijk. Zeker is wel dat de genoemde uitvoeringen er onder vallen. Mij dunkt dat alle evenementen opgesomd in post b. 14-d een cultureel karakter hebben. Toevoeging van dat woord aan de post, om het karakter van de evenementen te omschrijven, zou overbodig zijn geweest.

4.5 Bij de behandeling van het wetsvoorstel is gevraagd naar de mogelijkheid het verlaagde tarief toe te passen op het verlenen van toegang tot attractieparken en dagrecreatieverblijven. De wetgever heeft het toepassen van het verlaagde tarief op die voorzieningen echter afgewezen:

Mijn antwoord hierop (...) is dat de situatie in de culturele sector waarvoor thans het verlaagde btw-tarief wordt voorgesteld, wezenlijk anders is dan in beide genoemde sectoren. Voor het gesubsidieerde deel van de culturele sector waarvoor thans de tariefverlaging wordt voorgesteld, is enerzijds een vermindering van de subsidies voorzien waarvoor de tariefverlaging rechtstreeks een gedeeltelijke compensatie kan zijn, terwijl anderzijds een terugsluis van een deel van de positieve gevolgen van de tariefverlaging mogelijk is van de niet gesubsidieerde culturele sector naar de gesubsidieerde sector. Beide aspecten spelen niet bij de attractieparken en de dagrecreatiebedrijven. Daarbij komt dat de regering een keuze heeft moeten maken bij de aanwending van de beschikbare financiële middelen. Genoemde aspecten hebben mede geleid tot een keuze voor de culturele sector als thans voorgesteld.(21)

Volgens de wetgever behoort derhalve het verlenen van toegang tot attractieparken en dagrecreatieverblijven niet tot de culturele prestaties waarop post b.14-d ziet.

4.6 Het was de bedoeling van de overheid om convenanten met commerciële producenten in de culturele sector te sluiten. In de Tweede Kamer werd bij amendement 9 voorgesteld om de inwerkingtreding van de BTW-verlaging ingevolge post b.14-d afhankelijk te stellen van de totstandkoming van deze afspraken. In de toelichting op dit amendement staat daarover:

Het amendement strekt ertoe de ingangsdatum van de BTW-verlaging voor de podiumkunsten afhankelijk te stellen van het moment waarop naar de mening van het kabinet de als wenselijk beoordeelde voorgenomen afspraken tussen de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen en de onderscheidene cultuursectoren (...) in voldoende mate is geëffectueerd. (22)

Uiteindelijk is het verlaagde tarief van post b.14-d in werking getreden op 1 september 1998, en wel ingevolge het Besluit van 24 augustus 1998 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de toepassing van het verlaagde BTW-tarief voor de sector podiumkunsten.(23) Het was de regering weliswaar niet gelukt om de voorziene convenanten te sluiten, maar zij wenste dat de tariefverlaging inging op 1 september 1998, omdat het voor de sector mogelijk was een tweetal kostenposten (samenhangend met de vergrijzing en de Arbeidstijdenwet) te compenseren met het financiële voordeel van de tariefverlaging.(24) Voorts berichtte de Staatssecretaris:

In mijn brief van 10 maart 1998 (nr. WV98/118M) (...) heb ik meegedeeld dat de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen met de betrokkenen overeenstemming heeft bereikt over de aanwending van het voordeel van de BTW-tariefverlaging voor podiumkunsten en dat ik zal bevorderen dat een koninklijk besluit tot stand komt, waarin wordt bepaald dat de BTW-tariefverlaging voor het verlenen van toegang tot podiumkunsten op 1 september 1998 in werking treedt. Het onderhavige besluit strekt hiertoe.(25)

4.7 Het is opvallend dat in de citaten, vermeld in onderdelen 4.3 en 4.6,(26) alsmede in de titel van het Besluit van 24 augustus 1998, meerdere malen wordt gerefereerd aan het begrip 'podiumkunsten' in plaats van aan 'culturele prestaties'. Later, bij de parlementaire behandeling van de invoering van post b.14, letter b, waardoor het verlaagde tarief alsnog van toepassing werd op het verlenen van toegang tot attractieparken, werd enkele malen verwezen naar de inwerkingtreding van post b.14-d en consequent gesproken over het tarief voor 'podiumkunsten':

De voorgestelde aanpassing [in het wetsvoorstel terugsluis opbrengst reparatiewetsvoorstel-btw] voorzag in een verlaging van het BTW-tarief van 17,5 procent tot 6 procent voor openbare musea of verzamelingen en enkele daarmee nauw samenhangende prestaties, voor bioscopen, voor sportwedstrijden en voor muziekuitvoeringen en toneeluitvoeringen, daaronder begrepen opera's, operettes, dansen, pantomimes, revues, musicals en cabarets. De tariefverlaging werd gerealiseerd voor de musea, de bioscopen en de sportsector; voor de laatste categorie -doorgaans aangeduid als podiumkunsten - werd de tariefverlaging op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer afhankelijk gesteld van het tot stand komen van een aantal convenanten (...).Aangezien het afsluiten van de convenanten niet mogelijk is gebleken, werd vooralsnog afgezien van de verlaging van het BTW-tarief voor de podiumkunsten.(27)

Voor podiumkunsten zal het verlaagde BTW-tarief met ingang van 1 september 1998 van toepassing zijn.(28)

De leden van de fractie van D66 geven aan dat zij vol verwachting uitzien naar het koninklijk besluit inzake het BTW-tarief voor podiumkunsten. (...)

Voor zover het betreft het voornemen om het tarief op de podiumkunsten te verlagen, constateren [de leden van de fractie van het CDA] dat de convenanten met de ondernemers in de sector niet tot stand zijn gekomen. (...) Hierbij merk ik op dat de indertijd per 1 januari 1996 voorgestelde tariefverlaging voor de sector podiumkunsten daadwerkelijk niet is doorgegaan omdat de door deze leden bedoelde convenanten niet tot stand kwamen. Zoals reeds in de memorie van toelichting (...) is vermeld, heeft het kabinet in het kader van de begrotingsbesprekingen voor 1998 echter opnieuw een besluit genomen over de toepassing van het verlaagde tarief op podiumkunsten.(29)

Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat het verlaagde tarief in post b.14-d (slechts) bedoeld is voor podiumkunsten.

4.8 Per 1 januari 2001 werden de woorden "alsmede lezingen" aan post b.14-d toegevoegd.(30) De wetgever benadrukte dat met die uitbreiding geen afwijking van categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn is beoogd:

Het verlaagde BTW-tarief voor het verlenen van toegang tot lezingen is gebaseerd op categorie 7 en met name op de formulering "het verlenen van toegang tot ... soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen". Dit is een vrij open formulering. Naar ik meen is de nadere concretisering daarvan via het begrip "lezingen" in overeenstemming met die omschrijving. Het begrip "cultuur" moet immers ruimer worden gezien dan alleen betrekking hebbend op theater of schouwburg. Cultuur ziet meer in het algemeen op de ontwikkeling en verfijning van het geestelijk en zedelijk leven en daarmee op de beschavingstoestand van een volk. Lezingen, zowel literaire als wetenschappelijke, dragen daartoe bij. (31)

De (nationale) wetgever geeft in dit citaat een definitie van het begrip cultuur in categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn: "cultuur ziet meer in het algemeen op de ontwikkeling en verfijning van het geestelijk en zedelijk leven en daarmee op de beschavingstoestand van een volk". Zijns inziens vallen lezingen binnen dit culturele kader, voor zover ze een literair of wetenschappelijk karakter hebben:

Zo ligt het verlenen van toegang tot (literaire) lezingen in lijn met c.q. past het binnen het culturele kader waarvoor de wet thans reeds het verlaagde BTW-tarief kent. Daarmee wordt gedoeld op het met ingang van 1 september 1998 geïntroduceerde verlaagde BTW-tarief voor het verlenen van toegang tot podiumkunsten. De opmerking in de memorie van toelichting bij die wetswijziging om met betrekking tot de desbetreffende bepaling in de Zesde BTW-richtlijn - post 7 van bijlage H bij die richtlijn - niet restrictief te zijn, wordt nu geconcretiseerd door het verlenen van toegang tot (literaire) lezingen expliciet in de wet op te nemen.(32)

Daarbij moet met name worden gedacht aan literaire of wetenschappelijke lezingen. Het bijwonen van een seminar valt niet onder onderdeel d. Weliswaar kan een lezing deel uitmaken van een seminar maar een seminar biedt meer en heeft eerder het karakter van een (intensieve) cursus, gericht op het bestuderen, bespreken en oplossen van praktische vraagstukken en problemen. De betaling daarvoor heeft dan ook niet het karakter van "het verlenen van toegang" zoals dat - evenals bij post 7 van bijlage H bij de Zesde BTW-richtlijn - wel het geval is bij de overige in post d genoemde culturele activiteiten zoals muziekuitvoeringen, opera's, cabarets en ook literaire of wetenschappelijke lezingen.(33)

De wetgever maakt derhalve een onderscheid tussen literaire en wetenschappelijke lezingen en andersoortige lezingen zoals seminars. De eerst genoemde lezingen vallen volgens hem kennelijk onder de onder post b.14-d begrepen culturele prestaties, en de andere lezingen niet.(34)

4.9 Per 1 januari 2002 is aan onderdeel b van tabel I, post 17 toegevoegd. Op grond van deze post is het verlaagde tarief van toepassing op "het optreden door uitvoerende kunstenaars". De wetgever heeft willen aansluiten bij post b.14-d:

Wanneer [uitvoerende kunstenaars] ondernemer zijn voor de omzetbelasting verlenen zij hun diensten vaak aan andere ondernemers - bijvoorbeeld theaters - die de door die kunstenaars (tegen het algemene tarief) in rekening gebrachte BTW in aftrek kunnen brengen. Theaters dragen in die situatie vervolgens uiteindelijk BTW af tegen het verlaagde tarief dat geldt voor "het verlenen van toegang" tot podiumkunsten (ingevolge tabel I, onderdeel b, post 14d, van de Wet OB). De Commissie Cultuur en Belastingen (...) signaleert een probleem daar waar de uitvoerende kunstenaar/ondernemer zijn diensten verricht aan scholen, ziekenhuizen, culturele (jeugd)centra, buurthuizen, en dergelijke. Deze hebben namelijk, omdat zij vrijgestelde ondernemers zijn, geen recht op aftrek van de hen in rekening gebrachte BTW. Er ontstaat dan ongelijkheid - de optredens zijn naar verhouding duurder - ten opzichte van de situatie waarin een voorstelling tegen het verlaagde BTW-tarief wordt bijgewoond in een theater, waar het verlaagde BTW-tarief immers geldt voor "het verlenen van toegang". Met de nieuwe post 17 wordt uitvoering gegeven aan de aanbeveling van de Commissie op het punt van deze ongelijkheid door voor het optreden door uitvoerende kunstenaars ook het verlaagde BTW-tarief van toepassing te verklaren. Bij uitvoerende kunstenaars moet, zoals hiervoor reeds impliciet is aangegeven, worden gedacht aan die podiumkunstenaars waarvoor bij "het verlenen van toegang" tot hun optreden thans reeds sprake is van toepassing van het verlaagde BTW-tarief ingevolge vorengenoemde post 14d.(35)

Indien een in post b.17 bedoelde uitvoerende kunstenaar zijn diensten verleent aan een niet-vrijgestelde ondernemer, is die laatste ondernemer terzake van het verlenen van toegang tot het optreden ingevolge post b.14-d BTW belasting naar het verlaagde tarief verschuldigd. Dit roept de vraag op of ook post b.14-d uitsluitend van toepassing is indien sprake is van het optreden van een uitvoerende kunstenaar. In onderdeel 6.5 wordt hierop ingegaan.

5. Categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn

5.1 Volgens categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn kan het verlaagde tarief worden toegepast op "het verlenen van toegang tot shows, schouwburgen, circussen, kermissen, amusementsparken, concerten, musea, dierentuinen, bioscopen, tentoonstellingen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen".(36) De wetgever heeft van de geboden mogelijkheid gebruik gemaakt. De in categorie 7 genoemde evenementen en voorzieningen heeft hij in de volgende posten van tabel I behorend bij de Wet opgenomen:

- shows, schouwburgen en concerten: post b.14-d;

- circussen: post b.14-a;

- kermissen: post b.15;

- amusementsparken: post b.14-g;

- musea en tentoonstellingen: post b.14-c;

- dierentuinen: post b.14-b, en

- bioscopen: post b.14-e.

5.2 De geschiedenis van de invoering van artikel 12 van de Zesde richtlijn en van bijlage H biedt geen houvast bij beantwoording van de vraag wat precies in categorie 7 met 'shows, schouwburgen en concerten' of 'soortgelijke culturele evenementen' wordt bedoeld.(37) De tekst van categorie 7 leert dat ook circussen, kermissen, amusementsparken en dierentuinen onder de noemer "culturele evenementen en voorzieningen" vallen, althans voor de Europese wetgeving. Overigens, er zijn tussen de Nederlandse en de andere taalversies enkele verschillen te zien voor wat betreft de begrippen shows en schouwburgen. Zo worden shows in het Frans omschreven als 'spectacles' (volgens Van Dale Frans-Nederlands: (toneel-) voorstelling); in het Spaans en Portugees en het Italiaans wordt gesproken over het vergelijkbare 'espectáculos' respectievelijk 'spettacoli'; in het Duits tenslotte wordt gesproken over 'Veranstaltungen' (volgens Van Dale Duits-Nederlands: manifestatie). Schouwburgen worden in het Engels als 'theatres' omschreven en in het Frans als 'théâtres'; in het Spaans en Portugees wordt gesproken over 'teatros' en in het Italiaans over 'teatri'; in het Duits tenslotte staat er 'Theater'. Deze verschillen in taalversies bieden echter ook geen verduidelijking, anders dan dat met de term 'schouwburg' tevens bedoeld is 'theater'.

5.3 Voor de uitleg van de in categorie 7 gehanteerde begrippen is de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: HvJEG) van belang. Het HvJEG heeft een arrest gewezen over de uitleg van categorie 5 van bijlage H (dat vervoer van personen en de bagage die zij bij zich hebben, betreft).(38) Het heeft aangegeven dat de mogelijkheid van het verlaagde tarief strikt moet worden toegepast, omdat het een uitzondering op de hoofdregel vormt.(39) Het HvJEG heeft voorts geoordeeld dat de in categorie 5 genoemde begrippen volgens hun "gebruikelijke betekenis" moeten worden uitgelegd. Een en ander geldt mijns inziens ook voor de in categorie 7 genoemde begrippen (en daarmee ook voor de in post b.14-d gehanteerde begrippen).

5.4 Naast de met name in categorie 7 genoemde evenementen en voorzieningen kunnen 'soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen' aan het verlaagde tarief worden onderworpen. Hier manifesteert zich het beginsel van de fiscale neutraliteit. Het beginsel verzet zich er tegen dat soortgelijke goederen of diensten, die met elkaar concurreren, uit het oogpunt van de BTW ongelijk worden behandeld, zodat die goederen of diensten aan een uniform tarief moeten worden onderworpen.(40) Categorie 7 betreft derhalve shows en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen, schouwburgen en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen, concerten en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen et cetera. Een zelfde uitleg past bij de in post b.14-d gehanteerde begrippen; dus ziet de post niet alleen op muziek- en toneeluitvoeringen, maar ook op evenementen en voorzieningen die daaraan soortgelijk zijn. Naar mijn indruk is met de term 'soortgelijk' met name op het culturele karakter van de evenementen en voorzieningen gedoeld.

6. Beleid en jurisprudentie inzake post b.14-d

6.1 De Staatssecretaris heeft meerdere besluiten genomen inzake post b.14-d. De meeste zien op het verlenen van toegang tot discotheken en danceparties. In zijn Besluit van 16 september 1998 heeft hij geschreven dat de vergoeding voor het verlenen van toegang tot een discotheek of buitenterrein waarbij het optreden van de artiest(en) slechts een klein deel van de tijd in beslag neemt en geen afzonderlijke toegangsprijs in rekening wordt gebracht, niet onder de post valt.(41) Ook schrijft hij dat diskjockeys (hierna: d.j.'s) niet aan te merken zijn als professioneel uitvoerende artiesten, zodat bij danceparties het verlaagde tarief niet van toepassing is. In zijn Besluit van 12 april 1999 heeft hij zijn standpunt betreffende de danceparties genuanceerd.(42) Indien aan bepaalde criteria wordt voldaan, is de d.j. volgens hem toch een professioneel uitvoerende artiest, zodat bij een danceparty post b.14-d van toepassing is. Verder vermeldt dat besluit dat muziekfestivals kunnen worden aangemerkt als een muziekuitvoering, zodat het verlaagde tarief toepassing vindt. In zijn Besluit van 8 november 1999 heeft de Staatssecretaris (voor zover hier van belang) de twee voornoemde besluiten samengevoegd.(43)

6.2 Er bestaat nog geen jurisprudentie van de Hoge Raad over post b.14-d. Wel heeft de Hoge Raad een arrest gewezen betreffende de term bioscoop van post b.14, letter e. Het Gerechtshof 's-Gravenhage had geoordeeld dat cabines en cinema's waar seksfilms worden vertoond als bioscopen konden worden aangemerkt. De Hoge Raad liet dit oordeel in stand, onder verwijzing naar de Zesde richtlijn en het spraakgebruik:

3.3. Middel I strekt ten betoge dat het Hof door niet uit te gaan van het spraakgebruik voor de invulling van het begrip bioscoop blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij doet het middel een beroep op de wetsgeschiedenis. Het middel faalt. Aan de Nederlandse wetsgeschiedenis komt geen bijzondere betekenis toe, nu - overigens ook blijkens die wetsgeschiedenis - het begrip `bioscoop' moet worden uitgelegd in overeenstemming met hetgeen de Zesde richtlijn verstaat onder bioscoop. Redelijkerwijs is niet voor twijfel vatbaar dat aan de cinema's en cabines van belanghebbende niet op grond van het aantal zitplaatsen, de aard van de vertoonde films of de techniek van de filmvertoning het karakter van bioscoop kan worden ontzegd. Zulke kenmerken raken immers niet het wezen van wat een inrichting naar algemeen spraakgebruik het karakter geeft van een bioscoop.(44)

6.3 Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft op 11 september 2003 uitspraak gedaan over de vraag of het verlenen van toegang tot een theatercafé onder post b.14-d valt. In dit café vonden op vrijdag- en zaterdagavonden optredens plaats van live-artiesten. Na 01.00 uur tot sluitingstijd werd de muziek verzorgd door een professionele d.j., die in loondienst was van belanghebbende. Voor de toegang tot het café was één vergoeding verschuldigd. Het merendeel van de toegangskaarten (60%) werd verkocht vóór 01.00 uur. Als er geen live-artiesten optraden, behoefde ook geen entreegeld te worden betaald. Het Gerechtshof oordeelde dat het verlaagde tarief van toepassing was op de entreegelden, omdat sprake was van het toegang verlenen tot een muziekuitvoering (post b.14-d). Tevens overwoog het Gerechtshof dat de prestatie van de d.j. als een culturele prestatie als bedoeld in de post kan worden aangemerkt:

Bij de vorming van dat oordeel heeft het Hof in aanmerking genomen dat, naar belanghebbende heeft gesteld en door het Hof aannemelijk wordt geacht, veel van de optredende live-artiesten aan het begin van hun professionele carrière staan en mede om die reden een speciaal publiek aantrekken en de prestatie van de d.j. onder het begrip culturele prestatie kan worden gerangschikt, die blijkens de wetsgeschiedenis niet van de toepassing van het verlaagde tarief mag worden uitgesloten.(45)

6.4 Het Gerechtshof 's-Gravenhage heeft op 5 november 2004 uitspraak gedaan over de vraag of het verlenen van toegang tot een uitgaansgelegenheid met meerdere zalen, waar gerenommeerde d.j.'s housemuziek draaiden, onder post b.14-d valt. Onderwijl werden visuele, voor de avond gemaakte en bij de muziek aansluitende liveprojecties van gerenommeerde videojockeys getoond. Tevens zorgden diverse podiumkunstenaars als pantomimespelers, toneelspelers, beeldend kunstenaars, muzikanten en andere artiesten voor doorlopende voorstellingen. Het Gerechtshof oordeelde dat het verlaagde tarief van toepassing was. Het overwoog:

7.1. Het Hof stelt voorop dat de wetgever een vrij ruime toepassing van het verlaagde tarief voorstaat waar het gaat om dienstverlening op de gebieden van cultuur, sport, vermaak, recreatie, ontspanning en verstrooiing, zo ook wat betreft de in post b14, onderdeel d, van Tabel I genoemde prestaties. Uit de wetsgeschiedenis van bedoeld onderdeel d is naar 's Hofs oordeel redelijkerwijs af te leiden dat het verlaagde tarief niet alleen van toepassing is op het verlenen van toegang tot de daarin met name genoemde muziek- en toneeluitvoeringen, maar in elk geval ook op het verlenen van toegang tot evenementen die naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden aangemerkt als een show of een soortgelijk cultureel evenement.

7.2. De vaststaande feiten, in samenhang bezien met al hetgeen overigens omtrent (het karakter van) de uitgaansgelegenheid uit de gedingstukken naar voren komt, laten er naar 's Hofs oordeel in redelijkheid geen twijfel over bestaan, (...), dat in elk van de zalen van de uitgaansgelegenheid ononderbroken een drietal opvoeringen van ongeveer twee uur per opvoering plaatsheeft, die naar hun aard hebben te gelden als een muziekuitvoering of een (muziek-)show.

(...)

Uit die feiten en omstandigheden kan naar 's Hofs oordeel in redelijkheid geen andere conclusie worden getrokken, (...) dan dat de muziekuitvoering of de (muziek-)show, mede gezien de veelheid en gevarieerdheid van de diverse (culturele) onderdelen ervan en gezien de in voorkomend geval zich voordoende betrokkenheid van de bezoekers zelf bij de uit- of opvoering, telkens zo prominent aanwezig is, dat niet anders kan worden gezegd dan dat de bezoekers niet alleen zijn gekomen om zich te vermaken, maar ook, en vooral, om zich met de muziekuitvoeringen of de (muziek-)shows te laten vermaken en dat de bezoekers dan ook in volstrekt overwegende mate voor dat doel de entreeprijs betalen.(46)

6.5 De redactie van de Vakstudie Nieuws is van oordeel dat het karakter van de uitvoerende personen niet doorslaggevend mag zijn voor de vraag of het verlaagde tarief van toepassing is. Als voorbeeld noemt ze de livemuziek in een restaurant. Dan is er geen sprake is van een muziekuitvoering als bedoeld in post b.14-d, ook al treedt een uitvoerend artiest op:

Het komt ons voor dat voor de toepassing van het verlaagde tarief voor het toegang verlenen tot muziekuitvoeringen e.d. niet voldoende is om alleen het karakter van de optredende personen te bezien. Met het optreden van een uitvoerend kunstenaar is immers nog geen muziekuitvoering verkregen. Denk in dit kader aan live-muziek in een restaurant en een diner-dansant. Met de uitspraak van het Hof 's Gravenhage van 5 november 2004 (...) worden voor ons de eerste contouren zichtbaar van die andere lijn. (...)

Met die overwegingen wordt al duidelijk dat het erom gaat, vast te stellen wat de bezoekers er toe brengt, de desbetreffende gelegenheid te bezoeken. (...)

Het vorenstaande betekent dat voor toepassing van het verlaagde tarief telkens twee vragen moeten worden beantwoord, namelijk:

1. is er sprake van een optreden van (een) uitvoerende kunstenaar(s) en

2. is er sprake van het bezoeken van een muziekuitvoering e.d.(47)

Ik volg de opvatting van de redactie dat een uitvoering van muziek zo ondergeschikt kan zijn aan vermaak dat geen culturele prestatie wordt geleverd in de zin van post b.14-d. Op een ander punt volg ik de redactie niet. Zowel de Staatssecretaris (zie onderdeel 6.1) als de redactie van de Vakstudie Nieuws veronderstellen voor de toepassing van post b.14-d blijkbaar het optreden van een uitvoerend kunstenaar. De vraag rijst of die veronderstelling juist is. Is het voor de toepassing van die post noodzakelijk dat sprake is van een uitvoerend kunstenaar of artiest die professioneel optreedt? Of is de post is ook van toepassing bij bijvoorbeeld het tegen betaling toegang verlenen tot een muziekuitvoering door amateurs (die derhalve niet professioneel optreden)? Mijns inziens is dit laatste het geval: de soort van de prestatie is bepalend. Weliswaar is in de parlementaire geschiedenis van post b.17, waarin wordt gesproken over 'uitvoerende kunstenaars', een verband gelegd met post b.14-d (zie onderdeel 4.9), maar daaruit mag niet worden afgeleid dat voor de toepassing van post b.14-d een uitvoerend kunstenaar vereist is. Dat zou gebaseerd zijn op een a contrario interpretatie van het in onderdeel 4.9 vermelde citaat uit de latere wetsgeschiedenis. Na de uitbreiding per 1 januari 2001 van de post met 'lezingen' (onderdeel 4.8), zal post b.14-d in elk geval van toepassing zijn terzake van een optreden van bijvoorbeeld een wetenschapper. Het uitsluiten van toneel- en muziekvoorstellingen door amateurs zou een schending van het fiscale neutraliteitsbeginsel inhouden. De professie van de uitvoerende persoon kan licht werpen op de vraag of sprake is van een culturele prestatie in de zin van post b.14-d, maar is voor de beantwoording van die vraag niet doorslaggevend.

7. De begrippen cultuur en podiumkunsten; het woord cultureel

7.1 Aan het begrip cultuur worden verschillende betekenissen toegekend. Zo wordt het wel gedefinieerd als die activiteit van de mens waardoor de natuur wordt omgevormd tot een menselijke, bewoonbare wereld.(48) Een vergelijkbare definitie luidt dat cultuur iedere omvorming van de natuur door de mens is, inclusief diens eigen lichamelijke gedrag.(49) Onder cultuur in deze ruime benadering kunnen alle normen en waarden van een samenleving, de taal en kunstuitingen, de religie, politiek, economie en technologie, maar ook bijvoorbeeld de vrijetijdsbesteding worden begrepen. Ik noem dit het brede cultuurbegrip. In feite omvat het alle handelingen, producten en gedachten van de mens. Vanuit dit brede perspectief zal een peepshow uiteraard cultuur zijn. Sterker nog, elke prestatie die onder de omzetbelasting valt, zal vanuit dit perspectief als culturele prestatie moeten worden aangemerkt.

Er is ook een veel engere benadering van het cultuurbegrip mogelijk. Het gaat dan om de verschillende uitingen van kunst, muziek en literatuur.(50) Cultuur wordt dan wel gedefinieerd als het geheel van waarden, kunsten, wetenschappen en religie.(51) Ik noem dit het enge cultuurbegrip. Het is naar mijn mening moeilijk vol te houden dat een peepshow onderdeel is van dit enge cultuurbegrip.

7.2 Er zijn nog vele andere definities van het begrip cultuur denkbaar.(52) Deze definities liggen in het algemeen tussen het enge en het ruime cultuurbegrip. Van Dale voert een aantal betekenissen van het begrip cultuur op, waarvan in deze van belang zijn:

- beschaving, ontwikkeling, verfijning van het geestelijk en zedelijk leven respectievelijk het daarin bereikte peil.

- de toestand van de beschaving met betrekking tot een bepaald volk of een bepaalde tijd.

- het geheel van de manifestaties van kunst, ontspanning en vermaak

- het geheel van normen, waarden, omgangsvormen e.d. in een organisatie of groep.

7.3 Er kan een (normatief) onderscheid worden gemaakt tussen hoge en lage (ook wel: populaire of massa-) cultuur. Onder hoge cultuur wordt dan begrepen ballet, bepaalde vormen van theater en opera, en onder lage cultuur popmuziek en musicals. Dit onderscheid werd gemaakt in het kader van de beslissing of een cultuuruiting in aanmerking komt voor een subsidie, doch is vervaagd. De Raad voor Cultuur schreef in zijn 'Cultuurnota-advies' 2005-2008 van 19 april 2004:

Medialisering, diversiteit en globalisering gaan niet aan de cultuur voorbij. Culturele instellingen worden er door beïnvloed en veranderen mee. Talloze cross-overs doen de grenzen tussen de traditionele disciplines vervagen en high en low culture zijn geen strikt gescheiden werelden meer.

(...) Velen zijn geneigd bij 'cultuur' in eerste instantie te denken aan de kunsten, maar cultuur is, in de zin van de Wet op het Specifiek Cultuurbeleid, een breed begrip. Het terrein dat de Raad voor Cultuur in het kader van die wet bestrijkt varieert van kunsten tot media, van erfgoed tot bibliotheken. Iedereen heeft met cultuur te maken, of het nu voorstellingen zijn op een podium of elementen in de openbare ruimte.

(...)

De verschuivingen die we nu zien doen zich voor in de culturele diversiteit, het wegvallen van de verschillende tussen low en high culture en de ontwikkeling van de eCultuur.(53)

De Raad voor Cultuur gebruikt geen definitie van cultuur, doch omschrijft dat begrip: het varieert van kunsten tot media, van erfgoed tot bibliotheken. Het kunnen zowel voorstellingen op een podium als elementen in de openbare ruimte zijn. De passages in onderdeel 4.4, waarin ook wordt gerefereerd aan het pleidooi van de Raad voor Kunst (voorloper van de Raad voor Cultuur) voor het verlaagde tarief, hebben naar mijn indruk betrekking op hoge en lage cultuur.

7.4 Post b.14-d is in de parlementaire geschiedenis verbonden aan podiumkunsten (zie onderdeel 4.7). De term podiumkunst ziet volgens Van Dale op 'kunst die op een podium wordt uitgevoerd' en de term podiumkunsten op 'de artistieke disciplines die op een podium worden beoefend'. Er zijn muziek- en toneeluitvoeringen die niet op een podium worden uitgevoerd en die toch onder de rubriek culturele prestaties vallen. De term 'podiumkunsten' is derhalve beperkter dan hetgeen onder het cultuurbegrip in enge zin wordt begrepen. De vraag is hoeveel waarde aan het parlementaire gebruik van de term 'podiumkunst' moet worden gehecht. De wetgever heeft bedoeld eenzelfde reikwijdte aan post b.14-d te geven als categorie 7 van bijlage H heeft voor shows, schouwburgen, concerten en soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen. Een theatervoorstelling die niet op een podium plaatsvindt (zoals vormen van interactief theater of straattheater) zal net als een toneelvoorstelling op een podium onder categorie 7 moeten worden begrepen, omdat reeds het neutraliteitsbeginsel dit vereist. Het lijkt er daarom op dat post b.14-d mede voor podiumkunsten is bedoeld. Ik zou voor de post echter wél waarde willen hechten aan het begrip podiumkunst. Het begrip kunst is weliswaar niet duidelijk (er zijn wellicht nog meer definities mogelijk dan van het begrip cultuur), maar in het spraakgebruik kan men zich veelal wel een voorstelling maken van dit begrip.

7.5 In de Wet wordt het woord cultureel gehanteerd in artikel 11, eerste lid, onderdeel f (vrijstelling voor bepaalde aan te wijzen prestaties van culturele aard) en in artikel 6, tweede lid, onderdeel c, sub 1 (plaats van een dienst bestaande in culturele, artistieke, sportieve, wetenschappelijke, onderwijs-, vermakelijkheids- of soortgelijke activiteiten). De hoeveelheid jurisprudentie over de uitleg van het begrip cultureel in deze bepalingen is echter, net als bij post b.14-d, zeer beperkt. Enige gelijkenis met het onderhavige beroep heeft de zaak waarin werd geoordeeld over de plaats van dienst van de exploitatie van 06-lijnen door een in Liechtenstein gevestigde vennootschap. De lijnen boden de mogelijkheid tot het beluisteren van erotische verhalen of het deelnemen aan erotische gesprekken. Het Gerechtshof 's-Gravenhage had deze activiteiten als vermakelijkheidsactiviteiten in de zin van artikel 6, lid 2, onderdeel c, ten eerste, van de Wet bestempeld, en dat oordeel heeft de Hoge Raad in stand gelaten.(54) Maar: voor het antwoord op de vraag waar de plaats van dienst was gelegen maakte het niet uit of de diensten als culturele of vermakelijkheidsactiviteiten golden. Het woord cultureel wordt tevens gehanteerd in artikel 13, eerste lid, onderdeel n, van de Zesde richtlijn, dat een vrijstelling voor "bepaalde" culturele diensten van publiekrechtelijke of erkende culturele instellingen behelst. Het Gerechtshof Amsterdam heeft zich over het begrip uitgelaten. Het oordeelde dat de prestaties van een hamam (Turks badhuis) culturele diensten vormen, omdat het verschijnsel 'baden' "tot cultuur in ruime zin van het woord" behoort. De grieven in cassatie waren niet tegen dit onderdeel van het oordeel van het Hof gericht.(55)

8. Behandeling van het cassatiemiddel

8.1 Het cassatiemiddel is gericht tegen het oordeel van het Hof dat het verlenen van toegang tot een peepshow onder post b.14-d kan worden begrepen. Ter onderbouwing van het oordeel heeft het Hof in r.o. 2.5.3 overwogen dat uit de tekst van de post en de parlementaire geschiedenis volgt dat de begrippen muziek- en toneeluitvoeringen ruim moeten worden opgevat. Het heeft meer specifiek gerefereerd aan de in onderdeel 4.4 geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van post b.14-d. Ook heeft het gewezen op de zinsnede 'soortgelijke culturele evenementen en voorzieningen' in categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn, waaruit het heeft afgeleid dat met post b.14-d is gedacht aan culturele evenementen in de (meest) brede zin van het woord, daaronder begrepen evenementen op het gebied van ontspanning en vermaak. Volgens het Hof vormt "het culturele karakter c.q. het culturele niveau" geen voorwaarde voor de toepassing van het verlaagde tarief. In algemene zin zou de wetgever namelijk een ruime definitie van de dienstverlening op het gebied van onder meer cultuur hebben voorgestaan.

8.2 Voor zover het Hof stelt of veronderstelt dat niet van belang is of sprake is van een culturele prestatie, derhalve of de prestatie een cultureel karakter heeft, kan ik zijn stelling niet volgen. Weliswaar wordt deze voorwaarde niet in de tekst van de post vermeld, doch de in de post genoemde voorstellingen hebben allen een cultureel karakter. Voorts volgt de voorwaarde van een culturele prestatie uit de wetsgeschiedenis (zie onderdelen 4.3 en 4.4) en het feit dat de post is gegrond op categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn (zie onderdeel 4.1) welke bedoeld is voor culturele evenementen en voorzieningen (zie onderdeel 5.1).

8.3 Voor zover het Hof uitleg geeft aan de in onderdeel 4.4 geciteerde passage uit de Memorie van Toelichting bij het wetsvoorstel van post b.14-d, kan ik het Hof evenmin volgen. In de passage staat dat geen enkele culturele prestatie van de toepassing van het verlaagde tarief wordt uitgesloten. Het toegang verlenen tot bepaalde uitingen van cultuur in brede zin (zoals kermissen, circussen en bioscopen) is echter opgenomen in andere posten in tabel I dan post b.14-d (zie onderdeel 5.1). Het toegang verlenen tot die evenementen kan kennelijk naar de bedoeling van de wetgever niet onder post b.14-d worden begrepen. Blijkbaar zijn niet alle mogelijk culturele prestaties door de wetgever onder post b.14-d gebracht. Bovendien, en dit is mede van belang voor de verwijzing door het Hof naar categorie 7 van bijlage H bij de Zesde richtlijn, categorie 7 ziet op een zeer groot aantal culturele evenementen en voorzieningen. In die zin moet het begrip 'cultureel' in categorie 7 ruim worden uitgelegd. De wetgever heeft echter met post b.14-d niet bedoeld invulling te geven aan categorie 7 in zijn geheel. Niet alle evenementen en voorzieningen van die categorie worden immers begrepen onder post b.14-d, de post ziet alleen op shows, concerten, schouwburgen en soortgelijke culturele evenementen. Daarmee is post b.14-d op een beperkter aantal culturele prestaties van toepassing dan categorie 7. Het begrip cultureel dat voor de bepaling van de onder post b.14-d vallende prestaties wordt gehanteerd, is derhalve enger dan het in categorie 7 gehanteerde begrip. Ook uit de parlementaire geschiedenis van de uitbreiding van post b.14-d per 1 januari 2001 (zie onderdeel 4.8) blijkt dat de wetgever in elk geval toen geen ruim cultuurbegrip hanteerde.

8.4 Mijns inziens dient de passage uit de Memorie van Toelichting, geciteerd in onderdeel 4.4, in het licht van het in onderdeel 7.3 omschreven onderscheid tussen hoge en lage cultuur te worden gelezen. Kennelijk meent de wetgever dat dit onderscheid in het kader van de toepassing van post b.14-d niet relevant is. Dit wordt bevestigd door het opnemen van de voorbeelden 'revues' en 'musicals' in de post, welke voorstellingen van oudsher niet als hoge cultuur worden aangemerkt. Dit wordt tevens bevestigd door de parlementaire geschiedenis, waaruit blijkt dat ook diensten van niet-gesubsidieerde, commerciële ondernemingen, die veelal geen 'hoge' cultuur voortbrengen, onder de post vallen (onderdeel 4.3). De overweging van het Hof in r.o. 2.5.3 dat het culturele niveau van een voorstelling geen voorwaarde voor de toepassing van post b.14-d is, is vanuit dat oogpunt dan ook juist.

8.5 Uit het voorgaande leid ik niet af dat post b.14-d ziet op culturele prestaties in de zin van het brede cultuurbegrip (zie onderdeel 7.1). Voor de vraag wanneer sprake is van een culturele prestatie waarop post b.14-d van toepassing is, moet naar mijn mening een beperktere invulling worden gegeven van het begrip cultuur. Deze invulling zal moeten geschieden aan de hand van het spraakgebruik (Van Dale of verkeersopvattingen), alsmede in het licht van de in categorie 7 genoemde begrippen shows, schouwburgen en concerten en soortgelijke culturele evenementen en de in de parlementaire geschiedenis van de post gebruikte term podiumkunst (zie onderdeel 4.7). Ook is van belang de door de Raad voor Cultuur gebruikte woorden (zie onderdeel 7.3) en de door de (latere) wetgever gehanteerde definitie van het begrip cultuur (zie onderdeel 4.8).

8.6 Mijns inziens is, gelet op de in onderdeel 8.5 genoemde begrippen en definities, sprake van een culturele prestatie in het geval van een uiting van kunst, muziek, toneel, literatuur en/of wetenschap. Daarbij mag geen onderscheid worden gemaakt tussen hoge en lage cultuur. De uiting zal een livevoorstelling moeten inhouden, dit ter onderscheiding van bijvoorbeeld een verlenen van toegang tot een discotheek, museum of bijvoorbeeld een huishoudbeurs. De uiting mag uiteraard een vermakelijkheidsaspect hebben, maar het culturele aspect (in vorenbedoelde betekenis) moet in ieder geval in belangrijke mate aanwezig zijn (zie onderdeel 6.5). Niet beslissend is of de uitvoerend persoon van beroep kunstenaar is.

8.7 In r.o. 2.5.4 beargumenteert het Hof waarom de peepshow een toneelvoorstelling is. Er is een toneel, een voorstelling en betalend publiek, en dat is bij elkaar voldoende voor een toneeluitvoering, zo begrijp ik het Hof. Of de voorstelling ook een cultureel karakter heeft in de zin van post b. 14-d, is echter een vraag die het Hof, gelet op het voorgaande, ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten. Ik ben het overigens met het Hof eens dat het erotische karakter en de omstandigheden dat sprake is van een doorlopende voorstelling, de toegang afhankelijk is van de betaalde prijs, de bezoekers afgezonderd ernaar kijken en er een vocaal aspect ontbreekt, op zich geen reden zijn om de peepshow niet als een toneelvoorstelling aan te merken.

8.8 Mijns inziens zijn de feiten voldoende duidelijk vastgesteld door de eerste en tweede rechter en kan in cassatie worden beoordeeld of de peepshow een muziek- of toneelvoorstelling is als bedoeld in post b.14-d. Duidelijk is dat de show geen uiting van muziek, toneel, literatuur of wetenschap is. Ook kan mijns inziens een peepshow, hoe kunstig of gekunsteld ook, niet als een kunstuiting in de gebruikelijke betekenis van het woord 'kunst' worden aangemerkt. Er is ook geen enkele kunstzinnige aspiratie. Bij een peepshow is het vermaak van de bezoeker het enige doel en is geen enkel cultureel aspect in de zin van post b.14-d te onderscheiden. De peepshow is dan ook een produkt van de seksindustrie, aan welke sector de overheid geen subsidies toekent, en komt niet in concurrentie met produkties die gesubsidieerd plegen te worden. Derhalve is geen sprake van een culturele prestatie. Het is niet aan de rechter om dit begrip dusdanig op te rekken dat het daaronder wel zou vallen. Daarom kan een peepshow niet als een voorstelling als bedoeld in post b.14-d worden aangemerkt en kan het verlenen van toegang daartoe niet in het verlaagde tarief delen. Dit leidt tot de conclusie dat het oordeel van het Hof onjuist is. Het gelijk is aan de Staatssecretaris.

8.9 De vraag rijst of de Hoge Raad de zaak kan afdoen of moet verwijzen. Partijen zijn ter zitting van het Hof overeengekomen dat, indien het gelijk aan de Inspecteur is, 20 % van de omzetten behaald over juni 2002 tot en met januari 2003 en 33 1/3 % van de omzetten behaald over februari tot en met mei 2003 onder het verlaagde tarief moeten worden begrepen. In zoverre is te veel op aangifte afgedragen en zijn de naheffingsaanslagen op te hoge bedragen vastgesteld. De afdracht op aangifte en de naheffingsaanslagen over de bedoelde tijdvakken dienen alsnog te worden verminderd. Uit de stukken kan echter niet exact worden vastgesteld hoeveel de verminderingen belopen. Er moet daarom verwijzing volgen.

9. Conclusie

Mijn conclusie strekt tot gegrondverklaring van het beroep van de Staatssecretaris en tot verwijzing van de zaak.

De Procureur- Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

Advocaat- Generaal

1 Belastingdienst P.

2 Het grootste deel van belanghebbendes omzet wordt behaald met het toegang verlenen tot videocabines, terzake waarvan, zoals niet in geschil is, het verlaagde tarief van Tabel I, post b.14-e toepassing is.

3 Rechtbank Haarlem, 27 maart 2006, Awb 05/2271, LJN AV8558.

4 Noot CvB: het in 2.5.2 aangehaalde deel van de parlementaire behandeling betreft Kamerstukken II 1995/96, 24428, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz.9 en staat in deze conclusie vermeld in onderdeel 4.4.

5 Gerechtshof Amsterdam, 22 januari 2007, 06/00175, gepubliceerd zonder aantekening in V-N 2007/15.1.2 en met noot van Nieuwenhuizen in NTFR 2007/310.

6 In het dictum van de uitspraak staat niet dat het Hof het hoger beroep gegrond verklaart, doch dat dit bedoeld is, is af te leiden uit zijn overwegingen.

7 Bijvoorbeeld het bericht van het ANP van 10 maart, "Hoge Raad buigt zich over peepshow" en de artikelen in het NRC Handelsblad van 14 februari 2007 (kunstpagina), "Acteurs peepshow weinig geïnspireerd" van W. Takken, van 3 maart 2007, "Seksshows op theater-festival", van W. Takken en van 24 maart 2007, "Fiscus ziet in kunst vooral geld" van A. Grotenhuis.

8 Kamervragen gesteld door de leden der Kamer, met de daarop door de regering gegeven antwoorden, Kamerstukken II, 2006/2007, nr. 972, Aanhangsel blz. 2071-2072. Tevens gepubliceerd in V-N 2007/15.14.

9 V-N 2007/15.14.

10 Noot CvB: de annotator bedoelt vermoedelijk de SGP-fractie, want daarvan is Van der Vlies lid. Staatssecretaris De Jager is lid van het CDA.

11 NTFR 2007/310.

12 Kamerstukken II, 1995/96, 24428, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 8.

13 Dit blijkt uit de toelichting op een tweetal amendementen: Kamerstukken II, 1967/68, 9324, nr. 33 en nr. 85. De vermakelijkheidsbelasting werd geheven terzake van 'toneelvertoningen en andere vermakelijkheden'. De belasting is per 1 januari 1970 in de Gemeentewet vervangen door een vermakelijkhedenrecht, doch gemeenten behielden de bevoegdheid om de belasting tot 1 januari 1979 te heffen.

14 Verlenging van de termijn waarbinnen het verlaagde tarief van toepassing was, heeft onder meer plaatsgevonden ingevolge wetgeving te vinden in Stb. 1971, 729 en Stb. 1977, 696.

15 Kamerstukken II, 1995/96, 24428, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 4-5.

16 Kamerstukken II, 1995/96, 24428, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 8-9.

17 Kamerstukken II, 1995/96, 24428, Nader Verslag (nr. 5), blz. 8.

18 Kamerstukken II, 1995/96, 24428, Nader Verslag (nr. 5), blz. 11.

19 Kamerstukken II, 1995/96, 24428, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 9.

20 De wetgever heeft derhalve dezelfde voorbeelden als die in het vervallen letter c van tabel I genoemd. Daaruit kan echter niet de conclusie worden getrokken dat bedoeld is daarbij aan te sluiten. Er is immers bedoeld om bij de Zesde richtlijn aan te sluiten.

21 Kamerstukken II, 1995/96, 24428, Nader Verslag (nr. 5), blz. 8.

22 Toelichting op Amendement van het lid Giskes c.s., Kamerstukken II, 1995/96, 24428 (nr. 9).

23 Stb. 1998, 520.

24 Wetsvoorstel tot Wijziging van enkele belastingwetten c.a. 1998 (fiscale structuurversterking), Kamerstukken II, 1997/98, 25688, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 11.

25 Nota van Toelichting op het Besluit van 24 augustus 1998 tot vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de toepassing van het verlaagde BTW-tarief voor de sector podiumkunsten, Stb. 1998, 520.

26 Bedoeld zijn de citaten in onderdelen 4.3 en 4.6 uit Kamerstukken II, 1995/96, 24428, Nader Verslag (nr. 5), blz. 8 en Amendement van Giskes c.s. (nr. 9). De term wordt ook gebruikt in het citaat in onderdeel 4.9, afkomstig uit Kamerstukken II, 2001/2002, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 30-31.

27 Kamerstukken II, 1997/98, 25688, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 11.

28 Kamerstukken II, 1997/98, 25688, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 25.

29 Kamerstukken II, 1997/98, 25688, Nader Verslag (nr. 6), blz. 13 en 14.

30 Wijziging van belastingwetten c.a. (Belastingplan 2001), Stb 2000, 569.

31 Kamerstukken II, 2000/01, 27431, Advies en Nader rapport (A), blz. 12.

32 Kamerstukken II, 2000/01, 27431, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 30.

33 Kamerstukken II, 2000/01, 27431, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 57.

34 Volgens S.J.C. Hemels, Door de muze omhelsd; Een onderzoek naar de inzet van belastingsubsidies voor kunst en cultuur in Nederland, Nijmegen, 2005, blz. 289, kunnen lezingen niet onder categorie 7 worden begrepen, zodat de Staatssecretaris (bedoeld is kennelijk: in zijn positie van medewetgever) een te ruime uitleg geeft aan die categorie.

35 Kamerstukken II, 2001/2002, Memorie van Toelichting (nr. 3), blz. 30-31.

36 Zie het citaat van deze categorie in onderdeel 4.1.

37 In de Toelichting (Explanatory Memorandum) op het voorstel van artikel 12 van de Zesde richtlijn en op de diverse amendementen op dat artikel van de Europese Commissie en het Europese Parlement, noch in het 'Working Document' van het Europese Parlement betreffende het artikel is ingegaan op deze begrippen.

38 HvJEG 18 januari 2001, C-83/99 (Commissie/Spanje), Jur EG 2001, blz. I-00445.

39 R.o. 18 en 19. Ook zo HvJEG 8 mei 2003, C-384/01 (Commissie/Frankrijk), Jur EG 2003, blz. I-04395, r.o. 28.

40 HvJEG 23 oktober 2003, C-109/02 (Commissie/Duitsland), Jur EG 2004, blz. I-12691, r.o. 19 en 20.

41 Besluit van 16 september 1998, VB98/1791, V-N 1998/57.16.

42 Besluit van 12 april 1999, VB99/750, V-N 1999/20.19. Zie verder over d.j.'s het Besluit van 30 november 2000, CPP2000/2872, V-N 2001/2.22

43 Besluit van 8 november 1999, VB1999/2198, V-N 1999/58.20, paragraaf 5.

44 Hoge Raad 7 november 2003, 38792, BNB 2004/34. Ook in het arrest van 11 april 2003, 38086, BNB 2003/265 inzake post b. 14, letter c, ging de Hoge Raad te rade bij de Zesde richtlijn en het spraakgebruik.

45 Gerechtshof 's-Gravenhage, 11 september 2003, 02/1390, V-N 2005/37.22, r.o. 6.1.

46 Gerechtshof 's-Gravenhage, 5 november 2004, 03/0671, V-N 2005/20.19, r.o. 7.1.

47 Aantekening bij de uitspraak van 11 september 2003 van Gerechtshof 's-Gravenhage, 02/1390, V-N 2005/37.22.

48 J.M.M. de Valk, "Mens en cultuur", in Cultuurfilosofie (Katholieke, reformatische, humanistische, islamitische en joodse reflecties over onze cultuur), 2002 Open Universiteit Nederland, blz. 19.

49 Ancarta Winkler Prins Encyclopedie, onder "cultuur".

50 De Valk, t.a.p., blz. 22.

51 Ancarta Winkler Prins Encyclopedie, onder "cultuur".

52 In de fiscale literatuur is niet of nauwelijks ingegaan op het cultuurbegrip. Zie echter: S.J.C. Hemels, Door de muze omhelsd; Een onderzoek naar de inzet van belastingsubsidies voor kunst en cultuur in Nederland, Nijmegen 2005, blz. 19.

53 Raad voor Cultuur, Cultuurnota-advies '05-'08, 19 april 2004, Deel I, "Spiegel van de Cultuur". Te raadplegen op www.cultuur.nl.

54 Hoge Raad 21 september 1994, 29792, BNB 1995/2.

55 Hoge Raad 17 februari 1999, 33988, BNB 2000/206.