Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB9663

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
21-12-2007
Zaaknummer
07/11753
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB9663
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Faillissementsrecht. Conclusie A-G: geen vaststelling in rechte van bestaan vorderingsrecht schuldeiser, maar of bestaan vorderingsrecht summierlijk is gebleken (art. 6 lid 3 F.); verzoek tot faillietverklaring geen criminal charge (art. 6 EVRM) (81 RO)

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 6
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 889
RvdW 2008, 64
JWB 2008/22
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 07/11753

Mr L. Strikwerda

Zt. 30 nov. 2007

conclusie inzake

[Verzoeker]

tegen

Mr J.M. van Remundt q.q.

Edelhoogachtbaar College,

1. Thans verzoeker tot cassatie, hierna: [verzoeker], is op verzoek van thans verweerster in cassatie, hierna: mr Van Remundt q.q., door de rechtbank 's-Gravenhage bij vonnis van 20 juli 2007 in staat van faillissement verklaard, met benoeming van mr. E. Rabbie tot rechter-commissaris en mr. B.F. van Noort tot curator.

2. [Verzoeker] is van het vonnis van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Gravenhage, doch tevergeefs: bij arrest van 18 september 2007 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd. Het hof was, met de rechtbank, van oordeel dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen (r.o. 11).

3. [Verzoeker] is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen. Mr Van Remundt q.q. heeft bij brief van 30 oktober 2007 de Hoge Raad bericht dat zij geen verweer zal voeren en zich refereert aan het oordeel van de Hoge Raad.

4. De mondelinge behandeling van het verzoekschrift tot cassatie heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van de Hoge Raad op 16 november 2007.

5. Het cassatieberoep berust op zeven middelen.

6. Het eerste, tweede, derde en zevende middel kunnen niet tot cassatie leiden. Zij richten zich niet tegen overwegingen of beslissingen in het bestreden arrest van het hof, maar (kennelijk) tegen overwegingen en beslissingen in het in eerste aanleg door de rechtbank gewezen vonnis.

7. Het vierde middel is eveneens tevergeefs voorgesteld. Het middel richt zich niet tegen een overweging of beslissing van het hof, maar beklaagt zich over tekortkomingen die de Nederlandse wettelijke regeling met betrekking tot de faillissementsprocedure in het algemeen zouden aankleven.

8. Het vijfde middel is, als ik het goed zie, gericht tegen het oordeel van het hof dat summierlijk is gebleken van het bestaan van feiten en omstandigheden welke aantonen dat [verzoeker] in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen. Het middel strekt kennelijk ten betoge dat het hof niet tot dit oordeel had mogen komen, zolang niet in rechte is vastgesteld dat het door mr Van Remundt q.q. in het inleidend verzoekschrift gestelde vorderingsrecht op [verzoeker] bestaat.

9. Het middel faalt. Art. 6 lid 3 Fw stelt niet als vereiste dat het bestaan van het vorderingsrecht van de schuldeiser die het verzoek tot faillietverklaring doet in rechte is vastgesteld, doch stelt slechts als vereiste dat van het bestaan van het vorderingsrecht summierlijk is gebleken. Het hof heeft, door in r.o. 10 van zijn arrest te onderzoeken of het vorderingsrecht van mr Van Remundt q.q. summierlijk is komen vast te staan, derhalve de juiste maatstaf toegepast.

10. Het zesde middel stelt dat het hof had behoren te onderzoeken "in hoeverre er sprake is van een 'criminal charge' en van een dubbele vervolging".

11. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft in r.o. 3.7 van zijn arrest aandacht geschonken aan de vraag of de door de Belastingdienst opgelegde boetes (aan de door [verzoeker] bestuurde besloten vennootschap Uitzendbureau Europe 2100 BV) beschouwd moeten worden als een 'criminal charge' in de zin van art. 6 EVRM. Voor zover het middel wil betogen dat het hof had behoren te onderzoeken of en in hoeverre het verzoek tot faillietverklaring als een 'criminal charge' is te beschouwen, faalt het reeds wegens gebrek aan belang. Een verzoek tot faillietverklaring kan niet worden aangemerkt als een 'criminal charge' in de zin van art. 6 EVRM, reeds omdat een verzoek tot faillietverklaring niet kan worden aangemerkt als "the official notification given to an individual by the competent authority of an allegation that he has committed a criminal offence". Zie Pieter van Dijk e.a. (red.), Theory and Practice of the European Convention on Human Rights, 4th ed. 2006, p. 540 en de aldaar vermelde rechtspraak van het EHRM.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,