Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB9133

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-12-2007
Datum publicatie
21-12-2007
Zaaknummer
C06/217HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB9133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Procesrecht. Vordering in kort geding tegen Staat tot afgifte van in het kader van een strafvorderlijk onderzoek in beslag genomen bescheiden en computerbestanden of kopieën daarvan, met het oog op te voeren arbitrageprocedure; weigering afgifte door College van procureurs-generaal; art. 39f Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg); door de feitenrechter gemaakte, niet-onbegrijpelijke belangenafweging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 31
JOL 2007, 898
RvdW 2008, 57
NJB 2008, 224
JWB 2008/13
Verrijkte uitspraak

Conclusie

C06/217HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 2 november 2007

Conclusie inzake:

International Card Services B.V.

tegen

Staat der Nederlanden

In dit kort geding gaat het om de vraag of de Staat, c.q. het openbaar ministerie, gehouden is afschriften van bescheiden en bestanden, behorende tot een in strafvorderlijk beslag genomen bedrijfsadministratie, aan eiseres te verstrekken.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten(1):

1.1.1. Eiseres tot cassatie, ICS, sluit in Nederland zogenaamde acceptatie-overeenkomsten met ondernemingen, welke ertoe strekken dat die ondernemingen met het oog op de betaling van transacties de creditcards van VISA accepteren. ICS heeft op 6 augustus 1996 zulk een acceptatieovereenkomst gesloten met Heros Global Marketing. Sindsdien heeft ICS op basis van deze overeenkomst een groot aantal creditcardtransacties met Heros en haar rechtsopvolgster, Ocean International Marketing B.V. (hierna kortweg: Ocean) verwerkt.

1.1.2. Ocean, gevestigd te Rotterdam, heeft zich toegelegd op de verkoop van verhandelbare contracten voor de levering op termijn van wijn, onder meer in de Verenigde Staten van Amerika. Voor de betaling konden kopers onder meer gebruik maken van een creditcard van VISA.

1.1.3. Nadat tegen Ocean aangiften van strafbare feiten waren gedaan, is in het kader van het strafvorderlijk onderzoek daarnaar de administratie van Ocean in beslag genomen.

1.1.4. Een in de Verenigde Staten wonende koper van dergelijke contracten, die deze met gebruikmaking van zijn VISA-creditcard had betaald, heeft van de Citibank, die aan hem die creditcard had uitgegeven, terugstorting van die betaling verlangd op de grond dat Ocean jegens hem niet had voldaan aan haar verplichting tot levering van de wijn.

1.1.5. De Citibank heeft vervolgens ICS aangesproken tot betaling van het aan deze koper teruggestorte bedrag. ICS meende niet tot betaling verplicht te zijn. Ingevolge de bij de VISA-cardorganisatie geldende regels is het geschil tussen Citibank en ICS onderworpen aan arbitrage. Ten behoeve van die arbitrageprocedure wenste ICS te beschikken over het gedeelte van de administratie van Ocean dat betrekking heeft op de transacties tussen deze koper en Ocean.

1.1.6. Ocean heeft feitelijk opgehouden te bestaan.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 19 november 2004 heeft ICS zowel Ocean als de Staat in kort geding gedagvaard voor de voorzieningenrechter in de rechtbank te Rotterdam. ICS eiste dat Ocean zal worden veroordeeld tot afgifte binnen 24 uur van bescheiden en computerbestanden, genoemd in de bijlage bij de dagvaarding, althans van kopieën daarvan. ICS eiste daarnaast veroordeling van de Staat om de afgifte te gehengen en te gedogen en daaraan zijn medewerking te verlenen door hetzij kopieën van de genoemde bescheiden en bestanden aan ICS ter hand te stellen, hetzij ICS in de gelegenheid te stellen kopieën van deze bescheiden en bestanden te (doen) maken.

1.3. De voorzieningenrechter heeft tegen Ocean verstek verleend. Bij vonnis van 25 november 2004(2) heeft de voorzieningenrechter Ocean veroordeeld om de opgevraagde bescheiden en bestanden aan ICS ter hand te stellen vanaf het moment dat zij daarover weer beschikt.

1.4. De Staat heeft verweer gevoerd en gesteld dat de strafvorderlijke inbeslagneming in ieder geval in de weg staat aan een afgifte van de originele bescheiden en bestanden. Voor zover een belanghebbende het daarmee niet eens is, kan deze zich op grond van art. 552a Sv beklagen over (het voortduren van) de inbeslagneming. Afgifte door het openbaar ministerie van kopieën van gedeelten van de inbeslaggenomen bedrijfsadministratie kan uitsluitend plaatsvinden indien en voor zover voor die afgifte een wettelijke basis bestaat. Het openbaar ministerie heeft het verzoek van ICS om afgifte van kopieën getoetst aan het bepaalde in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en aan de Aanwijzing van het College van Procureurs-Generaal met betrekking tot die wet. Deze toetsing heeft het college van procureurs-generaal gebracht tot zijn besluit dat de gevraagde kopieën niet aan ICS worden verstrekt. De Staat heeft in dit verband erop gewezen dat de Wjsg bepaalt in welke gevallen afgifte mag plaatsvinden. Zo ja, dan brengt dit nog niet mee dat het openbaar ministerie tot afgifte van de kopieën verplicht is: het openbaar ministerie maakt een belangenafweging.

1.5. Met betrekking tot de vordering tegen de Staat, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de vordering tot afgifte van de originele bescheiden en bestanden niet kan worden toegewezen, nu daarop een strafvorderlijk beslag rust. De subsidiaire vordering tot afgifte van kopieën van bescheiden en bestanden achtte de voorzieningenrechter op grond van art. 843a Rv wel toewijsbaar. De voorzieningenrechter overwoog dat in dit geval geen sprake is van strafvorderlijke gegevens in de zin van art. 1 Wjsg, omdat ter zitting aannemelijk is geworden dat de opgevraagde gegevens geen deel uitmaken van het dossier in de strafzaak. Van enig strafvorderlijk belang dat zich verzet tegen het verstrekken van deze kopieën is volgens de voorzieningenrechter niet gebleken. Evenmin is aannemelijk dat privacybelangen van derden in het geding zijn: de belangen van Ocean spelen hier geen rol omdat Ocean jegens ICS gehouden is tot afgifte. De voorzieningenrechter heeft de Staat veroordeeld te gehengen en te gedogen dat schriftelijke kopieën van de bedoelde schriftelijke en digitale documenten aan ICS worden afgegeven en hiertoe onmiddellijk na de betekening van het vonnis alle medewerking te verlenen door hetzij kopieën aan ICS ter hand te stellen, hetzij ICS in staat te stellen kopieën hiervan te (doen) maken. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

1.6. De Staat heeft hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Gravenhage. Bij arrest van 4 mei 2006(3) heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter, voor zover tussen ICS en de Staat gewezen, vernietigd en, opnieuw rechtdoende, de vordering van ICS afgewezen. Het hof was van oordeel dat de Staat niet op grond van art. 843a Rv kan worden verplicht om gegevens te verstrekken die hij ingevolge het bepaalde in de Wjsg niet mag verstrekken. Anders dan de eerste rechter, was het hof van oordeel dat hier sprake is van `strafvorderlijke gegevens' in de zin van art. 1 Wjsg (rov. 4). Naar het oordeel van het hof heeft het college van procureurs-generaal in redelijkheid kunnen komen tot zijn beslissing om de gevraagde kopieën niet aan ICS te verstrekken (rov. 6).

1.7. Namens ICS is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld(4). De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunt schriftelijk laten toelichten(5).

2. Inleidende beschouwingen

2.1. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp)(6) geeft regels voor de verwerking van persoonsgegevens. De Wbp is niet van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens ten behoeve van de uitvoering van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (zie art. 2 lid 2 Wbp). Voor zover het gaat om andere gegevens dan die waarop de Wjsg van toepassing is, wordt de verstrekking van persoonsgegevens door het openbaar ministerie beheerst door de Wbp. Overigens wordt de verstrekking van informatie beheerst door de in art. 13 juncto art. 144 RO neergelegde geheimhoudingsplicht van de leden van het openbaar ministerie.

2.2. De Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens omschrijft in art. 1 onder b `strafvorderlijke gegevens' als: "gegevens over een natuurlijk persoon of rechtspersoon die zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en die het openbaar ministerie in een strafdossier of langs geautomatiseerde weg verwerkt". De begrippen 'verantwoordelijke', 'verwerking' en `verstrekken' van gegevens hebben in de Wjsg dezelfde betekenis als in de Wet bescherming persoonsgegevens. In titel 2A Wjsg is de verwerking van strafvorderlijke gegevens geregeld. De Wjsg kent een gesloten stelsel van verstrekkingen, d.w.z. dat strafvorderlijke gegevens niet mogen worden verstrekt zonder dat daarvoor een wettelijke basis aanwezig is (art. 52 Wjsg). Voor een goed begrip van de wetshistorie zij vermeld dat de verwerking van strafvorderlijke gegevens door het openbaar ministerie aanvankelijk was gebaseerd op de Wbp; het beleid van het openbaar ministerie was toen neergelegd in een op die wet georiënteerde Aanwijzing van het college van procureurs-generaal(7). Het lag destijds in de bedoeling, een nadere regeling te treffen in het Wetboek van Strafvordering. Toen dit laatste niet haalbaar bleek, is deze materie bij wet van 30 juni 2004, Stb. 315, ondergebracht in de Wet justitiële gegevens (wet van 7 november 2002, Stb. 552), die de vroegere Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag (Stb. 1955, 395) heeft vervangen. De naam van deze wet is daaraan aangepast.

2.3. Art. 39a Wjsg bepaalt dat het college van procureurs-generaal de `verantwoordelijke' is voor het verwerken van strafvorderlijke gegevens. Art. 39b Wjsg schrijft voor dat het college van procureurs-generaal strafvorderlijke gegevens slechts verwerkt indien dit noodzakelijk is voor een goede vervulling van de taak van het openbaar ministerie of het nakomen van een wettelijke verplichting. De verdere verwerking van de verkregen gegevens mag niet geschieden op een wijze die onverenigbaar is met deze doeleinden. Art. 9, tweede lid, Wbp is van overeenkomstige toepassing verklaard. Daarin staat dat de `verantwoordelijke' bij zijn beoordeling of een verwerking van persoonsgegevens onverenigbaar is met de doeleinden waarvoor ze zijn verkregen, in elk geval rekening houdt met:

a. de verwantschap tussen het doel van de beoogde verwerking en het doel waarvoor de gegevens zijn verkregen;

b. de aard van de betreffende gegevens;

c. de gevolgen van de beoogde verwerking voor de betrokkene;

d. de wijze waarop de gegevens zijn verkregen;

e. de mate waarin jegens de betrokkene wordt voorzien in passende waarborgen.

2.4. De verstrekking van strafvorderlijke gegevens aan anderen is geregeld in de artikelen 39e - 39h Wjsg. Art. 39e regelt de verstrekking aan officiële instanties. Voor de onderhavige zaak is art. 39f van belang. De eerste twee leden daarvan luiden, voor zover hier van belang:

"1. Voorzover dit noodzakelijk is met het oog op een zwaarwegend algemeen belang, kan het College van procureurs-generaal, onverminderd artikel 39e, aan personen of instanties voor de volgende doeleinden strafvorderlijke gegevens verstrekken:

a. het voorkomen en opsporen van strafbare feiten,

b. het handhaven van de orde en veiligheid,

c. het uitoefenen van toezicht op het naleven van regelgeving,

d. het nemen van een bestuursrechtelijke beslissing,

e. het beoordelen van de noodzaak tot het treffen van een rechtspositionele of tuchtrechtelijke maatregel, of

f. het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn.

2. Het College van procureurs-generaal kan slechts strafvorderlijke gegevens aan personen of instanties als bedoeld in het eerste lid verstrekken, voorzover die gegevens voor die personen of instanties:

a. noodzakelijk zijn met het oog op een zwaarwegend algemeen belang of de vaststelling, de uitoefening of de verdediging van een recht in rechte, en

b. in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot andere personen dan betrokkene redelijkerwijs wordt voorkomen."

Voor het begrip "zwaarwegend algemeen belang" heeft, blijkens de toelichting, de bepaling van art. 23, eerste lid onder e, Wbp model gestaan. Deze bepaling houdt weer verband met de uitzonderingen in het tweede lid van art. 8 EVRM. In verband met het zwaarwegend algemeen belang "bescherming van de rechten en vrijheden van anderen", kunnen strafvorderlijke gegevens voor derden van belang zijn voor doelen die los staan van de strafrechtspleging. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan private doeleinden zoals het voeren van procedures(8).

2.5. Het college van procureurs-generaal heeft zijn beleid ter zake van de verstrekking van strafvorderlijke gegevens neergelegd in de Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens(9). In paragraaf 2 van deze Aanwijzing wordt benadrukt dat de Wjsg geen verplichting kent om strafvorderlijke gegevens aan derden te verstrekken, doch slechts een bevoegdheid tot verstrekking schept. Dit betekent dat een verzoeker, zelfs een verzoeker die behoort tot één van de benoemde categorieën van ontvangers in de Aanwijzing (zie hoofdstuk IV, par. 4), aan deze Aanwijzing geen recht op informatie kan ontlenen. Er zal altijd een afweging door het openbaar ministerie dienen plaats te vinden(10). Met betrekking tot deze afweging maakt de Aanwijzing onderscheid tussen de algemene, aan art. 8 lid 2 EVRM ontleende maatstaf (hoofdstuk IV, par. 3, ad 4) en de bijzondere criteria naar gelang de ontvanger van de te verstrekken informatie. Voor de onderhavige zaak is van belang hoofdstuk IV, par. 4 onder f en par. 5 van de Aanwijzing. Met het oog op het verlenen van hulp aan slachtoffers en anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn, noemt de Aanwijzing een aantal standaardgevallen (categorieën van personen en instanties, aan wie in de regel verstrekking van de gegevens kan plaatsvinden door het desbetreffende parket). In andere (niet-standaard) gevallen moet een voorgenomen verstrekking van strafvorderlijke gegevens ter toetsing worden voorgelegd aan het college van procureurs-generaal via de landelijke helpdesk van het O.M.

2.6. De beslissing van het openbaar ministerie op het verzoek van ICS is niet te beschouwen als een `besluit' in de zin van de Algemene wet bestuursrecht(11). Bij de burgerlijke rechter staat ter toetsing of het openbaar ministerie, als Staatsorgaan voor wiens handelen of nalaten de Staat civielrechtelijk verantwoordelijk is, onrechtmatig jegens ICS handelt door de afgifte van de gevraagde gegevens (bescheiden en bestanden) te weigeren(12).

2.7. In dit geding is ook verwezen naar de regels voor de verstrekking van afschriften van stukken uit een strafdossier aan een benadeelde partij: zie art. 51d Sv. Die regels zijn hier niet van toepassing omdat niet is gesteld dat ICS zich in een strafzaak heeft gevoegd als benadeelde partij. Een voeging als benadeelde partij lag in dit geval ook niet voor de hand, omdat ICS in haar eigen stellingname weliswaar schade dreigde te lijden als gevolg van de aansprakelijkstelling door Citibank, maar niet rechtstreeks door een strafbaar feit schade heeft geleden in de zin van art. 51a Sv.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1. Het hof heeft, in cassatie onbestreden, beslist:

- dat de bescheiden en bestanden waarvan ICS kopieën heeft gevorderd zijn aan te merken als strafvorderlijke gegevens in de zin van art. 1 Wjsg, omdat zij door het openbaar ministerie zijn verkregen in het kader van een strafvorderlijk onderzoek en aannemelijk is dat zij in een strafdossier worden verwerkt;

- dat de Staat niet verplicht kan worden op grond van art. 843a Rv gegevens te verstrekken die hij ingevolge de Wjsg niet mag verstrekken (rov. 4).

- dat ICS als derde in de zin van art. 39f, eerste lid onder e, Wjsg ("anderen die bij een strafbaar feit betrokken zijn") indirect betrokken is bij de strafbare feiten waarvan Ocean wordt verdacht, doordat ICS contractueel wordt aangesproken voor de daardoor veroorzaakte schade;

- dat het doel, waarvoor ICS deze gegevens heeft opgevraagd, de verdediging van een recht in rechte is, als bedoeld in art. 39f, tweede lid onder a, Wjsg;

- dat het verstrekken van gegevens aan een private instelling die wordt aangesproken voor de schade die is veroorzaakt door de (vermeende) strafbare feiten, met het oog op het voeren van een civiele procedure, is te beschouwen als een `zwaarwegend algemeen belang' in de zin van art. 39f, eerste lid, Wjsg (rov. 5).

3.2. Deze - onbestreden - oordelen van het hof brengen mee dat het verweer van de Staat in de feitelijke instanties dat het openbaar ministerie op grond van de Wjsg niet gerechtigd was de gevraagde kopieën aan ICS te verstrekken, was verworpen. Daarmee was nog geen antwoord gegeven op de vraag of het openbaar ministerie, indien daartoe gerechtigd, verplicht was de gevraagde kopieën aan ICS te verstrekken. Het hof heeft de weigering getoetst aan de maatstaf of het openbaar ministerie in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat het belang van ICS bij het verstrekken van de gegevens niet opweegt tegen de daardoor veroorzaakte schending van de privacy (rov. 6). Die vraag heeft het hof bevestigend beantwoord. De vraag of art. 843a Rv voor het openbaar ministerie een verplichting meebrengt tot afgifte van de kopieën aan ICS indien en voor zover de Wjsg zich niet tegen afgifte verzet, is in dit cassatieberoep niet aan de orde gesteld.

3.3. Het cassatiemiddel is niet gericht tegen de gebezigde maatstaf, maar tegen de afweging die aan de hand van die maatstaf heeft plaatsgevonden. Het hof overwoog in rov. 6:

"Gelet hierop dient het hof te toetsen of de Staat (het College van procureurs-generaal, verder: het College) in redelijkheid tot de beslissing heeft kunnen komen de gegevens niet te verstrekken. Daarbij diende het College de mate van schending van de privacy die door de verstrekking van de gegevens optreedt, af te wegen tegen het belang van ICS bij het verkrijgen van de gegevens. Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft het College in redelijkheid kunnen oordelen dat het belang van het verstrekken van de gegevens niet opweegt tegen de daardoor veroorzaakte schending van de privacy. Het wijst er daarbij in het bijzonder op dat hier niet uitsluitend de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte in het geding is, maar met name het belang van de bescherming van de privacy van de in de Verenigde Staten woonachtige wederpartij van Ocean. (...)."

3.4. De onderdelen 1 tot en met 5 hebben betrekking op de belangenafweging, voor zover hierin het belang van Ocean is betrokken. De onderdelen 6 tot en met 9 hebben betrekking op de belangenafweging, voor zover hierin het belang van de Amerikaanse koper is betrokken.

3.5. In onderdeel 1 klaagt ICS dat het hof heeft miskend dat de voorzieningenrechter Ocean had veroordeeld om de gevraagde gegevens aan ICS ter beschikking te stellen en dat Ocean tegen die veroordeling geen rechtsmiddel heeft aangewend. Het middelonderdeel verbindt hieraan de gevolgtrekking dat - óók in de rechtsverhouding tussen ICS en de Staat - de belangen van Ocean bij bescherming van haar privacy in de afweging geen rol van betekenis mogen spelen. Onderdeel 2 klaagt dat, indien het hof wel in zijn beoordeling heeft betrokken dat Ocean onherroepelijk tot afgifte van de verzochte gegevens aan ICS was veroordeeld, onbegrijpelijk is op welke gronden 's hofs oordeel dan berust. Onderdeel 3 houdt in dat het hof bovendien heeft miskend dat ICS had aangevoerd dat Ocean contractueel jegens ICS gehouden was om de gevraagde gegevens aan ICS ter beschikking te stellen. Indien het hof deze contractuele verplichting van Ocean wel in zijn oordeel heeft betrokken, is volgens onderdeel 4 onbegrijpelijk op welke gronden het hof dan tot zijn oordeel is gekomen. Deze klachten lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

3.6. Voor zover ICS in de tekst van deze middelonderdelen en in haar schriftelijke toelichting veronderstelt dat het hof zelf de belangenafweging heeft gemaakt, missen de klachten feitelijke grondslag. Het hof heeft een marginale toetsing verricht. Het hof heeft immers getoetst of het college van procureurs-generaal in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen de gevraagde verstrekking van gegevens aan ICS te weigeren. Anders dan de schriftelijke toelichting namens ICS veronderstelt, heeft het hof niet beslist dat het openbaar ministerie zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verstrekking van (kopieën van) de gevraagde bescheiden en bestanden moet worden geweigerd. Dat zou een volle toetsing impliceren. Het hof heeft zich beperkt tot een beoordeling van de rechtmatigheid.

3.7. Naar de vaststelling van het hof, heeft het openbaar ministerie zich mede het privacybelang van de verdachte(n) aangetrokken(13). De eerste vier middelonderdelen strekken ten betoge dat het privacybelang van Ocean in de belangenafweging niet (langer) een rol mocht spelen: enerzijds omdat de voorzieningenrechter Ocean heeft veroordeeld tot afgifte van die strafvorderlijke gegevens, anderzijds omdat Ocean jegens ICS contractueel gehouden was tot afgifte van die gegevens. Bij deze klachten heeft ICS uitsluitend belang indien het privacybelang van anderen dan Ocean, in het bijzonder het privacybelang van de in de V.S. woonachtige wederpartij (zie rov. 6, slot), niet in de weg staat aan de verstrekking van de gegevens. Immers, wanneer privacybelangen van meerdere personen bij de afgifte van bepaalde gegevens zijn betrokken en niet een praktische oplossing is te vinden (bijvoorbeeld door het afdekken van een gedeelte van de informatie; zie art. 39f lid 2 onder b Wjsg), mag de rechter tot het oordeel komen dat de`verantwoordelijke' in redelijkheid heeft kunnen besluiten de gevraagde gegevens niet te verstrekken. Dit geldt mijns inziens ook indien één van de beschermde personen ingevolge een rechterlijk bevel of ingevolge contractuele verplichtingen tot afgifte van dezelfde gegevens gehouden is. Niet uit het oog mag worden verloren dat de gevraagde gegevens onder berusting van het openbaar ministerie zijn gekomen als gevolg van de toepassing van een dwangmiddel (strafvorderlijke inbeslagneming). De toepassing van dit dwangmiddel strekt niet ter bescherming van het belang van ICS om een rechterlijk bevel aan Ocean tot afgifte ten uitvoer te leggen, noch ter bescherming van het belang van ICS tot effectuering van haar contractuele aanspraken jegens Ocean.

3.8. Voor zover ICS belang heeft bij de eerste vier klachten en de Hoge Raad inhoudelijk op die klachten ingaat, valt over de afzonderlijke onderdelen het volgende op te merken. Onderdeel 1 noemt geen rechtsregel waarmee 's hofs oordeel in strijd zou zijn. In de klacht lees ik niet een beroep op het gezag van gewijsde van het oordeel van de voorzieningenrechter. Zou dat wel de bedoeling van ICS zijn, dan zou dit beroep niet opgaan. Gezag van gewijsde komt alleen toe aan beslissingen die de rechtsbetrekking in geschil betreffen en zijn vervat in een in kracht van gewijsde gegaan vonnis in een procedure tussen dezelfde partijen. In dit geval gaat het niet om dezelfde partijen. Bovendien wordt het gezag van gewijsde niet ambtshalve door de rechter toegepast, doch uitsluitend nadat daarop een beroep is gedaan (art. 236 Rv).

3.9. Voor zover de Hoge Raad toekomt aan onderdeel 2, maakt de stelling dat de voorzieningenrechter Ocean had veroordeeld tot afgifte van de desbetreffende gegevens aan ICS en dat door Ocean geen rechtsmiddel is aangewend tegen die beslissing, het niet zonder meer onredelijk dat het openbaar ministerie aan ICS de afgifte van diezelfde gegevens heeft geweigerd. Evenmin maakt dit dat de bestreden beslissing onbegrijpelijk is. Uit rov. 4 volgt dat niet alleen Ocean verdachte is, maar ook haar bestuurders en een van haar medewerksters. Waar het hof in rov. 6 spreekt over de persoonlijke levenssfeer van de verdachte, heeft het hof kennelijk mede het oog op hun privacybelang.

3.10. De onderdelen 3 en 4 behoeven om dezelfde reden niet tot cassatie te leiden. Het standpunt van ICS berust kennelijk op de gedachte dat, als Ocean eenmaal (contractueel) jegens ICS verplicht is tot het verstrekken van (kopieën van) deze bescheiden en bestanden, het niet meer uitmaakt of die bescheiden en bestanden onder Ocean berusten dan wel onder het openbaar ministerie: noch Ocean zelf, noch het openbaar ministerie kan in dat geval een weigering tot afgifte van deze gegeven baseren op het privacybelang van Ocean; door zich jegens ICS te verbinden tot het verstrekken van die gegevens heeft Ocean afstand gedaan van bescherming van haar privacy. Vanuit die gedachte zou het openbaar ministerie het privacybelang van Ocean nimmer als argument tegen ICS kunnen gebruiken. Deze gedachte staat haaks op het beleid van het openbaar ministerie, dat berust op het uitgangspunt dat het openbaar ministerie zich van verstrekking van gegevens onthoudt indien deze gegevens als gevolg van de toepassing van een - voor een ander doel bestemd - dwangmiddel ter beschikking van het openbaar ministerie zijn gekomen(14). Ingevolge art. 39b Wjsg in verbinding met art. 9 lid 2 Wbp behoorde het college van procureurs-generaal mede rekening te houden met de wijze waarop de gegevens zijn verkregen. De vraag of langs de weg van art. 843a Rv het college van procureurs-generaal kan worden verplicht tot afgifte in gevallen waarin de Wsjg de afgifte niet uitdrukkelijk verbiedt, is in dit cassatieberoep niet aan de orde gesteld.

3.11. Onderdeel 5 klaagt, samengevat, dat het hof heeft miskend dat de belangenafweging, welke moet worden verricht bij verstrekking van strafvorderlijke gegevens op grond van art. 39f Wjsg, uitsluitend ziet op de belangen van natuurlijke personen bij bescherming van hun persoonlijke levenssfeer. Aan ondernemingen, zoals Ocean, komt volgens het middelonderdeel geen beroep toe op die bescherming, althans behoort hun belang minder zwaar te wegen. Subsidiair is een hierop betrekking hebbende, maar niet uitgewerkte motiveringsklacht toegevoegd.

3.12. De rechtsklacht faalt. In art. 1 Wjsg is uitdrukkelijk sprake van "gegevens over een natuurlijk persoon of rechtspersoon". Blijkens de parlementaire geschiedenis van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens is het begrip `strafvorderlijke gegevens' en niet het begrip `persoonsgegevens' in deze wet centraal gesteld, juist om hiermee te bereiken dat ook strafvorderlijke gegevens over rechtspersonen onder het toepassingsbereik van de wet worden gebracht(15). De subsidiaire motiveringsklacht faalt omdat niet onbegrijpelijk is waarom het hof ook het privacybelang van de verdachte(n) in zijn afweging heeft betrokken: blijkens rov. 4 is de verdenking niet alleen gericht tegen de rechtspersoon Ocean, maar ook tegen haar bestuurders en een van haar medewerksters. Overigens blijkt uit rov. 6 dat het hof niet zozeer het privacybelang van de verdachte(n), als wel het privacybelang van de Amerikaanse koper van gewicht heeft geacht.

3.13. Onderdeel 6 klaagt dat het hof heeft miskend dat ICS, naar haar stelling, is gesubrogeerd in de rechten van Ocean ten opzichte van de Amerikaanse koper. Indien het hof deze subrogatie wel in zijn oordeel heeft betrokken, klaagt onderdeel 7 dat onbegrijpelijk is op welke gronden het bestreden oordeel dan berust.

3.14. ICS heeft in de feitelijke instanties naar voren gebracht dat zij ingevolge de tussen haar en Ocean gesloten acceptatieovereenkomst en de daarop toepasselijke algemene voorwaarden is gesubrogeerd in de contractuele rechten die Ocean jegens deze Amerikaanse koper kon doen gelden en daarom niet door het openbaar ministerie mag worden beschouwd als een willekeurige derde. Het hof heeft deze stelling niet relevant geacht en ter zijde gelaten. Dat impliciete oordeel geeft m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting: hetgeen tussen ICS en Ocean is overeengekomen is niet bindend voor het openbaar ministerie bij zijn beslissing over de afgifte van strafvorderlijke gegevens. Onderdeel 6 slaagt niet.

3.15. De voorwaardelijk voorgestelde motiveringsklacht van onderdeel 7 mist feitelijke grondslag, omdat het hof de stelling van ICS dat zij was gesubrogeerd in de rechten van Ocean jegens de Amerikaanse koper niet relevant heeft geacht.

3.16. Onderdeel 8 klaagt dat het hof heeft miskend dat (ICS had gesteld dat) de Amerikaanse koper de discussie met ICS over de vraag of hij al dan niet met Ocean heeft gecontracteerd - naar aanleiding van welke discussie ICS het openbaar ministerie heeft verzocht om kopieën van het daarop betrekking hebbende gedeelte van de inbeslaggenomen bedrijfsadministratie van Ocean - zelf heeft geïnitieerd. Volgens het middel kan de belangenafweging geen stand houden in het licht van de omstandigheid dat de Amerikaanse koper zelf de behoefte van ICS aan deze informatie heeft veroorzaakt. Indien het hof dit aspect wel in zijn oordeel heeft betrokken, klaagt onderdeel 9 dat onbegrijpelijk is waarop het bestreden oordeel dan berust.

3.17. Onderdeel 8 noemt geen rechtsregel waarmee 's hofs oordeel in strijd zou zijn. De stelling dat de Amerikaanse koper zelf de behoefte van ICS aan deze gegevens heeft teweeggebracht, is een argument van feitelijke aard. Het was aan het openbaar ministerie om de zwaarte van dit feitelijke argument af te wegen tegen het privacybelang indien de gevraagde gegevens worden vrijgegeven. Voor de toetsing door het hof van de beslissing van het college van procureurs-generaal geldt hetzelfde. Nadere motivering behoefde dit oordeel niet om voor de lezer begrijpelijk te zijn. Blijkens rov. 5 is het hof zich ervan bewust geweest dat ICS de gevraagde gegevens nodig had als bewijsmateriaal voor de arbitrageprocedure. De onderdelen 8 en 9 behoeven niet tot cassatie te leiden.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Vgl. rov. 1 van het bestreden arrest.

2 Gepubliceerd in NJF 2005, 2.

3 Gepubliceerd in NJF 2006, 318.

4 De cassatietermijn bedraagt acht weken; zie art. 402 lid 2 in verbinding met art. 339 lid 2 Rv.

5 Weliswaar zijn kopieën van de opgevraagde bescheiden en bestanden inmiddels verstrekt - het vonnis van de voorzieningenrechter was uitvoerbaar bij voorraad verklaard -, maar dit neemt niet weg dat ICS belang behoudt bij het cassatieberoep, alleen al vanwege de proceskostenveroordeling: vgl. HR 22 september 2006, NJ 2007, 188.

6 Wet van 6 juli 2000, Stb. 302; zie in verband met die wet ook de Richtlijn 95/46/EG betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L 281).

7 Zie art. 79 lid 2 (oud) Wbp en de Aanwijzing Wbp van het College van Procureurs-Generaal van 1 september 2001, Stcrt. 154.

8 MvT, Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 5.

9 Aanwijzing verstrekking van strafvorderlijke gegevens voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden (Aanwijzing Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens), vastgesteld door het College van procureurs-generaal op 12 oktober 2004, Stcrt. 223.

10 Vgl. MvT, Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 7; Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2003/04, 28 886, nr. 5, blz. 5-6.

11 Bepaalde beslissingen zijn in de wet gelijkgesteld met een Awb-besluit (zie art. 29 en 47 Wjsg), maar daartoe behoort niet een weigering als de onderhavige; MvT, Kamerstukken II 2002/02, 28 886, nr. 3, blz. 13; Nota n.a.v. het verslag, Kamerstukken II 2003/04, 28 886, nr. 5, blz. 14 - 17.

12 Een dergelijke vraag is bij mijn weten nog niet eerder aan de Hoge Raad voorgelegd. Zie voor de omgekeerde situatie (niet de weigering, maar juist het verstrekken van politiegegevens door het O.M. werd onrechtmatig geacht): HR 27 februari 2004, NJ 2004, 599 m.nt. YB.

13 In gelijke zin: s.t. namens de Staat, onder 2.12 "dat het College van procureurs-generaal bij de beoordeling van een verzoek om informatie uit een strafdossier het zwaarwegend algemeen belang dient af te wegen tegen het belang van de persoonlijke levenssfeer van degene(n) op wie de strafvorderlijke gegevens betrekking hebben".

14 Vgl: pleitnota namens de Staat in eerste aanleg, blz. 5.

15 Zie de MvT, Kamerstukken II 2002/03, 28 886, nr. 3, blz. 3 - 4.