Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB7198

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-12-2007
Datum publicatie
14-12-2007
Zaaknummer
C06/150HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHSHE:2006:AW2580
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB7198
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overheidsaansprakelijkheid. Schadevordering varkenshouder tegen gemeente uit onrechtmatige daad wegens onjuiste informatie over uitbreiding varkenstallen en overschrijding beslistermijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 857
RvdW 2008, 15
RAV 2008, 22
NJB 2008, 125
O&A 2008, 13
JWB 2007/448
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr C06/150HR

mr. J. Spier

Zitting 21 september 2007

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

de Gemeente Veghel,

(hierna: de Gemeente)

1. Feiten

1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de navolgende feiten, zoals deze zijn vastgesteld in het tussenvonnis van de Rechtbank 's Hertogenbosch van 18 juni 1999. Ook het Hof 's Hertogenbosch is, zoals blijkt uit rov. 4.1 van zijn arrest van 14 februari 2006, van deze feiten uitgegaan. In rov. 4.2 geeft het Hof een samenvatting.

1.2 [Eiser] exploiteert een mestvarkenbedrijf in de gemeente Veghel.

1.3 Op 12 augustus 1986 hebben B en W van de Gemeente aan [eiser] een vergunning ingevolge de Hinderwet verstrekt voor het houden van 2400 mestvarkens in drie te bouwen stallen.

1.4 [Eiser] heeft destijds één stal gerealiseerd, die ten opzichte van de tekening bij vergunning 900 is gedraaid. In deze stal zijn geen mestvarkens maar 4800 speenvarkens geplaatst. Daarvoor was destijds geen vergunning vereist.

1.5 De vergunning is op 11 oktober 1986 onherroepelijk geworden en ingevolge de destijds vigerende(1) Hinderwet drie jaar later, op 11 oktober 1989, voor het niet gebruikte gedeelte vervallen.

1.6 Op 21 juni 1988 heeft [eiser] een verzoek om een wijziging van de Hinderwetvergunning ingediend.

1.7 Op 27 september 1989 heeft de Gemeente [eiser] een ontwerpbeschikking toegezonden. In een begeleidende brief heeft zij [eiser] laten weten dat zij te laat op het wijzigingsverzoek heeft beslist en dat [eiser], indien tijdig was beslist, voor de vervaldatum de oude vergunning had kunnen benutten. De Gemeente geeft [eiser] alsnog gedurende een periode van 9 maanden vanaf 11 oktober 1989 de gelegenheid twee mestvarkenstallen te realiseren. De gemeente vermeldt hierbij:

"Waneer u binnen de gestelde tijd bouwt, kan het realiseren van de stallen door middel van een kennisgeving als bedoeld in artikel 2 van de Hinderwet junkto 2a [lees: 1a](2) van het Hinderbesluit, worden gelegaliseerd."

1.8 In vervolg op de ontwerpbeschikking van 27 september 1989 verleent de Gemeente op 17 oktober 1989 [eiser] vergunning voor het houden van 4800 speenvarkens in de gerealiseerde stal en weigert zij vergunning voor 2400 mestvarkens in de overige stallen. Tegen deze vergunning komt [eiser] niet op.

1.9 Op 20 oktober 1989 meldt [eiser], met een beroep op art. 1a van het Hinderbesluit aan de Gemeente dat hij 2400 mestvarkens gaat houden in twee nog te bouwen stallen. De Gemeente accepteert deze melding bij brief van 31 oktober 1989. [Eiser] heeft de twee stallen vervolgens binnen de door de Gemeente gestelde termijn gerealiseerd en daarin 2400 mestvarkens geplaatst.

1.10.1 Bij besluit van 7 juli 1992 verleent de Gemeente [eiser] een hinderwetvergunning voor het wijzigen van de mestvarkenshouderij in die zin dat hem wordt vergund 4800 speenvarkens en 2400 mestvarkens te houden.

1.10.2 Tegen deze vergunning is door een buurman van [eiser] ([A]) beroep ingesteld bij de Afdeling voor de Geschillen van Bestuur van de Raad van State.

1.11.1 Bij uitspraak van 26 oktober 1993 van de Voorzitter van de Afdeling is de vergunning vernietigd. In die uitspraak wordt onder meer overwogen:

"Bij schrijven van 20 oktober 1989 heeft [eiser] met een beroep op artikel 1a van het Hinderbesluit aan verweerders medegedeeld dat hij 2400 mestvarkens gaat houden in twee nog te bouwen stallen. Aan de (acceptatie van) evenvermelde kennisgeving kan evenwel geen betekenis worden toegekend, aangezien niet redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de uitbreiding van de inrichting met 2400 mestvarkens geen gevolgen zal hebben voor de aard en omvang van gevaar, schade en hinder buiten de inrichting, zodat niet kon worden volstaan met een kennisgeving als bedoeld in artikel 1a van het Hinderbesluit. Uit het vorenstaande volgt dat [eiser] vóór de thans bestreden beschikking slechts rechten had verkregen met betrekking tot het houden van 4800 speenvarkens. Mitsdien moet worden geoordeeld, dat de bij de bestreden beschikking verleende vergunning voor het houden van 4800 speenvarkens en 2400 mestvarkens een aanzienlijke uitbreiding van de inrichting betekent."

1.11.2 Verder wordt aangegeven dat het houden van 4800 speenvarkens overeenkomt met 4800 mestvarkeneenheden.

1.12 De Gemeente heeft [eiser] op 9 mei 1995 ingevolge de Wet Milieubeheer vergunning verleend voor het houden van 2330 speenvarkens en 3270 mestvarkens. [A] is hiertegen opnieuw in beroep gekomen, maar heeft dit op 2 februari 1996 ingetrokken nadat [eiser] en [A] hiertoe een vaststellingsovereenkomst hadden gesloten. In verband hiermee heeft [eiser] aan [A] f 200.000 betaald. Met het intrekken van dit beroep is deze vergunning onherroepelijk geworden.

1.13 De Gemeente heeft op 21 juni 1994 een besluit tot [eiser] gericht waarin wordt bepaald dat per 1 september 1994 dwangsommen worden verbeurd indien het aantal mestvarkens in zijn inrichting niet is teruggebracht naar 4800 stuks. Het beroep tegen ongegrondverklaring van bezwaarschriften tegen dit besluit is door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 16 juni 1995 ongegrond verklaard. Per 1 september 1995 heeft [eiser] zich aan het aantal van 4800 gehouden.

1.14.1 Bij brief van 30 december 1992 heeft de raadsman van [eiser] aan de Gemeente geschreven:

"In verband met de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek alsmede in verband met gewijzigde verjaringstermijnen dien ik de gemeente aansprakelijk te stellen voor eventuele schade welke cliënt [eiser] zal lijden als gevolg van een eventuele vernietiging van de hinderwetvergunning welke in zijn bezit is danwel problemen te verwachten in verband met de melding in het kader van het hinderbesluit."

1.14.2 Bij brief van 29 januari 1993 heeft de Gemeente op de inhoud van deze brief gereageerd.

2. Van welke processtukken moet worden uitgegaan?(3)

2.1 Niet ten volle duidelijk is welke stukken tot het dossier behoren. Het valt te betreuren dat (het Parket bij) de Hoge Raad zich met dit soort kwesties moet inlaten. Een ordelijke rechtsbedeling, waarin geen recht wordt gedaan op basis van stukken die één der partijen niet kan kennen, vergt dat helaas wel.

2.2 In de procesmap van [eiser] zit een ongummerde cvr die op de inventarislijst niet voorkomt. Deze bevindt zich eveneens in het B-dossier. Uit rov. 1 van het tussenvonnis van 18 juni 1999 blijkt dat een cvr aan de Rechtbank is overgelegd.

2.3 De inventarislijst van het B-dossier vermeldt dat pleitnotities "zijdens [eiser]" ontbreken; hier wordt kennelijk gedoeld op pleitnoties voorafgaand aan het onder 2.2 genoemde vonnis.(4) Deze pleitnotities trof ik evenmin aan in het A-dossier. Kennelijk zijn partijen het op dit punt eens.

2.4 Aan de pleitnota van [eiser] met als datum 13 februari (een jaartal ontbreekt) in het A-dosser zitten geen producties gehecht. Deze producties, die in de pleitnota wel worden genoemd, zijn wel terug te vinden in het B-dossier.

2.5 In het B-dossier (stuk 12) zit nog een antwoordakte van de Gemeente die zich niet in het A-dossier bevindt. De Rechtbank maakt in het eindvonnis in rov. 1 melding van deze akte.

2.6 Ter opheldering heb ik het Rechtbank-dossier doen opvragen.

3. Procesverloop

3.1.1 [Eiser] heeft de Gemeente bij exploot van 7 oktober 1996 doen dagvaarden voor de Rechtbank 's Hertogenbosch. [Eiser] vordert, na vermeerdering van eis(5) veroordeling van de Gemeente tot betaling aan hem van € 1.331.844,90, met enkele nevenvorderingen.

3.1.2 [Eiser] heeft, naast de onder 1 vermelde feiten, aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat de Gemeente jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door bij brief van 27 september 1989 onjuiste informatie aan hem te verschaffen. [Eiser] mocht er op vertrouwen dat de verschafte informatie juist was en heeft dienovereenkomstig gehandeld. Als gevolg van het onrechtmatig handelen van de Gemeente heeft [eiser] aanzienlijke schade geleden (grondslag A).

3.1.3 Bij akte na tussenvonnis heeft [eiser] zijn vordering voorts gegrond op overschrijding door de Gemeente van de beslistermijn (grondslag B). Zou de Gemeente tijdig hebben beslist, dan had hij in het kader van de destijds bestaande vergunning de stallen, bestemd voor 2400 "mestvarkens", kunnen bouwen (mvg sub 13, 32, 38 en 41).

3.1.4 In de mvg sub 13 geeft [eiser] aan dat grondslag B "het eerste verwijt" is en A het tweede. In akte, tevens mva inc. onder 4 herhaalt [eiser] dit.

3.2 De Gemeente heeft de vordering bestreden. Zij heeft onder meer aangevoerd dat het causaal verband ontbreekt (cva onder 35).

3.3 De Rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 18 juni 1999 geoordeeld dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld door [eiser] in haar brief van 27 september 1989 op het verkeerde been te zetten (rov. 4.1.1). Niet is komen vast te staan dat van [eiser] verwacht mocht worden dat hij, anders dan de bij uitstek deskundig te achten Gemeente, onderkende dat de Gemeente foutief handelde (rov. 4.1.3). [Eiser] heeft zijn uitbreidingsbeslissing (met 2400 "mestvarkens") gebaseerd op de foutieve informatie van de Gemeente (rov. 4.1.4). Daarom moet de Gemeente aansprakelijk worden gehouden voor de als gevolg van haar foutieve handelwijze ontstane schade (rov. 4.1.5).

3.4.1 In haar eindvonnis van 6 juli 2001 volhardt de Rechtbank bij hetgeen zij in haar tussenvonnis heeft overwogen en beslist. Voorts overweegt zij dat de Gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld door de beslissing op de (wijzigings)aanvraag te laat te nemen (blz. 2). Tenslotte wordt overwogen dat niet de uiterste datum waarop de Gemeente [op de wijzigingsaanvraag] beslist had moeten hebben, maar de brief van 27 september 1989 moet worden aangemerkt als schadeveroorzakend moment.

3.4.2 De Gemeente wordt veroordeeld tot betaling van f 531.000.

3.5 [Eiser] heeft van het tussenvonnis en het eindvonnis hoger beroep ingesteld. De grieven I, III en IV zien louter op de (omvang van) de schade en doen thans niet ter zake.

3.6.1 De Gemeente heeft het beroep bestreden en harerzijds incidenteel appèl ingesteld. Zij komt - onder meer - op tegen het oordeel van de Rechtbank over grondslag A. Voorts doet zij in grief I inc. een beroep op verjaring (mva onder 37 met uitwerking in de daarop volgende nummers).

3.6.2 Volgens de Gemeente is onjuist dat [eiser], bij tijdige besluitvorming, stallen voor 2400 varkens had kunnen realiseren (mva onder 11). Zij beroept zich voorts op eigen schuld (mva onder 21). Ook bestrijdt zij het causaal verband (sub 22).

3.6.3 De Gemeente wijst er voorts op (grief II inc.; mva onder 58) dat uit de bij de de brief van 27 september 1989 gevoegde ontwerp beslissing duidelijk blijkt dat zij niet instemde met de aanvraag voor 2400 "mestvarkens".

3.7 Ter afwering van het beroep op verjaring wijst [eiser] op een (onder 1.14.1 geciteerde) brief aan de Gemeente van 30 december 1992; het gaat daar, naar hij aanvoert, om een stuitingshandeling (mva inc. onder 24).

3.8 Het Hof heeft de bestreden vonnissen vernietigd en de vordering van [eiser] afgewezen. Het Hof heeft daartoe overwogen:

"4.7 Laatstgenoemde grief [grief I inc., A-G] is het meest verstrekkend, zodat het Hof deze eerst zal bespreken. De gemeente stelt zich op het standpunt dat indien de gestelde schade is ontstaan tussen 11 oktober 1989 en 11 juli 1990 de verjaring is aangevangen op 31 december 1990 en voltooid op 31 december 1995, gelet op artikel 1 lid 1 van de destijds toepasselijke Wet van 31 oktober 1928(6) Stb. 482. Indien in de brief van de gemeente van 27 september 1989 de schadeoorzaak is gelegen, is de verjaring volgens de gemeente een jaar eerder aangevangen respectievelijk voltooid.

4.8 (..)

4.9 [Eiser] wijst verder op de correspondentie die hiervoor (..)(7) is aangehaald. Volgens hem is de verjaring daardoor gestuit. Volgens de gemeente is dat niet het geval omdat de brief van [eiser] van 30 december 1992 geen betrekking heeft op de vorderingen die in deze procedure aan de orde zijn. Deze betreffen volgens de gemeente schadeoorzaken die eerder in de tijd gelegen zijn dan de schadeoorzaken waarop in de brief wordt geduid.

4.10 Het hof overweegt hierover het volgende. De brief van [eiser] van 30 december 1992 is onmiskenbaar een stuitingsbrief. Daarover bestaat, terecht, geen verschil van mening. De brief heeft evenzeer onmiskenbaar betrekking op de vorderingen die voor [eiser] voortvloeien uit het handelen van de gemeente met betrekking tot de vergunningverlening ten behoeve van het bedrijf van [eiser]. Deze vorderingen zijn in de brief niet specifiek omschreven, maar gezien alle gebeurtenissen die zich tot aan de datum van deze brief tussen partijen hebben voorgedaan en die hiervoor in 4.2 kort zijn aangeduid, kan er bij de gemeente geen misverstand over bestaan dat de brief betrekking heeft op het gehele feitencomplex en niet alleen op een bepaald gedeelte daarvan. Dit betekent dat de verjaring rechtsgeldig is gestuit, zodat het beroep op verjaring niet opgaat. Grief I van de gemeente wordt verworpen.

4.11 Vervolgens zal het hof grondslag A inzake de brief van 27 september 1989 behandelen. Naar het oordeel van het hof kan deze grondslag de vorderingen van [eiser] niet dragen en wel om de volgende redenen.

4.12 Vooropgesteld dient te worden dat van een ondernemer die zich bezighoudt met de exploitatie van een mestvarkenbedrijf verwacht mag worden dat hij ervan op de hoogte is dat hij voor dat bedrijf vergunningen behoeft, dat tegen het (niet) verlenen van vergunningen bezwaar gemaakt kan worden, dat er eventueel nog beroepsmogelijkheden bestaan en dat er in de regelgeving betreffende het houden van mestvarkens in de loop der tijd wijzigingen kunnen optreden die van invloed kunnen zijn op de mogelijkheden tot exploitatie. Er mag van uitgegaan worden dat hij zich hieromtrent nauwkeurig zal informeren en daarbij niet zonder meer zal afgaan op de informatie die van de kant van de vergunningverlenende instantie, de gemeente, bereikt.

4.13 In dit geval beschikte [eiser] in 1986 over een vergunning voor het houden van 2400 mestvarkens in drie door hem te bouwen stallen. Eén van deze stallen heeft hij gebouwd en daarin geen mestvarkens maar 4800 speenvarkens geplaatst. Op dat moment bleef dat binnen de grenzen van de hem verleende vergunning, omdat hij destijds voor speenvarkens geen vergunning behoefde. In die situatie kwam in 1987 verandering doordat vanaf 3 juni 1987 getoetst diende te worden aan de gewijzigde Brochure Veehouderij en Hinderwet. Die toetsing brengt mee dat de speenvarkens voortaan volledig als mestvarkeneenheden worden beschouwd en daardoor van invloed zijn op de mogelijkheden van [eiser] om binnen de bestaande vergunning mestvarkens bij te plaatsen. Van de verdere mogelijkheden die zijn vergunning hem bood, heeft [eiser] tot aan de vervaldatum ervan geen gebruik gemaakt. Dat had hij kunnen doen zowel in het geval dat de gemeente tijdig op zijn inmiddels ingediende wijzigingsverzoek had beslist als in het geval dat de gemeente dat niet deed. Het al dan niet gebruik maken van de hem in 1986 verleende vergunning, binnen de vervaltermijn, was daarmee niet afhankelijk van de gemeente maar van zijn eigen handelen. De brief van 27 september 1987 biedt [eiser] vervolgens de gelegenheid alsnog de twee eerder vergunde maar niet gebouwde stallen te realiseren. Dat wil niet zeggen dat hem daarmee tevens een vergunning is verstrekt voor het houden van 2400 mestvarkens in aanvulling op de 4800 speenvarkens. Dat is in de brief van 27 september 1989 niet opgenomen, terwijl uit de meegezonden ontwerpbeschikking en de daarop gevolgde vergunning van 17 oktober 1989 het tegendeel blijkt. De melding van [eiser] op 20 oktober 1989 en de daarop gevolgde acceptatie door de gemeente kunnen onder deze omstandigheden door [eiser] redelijkerwijs niet worden beschouwd als toereikend om naast de 4800 speenvarkens ook 2400 mestvarkens te kunnen gaan houden. Aan [eiser] kan worden toegegeven dat door de gemeente ten aanzien van de vergunningverlening aan hem geen volstrekt helder beleid is gevoerd,(8) maar het gaat te ver om in de brief van 27 september 1989 de oorzaak te zien van de schade die [eiser] stelt te hebben geleden doordat hij zonder een voldoende vergunning zijn bedrijf (alsnog) heeft uitgebreid.

4.14 De consequentie hiervan is dat de vordering van [eiser] niet op grondslag A toewijsbaar is, zodat de grieven II en III van de gemeente slagen.

4.15 Thans dient grondslag B inzake het met tijdig beslissen op het wijzigingsverzoek van 21 juni 1988 aan de orde te komen. Naar het oordeel van het hof kan ook deze grondslag de vordering van [eiser] niet dragen.

4.16 Ingevolge het bepaalde in artikel 43 lid 1 Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (Wabm) had de gemeente binnen zeven maanden op het verzoek dienen te beslissen. Tegen het niet tijdig beslissen stond ingevolge artikel 45 lid 2 Wabm beroep open. Van de hem ten dienste staande mogelijkheid om tegen de fictieve weigering op te komen heeft [eiser] geen gebruik gemaakt. Nu tegen het met tijdig nemen van een beschikking beroep openstond en [eiser] van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt, moet in beginsel ervan worden uitgegaan dat de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser] door niet tijdig een besluit te nemen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (HR 15 december 2000, NJ 2001, 318). Uit de overgelegde uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling van 26 oktober 1993 die hierop betrekking heeft en die hiervoor is aangehaald (..), is niet af te leiden dat er naar het oordeel van de bestuursrechter sprake is van dergelijke bijzondere onstandigheden. Het hof ziet in de gang van zaken en in hetgeen [eiser] daaromtrent naar voren heeft gebracht evenmin grond om dergelijke bijzondere omstandigheden aanwezig te achten.

4.17 Dit brengt mee dat het hof het oordeel van de rechtbank deelt dat de vordering van [eiser] niet op grondslag B toewijsbaar is, zodat de daartegen gerichte grief II van [eiser] wordt verworpen."

3.9 [Eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. De Gemeente heeft het beroep bestreden en op haar beurt voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. Namens [eiser] en de Gemeente is nog gere- en gedupliceerd.

4. Bespreking van het voorwaardelijk incidentele middel

4.1 Hoewel het incidentele beroep voorwaardelijk is ingesteld, lijkt goed dit eerst te behandelen. Zou het daarin geformuleerde middel gegrond zijn, in dier voege dat er geen twijfel over mogelijk is dat de stuiting de beperkte, door de Gemeente verdedigde, strekking heeft,(9) dan mist [eiser] belang bij zijn klachten.

4.2 M.i. kan ik de overgangsrechtelijke kwestie van de verjaring (beheerst door art. 73 Ow) laten rusten. Immers komt het betoog van de Gemeente erop neer dat de stuiting niet ter zake doet omdat de vordering niet is gegrond op de feiten waarop deze stuiting ziet.

4.3 Het middel betoogt dat het Hof in rov. 4.10 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel een onbegrijpelijke uitleg heeft gegeven aan de brief van [eiser] van 30 december 1992. Deze brief heeft immers, aldus het middel, onmiskenbaar géén betrekking op de onderhavige vordering. Althans kan niet geoordeeld worden - in ieder geval niet zonder vaststelling van nadere omstandigheden, welke vaststelling in het arrest evenwel ontbreekt - dat de Gemeente aan de brief redelijkerwijs de betekenis heeft moeten toekennen dat [eiser] zich daarin (ook) het recht op nakoming voorbehield met betrekking tot de onderhavige vorderingen; laat staan dat hij dit op ondubbelzinninge wijze zou hebben gedaan.

4.4 De litigieuze brief, die als "inzake" vermeldt: [eiser]/[A], luidt als volgt:

"(..)

Zoals u weet kleven gebreken aan de hinderwetvergunning van cliënt [eiser]. De wederpartij [A] vecht de rechtsgeldigheid van de vergunning aan.

In verband met de inwerkingtreding van het Nieuw Burgerlijk Wetboek alsmede in verband met gewijzigde verjaringstermijnen(10) dien ik de gemeente aansprakelijk te stellen voor eventuele schade welke cliënt (..) zal lijden als gevolg van een eventuele vernietiging van de hinderwetvergunning welke in zijn bezit is dan wel problemen te verwachten in het kader van de melding van het hinderwetbesluit.

(..)"

4.5 Ingevolge (het hier toepasselijke) art. 3:317 lid 1 BW wordt de verjaring van een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis gestuit door een schriftelijke aanmaning of door een schriftelijke mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinning zijn recht op nakoming voorbehoudt. Deze omschrijving van de schriftelijke mededeling moet worden begrepen in het licht van de strekking van een stuitingshandeling: een voldoende duidelijke waarschuwing aan de schuldenaar dat hij, ook na het verstrijken van de verjaringstermijn, er rekening mee moet houden dat hij de beschikking houdt over zijn gegevens en bewijsmateriaal, opdat hij zich tegen een dan mogelijkerwijs alsnog door de schuldeiser in te stellen vordering behoorlijk kan verweren.(11)

4.6 Het bepaalde in art. 3:317 BW moet, zo volgt uit de jurisprudentie, niet te eng worden opgevat.(12) Dat blijkt ook heel duidelijk uit de onder 4.5 gecursiveerde woordjes "voldoende duidelijk". Dat alles strookt geheel met de ratio van de wetgever. Tegenover een verkorting van de meeste verjaringstermijnen is een eenvoudig te hanteren stuiting gecreëerd. Een enkele brief waarin de schuldenaar wordt gewaarschuwd dat hij bewijsmateriaal "kan vasthouden" is voldoende.(13)

4.7 Bij beantwoording van de vraag wat de strekking is van een stuiting mag de rechter dus niet benepen tewerk gaan.(14) Met name - het ligt voor de hand - zal hij zich niet blind mogen staren op de letter van een stuk.(15) Hij zal alle relevante omstandigheden in zijn oordeel moeten betrekken.(16)

4.8 De uitleg van een stuiting is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Deze kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst.(17)

4.9 De rechtsklacht faalt omdat in 's Hofs oordeel de hiervoor besproken maatstaf besloten ligt.

4.10 De motiveringsklacht is geen beter lot beschoren.

4.11.1 Het scharnier waarom de vorderingen van [eiser] draaien, is gelegen in de samenhangende omstandigheden dat 1) de Gemeente niet tijdig heeft beslist en 2) verkeerde informatie heeft gegeven waardoor [eiser] op het verkeerde been is gezet. Bij gebreke van een en ander zou hij zonder problemen de gewenste hoeveelheid varkens hebben mogen houden. Als gevolg van de gemeentelijke misstappen is hij terecht gekomen in een procedure-traject over de hinderwetvergunning.

4.11.2 's Hofs oordeel dat deze problematiek in de stuitingsbrief (mede) aan de orde wordt gesteld, is zeker niet onbegrijpelijk. Alleen al niet in het licht van de geciteerde slottournure nopens de melding. Deze houdt immers - in de gedachtegang van [eiser], waarop ook zijn vorderingen zijn gebaseerd - verband met de onder 4.11.1 genoemde gedragingen die hij de Gemeente verwijt.

4.11.3 Er is bovendien geen goede grond om zich blind te staren op de letter van de brief, hoezeer de Gemeente ook kan worden toegegeven dat deze wellicht nog duidelijker of explicieter had kunnen zijn. De Gemeente wist, blijkens haar brief van 27 september 1989, dat haar handelwijze met betrekking tot de vergunningenverlening aan [eiser] niet volgens de regelen der kunst/wet was verlopen. In een dergelijke situatie is moeilijk voor te stellen dat zij niet heeft begrepen (of ten minste redelijkerwijs had moeten begrijpen) dat zij het gehele dossier moest bewaren.

4.12 Bij dit alles moet, voor zover nodig, nog worden bedacht dat 's Hofs oordeel in deze niet op zijn juistheid kan worden getoetst; zie onder 4.8.

4.13 De stelling van de Gemeente dat de brief slechts betrekking heeft op het beroep van [A] en de daarmee samenhangende problematiek van de melding (middel blz. 3) snijdt om twee zelfstandige redenen geen hout:

a. niet valt in te zien en door de Gemeente wordt ook niet uitgelegd waarom de in de brief aangeroerde meldingsproblematiek zou samenhangen met het beroep van [A]; de s.t. van mr Snijders onder 4.3 is op dit punt dan ook terecht veel minder stellig;

b. uit het oog wordt verloren wat, in de voor de Gemeente ook zonder expliciete toelichting kenbare visie van [eiser], de oorzaak van bedoeld beroep was.

4.14 Nu de door de Gemeente bepleite letterlijke interpetatie heel weinig voor de hand ligt, had het op haar weg gelegen om in feitelijke aanleg uit de doeken te doen waarom zij daarvan uit mocht gaan. In de pagina's lange uiteenzettingen over de verjaringskwestie wordt daarover evenwel veeltebetekend met geen woord gerept. Los daarvan: zelfs haar letterlijke interpretatie strookt niet met de bewoordingen van de brief; zie onder 4.13.

5. Bespreking van het principale beroep

5.1 Nu de vorderingen van [eiser] niet (reeds) stuklopen op de verjaring, komt het principale beroep aan de orde.

5.2.1 Middel 1 behelst - in de afzonderlijke onderdelen a, b en c - een reeks klachten die zich alle richten tegen de rov. 4.11 tot en met 4.14.

5.3.1 Onderdeel A klaagt - in de vorm van rechts- en motiveringsklachten - over 's Hofs oordeel dat [eiser] niet zonder meer op de informatie van de Gemeente in de brief van 27 september 1989 mocht afgaan en dat hij zich nauwkeurig moest informeren.

5.3.2 Onderdeel 17 verwijt het Hof bij het uitleggen van de brief van 27 september 1987 de Haviltexmaatstaf te hebben miskend. Deze klacht wordt verderop nader uitgewerkt in welk verband het volgende te berde wordt gebracht:

a) een "ingezetene" mag in beginsel afgaan op uitlatingen van een vergunningverlener (onderdeel 19); van aperte onjuistheid is geen sprake (onderdeel 24);

b) [eiser], een beginnend ondernemer, heeft vertrouwd op de juistheid van de brief van 27 september 1989 (onderdeel 20 met uitwerking in onderdeel 21);

c) hoge eisen moeten worden gesteld aan de zorgvuldigheid van uitlatingen door de overheid (onderdeel 22);

d) het Hof is niet ingegaan op essentiële stellingen van [eiser] (onderdeel 26). Genoemd worden: i) het gaat om een hinderwet-, niet om een bouwvergunning, ii) en wel voor 4800 varkens naast de reeds gehouden 2400; iii) de gemeentelijke brief van 27 september 1989 verwees naar de Hinderwetvergunning van 1986, niet naar een bouwvergunning voor 3 stallen; iv) de Gemeente heeft de melding geaccepteerd; v) na de melding gaf de Gemeente aan dat alsnog een vergunning moest worden aangevraagd, vi) welke vergunning ook is verleend.

5.4 Onderdeel B verwijt het Hof te hebben geoordeeld dat na 3 juni 1987 geen varkens meer binnen de vergunning mochten worden bijgeplaatst. Immers waren 2400 speensvarkens "met recht geplaatst voor 3 juni 1987" (onderdeel 30), terwijl [eiser] de mogelijkheid had om drie jaar na verlening van de hinderwetvergunning 1986 2400 "mestvarkens" bij te plaatsen (onderdelen 31 en 32). De Gemeente heeft in haar brief niet onderkend dat [eiser] dit recht had tot 10 oktober 1989 (onderdeel 32).

5.5 Onderdeel C klaagt erover dat het Hof heeft overwogen dat de onjuiste brief (van 27 september 1989) niet de oorzaak is van de gestelde schade. In dat verband wordt, voor zover ik het betoog kan volgen en voor zover het klachten behelst, erop gewezen:

a) de schade is het verschil tussen de hypothetische situatie dat de Gemeente zou hebben aangegeven dat [eiser] ná 11 oktober 1989 geen extra varkens mocht houden en de feitelijke situatie waarin zij liet weten dat dit wél mocht. Hij zou dan - kort gezegd - anders hebben gehandeld (onderdeel 37 en 39);

b) nutteloze investeringen vormen schade (onderdeel 40).

5.6 Alvorens al deze klachten te bespreken, lijkt goed te bezien waarop 's Hofs oordeel rust. Het gaat hier om het volgende:

a) varkensboeren moeten weten welke vergunningen zij nodig hebben (rov. 4.12);

b) zij kunnen niet zonder meer afgaan op informatie van de Gemeente (rov. 4.12);

c) in 1986 mocht [eiser] 2400 "mestvarkens" houden in drie nog te bouwen stallen. Hij heeft maar één stal gebouwd en daarin geen mestvarkens, maar wél 4800 speenvarkens ondergebracht (rov. 4.13);

d) tot drie jaar na verlening van de vergunning in 1986 kon daarvan gebruik worden gemaakt zonder verdere tussenkomst van de Gemeente. Dat brengt mee dat hij ook twee nog niet eerder gebouwde stallen mocht bouwen (rov. 4.13);

e) in de litigieuze brief is niet te lezen dat een vergunning werd verstrekt voor het houden van 2400 "mestvarkens" naast 4800 speenvarkens; integendeel:

f) uit zowel de meegezonden ontwerpbeschikking als uit de vergunning van 19 oktober 1989 blijkt dat dit niet het geval was (rov. 4.13);

g) toen [eiser] op 20 oktober 1989 zijn melding deed kan hij, geparafraseerd weergegeven, niet hebben gedacht dat hij op basis daarvan naast 4800 speenvarkens ook 2400 "mestvarkens" kon gaan houden (rov. 4.13).

Daarom is de brief van 27 september 1989 niet de oorzaak van de pretense schade.

5.7.1 In 's Hofs gedachtegang zijn drie wezenlijke, elkaar beïnvloedende, elementen te onderscheiden:

1) [eiser] was, naar in elk geval de Gemeente redelijkerwijs heeft mogen menen, zelf van oordeel dat drie stallen een passende behuizing waren voor 2400 varkens. Aanvankelijk heeft hij een veel groter aantal in één stal ondergebracht. Aldus kon bij de Gemeente redelijkerwijs de gedachte postvatten dat hij meer stallen nodig achtte voor zijn dieren (hij had er slechts één gebouwd)(18), zonder dat uitbreiding van zijn veestapel verder in geding was;

2) mede tegen deze achtergrond moet de gewraakte brief worden gezien. Daarin staat, in elk geval in de door het Hof geciteerde passage (zie onder 1.7) waarop zijn oordeel blijkbaar teruggrijpt, alleen iets over de realisatie van stallen;

3) ware dat al anders en zou moeten worden aangenomen dat [eiser] de brief een ruimere strekking toedichtte, dan had de bijgevoegde ontwerpbeschikking hem uit de droom moeten helpen. Ware ook dat anders, dan had hem na de weigering op 17 oktober 1989(19) volstrekt duidelijk moeten zijn dat zijn interpretatie op een misverstand berustte.

5.7.2 Bij deze stand van zaken had [eiser] af moeten zien van zijn posterieure bouwactiviteiten. In elk geval had hij, als hij nog mocht hebben getwijfeld over de bedoeling van de Gemeente, bij haar navraag moeten doen over haar bedoeling; dat heeft [eiser] evenwel nagelaten. De pretense schade die het gevolg is van het desondanks gaan bouwen, is niet het gevolg van de gewraakte brief.

5.8 's Hofs uitvoerige redengeving is geenszins onbegrijpelijk. Zij getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting. De hiervoor weergegeven klachten miskennen 's Hofs onder 5.7 weergegeven gedachtegang en zien ook voorbij aan de samenhang tussen de door het Hof genoemde argumenten.

5.9 Ik wil best toegeven dat op een enkel argument, geïsoleerd beschouwd, wel iets valt af te dingen - zoals het onderdeel ook doet -, maar daarop komt het niet aan. Het komt wél aan op de samenhang van de elkaar versterkende en beïnvloedende argumenten.

5.10 Ten overvloede sta ik nog kort stil bij enkele afzonderlijke klachten.

5.11 De al dan niet juistheid van de door onderdeel B (weergegeven onder 5.4) vertolkte opvatting kan blijven rusten. Ook wanneer veronderstellenderwijs van de juistheid daarvan wordt uitgegaan, blijft overeind dat op de door het Hof geschetste gronden het causaal verband ontbreekt.

5.12 De stelling dat [eiser] mocht uitgaan op de uitlatingen van de Gemeente (onderdeel 19) faalt reeds omdat hij daaruit, naar het Hof met juistheid heeft aangegeven, redelijkerwijs had moeten afleiden dat zij hem niet toestond 2400 extra varkensbeesten te houden.(20) Dat blijkt - naar door het Hof in cassatie niet weersproken is vastgesteld - immers uit het document dat werd begeleid door de gewraakte brief; zie onder 1.8.

5.13.1 Dat aan door de overheid verstrekte informatie in voorkomende gevallen hoge eisen moeten worden gesteld, is niet onjuist.(21) Ik schrijf met opzet in voorkomende gevallen, want ook hier past terughoudendheid bij het geven van algemene regels. Zo zou ik menen dat de overheid bij wie een burger informeert of een balie op maandag is geopend er niet bij behoeft te vertellen dat dit niet geldt als die maandag op een algemeen erkende feestdag valt; zelfs niet wanneer de informatie kort voor zo'n feestdag wordt gevraagd.

5.13.2 Het komt mij voor dat de vraag welke eisen in een concreet geval aan zulke informatie mogen worden gesteld, afhangt van de omstandigheden van het geval, waarbij de deskundigheid van de verzoeker, de aard van de materie en de belangen die op het spel staan allicht een (niet on)belangrijke rol spelen. Een zekere parallel met de fameuze kelderluik-criteria(22) dringt zich hier op.

5.14 Onderdeel 22 vertolkt een strenger, want algemeen geldend, uitgangspunt. Dat is onjuist. Reeds daarop stuit het af.

5.15 Hoe dit zij, het Hof heeft niet miskend dat in casu strenge eisen mogen worden gesteld aan de door de Gemeente verstrekte informatie.

5.16 In rov. 4.13 wordt overwogen dat "door de gemeente ten aanzien van de vergunningverlening aan [eiser] geen volstrekt helder beleid is gevoerd". Daarin ligt het uitgangspunt dat in het algemeen hoge eisen mogen worden gesteld aan de zorgvuldigheid van overheidsgedrag genoegzaam besloten.

5.17 Het Hof geeft vervolgens aan a) waarom de Gemeente, al met al, op dit punt niet tekort is geschoten en b) waarom [eiser] redelijkerwijs ook niet heeft kunnen menen dat de brief de door hem gestelde inhoud of strekking had. Ik moge verwijzen naar de analyse van 's Hofs gedachtegang zoals weergegeven onder 5.6 sub a, b, e, f en g en 5.7.

5.18 Ik wil best toegeven dat de handelwijze van de Gemeente niet geheel begrijpelijk is geweest. Dat geldt met name voor de acceptatie van de melding en meer nog voor het later afgeven van de gevraagde vergunning; onderdeel 26 wijst daar terecht op. Naast alle in tegengestelde richting wijzende argumenten waarop het Hof zijn oordeel baseert - zoals hiervoor weergegeven onder 5.6 en 5.7 - komt hieraan m.i. geen doorslaggevend gewicht toe. Te minder nu de posterieure vergunningverlening eerst in juli 1992 plaatsvond zodat zij geen rol kan hebben gespeeld bij het bouwen van de stallen. [Eiser] heeft in elk geval het tegendeel niet aangevoerd.

5.19 Volledigheidshalve merk ik nog op dat een tegengesteld oordeel [eiser] slechts beperkt soelaas zou bieden. Ook wanneer wél causaal verband zou moeten worden aangenomen, is m.i. in het oog springend sprake van een forse portie eigen schuld. Het Hof kwam daaraan evenwel niet toe.

5.20.1 Middel 2 - met name de onderdelen 42 en 43 - verwijt het Hof te zijn uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting in rov. 4.16. Het middel leest 's Hofs oordeel aldus dat wordt overwogen:

"nu tegen het niet tijdig nemen beroep heeft opengestaan, welk beroep niet is ingesteld, moet ervan worden uitgegaan dat de gemeente niet onrechtmatig heeft gehandeld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden".

5.20.2 Het Hof heeft - aldus het middel - met dit oordeel miskend dat de Hoge Raad van de door het Hof genoemde uitspraak (NJ 2001, 318) is teruggekomen in zijn arrest van 25 oktober 2002.(23) In deze uitspraak heeft de Hoge Raad bepaald dat uit de enkele omstandigheid dat geen bezwaar en beroep is ingesteld tegen het niet tijdig nemen "van een bestuursorgaan" van een besluit op een verzoek niet de conclusie kan worden getrokken dat de rechtspersoon waartoe het bestuursorgaan behoort, niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die uit het niet tijdig nemen van het besluit is voortgevloeid.

5.20.3 Onderdeel 44 licht nog toe wat het belang voor [eiser] bij deze kwestie is. Een klacht lees ik daarin niet.

5.21 De klacht lijkt mij al met al voldoende begrijpelijk, hoewel het citaat dat de kern ervan volgt onvolledig en daarmee onbegrijpelijk is. De Gemeente heeft het tegendeel - terecht - ook niet betoogd.

5.22 De Gemeente noemt een aantal redenen waarom [eiser] belang bij zijn klacht zou missen:

a) het uitgangspunt dat hij, zou tijdig zijn beslist, nog 2400 varkens had mogen bijplaatsen is onjuist (s.t. mr Snijders onder 3.8 eerste alinea). Voor dat standpunt valt iets te zeggen. Nu het Hof daaromtrent niets heeft vastgesteld en het m.i. vooral gaat om een bestuursrechtelijke kwestie verdient het de voorkeur dat Uw Raad deze niet, laat staan zonder behoorlijk debat tussen partijen, zelf afhandelt;

b) in appèl is niet opgekomen tegen het oordeel van de Rechtbank dat is gestoeld op het arrest [...]/[...] (s.t. mr Snijders onder 3.8 tweede alinea). Dit betoog faalt omdat het berust op een verkeerde lezing van het betrokken vonnis. De Rechtbank geeft immers aan dat sprake is van kenmerkende verschillen met dit arrest zodat het niet als uitgangspunt mag worden genomen;

c) de relativiteit ontbreekt. Het Hof heeft zijn oordeel daarop niet gebaseerd. Het ligt niet op de weg van de Hoge Raad om, nog wel zonder dat de Gemeente dit verweer in feitelijke aanleg heeft gevoerd, ambtshalve op deze kwestie in te gaan;

d) [eiser] had zich in de "relevante regels" moeten verdiepen; niets weerhield hem ervan vóór 11 oktober 1989 gebruik te maken van de vergunning van 1986 (s.t. onder 3.8 i.f.). Vermoedelijk doelt de Gemeente hier op het (ontbreken van) causaal verband. Zo nodig kan die kwestie na verwijzing worden onderzocht. Mede omdat dit een waardering van feitelijke aard vergt, zie ik hier geen taak voor Uw Raad weggelegd.

5.23 Ik kom dan bij de bespreking van de klacht ten gronde. Als ik het goed zie dan meent de Gemeente, zonder verdere omhaal van woorden, dat zij slaagt (s.t. mr Snijders onder 8 eerste twee volzinnen). Zo eenvoudig is dat evenwel niet.

5.24 's Hofs oordeel sluit naadloos aan bij de door Uw Raad in het arrest [...]/[...] geformuleerde regel. Deze hield in dat ingeval van het niet tijdig nemen van een beslissing waartegen beroep openstond, terwijl van deze mogelijkheid geen gebruik is gemaakt, in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat de betrokken overheid niet onrechtmatig heeft gehandeld door niet tijdig een besluit te nemen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.(24)

5.25.1 In het arrest [...] c.s./[...](25) is de Hoge Raad van de in het arrest [...]/[...] geformuleerde regel in zoverre teruggekomen dat de enkele omstandigheid dat geen beroep is ingesteld tegen het niet nemen door een bestuursorgaan van een besluit op een daartoe strekkend verzoek niet meebrengt dat de rechtspersoon waartoe dat bestuursorgaan behoort niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de daardoor geleden schade.

5.25.2 Het arrest wordt gemotiveerd met een verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak RvS.(26)

5.26 In de onder 5.25.2 vermelde uitspraak komt de Afdeling op haar beurt terug op eerdere andersluidende rechtspraak.(27)

5.27 Het arrest [...] c.s./[...] heeft betrekking op een feitencomplex dat zich afspeelde aan het begin van de negentiger jaren van de vorige eeuw.(28) Kennelijk meende Uw Raad dat vanzelfsprekend was dat zijn nieuwe inzichten op dit feitencomplex werden toegepast. Allicht omdat partijen, "goeder gewoonte", aan deze kwestie geen aandacht besteedden, zoals zij deze ook in casu hebben veronachtzaamd.

5.28.1 Als ik het goed zie, dan wordt - zij het als gevolg van een oorverdovend stilzwijgen - binnen en buiten ons land als hoofdregel aanvaard dat nieuwe in de rechtspraak aanvaarde regels ook toepasselijk zijn op anterieure feitencomplexen. Als hoofdregel, want het kan een eis van redelijkheid en rechtszekerheid zijn dat bij wege van "overgangsvoorziening" door de rechter terugwerkende kracht van de nieuwe regel in beginsel wordt uitgesloten.(29)

5.58.2 Aldus sluit Uw Raad aan bij de nieuwe inzichten dat niet steeds en zonder meer kan worden aangegeven dat de nieuwe regel het recht weergeeft "since time immemorial".(30) Een tegengestelde opvatting zou ook daarom onaantrekkelijk zijn omdat zij het voordien geldende recht de facto ook voor die periode ontmaskert als onrecht. Die opvatting miskent onder veel meer dat de rechtspraak in de loop der tijd evolueert omdat deze (ten minste mede) de inzichten, wensen en opvattingen van de tijd weerspiegelt.(31)

5.59 Er valt zeker wat voor te zeggen om inspiratie te zoeken bij het wettelijk overgangsrecht.(32) Ik formuleer bewust voorzichtig omdat deze koers betrekkelijk haaks staat op de in binnen- en buitenland gebuikelijke: het volstrekt negeren van deze kwestie. Een opvatting die weliswaar theoretisch onjuist en in voorkomende gevallen ook onrechtvaardig is, maar waarin wordt voorkomen dat de rechter vragen moet beantwoorden waarop veelal geen zinnig - laat staan een gefundeerd en overtuigend - antwoord mogelijk is. Te weten tot welk moment in de tijd zijn beslissing terugwerkt.

5.60 In het wettelijk overgangsrecht geldt het beginsel van onmiddellijke werking als uitgangspunt.(33) Maar daarnaast geldt een ander belangrijk uitgangspunt: door het inwerkingtreden van een nieuwe wet ontstaan in beginsel geen nieuwe vorderingsrechten wanneer alle feiten die daarvoor vereist zijn reeds vóór de inwerkingtreding waren voltooid.(34) Voor deze benadering valt met name ook veel te zeggen in het licht van art. 1 Eerste Protocol EVRM, al blijkt uit de rechtspraak dat terugwerkende kracht niet zonder meer ontoelaatbaar is.(35)

5.61.1 In het al vaker genoemde arrest [...] c.s./[...] is de Hoge Raad - zonder het punt expliciet aan te stippen - klaarblijkelijk uitgegaan van terugwerkende kracht. Aldus aansprakelijkheid voor het verleden in het leven roepend waar zij voordien niet bestond.

5.61.2 Ik veronderstel dat de reden daarvan is dat Uw Raad zijn nieuwe leer maatschappelijk bevredigender vond dan zijn nog kort voordien geformuleerde. De omstandigheid dat de Afd. bestuursrechtspraak RvS, CRvB, CBB én Hoge Raad deze nieuwe leer aanhangen,(36) geeft voedsel aan de gedachte dat hier sprake is van een op dat moment sterk levende gedachte over overheidsaansprakelijkheid. Een (in elk geval wat de Hoge Raad betreft) korte periode van bloei van de overheidsaansprakelijkheid. De tijden kunnen snel veranderen.

5.62 In het licht van hetgeen onder 5.61 werd ontvouwd, omdat Uw Raad in het arrest [...] c.s./[...] zijn nieuwe toepast op een feitencomplex dat reeds voordien was voltooid én (het speelt slechts een ondergeschikte rol) omdat op dit punt in deze procedure geen enkel debat heeft plaatsgevonden, kom ik tot de conclusie dat de nieuwe leer in casu moet worden toegepast.

5.63 Dat brengt mee dat de klacht doel treft.

Conclusie

Deze conclusie strekt:

- in het principaal beroep: tot vernieting van het bestreden arrest;

- in het incidentele beroep: tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Ik neem aan dat het Hof dit bedoelt in rov. 4.2 onder d.

2 Toevoeging van het Hof.

3 In het A-dossier heb ik de stukken in chronolgische volgorde gelegd. Deze wijkt af van de nummering in groen.

4 De pleitnota mr Van der Corput bevat een datum (13 februari) maar geen jaartal. Die van mr Leijendeckers bevat geen van beide. Het gaat hier kennelijk om de tweede pleitsessie.

5 Zowel bij akte d.d. 12 november 1999 als in hoger beroep bij mvg/akte.

6 Bedoeld zal zijn: 1924.

7 Verwezen wordt naar de brief van 30 december 1992.

8 Het Hof bedoelt allicht: geschetst o.i.d.

9 Dat wil dus zeggen dat Uw Raad de zaak op dit punt zelf zou kunnen afdoen.

10 Duister is waarop de steller in dat verband doelt.

11 HR 24 november 2006, NJ 2006, 642 (rov. 3.3); HR 4 juni 2004, NJ 2004, 603 (rov. 3.4) en HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244 rov. 3.5.

12 HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244 rov. 3.5; HR 1 december 2000, NJ 2001, 46 rov. 4.3; HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169 rov. 3.3 en HR 24 november 2006, NJ 2006, 642 rov. 3.3.

13 PG boek 3 Inv. blz. 1408.

14 A-G Bakels heeft een eerder verdedigde opvatting dat art. 3:317 BW strikt moet worden uitgelegd ferm van de hand gewezen: voor HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169 onder 2.4.

15 Mijn toenmalige ambtgenoot Bakels heeft er terecht op gewezen dat de Haviltex-maatstaf moet worden gehanteerd; voor HR 25 januari 2002, NJ 2002, 169 sub 2.3.

16 Vgl. HR 1 december 2000, NJ 2001, 46.

17 O.m. HR 14 februari 1997, NJ 1997, 244 rov. 3.5 laatste alinea.

18 En deze was ook nog eens verkeerd geplaatst.

19 Zie onder 1.8.

20 Ik laat hier maar rusten om welk type varken het hier gaat. Daarbij teken ik aan moeite te hebben met begrippen als "mestvarken" e.d.m.

21 Zie nader R.P.J.L Tjittes, NTBR 1993, blz. 143-149.

22 HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 GJS.

23 HR 25 oktober 2002, NJ 2003, 171 MS (rov. 6.3).

24 HR 15 december 2000, NJ 2001, 318 MS rov. 3.4.3.

25 HR 25 oktober 2002, NJ 2003, 171 MS.

26 21 november 2001, AB 2002, 183 AMLJ rov. 2.3.

27 Zie de AB-noot onder 2.

28 Zie rov. 6.3. Niet uit de verf komt welke datum of data hier beslissend zijn, maar dat is voor ons thans niet van belang.

29 HR 10 mei 1996, NJ 1996, 643 rov. 3.3.

30 Zie ook Asser-Vranken ** nr 254.

31 Ik moge verder verwijzen naar de diepgravende dissertatie van O.A. Haazen, Algemeen deel van het rechterlijk overgangsrecht.

32 Asser-Vranken ** nr 254 met verdere bronnen.

33 Zie nader losbl. Overgangsrecht I.Inl. aant. 9 e.v.

34 Art. 69 aanhef en onder d Ow NBW.

35 Maar dat geldt niet onbeperkt. Zie recentelijk bijvoorbeeld EHRM 9 januari 2007, RvdW 2007, 455.

36 Zie de al genoemde noot van Jansen onder ABRRvS 21 november 2001, AB 2002, 183.