Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB7075

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
04-12-2007
Zaaknummer
02622/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB7075
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Voorwaardelijk opzet. 2. Toewijzen vordering benadeelde partij. Ad 1. In zijn nadere bewijsoverweging heeft het Hof als zijn oordeel tot uitdrukking gebracht dat bij verdachte sprake is geweest van voorwaardelijk opzet, omdat het niet anders kan zijn dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Het Hof heeft het opzet uit de bewijsmiddelen af kunnen leiden. Ad 2. Het oordeel van het Hof dat de vordering van de benadeelde partij v.w.b. geleden immateriële schade zich leent voor toewijzing, is onvoldoende gemotiveerd, nu volgens het voegingsformulier deze schade verband houdt met een breuk in de hand, terwijl het Hof verdachte heeft vrijgesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (een gebroken hand). Het Hof heeft ook anderszins niets vastgesteld omtrent het verband tussen het bewezenverklaarde feit en bedoeld letsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 818
RvdW 2008, 33
NJB 2008, 227
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02622/06

Mr Machielse

Zitting 9 oktober 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft op 14 maart 2006 verdachte van het onder 1 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en hem voor 1 meer subsidiair: "poging tot zware mishandeling", 2: "overtreding van artikel 7, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", 3. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod" en 4. "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast is hem ten aanzien van het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde de bevoegdheid om motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van zes maanden en zijn beslissingen gegeven ten aanzien van het inbeslaggenomene en de vordering van de benadeelde partij als nader in het arrest omschreven. Tenslotte heeft het hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

2. Mr. B.A. van Mens, advocaat te 's-Hertogenbosch, heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Mr. J.L.E. Marchal, advocaat te Maastricht, heeft een schriftuur ingezonden, houdende twee middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel richt zich tegen het onder 1 bewezenverklaarde en behelst meerdere klachten.

De eerste klacht luidt dat het voorwaardelijk opzet niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, in ieder geval is de bewezenverklaring onvoldoende met redenen omkleed. In de toelichting wordt met een beroep op het HIV I arrest betoogd dat noch uit de bewijsmiddelen, noch uit 's hofs bewijsoverweging kan worden afgeleid dat de verdachte de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel op de koop toe heeft genomen.

De tweede klacht houdt in dat, hoewel 's hofs arrest is gewezen kort na de inwerkingtreding van art. 359, tweede lid, Sv, het hof niet of onvoldoende heeft gereageerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Volgens de toelichting heeft de verdediging uitdrukkelijk enkele verklaringen voorgehouden die een bewezenverklaring van feit 1 in de weg had gestaan.

De derde klacht houdt in dat de bewijsmiddelen 2 en 3 onderling tegenstrijdig zijn. De steller van het middel acht de als bewijsmiddel 2 opgenomen verklaring onbegrijpelijk.

3.2. Het onder 1 bewezenverklaarde luidt:

"hij op 2 september 2004 in de gemeente Maastricht ter uitvoering van het door hem, verdachte, voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer 1], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid tegen de auto waar die [slachtoffer 1] naast stond, is opgereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid."

3.3. Als bewijsmiddelen heeft het hof het volgende in de aanvulling opgenomen:

"1. een proces-verbaal terechtzitting van de rechtbank Maastricht onder parketnummer 03/005634-04, d.d. 11 februari 2005, opgemaakt in de strafzaak tegen de verdachte, voorzover dit inhoudt:

als verklaring van de verdachte:

Ik heb op 2 december 2004(1) in de gemeente Maastricht op de openbare weg, te weten het Vrijthof, met anderen gevochten tegen een groep Duitsers. Ik heb zelf ook geslagen.

U houdt mij pagina 10 van het proces-verbaal voor waar melding wordt gemaakt van een jongen met een geel t-shirt die wegrende. Ik kan U zeggen dat ik degene ben geweest die daar rende.

Ik heb op 2 september 2004 in de gemeente Maastricht een ongeval veroorzaakt en heb daarna de plaats van het ongeval verlaten terwijl ik wist dat ik aan een ander schade had toegebracht.

2. een proces-verbaal van aangifte van Politie Regio Limburg Zuid, District Maastricht, Basiseenheid MSTR-Noord-Oost, Afdeling Basis Politiezorg, nr. 2004117924-4, d.d. 2 september 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], hoofdagent van politie, Afdeling Basis Politiezorg, voor zover dit inhoudt:

als op 2 september 2004 aan de betreffende verbalisant gedane aangifte van [slachtoffer 1]:

(pag. 37 t/m 40)

Op 2 september 2004 bevond ik mij met vrienden bij de auto van [slachtoffer 2]. Bij mij waren onder andere [slachtoffer 8], [slachtoffer 3], [slachtoffer 6] en [slachtoffer 2]. We waren op het Vrijthof geweest. Hier hadden we ruzie gekregen met enkele Nederlandse jongens. Ik zag dat twee van de Nederlandse jongens ons van achteren benaderden en [slachtoffer 2] met gebalde vuist in zijn gezicht sloegen.

Na enige tijd liepen we weg richting onze auto. We zagen dat de groep van Nederlandse jongens ons achterna liep. Ik zag dat drie jongens doorgelopen waren en naar een Nederlandse Volkswagen Golf type 4 liepen en de kofferbak openden. Ik zag dat deze jongens uit de kofferbak een krik, een houten lat en een sleepkabel haalden. Ik zag dat deze jongens op ons afkwamen. We zijn toen naar onze auto gerend. Toen we bij de auto aankwamen zagen we de Nederlanders niet meer. [Slachtoffer 4], [slachtoffer 2] en ik stonden buiten de auto. Ik stond bij de linkerachterdeur, [slachtoffer 4] stond rechts en [slachtoffer 2] stond ook rechts. De auto stond op een parkeerplaats. Op het moment dat ik linksachter wilde instappen, hoorde ik een auto met hoge snelheid komen aanrijden. Ik keek om en ik zag dezelfde donkerkleurige Volkswagen Golf 4 met hoge snelheid op mij af komen rijden.

Ik zag dat de Volkswagen tegen het linker achterportier reed. Ik zag dat de Volkswagen tot stilstand kwam.

Ik zag dat de bijrijder uit het raam van de Volkswagen hing en met een houten stok naar mij sloeg.

Ik zag toen dat deze Volkswagen achteruit met hoge snelheid weer wegreed. Toen de Nederlandse auto tegen het linkerachterportier reed was ik al met een been in de auto gestapt. Ik ben door de klap gedraaid. Ik heb iets van de Nederlandse auto tegen mij aangekregen.

3. een proces-verbaal van verhoor getuigen van Politie Regio Limburg Zuid, District Maastricht, Basiseenheid mstr-noord-oost, Afdeling Basis Politiezorg, nr. 2004117924-11, d.d. 2 september 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2], agent van politie, Afdeling Basis Politiezorg, voor zover dit inhoudt:

als op 2 september 2004 aan de betreffende verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 8] (blz. 92 t/m 94):

Op 2 september 2004 werden we op het Vrijthof te Maastricht aangesproken door Nederlands sprekende jongens. Ik zag dat er plotseling een jongen met kracht met een tot vuist gebalde hand [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) in het gezicht sloeg.

We liepen vervolgens richting de parkeerplaats waar de auto van [slachtoffer 2] stond.

Ik zag plotseling dat de Nederlanders snel kwamen aangelopen. Ik zag dat ze iets in de hand hadden om mee te slaan.

Ik zag dat een van de Nederlanders mij met een stuk hout probeerde te slaan.

Ik zag dat [slachtoffer 6] (het hof begrijpt: [slachtoffer 6]) een rake klap op zijn rug kreeg van de jongen met het stuk hout.

Ik zag dat iedereen begon te rennen.

De auto van [slachtoffer 2] stond op de parkeerplaats. We stapten snel in. Ik zag dat [slachtoffer 1] (het hof begrijpt: [slachtoffer 1]), [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] nog buitenstonden en wilden instappen. Ik zag dat [slachtoffer 1] linksachter wilde instappen. Ik zag dat hij bij het linkerachterportier stond, welke geopend was.

Ik hoorde plotseling het geluid van een auto, welke met hoge snelheid naderde. Ik zag dat de Golf vanuit de richting van het Vrijthof kwam gereden. Ik zag dat de Golf heel hard in de richting van [slachtoffer 1] kwam gereden. Ik zag dat [slachtoffer 1] op het laatste moment achter het linkerportier kon springen. Ik zag dat de Golf zonder te remmen het linkerachterportier ramde. Ik weet zeker dat als [slachtoffer 1] niet was weggesprongen hij vol door de Golf zou worden geraakt.

Ik zag dat de Golf achteruit reed en vervolgens wegreed.

4. een proces-verbaal van verhoor getuigen van Politie Regio Limburg Zuid, District Maastricht, Basiseenheid mstr-centrum/zuid-west, Afdeling Basis Politiezorg, nr. 2004117924-6, d.d. 2 september 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie, Afdeling Basis Politiezorg, voor zover dit inhoudt:

als op 2 september 2004 aan de betreffende verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer 3] (blz. 75 t/m 77):

Toen wij op 2 september 2004 over het Vrijthof te Maastricht liepen, liepen jongens ons tegemoet. Ik zag dat een man naar [slachtoffer 2] (het hof begrijpt: [slachtoffer 2]) liep en dat hij [slachtoffer 2] in zijn gelaat sloeg.

Wij liepen naar de Kommel en op ongeveer 10 meter afstand bleven die jongens ons volgen.

Op het eind van het Vrijthof zag ik dat een paar van die jongens een andere kant opliepen, namelijk naar rechts. Een van hen droeg een geel shirt. Ik zag dat de jongens naar een VW golf liepen, kleur donker blauw.

Ik zag dat die jongens de kofferruimte open maakten en een krik en een sleeptouw pakten.

Wij liepen verder. Ik zag dat de jongens weer samen waren.

Ik zag dat de anderen ook iets in hun handen droegen. Ik zag dat een van hen een houten stok droeg en een andere een kleinere stok.

Ik zag dat een van die jongens met die lange stok tegen [slachtoffer 6] (het hof begrijpt: [slachtoffer 6]) zijn rug sloeg onder het rennen. Ik zag dat die stok hierdoor brak. Ik zag dat de jongen met de krik in mijn richting kwam gelopen en een slaande beweging maakte in mijn richting. Ik ontweek dit.

Wij kwamen bij de auto en wilden instappen. Ik zat achter het stuur en [slachtoffer 1] wilde achter mij gaan zitten. [Slachtoffer 1] stond nog links in de buurt bij het geopende portier. Ik zag en hoorde een auto komen aanrijden. Ik zag dat de blauwe Golf vanuit de richting van het Vrijthof de Kommel opreed in de richting van onze parkeerplaats.

Ik hoorde dat de auto erg hard reed. [Slachtoffer 1] wilde instappen. Ik hoorde dat de Golf vaart maakte en zag dat de Golf met de rechtervoorzijde tegen onze auto aanreed. Ik zag dat de linkerachterdeur hierdoor werd omgeklapt. Ik zag dat [slachtoffer 1] tegen de linkerzijde van de auto hing en tussen de stilstaande Golf en onze BMW stond. Ik zag dat de Golf achteruit reed vanaf de parkeerplaats tot aan de rijbaan van de Kommel. De bestuurder van de Golf heeft de plaats van het ongeval verlaten zonder zijn identiteit kenbaar te maken.

5. een proces-verbaal van verhoor verdachte van Politie Regio Limburg Zuid, District Maastricht, Basiseenheid mstr-centrum/zuid-west, Afdeling Recherche, nr. 2004117924-27, d.d. 9 september 2004 in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden hoofdagent van politie, Afdeling Recherche, voor zover dit inhoudt:

als op 9 september 2004 aan de betreffende verbalisanten afgelegde verklaring van [getuige 1] (blz. 60 t/m 62):

In het centrum (het hof begrijpt: van Maastricht) zagen wij de groep lopen waar wij eerder ruzie mee hadden.

Ik hoorde van [verdachte] (het hof begrijpt: verdachte) dat hij spullen uit de kofferbak wilde pakken om terug naar die groep te gaan om nog een keer flink te slaan. Ik zag dat [verdachte] een houten stok uit de kofferbak pakte, [medeverdachte 1] pakte een krik en [medeverdachte 2] een sleepkabel uit de kofferbak.

Ik zag dat [verdachte], eenmaal aangekomen bij het groepje, een jongen met de stok sloeg. Ik zag dat deze stok brak. Ik zag dat [medeverdachte 1] een jongen wilde slaan met de krik. Ik zag dat hij met de krik uithaalde. Ik zag dat hierna het groepje wegrende.

[Verdachte] riep vervolgens: we pakken de auto en gaan weer naar hun toe.

We zijn vervolgens terug naar de auto gerend en [verdachte] reed hard richting de Kommel.

Hij had het groepje zien staan. Dit rijden met de auto ging hard, heel hard.

Ik zag dat hij heel hard de parkeerplaats opreed. Ik voelde gewoon dat ik in de bijrijderstoel werd gedrukt.

Ik zag dat een BMW met een groepje mensen er om heen ongeveer midden op deze parkeerplaats stond. Ik zag dat het linker achterportier van deze BMW open stond. Ik zag en hoorde dat [verdachte] geen gas verminderde danwel niet ging remmen. Ik zag een jongen in dit geopende portier staan. Ik zag dat [verdachte] gewoon in volle vaart tegen dit portier reed.

Ik heb van mijn advocaat gehoord dat [verdachte] verklaard heeft dat hij voor de aanrijding probeerde te remmen danwel de rem niet vond. Ik kan U mededelen dat [verdachte] dit echt niet geprobeerd heeft. [Verdachte] is gewoon vol gas op deze auto ingereden."

3.4. Voorts heeft het hof in het arrest nog overwogen:

"Bijzondere overweging omtrent het bewijs"

(...)

Van de zijde van de verdediging is ter terechtzitting in hoger beroep op de gronden als vermeld in de pleitnota - kort gezegd - aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat [verdachte] gepoogd zou hebben [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen volgt dat de verdachte met een personenauto met hoge snelheid op een andere personenauto is afgereden, bij welke andere auto meerdere personen, waaronder het latere slachtoffer [slachtoffer 1], zich in de directe nabijheid bevonden, en van welke auto het linkerachterportier openstond.

Gelet op het vorenstaande moet de verdachte bij het naar deze auto toe rijden zich bewust zijn geweest van de mogelijkheid dat hij een of meer van de bij de auto aanwezige personen kon raken. Uit het feit dat het portier openstond kon de verdachte bovendien opmaken dat iemand in of uit deze auto zou kunnen stappen.

Het hof is van oordeel dat de verdachte zich door zijn handelen welbewust heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat een persoon -in het onderhavige geval [slachtoffer 1]- tengevolge van deze handelswijze zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.

Het hof verwerpt mitsdien voormeld verweer.

3.5. Het hof heeft aan het opzet een bijzondere bewijsoverweging gewijd. Daaruit blijkt dat het hof voorwaardelijk opzet voor ogen heeft gehad. In het ook door de steller van het middel aangehaalde arrest van Uw Raad van 25 maart 2003(2) zijn de criteria voor voorwaardelijk opzet uiteengezet.

Uit de bewijsmiddelen en/of een nadere bewijsoverweging zal derhalve afgeleid moeten kunnen worden dat de verdachte zich de mogelijkheid dat een bepaald gevolg zou kunnen intreden heeft beseft, en dit gevolg ook heeft aanvaard.

3.6. Door met een auto een andere auto vol gas hard van achteren te naderen en daartegen aan te rijden, in welke andere auto op dat moment mensen bezig waren in te stappen, hetgeen voor de verdachte ook kenbaar was (bewijsmiddel 5), moet de verdachte wetenschap hebben gehad van de aanmerkelijke kans dat het gevolg kon intreden en ook hebben aanvaard dat een of meer personen rondom die auto letsel zouden bekomen. Mensen kunnen immers bij de aanblik van een auto die hard op hen in komt rijden, alle kanten opspringen, ook kanten die achteraf gezien onlogisch lijken. Het is een feit van algemene bekendheid dat bij een botsing of aanrijding van twee auto's mechanische krachten kunnen worden uitgeoefend die gemakkelijk tot ernstige verwondingen - of nog erger(3) - van de daarbij betrokkenen kunnen leiden. Uit bewijsmiddel 5, de verklaring van Den Boer, kan worden afgeleid dat verdachte doelbewust, met hoge snelheid en zonder te remmen, in volle vaart tegen het openstaande portier reed, in de onmiddellijke nabijheid waarvan een persoon stond. Verdachte is volgens Den Boer vol gas op de andere auto ingereden. De verdachte, bestuurder, heeft de geparkeerde auto ook zo geraakt dat de linkerachterdeur, die op dat moment open stond, is omgeklapt. Verdachte heeft toegegeven dat hij boos was op de inzittenden van de auto en is er vlak voor de aanrijding niet voor teruggedeinsd samen met zijn kompanen met slagwapens de groep van de geparkeerde auto te lijf te gaan waarbij rake klappen zijn gevallen.

Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.(4)

Gelet op het uit bewijsmiddel 5 blijkende rijgedrag van verdachte, de omstandigheden waaronder de aanrijding plaatsvond en de aard van de gedragingen van verdachte en zijn kornuiten juist voor de aanrijding, heeft het hof kunnen afleiden dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans dat anderen zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen op de koop toe heeft toegenomen.

Een beroep op HR 15 oktober 1996, NJ 1997, 199 gaat mijns inziens niet op. Uit bewijsmiddel 2, de verklaring van [slachtoffer 1], kan ik anders dan steller van het middel niet afleiden dat de bijrijder van de auto die verdachte bestuurde ook al op het moment van de aanrijding uit het raam van de auto hing. Bovendien maakt het volgens mij nogal wat uit of men met een auto hard tegen een openstaand portier van een andere auto rijdt dan wel een frontale botsing met een tegenligger riskeert.

3.7. Bij het beroep op het bepaalde in art. 359, tweede lid, Sv - dat overigens, anders dan de steller van het middel beweert, niet kort ná het bestreden arrest is ingevoerd(5) - , inhoudende dat de rechter moet motiveren waarom hij is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, moet vooropgesteld worden dat deze wetswijziging geen verandering heeft gebracht in de bevoegdheid van de feitenrechter tot selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal (vgl. HR 11 april 2006, LJN AU9130, rov. 3.8.1). Het hof heeft aan de door de verdediging aangedragen getuigenverklaringen of delen ervan minder waarde gehecht dan aan de verklaringen die het hof in de bewijsconstructie heeft opgenomen. Het hof hoefde deze selectie niet nader te motiveren.

3.8. Tenslotte de innerlijke tegenstrijdigheid. Anders dan de steller zie ik die tegenstrijdigheid niet. De bewijsmiddelen houden in dat het slachtoffer bij of in de deuropening van het linkerachterportier stond, dat de auto van de verdachte van achteren kwam aanrijden en dat het slachtoffer, wellicht door nog een of meer stappen te doen, de auto in heeft willen stappen, maar daar door het geluid van de snel naderende Golf geen gelegenheid meer toe heeft gekregen. Na de aanrijding stond het slachtoffer tegen de linkerzijde van de geparkeerde auto aangeleund. Hij stond dus niet aan de buitenkant van de linkerportier, want dan zou hij hoogstwaarschijnlijk geplet zijn tussen de omgeklapte deur en de auto.

Het middel faalt in al zijn onderdelen.

4.1. Het tweede middel houdt in dat de vordering van de benadeelde partij onvoldoende met redenen is omkleed, nu het hof de vordering van immateriële schade heeft toegewezen terwijl die immateriële schade is gebaseerd op botbreuken, welke niet in verband met het onder 1 bewezenverklaarde kunnen worden gebracht.

4.2. Het hof heeft ten aanzien van de vordering het volgende opgenomen:

"Schadevergoeding

De benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft in eerste aanleg een vordering tot schadevergoeding ten bedrage van EUR 1604,90 ingesteld, bestaande uit de volgende posten:

- voor materiële schade als gevolg van verdachtes onder 1 en 4 tenlastegelegde handelen een bedrag van EUR.104,90.

- voor immateriële schade als gevolg van verdachtes onder 1 en 4 tenlastegelegde handelen een bedrag van EUR. 1.500,00.

De benadeelde partij heeft voorts een vergoeding gevorderd voor kosten van rechtsbijstand terzake van verdachtes onder 1 en 4 tenlastegelegde handelen voor een bedrag van EUR. 331,76. Gezien het voegingsformulier zijn deze kosten kennelijk reeds vergoed.

Deze vordering is bij vonnis waarvan beroep voor wat betreft de immateriële kosten toegewezen tot een bedrag van EUR 750,00. De vordering is voor wat betreft de materiële kosten afgewezen.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor een bedrag van EUR.1.936,66.

Voor hetgeen méér gevorderd wordt dan in eerste aanleg zal de benadeelde partij niet ontvankelijk worden verklaard.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] als gevolg van verdachtes onder 1 meer en bewezen verklaarde handelen rechtstreeks immateriële schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

De verdachte zal voorts worden veroordeeld in de proceskosten van de benadeelde partij als hierna te melden.

De benadeelde partij zal voor het overige deel niet ontvankelijk worden verklaard in haar vordering.

Het hof ziet tevens aanleiding terzake de maatregel van artikel 36f van Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden. Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

(...)

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag.

Veroordeelt verdachte om tegen bewijs van kwijting aan de benadeelde partij voornoemd te betalen een bedrag van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro).

Verklaart de benadeelde partij voornoemd in haar vordering voor wat betreft het overige niet-ontvankelijk.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 1] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van [slachtoffer 1], wonende te [land A], [plaats A], [a-straat 1], een bedrag te betalen van EUR 750,00 (zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis.

Bepaalt dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen."

4.3. De vordering tot vergoeding van immateriële schade zag op het onder 1 en 4 tenlastegelegde, maar is door het hof teruggebracht tot het onder 1 bewezenverklaarde feit, de poging tot zware mishandeling. De benadeelde partij heeft zijn post "Schmerzensgeld" onderbouwd met medische informatie die in verband kan worden gebracht met een opgelopen breuk van de rechterhand. Van het toebrengen van dat letsel is de verdachte vrijgesproken. Daarnaast is als bijlage bij de vordering een kopie toegevoegd uit de ANWB smartegeldgids.

Het toekennen van immateriële schade gaat naar maatstaven van billijkheid en moet betrekkelijk eenvoudig vast te stellen zijn.(6)

Blijkens het voegingsformulier heeft de post smartengeld, gezien de verwijzing naar bijlagen 3 en 4, betrekking op de immateriële schade die het toegebrachte lichamelijk letsel voor het slachtoffer heeft veroorzaakt. Nu verdachte is vrijgesproken van het veroorzaken van dit letsel ontbreekt inderdaad het vereiste rechtstreekse verband tussen de schade en het feit waarvoor verdachte is veroordeeld. Als het hof bedoeld heeft een vergoeding toe te kennen voor immateriële schade die het slachtoffer heeft geleden als gevolg van de poging tot zware mishandeling, waarvoor verdachte wel is veroordeeld, en welke immateriële schade heeft bestaan in de door het strafbare feit veroorzaakte angst, onzekerheid en gevoelens van onveiligheid, heeft het hof eigenhandig de feitelijke gronden waarop de vordering van de benadeelde partij was gebaseerd, aangevuld. Daartoe was het hof niet bevoegd.(7)

Het tweede middel is gegrond.

4. Het eerste middel faalt. Het tweede middel komt mij gegrond voor. Een andere grond waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.

5. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voorzover het betreft de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij en de oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde in dier voege opnieuw te beslissen en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 AM, lees: 2 september 2004.

2 NJ 2003, 552, m.nt. YB (HIV I).

3 Het met hoge snelheid inrijden op personen wordt ook niet zelden als een poging doodslag gekwalificeerd. Vlg. inrijden op agent, HR 6 februari 1951, NJ 1951, 475, m.nt. BVAR of een geslaagde doodslag, HR 17 december 1996, NJ 1997, 245 en HR 23 januari 2001, NJ 2001, 327 (beide over vluchten voor de politie).

4 Ontleend aan HR 25 maart 2003, NJ 2003, 552 m.nt. Buruma.

5 Het nieuwe, tweede lid van art. 359 Sv is op 1 januari 2005 reeds in werking is getreden. Aangezien het onderzoek ter zitting in deze zaak ruim een jaar ná die datum is gesloten (28 februari 2006), is deze nieuwe bepaling van toepassing (art. II van de Wet van 10 november 2004 (Wet bekennende verdachte), Stb. 2004, 580). Wellicht bedoelde de steller van het middel: kort na het plegen van de feiten.

6 Voor immateriële schade, geleden door een nabestaande, gelden andere, strengere eisen, HR 20 december 2005, NJ 2006, 38, HR 10 april 2007, NJ 2007, 223 en HR 3 juli 2007, LJN BA5624, waarin telkens wordt verwezen werd naar het civiele arrest van de Hoge Raad op 22 februari 2002, NJ 2002, 240: daar moet vast komen te staan dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Zie ook mr. A.C. Bijlsma, Handboek benadeelde partij, De rol en positie van het slachtoffer in het strafproces, Kluwer, 2005, p. 94 ev.

7 Bijv. HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 92; HR 31 maart 2006, NJ 2006, 233.