Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB6008

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
C06/042HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB6008
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Geschil tussen een tuinbouwcoöperatie e.a. en een voormalig lid over de incasso van restantsaldo van de rekening-courantverhouding (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 684
RvdW 2007, 886
NJB 2007, 2146
JWB 2007/352
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C06/042HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 22 juni 2007

Conclusie inzake

[Eiser]

tegen

The Greenery B.V. (voorheen genaamd The Greenery International B.V.)

Inleiding

1. Het gaat in deze zaak - die verwantschap vertoont met de zaak die heeft geleid tot het arrest van uw Raad van 17 november 2006, NJ 2006, 621 - om een geschil omtrent de afrekening tussen een tuinbouwondernemer (eiser tot cassatie, hierna: [eiser]) en de vennootschap waarin de tuinbouwcoöperatie waarbij hij was aangesloten haar afzetorganisatie heeft ondergebracht (verweerster in cassatie, hierna: The Greenery). The Greenery vordert in dit geding - gelet op de beëindiging van het lidmaatschap van de tuinbouworganisatie na opzegging door [eiser] - betaling van het restantsaldo van de rekening-courantverhouding die volgens haar tussen partijen heeft bestaan, welk saldo volgens haar ingevolge art. 6:140 lid 3 BW vaststaat nu [eiser] daartegen niet binnen een redelijke termijn heeft geprotesteerd. Het hof heeft de vordering toegewezen; het heeft daarbij de verweren van [eiser] dat geen sprake was van een rekening-courantverhouding alsmede dat hij wel tijdig heeft geprotesteerd als onvoldoende onderbouwd verworpen. Tegen die oordelen keert zich het middel.

2. Tussen partijen staat het volgende vast (zie rechtsoverweging 1 van het bestreden arrest van het hof):

i) [Eiser] voerde in het verleden een tuinbouwonderneming onder de naam kwekerij "[A]". Hij was lid van de coöperatie Voedings Tuinbouw Nederland U.A. (VTN). Begin 1998 heeft hij zijn lidmaatschap opgezegd. Op grond van de artikelen 15 lid 1 en 16 lid 2 van de statuten van VTN is zijn lidmaatschap geëindigd op 31 december 1998.

ii) VTN heeft haar gehele afzetorganisatie ondergebracht in The Greenery en zij houdt in die vennootschap alle aandelen.

3. In dit geding heeft The Greenery gevorderd dat [eiser] wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van f 38.638,83 aan hoofdsom, te vermeerderen met de buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente vanaf 4 januari 1999, zijnde deze hoofdsom het nog aan haar verschuldigde restantsaldo in rekening-courant, welk saldo - zo stelt The Greenery - tussen partijen vaststaat op grond van art. 6:140 lid 3 BW nu [eiser] daartegen niet binnen redelijke tijd heeft geprotesteerd.

[Eiser] heeft zich - voorzover in cassatie nog van belang - tegen de vordering verweerd met de stelling dat van een rekening-courantverhouding geen sprake was; voorts heeft zij betoogd dat het restantbedrag ziet op de kosten van fustopname (door de The Greenery ter beschikking gesteld verpakkingsmateriaal) maar dat zij geen fust heeft opgenomen en dat zij tegen de volgens The Greenery verschuldigde bedragen aan fust "geregeld", "terstond" en "bij voortduring" heeft geprotesteerd. [Eiser] heeft voorts bij incidentele conclusie de rechtbank verzocht om voeging van de onderhavige zaak met de zaak onder rolnummer 98.2640 tussen The Greenery en E.M.T.

De rechtbank te 's-Gravenhage heeft de gevraagde voeging afgewezen bij vonnis van 20 december 2000 en - bij tussenvonnis van 27 maart 2001 - een comparitie van partijen gelast. Bij eindvonnis van 28 augustus 2002 heeft de rechtbank het verweer van [eiser] verworpen en de vordering van The Greenery toegewezen met uitzondering van de nevenvordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

4. [Eiser] heeft vervolgens hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 3 november 2005 heeft het gerechtshof te 's-Gravenhage de grieven verworpen en de uitspraak waarvan beroep bekrachtigd. Het overwoog daartoe als volgt:

4. Ten aanzien van het bestaan van een rekening-courantverhouding tussen partijen verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank. De door The Greenery overgelegde dagafschriften en weekoverzichten, alsmede het betalingsoverzicht over het jaar 1997, laten geen andere conclusie toe dan dat de vorderingen die partijen gedurende het lidmaatschap van [eiser] over en weer op elkaar hadden - bestaande enerzijds uit de opbrengst van de door bemiddeling van The Greenery verkochte landbouwproducten van [eiser] en anderzijds uit de door [eiser] verschuldigde veilingprovisie, heffingen en huur- en statiegelden voor opgenomen fust (verpakkingsmateriaal) - krachtens (stilzwijgende) overeenkomst of gewoonte in één rekening, zoals bedoeld in artikel 6:140 lid 1 BW, werden opgenomen en periodiek werden vereffend. [Eiser] heeft, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, aangegeven hoe de geldvorderingen en geldschulden tussen partijen, bij gebreke van een rekening-courantverhouding, gedurende de jaren van zijn lidmaatschap dan wel vereffend werden. Meer in het bijzonder heeft hij niets gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de over en weer bestaande vorderingen en schulden steeds afzonderlijk, zonder doorlopende verrekening, werden geïnd en betaald.

Niet valt in te zien waarom het feit dat op de dagafschriften het woord "factuurdatum" en op de weekafschriften het woord "factuurnummer" is vermeld, zou kunnen afdoen aan het bestaan van een rekening-courantverhouding. [Eiser] heeft weliswaar bewijs aangeboden van zijn stelling dat tussen partijen geen rekening-courantverhouding heeft bestaan, maar het hof gaat daaraan voorbij; het bewijsaanbod is slechts in algemene termen gesteld, en het is, in het licht van de voorgaande overwegingen, onvoldoende toegelicht en gespecificeerd.

5. Ook omtrent de kwestie van het saldo van de rekening-courantverhouding verenigt het hof zich met hetgeen de rechtbank heeft overwogen. [Eiser] stelt weliswaar dat hij "terstond", "uitvoerig" en "bij voortduring" mondeling heeft geprotesteerd tegen "de rekening-courant en ook het saldo", maar hij geeft, noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep aan wanneer, jegens wie en op welke gronden dat precies is geschied. Deze stelling acht het hof dan ook onvoldoende toegelicht en onderbouwd, reden waarom het hof ook voorbij gaat aan het bewijsaanbod op dit punt.

5. Tegen dit arrest heeft [eiser] - tijdig - cassatieberoep ingesteld. The Greenery heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Partijen hebben schriftelijke toelichtingen genomen en vervolgens van repliek en dupliek gediend.

In haar conclusie van dupliek heeft The Greenery zich op voorhand verzet tegen een eventuele repliek van [eiser] op de grond dat [eiser] in zijn schriftelijke toelichting heeft volstaan met een verwijzing naar de middelen opgenomen in de cassatiedagvaarding: zij heeft betoogd dat [eiser] niet meer het recht toekomt te repliceren nu hij de facto heeft afgezien van schriftelijke toelichting. Dit betoog faalt. De akte van repliek strekt ertoe eiser de mogelijkheid te bieden te reageren op de schriftelijke toelichting van de wederpartij en is niet gebonden aan de voorwaarde dat eiser zijn cassatieberoep zelf ook inhoudelijk heeft toegelicht in een ter rolle genomen schriftelijke toelichting. Vgl. Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen, 2005, nr. 156.

De cassatiemiddelen

6. Het eerste cassatiemiddel keert zich tegen de hiervoor geciteerde rechtsoverwegingen 4 en 5 met de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat tussen partijen een rekening-courantverhouding heeft bestaan, dat The Greenery geregeld afschriften met de periodieke vaststelling van het saldo heeft gezonden en dat het saldo vaststaat nu [eiser] hiertegen niet tijdig heeft geprotesteerd. Dit middel wordt uitgewerkt in een "toelichting" die onder meer een aantal klachten bevat verspreid over een aantal genummerde tekstblokken.

De eerste klacht, opgenomen onder 8, bestrijdt kennelijk 's hofs in rechtsoverweging 4 vervatte oordeel dat de vorderingen die partijen over en weer op elkaar hadden krachtens (stilzwijgende) overeenkomst of gewoonte in één rekening zoals bedoeld in art. 6:140 lid 1 BW werden opgenomen en periodiek werden vereffend en dat The Greenery periodiek vaststellingen van het saldo van de rekening aan [eiser] heeft gezonden. De klacht luidt dat het hof hiermee heeft miskend dat bij een rekening-courantverhouding sprake moet zijn van één althans een rekening, waarin geldvorderingen en geldschulden worden geboekt en dat die worden verrekend en slechts het saldo opeisbaar is.

Onder 9 en 10 is een motiveringsklacht geformuleerd tegen de redenering van het hof; in het bijzonder wordt geklaagd dat onbegrijpelijk is de overweging van het hof dat de stellingen van The Greenery feitelijk vaststaan en dat [eiser] onvoldoende heeft gesteld ter betwisting van die stellingen. Deze oordelen worden onbegrijpelijk genoemd in het licht van de door het middel weergegeven stellingen van [eiser], die volgens het middel door het hof ten onrechte zijn gepasseerd althans onbegrijpelijk uitgelegd. Onder 11 en 12 wordt hieraan toegevoegd dat uit het feit dat niet iedere schuld afzonderlijk wordt betaald, niet een rekening-courant kan worden afgeleid, waartoe wordt gewezen op de mogelijkheid van een periodieke factuur waarmee de totaaltelling van de leveranties van 1 dag of week in rekening wordt gebracht. Onder 13 wordt betoogd dat waar gewoonlijk de totaaltelling van een weekfactuur werd uitbetaald of opgevorderd, er geen sprake kan zijn van een rekening-courantverhouding uit gewoonte of overeenkomst en voorts dat de betwistingen van [eiser] een dergelijke conclusie uit de vaststaande feiten uitsluit. Onder 14 wordt aangevoerd dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van [eiser] heeft gepasseerd.

7. Bij de beoordeling van deze klachten dient tot uitgangspunt de regeling van art. 6:140 BW inzake de verrekening van geldvorderingen en geldschulden die in één rekening zijn opgenomen. Het eerste lid van dit wetsartikel bepaalt dat indien tussen twee partijen krachtens wet, gewoonte of rechtshandeling geldvorderingen en geldschulden in één rekening moeten worden opgenomen, deze vorderingen en schulden - in de volgorde waarin partijen volgens de artikelen 6:127-139 BW of krachtens hun onderlinge rechtsverhouding tot verrekening bevoegd worden - dadelijk van rechtswege worden verrekend en dat op ieder tijdstip alleen het saldo verschuldigd is. Lid 2 schrijft de partij die het saldo bijhoudt, voor deze jaarlijks af te sluiten en het op dat tijdstip verschuldigde saldo aan de wederpartij mede te delen. Het derde lid bepaalt dat indien de wederpartij niet tijdig tegen het ingevolge het vorige lid medegedeelde saldo protesteert, dit saldo geldt als tussen partijen vastgesteld. Na vaststelling kan ingevolge lid 4 ten aanzien van de afzonderlijke posten geen beroep meer worden gedaan op het intreden van de verjaring of het verstrijken van een vervaltermijn. Het vijfde lid houdt in dat uit de tussen partijen bestaande rechtsverhouding anders kan voortvloeien dan in de vorige leden is bepaald. Kenmerkend voor de aldus geregelde rekening-courantverhouding is dat de vorderingen die over weer tussen partijen ontstaan, niet afzonderlijk worden geïnd doch worden verrekend, hetgeen meebrengt dat slechts het saldo is verschuldigd en dat afzonderlijke posten niet kunnen worden gevorderd. Het bestaan van een rekening-courantverhouding sluit echter niet uit dat het saldo periodiek wordt uitbetaald of opgevorderd. Zie: F.H.J. Mijnssen, De rekening-courantverhouding, studiepocket privaatrecht nr. 19, 3e druk, 1995, par.1, 2, 6, 7 en 16 en Asser-Hartkamp 4-I, 12e dr., 2004, nr. 557-561. Zie voorts mijn conclusie voor het onder 1 reeds genoemde arrest HR 17 november 2006, NJ 2006, 621 ([...]/VTN en The Greenery).

8. Uit de bestreden rechtsoverwegingen blijkt dat het hof de wettelijke vereisten voor de aanwezigheid van een rekening-courantverhouding niet alleen expliciet heeft weergegeven maar ook dat het deze vereisten bij zijn beoordeling tot maatstaf heeft genomen. De eerste (rechts-)klacht stuit hierop af. Bedoelde vereisten tot maatstaf nemend, is het hof tot het oordeel gekomen dat The Greenery heeft aangetoond dat tussen partijen sprake is geweest van een rekening-courantverhouding gelet op de door The Greenery overgelegde dagafschriften en weekoverzichten, alsmede op het betalingsoverzicht over het jaar 1997, die naar 's hofs oordeel geen andere conclusie toelaten dan dat de vorderingen die partijen gedurende het lidmaatschap van [eiser] over en weer op elkaar hadden, krachtens (stilzwijgende) overeenkomst of gewoonte in één rekening, zoals bedoeld in artikel 6:140 lid 1 BW, werden opgenomen en periodiek werden vereffend; het hof heeft daarbij in aanmerking genomen dat [eiser], noch in eerste aanleg, noch in hoger beroep, heeft aangegeven hoe de geldvorderingen en geldschulden tussen partijen, bij gebreke van een rekening-courantverhouding, gedurende de jaren van zijn lidmaatschap dan wel vereffend werden. Dat oordeel is - voorzover het middel het bestrijdt - onjuist noch onbegrijpelijk.

Evenmin onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat [eiser] tegenover de stellingen van The Greenery onvoldoende heeft aangevoerd. Daarbij verdient opmerking dat [eiser] tot aan de pleidooien in hoger beroep heeft volstaan met een blote ontkenning en eerst in zijn pleitnotities een meer uitgewerkt verweer heeft gevoerd. Deze pleitnotities - naar welke het middel voor zijn motiveringsklacht mede verwijst - hebben overigens tevens betrekking op de onder 3 genoemde procedure tussen The Greenery en E.M.T. (in welke procedure aanvankelijk ook cassatieberoep was ingesteld doch die vervolgens door royement is geëindigd). Hetgeen [eiser] in deze pleitnotities heeft betoogd, komt erop neer dat [eiser] de door The Greenery overgelegde dag- en weekafschriften niet heeft ontvangen en dat daaruit reeds dient te worden afgeleid dat van een rekening-courantverhouding "bij voorbaat geen sprake kan zijn" en dat voorzover [eiser] (zeer beperkt) "dit soort afschriften" wel heeft ontvangen, deze slechts "mededelingen" bevatten en niet de jaarlijkse opgave van het op dat tijdstip verschuldigde saldo zoals bedoeld in art. 6:140 lid 2 BW. Voorts heeft [eiser] - in reactie op het schriftelijk pleidooi van The Greenery - betoogd dat uit de stellingen van The Greenery zelf volgt dat van een rekening-courantverhouding juist geen sprake is. Tegenover de stelling van The Greenery dat de betalingen aan [eiser] vermeld in het - als productie 2 bij conclusie van repliek - door haar in het geding gebrachte betalingsoverzicht uit 1997, betalingen betreffen van het saldo en niet van afzonderlijke transacties, heeft [eiser] slechts opgemerkt dat indien de productie wordt bezien, de conclusie niet anders kan luiden dan dat van een rekening-courantverhouding juist geen sprake is. Voorts heeft [eiser] opgemerkt dat uit de door The Greenery als dagafschriften aangemerkte stukken (gezien de vermelding "door u te betalen") volgt dat sprake is van gewone facturen. Indien sprake zou zijn geweest van een rekening-courant zou in rekening-courant worden geboekt, aldus [eiser], doch de betreffende bescheiden "wijzen daar in het geheel niet op. De tuinders, in dit geval E.M.T., dienden te betalen na ontvangst van deze facturen." Een nadere adstructie van deze laatste stelling - bijvoorbeeld in de vorm van één of meer bankafschriften - heeft [eiser] evenwel niet verschaft. Ten slotte heeft [eiser] aangevoerd dat de andere bij voornoemde conclusie overgelegde, wederom als dagafschriften aangeduide bescheiden, wederom geen dagafschriften betreffen "maar enkel mededelingen, hetgeen wat anders is dan de jaarlijkse opgave zoals bedoeld in art. 6:140 lid 2 BW. Kennelijk werden die mededelingen gevolgd door de eveneens als productie 2 in de zaak tegen E.M.T. overgelegde (BTW-)facturen". Aldus [eiser].

Beziet men dit betoog, dat overigens in de eerste plaats reeds lijkt te miskennen dat art. 6:140 lid 2 BW niet aan een periodieke opgave en verrekening van het saldo in de weg staat, dan is geenszins onbegrijpelijk dat het hof (ook) daarin geen toereikende betwisting heeft gezien van het met bescheiden onderbouwde standpunt van The Greenery. De motiveringsklacht van middel 1 treft dan ook geen doel. In het midden kan blijven of - zoals The Greenery in haar schriftelijke toelichting bestrijdt - met dit betoog reeds in feitelijke instanties is aangevoerd dat - zoals in het middel onder 13 wordt gesteld - sprake is van verzamelfacturen c.q. "dat de totaaltellingen van een weekfactuur door The Greenery werden uitbetaald of opgevorderd." Nu het hof heeft geoordeeld dat [eiser] zijn betwisting onvoldoende heeft geadstrueerd en derhalve in zoverre niet heeft voldaan aan zijn stelplicht, is 's hofs oordeel dat het (tegen)bewijsaanbod van [eiser] moet worden gepasseerd, anders dan onder 14 wordt betoogd, juist, wat er verder zij van de overigens daartoe bijgebrachte motivering. Zie onder meer HR 3 december 2004, NJ 2005, 160, m.nt. MMM.

Het eerste cassatiemiddel dient derhalve te worden verworpen.

9. Het tweede cassatiemiddel komt op tegen de rechtsoverwegingen 5 en 6 en klaagt dat het hof in deze rechtsoverwegingen ten onrechte, althans zonder toereikende motivering, heeft overwogen dat [eiser] te laat heeft geprotesteerd zodat de verschuldigdheid van het saldo vast staat. Ook dit middel wordt uitgewerkt in een "toelichting" met een aantal klachten vervat in genummerde tekstblokken. Het middel betoogt onder 16 dat het hof door ten onrechte uit te gaan van het bestaan van een rekening-courantovereenkomst, niet meer is gekomen aan de betwisting van de fustvordering van The Greenery; voor die betwisting verwijst het middel - onder 17 - naar enkele passages in de gedingstukken. Onder 18 wordt aangevoerd dat het hof heeft miskend dat, nu niet sprake is van een rekening-courantovereenkomst, het uitgangspunt geldt dat niet kan worden gesteld dat iemand zijn recht om een factuur te betwisten verliest indien hij niet binnen redelijk korte ("bekwame") tijd na ontvangst daartegen protesteert (waarvoor het middel verwijst naar HR 11 mei 2001, NJ 2001, 410).

10. Gebaseerd als zij zijn op het uitgangspunt dat art. 6:140 BW in casu niet van toepassing is, bouwen deze klachten voort op de klachten van middel 1 en moeten zij het lot daarvan delen. Gelet op art. 6:140 lid 3 BW is het hof terecht niet meer toegekomen aan de inhoudelijke betwisting van de fustvordering. Voorzover het middel zich tevens erop beroept dat [eiser] wel (heeft aangevoerd dat hij) tijdig heeft geklaagd, moet het falen omdat niet onbegrijpelijk is 's hofs oordeel dat [eiser] deze stelling onvoldoende heeft toegelicht.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden