Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB5625

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
C06/221HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB5625
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Werkgeversaansprakelijkheid. Schadevordering van werknemer na val in magazijn van een door hem gebruikte trap; reikwijdte van de zorgplicht van werkgever, die een andere, deugdelijke trap voor werk in het magazijn ter beschikking had gesteld (art. 7:658 BW)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 643
JOL 2007, 834
RvdW 2007, 1035
RAR 2008, 15
RAV 2008, 17
JAR 2008, 15
NJB 2008, 75
JWB 2007/419
JAR 2008/15 met annotatie van Mr. dr. M.S.A. Vegter
JA 2008/33 met annotatie van B.M. Paijmans
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/221HR

mr. J. Spier

Zitting: 29 juni 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[Eiser]

(hierna: [eiser])

tegen

Shell Solar Energy BV

(hierna: Shell)

1. Feiten

1.1 In zijn in cassatie bestreden arrest is het Hof 's-Hertogenbosch in rov. 4.1, 4.2.1, 4.2.2, 4.4.1 en 4.4.2 van de volgende feiten uitgegaan(1) (deze vaststelling wordt ten dele door de klachten onder vuur genomen).

1.2 [Eiser] is met ingang van 1 mei 2001 in dienst getreden bij Shell. Laatstelijk verrichte hij werkzaamheden als shift leader tegen een bruto salaris van € 2.468 per maand exclusief 8% vakantietoeslag en overwerkvergoeding, maar inclusief 14,5% overwerktoeslag. Deze arbeidsovereenkomst is inmiddels wegens bedrijfsbeëindiging geslaakt.

1.3 [Eiser] heeft Shell aansprakelijk gesteld voor een bedrijfsongeval dat, volgens hem, is voorgevallen op 15 juli 2002 als gevolg waarvan hij blijvend letsel zou hebben opgelopen. Shell heeft de toedracht van het ongeval betwist.

1.4 Tot [eiser] taken behoorde het aanvullen van ontbrekende kitspuiten. Deze zaten verpakt in dozen van 12 stuks; ze lagen op pallets gestapeld in het magazijn. De pallets lagen op een verhoging; de dozen waren in drie lagen gestapeld.

1.5.1 In het magazijn was een verplaatsbare trap met vijf treden aanwezig. Deze was voorzien van een stabilisatievoet met antisliprubbers en een leuning ter verhoging(2) van de grijpmogelijkheden.

1.5.2 Deze trap was in beginsel geschikt om daarmee dozen van de stapel op de pallet te pakken.

1.5.3 Op de stapel dozen met kitspuiten lag kennelijk een slordig teruggezette doos.

1.6 Daarnaast gaat het Hof veronderstellenderwijs uit van het navolgende, zoals gesteld door [eiser] (rov. 4.4.1 en 4.4.2)

1.7 Omdat de kit op was, wilde [eiser] een doos kit uit het magazijn halen. Daartoe gebruikte hij niet de onder 1.5.1 genoemde trap, maar een trap met minder treden. Deze was aanwezig op de productieafdeling (in het snijhok).

1.8 Bij het pakken van de doos kitspuiten werd hij verrast door een doos die, kennelijk enigszins naar achteren geschoven, gedeeltelijk steun vond op de doos die [eiser] heeft willen pakken. Deze doos had hij niet eerder bemerkt.

2. Welke stukken behoren tot het procesdossier?

2.1 In rov. 2 maakt het Hof gewag van de opmerkelijke en onwenselijke situatie dat de mvg in beide dossiers niet hetzelfde is; in de ene versie gaat het om vijf, in de andere om vier grieven.

2.2 Uit rov. 2 blijkt dat en waarom het Hof is uitgegaan van de mvg van Shell, die correspondeert met die welke aan het Hof is overgelegd.

2.3 De vijfde grief speelt in deze zaak geen rol.

2.4 Er zijn meer verschillen tussen beide dossiers, als ik het goed zie uitsluitend gelegen in de mvg. Met het oog daarop heb ik het Hof dossier doen opvragen. Dat voeg ik ad informandum aan de door partijen overgelegde dossiers toe.

2.5 Een verklaring voor de afwijkingen trof ik niet aan; ook niet in de s.t. van partijen. Ik heb mij de vraag gesteld of het nuttig of nodig zou zijn de zaak weer op de rol te plaatsen teneinde daarover opheldering te krijgen. Nu het, zoals hierna zal blijken, m.i. gaat om voor de beoordeling van de klachten niet essentiële verschillen heb ik, ter voorkoming van onnodig tijdverlies, daarvan afgezien. Na een eventuele vernietiging en verwijzing zal de verwijzingsrechter, zo nodig, te deze zake opheldering kunnen vragen.

3. Procesverloop

3.1.1 Bij exploit van 23 december 2003 heeft [eiser] Shell gedagvaard voor de Kantonrechter Helmond. Hij heeft - voor zover thans van belang - gevorderd dat Shell wordt veroordeeld aan hem te vergoeden alle schade voorvloeiende uit het onder 1.3 genoemde ongeval, nader op te maken bij staat.

3.1.2 [Eiser] heeft in essentie de onder 1 vermelde stellingen aan zijn vordering ten grondslag gelegd.

3.1.3 Hij heeft er voorts op gewezen dat geen sprake was van een risico-inventarisatieplan; door het vele overwerken (30 tot 35 uur in de voorafgaande maanden) en hoge productiedwang was sprake van te hoge werkdruk.

3.2 Shell heeft onder heel veel meer het plaatsvinden van het ongeval alsmede de omstandigheden waaronder het plaatsvond ontkend. Uit een door haar ingesteld onderzoek zou zijn gebleken dat geen sprake kan zijn geweest van een onveilige werkplek; de doos was vanuit alle hoeken goed zichtbaar. [Eiser] heeft er zelf voor gekozen om een minder geschikte trap te gebruiken. Het ongeval is, nog steeds volgens Shell, aan [eiser] grove schuld te wijten omdat hij heeft verzuimd een beschikbare veilige trap te gebruiken.(3)

3.3 In zijn vonnis van 22 september 2004 heeft de Kantonrechter de onder 3.1 vermelde vordering toegewezen. Daartoe wordt onder meer overwogen:

"10. De kantonrechter is van oordeel, dat wanneer en voor zover een functie inhoudt dat met gebruikmaking van opstapjes, krukjes, trappen en/of ladders op hoogte gewerkt dient te worden, zulks in beginsel het bestaan van een risico (in de vorm van verstappen of een val) met zich meebrengt. Op grond daarvan dient te worden geoordeeld dat in dergelijk geval in beginsel sprake is van een (minstens: latent) onveilige werksituatie. Als onweersproken staat vast dat Shell het risico van valpartijen bij het ophalen van goederen uit het magazijn niet heeft opgenomen in een risico-inventarisatie.

11. Dat van Shell ook verlangd mocht worden dat zij zich van de risico's bewust was, volgt uit haar eigen stellingname ten aanzien van de beschikbare trapjes. Daaruit volgt immers dat de werknemer voor het verrichten van zijn werkzaamheden gebruik kon maken van verschillende trappen, waarvan er één beter geschikt was dan de ander. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] zijdens Shell ooit is verplicht tot het gebruik van een trap met vijf treden in deze situatie, of daar zelfs maar op is gewezen. Enkel het feit dat een trap met vijf treden ter beschikking stond maakt nog niet dat Shell voldoende aan haar zorgplicht heeft voldaan. Gesteld noch gebleken is dat zij dienaangaande instructies of dienstopdrachten aan [eiser] heeft verstrekt of hem zelfs maar op de risico's van het gebruik van een kleinere trap heeft gewezen.

12.1 Zijdens Shell is aangevoerd dat het om relatief eenvoudige werkzaamheden gaat, waarvan [eiser] op basis van zijn werkervaring had moeten weten dat hij daarbij een andere trap had moeten gebruiken. Gesteld al dat zulks aangenomen zou kunnen worden, dan is daarmee nog niet gegeven dat Shell aan haar zorgplicht zou hebben voldaan. Het is een ervaringsfeit dat personeel uit gemakzucht of gewenning bij aanwezigheid van on- of minder geschikte hulpmiddelen niet altijd gebruik maakt van wel geschikte hulpmiddelen. Dat Shell door een geregelde instructie van haar personeel [eiser] op de gevaren daarvan heeft gewezen, is niet gesteld, noch gebleken. Gegeven hetgeen hiervoor in r.o. 10 is overwogen omtrent de risico's die inherent zijn aan het werken op hoogte, had zulks wel op de weg van Shell gelegen en kan - nu niet is gebleken dat [eiser] op dit punt enige instructie heeft gehad - niet worden aangenomen dat Shell aan haar uit artikel 7:658 BW voorvloeiende zorgplicht jegens [eiser] heeft voldaan."

3.4 Shell heeft hoger beroep ingesteld. [Eiser] heeft - voor zover thans van belang - het bestreden vonnis verdedigd.

3.5.1 Het Hof heeft in zijn arrest van 25 april 2006 uit proceseconomische overwegingen ervoor gekozen om eerst de derde grief van Shell te behandelen, welke betrekking heeft op de vraag of Shell haar zorgplicht heeft geschonden (rov. 4.4.1). De overige grieven heeft het Hof onbesproken gelaten (rov. 4.4.3). Het heeft het bestreden vonnis vernietigd en de vorderingen van [eiser] afgewezen.

3.5.2 Het Hof heeft zijn oordeel dat Shell haar zorgplicht niet heeft geschonden, in rov. 4.4.2 als volgt onderbouwd:(4)

"(...) Welbeschouwd komt het er op neer dat [eiser] staande op een trap voorzien van twee treden niet heeft gezien dat op de bewuste stapel nog een doos lag. Het ongeval is dus in feite veroorzaakt doordat [eiser] zich bediend heeft van een voor die omstandigheden te lage trap, en daardoor zichzelf in een positie heeft gebracht dat hij een doos met kitspuiten met twee handen diende aan te pakken boven zijn hoofd en aldus niet heeft gezien of kunnen zien dat er op die doos (gedeeltelijk verscholen) nog een andere doos lag. Toen deze doos viel heeft [eiser] kennelijk het evenwicht verloren en is vervolgens ongecontroleerd van de bovenste trede van het trapje afgestapt met als gevolg een verdraaide knie. Naar het oordeel van het hof valt ook indien deze handelwijze van [eiser] - als voldoende vaststaand - als uitgangspunt voor de beoordeling wordt genomen, niet dadelijk in te zien welk verwijt Shell gemaakt zou kunnen worden met betrekking tot het niet voldoen aan haar zorgplicht. In het magazijn bevindt zich standaard een deugdelijke (voldoende hoge en stevige) trap, die geschikt moet worden geacht om op ooghoogte een doos met kitspuiten van de stapel op een pallet af te pakken. [Eiser] was daar ook mee bekend. Het pakken van een doos met inhoud boven reikhoogte met behulp van een kleine trap betreft een alledaagse handeling die naar mag worden aangenomen ook vele malen in de huiselijke sfeer plaatsvindt. Een (nadere) instructie van de werkgever hoe een doos, beperkt van omvang en gewicht, van een stapel te pakken met behulp van een daartoe geëigende trap is derhalve redelijkerwijs niet noodzakelijk te achten.

De omstandigheid dat er kennelijk op de stapel dozen met kitspuiten een slordig terug gezette doos (met kitspuiten) aanwezig was maakt dat oordeel niet anders.

Evenmin kan gezegd worden dat tegen deze achtergrond Shell haar zorgplicht heeft geschonden door een risico-inventarisatie na te laten althans doordat dit risico hieruit niet blijkt (Shell betwist immers een risico-inventarisatie te hebben nagelaten). Het gaat hier immers niet om een bijzonder risicovolle laat staan een gevaarlijke situatie, die maakt dat werknemers daarop extra attent gemaakt moeten worden door middel van werkinstructies of al dan niet gedetailleerde gebruiksvoorschriften.

Van een werknemer mag een minimale voorzichtigheid worden verlangd in min of meer dagelijks voorkomende situaties die een beperkt risico inhouden. Dat geldt zeker (ook) in situaties waarvan niet gezegd kan worden dat ze specifiek werkgerelateerd zijn, doordat ze zich niet wezenlijk onderscheiden van situaties, die zich in het normale dagelijks leven veelvuldig voordoen, zoals het klimmen op een (huishoud)trap om iets aan te pakken, het hanteren van gewone messen of ander eenvoudig gereedschap, het openen van flessen of blikjes dan wel het lopen over minder stabiele ondergrond.

Ook bij relatief eenvoudige handelingen in het dagelijkse leven is immers niet elk risico uit te sluiten en wanneer zich een dergelijk risico verwezenlijkt (ook al is dat in een werksituatie) leidt dat niet tot een aansprakelijkheid van de werkgever, omdat diens zorgplicht niet vergt dat elk van die alledaagse toevallige ongelukjes voorzien wordt en/of dat daartoe instructies worden gegeven."

3.6 [Eiser] heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld. Shell heeft het beroep bestreden. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht; [eiser] heeft nog gerepliceerd.

4. Inleiding

4.1 De samenleving heeft de laatste tijd - zeker niet alleen in ons land - een opmerkelijke metamorfose ondergaan.

4.2 De vorige eeuw heeft geruime tijd in het teken gestaan van toenemende solidariteit. Zij kwam onder meer tot uitdrukking in de totstandkoming van de Ongevallenwet 1901(5) en een steeds verdere uitbouw van sociale verzekeringen. Daardoor konden door noodlot getroffenen zich tot op zekere hoogte veroorloven daarin te berusten.

4.3 De tijden zijn veranderd. De zegeningen van een solide stelsel van sociale verzekeringen zijn voor een deel in rook opgegaan.(6)

4.4 Natuurlijk kan dit alles geen reden zijn om vorderingen toe te wijzen waarvoor geen rechtsgrond bestaat. Maar in een aantal gevallen biedt het geldend recht alleszins mogelijkheden om een mouw te passen aan schrijnende gevallen.

4.5 Men zou kunnen tegenwerpen - in sommige kringen is dat ook en vogue - dat aldus een claimcultuur wordt aangewakkerd.

4.6 Niet ontkend kan worden dat, zeker niet alleen in ons land, slachtoffers (of hun advocaten) steeds grotere creativiteit aan de dag lijken te leggen.(7) Met enige regelmaat worden inderdaad vorderingen ingesteld waarvoor een deugdelijke juridische basis ontbreekt; vorderingen die ook niet aanstonds aanspreken. Dergelijke vorderingen plegen dan ook te worden afgewezen.

4.7 Het is ongetwijfeld juist dat op bepaalde terreinen - art. 7:658 BW is daarvan een voorbeeld, maar er zijn er meer - de grenzen worden verkend; in een bepaalde optiek(8) geldt dat ook voor de onderhavige procedure. In een enkel geval lijken benadeelden daarbij inderdaad wel eens wat door te slaan.(9)

4.8 Vooralsnog kan evenwel allerminst worden gezegd dat sprake is van een claimcultuur, laat staan dat deze ontwrichtend zou zijn. Sterker nog: er is geen enkele aanwijzing dat in totaliteit het aantal claims stijgt.(10) Degenen op wie de bewijslast van de herhaalde bewering dat zo'n cultuur wél bestaat rust, blijven totnutoe steken in retoriek. Op basis van de eigen gegevens van verzekeraars(11) is duidelijk dat sprake is van in het oog springend onjuiste beschouwingen.

4.9 Maar zelfs als juist zou zijn dat het aantal gehonoreerde claims voor - met opzet wat vaag uitgedrukt - schadegebeurtenissen die diep ingrijpen in het menselijk leven in de lift zou zitten, is dat geen reden de noodklok te luiden. Niet alleen omdat men er moeilijk over kan klagen dat benadeelden gerechtvaardigde claims verzilveren, maar ook en vooral omdat de echte maatschappelijke problemen van geheel andere zijde zullen komen.(12)

4.10 Uitdijende aansprakelijkheid - los van de vraag of het totale aantal claims stijgt - heeft hoe dan ook repercussies. Wanneer verzekeraars de gevolgen daarvan niet meer zouden dekken (hetgeen voor arbeidsongevallen moeilijk te begrijpen zou zijn)(13) dan komt zij terecht op het bord van de laedentes (in casu werkgevers). Dat is niets bijzonders. Op andere terreinen heeft de wetgever zulks uitdrukkelijk onderkend en er zijn zegen aan gegeven. Illustratief is de MvT op art. 6:175 e.v. BW: het is niet wenselijk

"om schaden die uiteindelijk hun oorzaak vinden in de uitoefening van een bedrijf waaraan bepaalde gevaren voor schade waarvoor aansprakelijkheid niet door verzekering te dekken is, inherent zijn, niet voor rekening van dit bedrijf te laten komen, maar ten laste te laten komen van de individuele slachtoffers, dan wel, voorzover de overheid zich hun belangen aantrekt, ten laste van de gemeenschap."(14)

4.11 Art. 6:109 BW biedt een basis om de scherpe kanten van aansprakelijkheid af te slijpen, maar dan moet wel sprake zijn van heel bijzondere omstandigheden. Ook de aan deze bepaling ten grondslag liggende benadering verzet zich ertegen dat benadeelden in de kou worden gezet vanwege retoriek over claimfantomen.

4.12 Het lijkt in dit verband nog goed erop te wijzen dat doctrine, wetgeving(15) en ook - maar onvermijdelijk - rechtspraak(16) zich m.i. in toenemende mate lijken te richten op onderwerpen die niet van essentiële betekenis zijn. Ik besef zeer wel dat zulks niet alleen geldt voor zaken waarin het leven van particulieren diepgaand is beroerd. Maar dergelijke zaken verdienen in elk geval ook onze bijzondere aandacht; ze krijgen het in mijn ogen niet steeds voldoende. Aldus dreigt de rechtsontwikkeling scheef te groeien.

4.13 Ter illustratie een citaat uit een recent arrest van het HvJ EG over oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten:

"Verder vormt deze richtlijn, die ten doel heeft de bescherming van de consument te bevorderen, (..) een maatregel die onontbeerlijk is voor de vervulling van de taken van de Gemeenschap en voor de verbetering van de levensstandaard en van de hele kwaliteit van het bestaan binnen de Gemeenschap".(17)

4.14 In de doctrine klinkt steeds luider door dat een duidelijke lijn in de rechtspraak op het stuk van aansprakelijkheid krachtens art. 7:658 BW zou ontbreken.(18) Voor zover dat inderdaad het geval mocht zijn, is zulks voor een belangrijk deel het onvermijdelijke gevolg van het wezen van rechtspraak in samenhang met de aard van de materie en de open norm die de hier besproken aansprakelijkheid regeert.(19) Hard and fast rules zouden al spoedig te enge of te ruime aansprakelijkheid in het leven (kunnen) roepen. Uw Raad onthoudt zich daarvan terecht.

4.15 Een aantal duidelijke rode draden is in de rechtspraak zonder moeite te herkennen. Ik noem hier slechts het leerstuk van de zogenaamde huis-, tuin- en keukengebeurlijkheden(20) en die van het werken met (gevaarlijke) machines.(21)

4.16 Op zich valt voor beide leerstukken, die in tegengestelde richting wijzen (namelijk beperkte en ruime aansprakelijkheid) ongetwijfeld het nodige te zeggen.(22) Op de toepassing in concrete gevallen valt wel wat af te dingen. Met betrekking tot eerst bedoelde categorie heeft het er de schijn van dat niet steeds scherp in het oog wordt gehouden of het ongeval daadwerkelijk in de huiselijke sfeer had kunnen plaatsvinden.(23)

Bovendien rijst de vraag wat rechtens is wanneer beide leerstukken botsen. Ik doel hier op situaties waarin het de werknemer overkomen ongeval verband houdt met machines of potentieel gevaarlijk gereedschap (zoals boormachines) die hij ook in huiselijk verband gebruikt. Welke subregel wordt dan toegepast en waarom niet de andere? Of wordt voor dergelijke gevallen een nieuwe subregel ontwikkeld? En zo ja, hoe moet deze dan luiden?

4.17 Ook de bijzonder strenge regels voor - kort gezegd - klassieke arbeidsongevallen zijn zeker niet dwingend. Veel ongevallen houden nu eenmaal geen verband met machines. Min of meer dagelijkse situaties zijn veel vaker een bron van ongevallen;(24) in Europees verband zijn in de huiselijke situatie messen en ladders de gevaarlijkste hulpmiddelen.(25) Deze situaties vormen, naar Hartlief terecht heeft benadrukt, niet zelden de kern van de werkzaamheden.(26)

4.18 Los daarvan: Van Boom heeft niet ten onrechte opgemerkt dat

"toch ook van algemene bekendheid [is] dat men zijn vingers niet onder een persmachine moet leggen, dat men bij een trap zonder leuning extra voorzichtig moet zijn met afdalen, en dat men voorgeschreven beschermingsmiddelen daadwerkelijk moet gebruiken om beschermd te zijn. Waarom krijgen domoren die niet handelen volgens die ervaringsfeiten dan wel vergoeding?(27)

4.19 Sommige auteurs hebben er, niet geheel zonder grond, op gewezen dat een spanning bestaat tussen de nieuwe loot aan de stam van de aansprakelijkheid (art. 7:611 BW)(28) en de terughoudendheid die een aantal uitspraken over art. 7:658 BW kenmerkt.(29) Zelf denk ik dat het arrest waarop de kritiek stoelt, sterk werd bepaald door de vrij uitzonderlijke omstandigheden van het geval, waarmee evenwel niet gezegd wil zijn dat het een eendagsvlieg is of zou moeten zijn.

4.20 Ik rond af. Binnen het stelsel van de wet en de door Uw Raad ontwikkelde rechtspraak is het vrijwel steeds mogelijk te komen tot een bevredigende oplossing voor concrete gevallen, rekening houdend met de uitgangspunten dat art. 7:658 BW geen risico-aansprakelijkheid is, maar dat van de werkgever veel wordt gevergd ter voorkoming van arbeidsongevallen. Voor gevallen waarvoor art. 7:658 BW geen soelaas biedt, kan art. 7:611 BW in bijzondere gevallen uitkomst bieden.

5. Bespreking van de klachten

5.1 [Eiser] heeft een aantal klachten geformuleerd die zijn te vinden in § 2. Hetgeen onder 1 staat, is slechts een inleiding. In de klachten wordt een aantal malen gesproken over art. 7:685 BW waarmee ongetwijfeld art. 7:658 BW is bedoeld.

5.2.1 De onderdelen 2.1 en 2.3.1 hebben betrekking op door het Hof vastgestelde feiten.

5.2.2 Onderdeel 2.1 klaagt erover dat het Hof heeft vastgesteld dat [eiser] het trapje met twee treden heeft meegenomen uit het snijhok. In het licht van de geciteerde passage in de mva voert het onderdeel aan dat deze vaststelling door het Hof rechtens onjuist, althans onbegrijpelijk is.

5.3.1 Het is al aanstonds de vraag of het hier gaat om een voor 's Hofs oordeel relevante passage zodat aan twijfel onderhevig is of [eiser] belang heeft bij zijn klacht.

5.3.2 Hoe dit zijn, [eiser] heeft in zijn inleidende dagvaarding zelf gesteld op blz. 2: "eiser nam een trapje van de afdeling "Productie" (uit het snijhok), twee treden hoog". De Kantonrechter heeft dit gestelde feit overgenomen in rov. 5.1 van zijn eindvonnis: "Uit het snijhok van de afdeling Produktie heeft [eiser] een trapje meegenomen met twee treden".

5.4 Bij deze stand van zaken lag het op de weg van [eiser] om in appèl duidelijk te maken dat (en waarom) hij afstand nam van zijn eerdere stelling. Dat heeft hij evenwel nagelaten. Het Hof kan daarom moeilijk worden verweten dat het van deze omstandigheid is uitgegaan zodat het onderdeel faalt.

5.5 Onderdeel 2.3.1 komt op tegen 's Hofs oordeel dat [eiser] ermee bekend was dat zich in het magazijn standaard een deugdelijke trap bevond. Het Hof zou aldus feiten hebben aangevuld en buiten het debat van partijen zijn getreden.

5.6.1 In de inleidende dagvaarding verwijst [eiser] onder 2, zonder verder commentaar, naar de door hem aangehechte prod. 1. Daarin wordt op blz. 2 (ongenummerd) in fine melding gemaakt van de andere trap.

5.6.2 Bij cvr heeft [eiser] inderdaad, zoals blijkt uit de in het onderdeel geciteerde passage, bestreden dat er een andere trap was. Maar hij heeft daarin verderop eveneens betoogd:

"Er is geen sprake van een minder stabiel zijn van de kleinere trap. Deze is even stabiel als de grote trap (..)" (onder 16).

5.6.3 In zijn eindvonnis heeft de Kantonrechter, naar aanleiding van een verweer van Shell, onder meer overwogen:

"Enkel het feit dat een trap met vijf treden ter beschikking stond" (rov. 11),

al is niet ten volle duidelijk of de Kantonrechter aanneemt dat zo'n trap beschikbaar was dan wel hier veronderstellenderwijs van uitgaat.

5.7.1 In het licht van de eigen stellingen van [eiser], zoals weergegeven onder 5.6.1 en 5.6.2, kan het Hof niet met vrucht worden verweten te hebben geoordeeld als het heeft gedaan. Ook deze klacht mislukt dus.

5.7.2 Volledigheidshalve zij er nog op gewezen dat het Hof in rov. 4.4.1 heeft vastgesteld dat tussen partijen vaststaat dat i) in het magazijn een verplaatsbare trap met vijf treden aanwezig was en ii) dat deze trap geschikt is om daarmee dozen van de stapel op de pallet te pakken. [Eiser] heeft geen klacht geformuleerd tegen deze vaststelling.

5.8 In hierna de onder 5.13 weergegeven kernklacht, die met een zeker repeterend effect in onderdeel 2 besloten ligt, speelt een belangrijke rol dat Shell zelf heeft aangevoerd dat zij de werknemers heeft ingeprent dat zij de hoge(re) trap dienden te gebruiken (onderdeel 2.2 blz. 6 en 7; 2.3.2 blz. 9; 2.4.1 blz. 13 en 2.4.2 blz. 15 i.f.). Deze bij herhaling betrokken stelling kan, aldus het middel, bezwaarlijk anders worden begrepen dan aldus dat Shell van oordeel was dat het gebruik van het lagere trapje onveilig was.

5.9 Dat Shell zulks heeft aangevoerd, is juist.

5.10.1 Shell probeert alsnog aan haar eigen stellingen te ontsnappen door aan te voeren dat deze niet zijn terug te vinden in de mvg waarvan het Hof is uitgegaan (s.t. onder 28). Nog daargelaten dat Shell nalaat uit te leggen waarom [eiser] geen beroep zou mogen doen op, naar valt aan te nemen, een door Shell aan haar verstrekte (in elk geval door haar in omloop gebrachte) mvg, is haar betoog niet juist. In de mvg onder 27, die zich in haar procesmap bevindt, wordt een betoog met eenzelfde strekking ontwikkeld. Zij wijst erop dat "pertinent onjuist [is] aan te nemen dat Shell Solar [eiser] niet goed heeft geïnstrueerd en niet goed op de risico's heeft gewezen welke zich kunnen voordoen in het kader van het uitoefenen van de werkzaamheden." Onder 29 komt een passage voor die inhoudelijk overeenstemt met die geciteerd in het middel op blz. 7 met als bron mvg onder 28. Shell heeft daaraan (onder 29; 28 in het A-dossier) nog toegevoegd dat er geen tweetreden-trap was.

5.10.2 Het ligt niet voor de hand aan te nemen dat Shell, reppend over aan haar werknemers gegeven instructies, het oog heeft op instructies die voor deze procedure zonder gewicht zijn. Daarom zal moeten worden aangenomen dat zij (mede) het oog had op het gebruik van de hoge(re) trap.

5.11.1 In haar cvd(30) onder 9 (ook in het middel op blz. 7 geciteerd) heeft Shell bovendien uitgedragen dat [eiser]

"er zelf voor heeft gekozen de minder stabiele twee-tredentrap te hanteren (..) Dit klemt temeer nu Shell Solar er meerdere malen op heeft gewezen dat werknemers gebruik behoren te maken van de vijf-tredentrap".

5.11.2 Het moge zijn dat Shell heeft gemeend ook hiermee tegenstrijdige uitingen te moeten doen (s.t. onder 29), dat neemt niet weg dat haar relaas, in zijn geheel genomen en naar de enige redelijke lezing ervan, neerkomt op het onder 5.8 weergegeven uitgangspunt van het middel.

5.12 Hier komt nog bij dat de Kantonrechter in rov. 11 van zijn eindvonnis uitgaat van twee trappen. In de mvg onder 29 moppert Shell daar weliswaar over, maar een begrijpelijke grief valt m.i. in die stellingen niet te lezen.

5.13.1 Uitgaande van het onder 5.8 weergegeven vertrekpunt, komen de klachten op het volgende neer. Tegen deze achtergrond is onjuist of in elk geval onbegrijpelijk 's Hofs oordeel

a. dat het niet gaat om een bijzonder risicovolle, laat staan gevaarlijke situatie;

b. dat voor aansprakelijkheid zo'n bijzonder risicovolle situatie vereist zou zijn;

c. dat sprake is van niet specifiek werk-gerelateerde situaties, nog afgezien hiervan dat dit niet beslissend is;

d. dat van [eiser] in casu "minimale voorzichtigheid" moet worden verlangd omdat het bij het klimmen op een (huishoud)trap gaat om situaties die ook in het normale dagelijks leven veelvuldig voorkomen;

e. dat sprake is van een alledaags toevallig ongelukje;

f. dat om al deze redenen geen "(nadere) instructie" nodig was en

g. evenmin een risico-inventarisatie,

h. terwijl Shell het niet had kunnen laten bij instructies (die er niet waren), maar tevens op de naleving daarvan had moeten toezien.

5.13.2 Deze klachten liggen met name besloten in de onderdelen 2.2 i.f.; 2.3.2; 2.4.1 onder a en c en 2.4.2 blz. 14.

5.14 's Hofs oordeel is onomwonden en heel principieel gesteld in de sleutel van wat in de doctrine de huis-, tuin- en keukenongevallen-leer is gedoopt. Het speekt immers van een "alledaagse handeling die naar mag worden aangenomen ook vele malen in de huiselijke sfeer plaatsvindt" (rov. 4.4.2 eerste alinea i.f.). In de eerste alinea op blz. 6 werkt het Hof dat, mede aan de hand van enkele andere voorbeelden, nader uit. Het Hof heeft de rechtsontwikkeling daarmee m.i. een dienst bewezen. Zijn uitvoerige en stellige oordeel biedt immers de gelegenheid nader op die kwestie in te gaan.

5.15 De zogenaamde huis-tuin-en-keukenongeluk-"leer" in het kader van de zogeheten werkgeversaansprakelijkheid(31) is voor het eerst - naar wordt aangenomen - verwoord in het broodmes-arrest.(32) In dat arrest oordeelde Uw Raad dat het bestreden oordeel dat de werkgever die niet heeft gewaarschuwd voor een nieuw of geslepen broodmes niet tekort is geschoten in zijn zorgplicht niet onbegrijpelijk is. In dat verband wordt erop gewezen dat van algemene bekendheid is dat een mes dat geschikt is om zachte puntbroodjes mee te snijden, zo scherp is dat de gebruiker daarvan het gevaar loopt zich bij dat werk te snijden.(33)

5.16 In dezelfde richting wijzen het zogenaamde koffievlek-arrest(34) en recentelijk het arrest inzake de Arubaanse schoonmaakster die, na een regenbui, op een gladde buitenvloer was uitgegleden.(35)

5.17.1 Het is, na een reeks eerdere conclusies, denkelijk overbodig om uitvoerig stil te staan bij de in de discussie ontbrande literatuur over deze arresten en meer in het algemeen over de koers die auteurs in de rechtspraak menen te ontwaren.

5.17.2 Voldoende, maar tevens noodzakelijk, is erop te wijzen dat, als ik het goed zie, communis opinio bestaat dat Uw Raad art. 7:658 BW niet wil ombouwen tot een (de facto) risico-aan-sprakelijkheid. Verrassend is dat niet nu in een reeks arresten die boodschap glashelder en onomwonden is verwoord.(36) Een tegengestelde benadering zou maatschappelijk wellicht (daarop behoef ik niet in te gaan) wenselijk zijn, maar zij zou op gespannen voet staan met art. 7:658 BW waarin de wetgever recentelijk nog een dergelijke aansprakelijkheid heeft afgewezen. Terecht wijst Uw Raad haar daarom eveneens af.

5.18 Uit de zo-even genoemde arresten kan worden afgeleid dat van een werkgever niet het onmogelijke worden gevergd; kafkaëske situaties moeten worden vermeden. Zeer vergaande en redelijkerwijs onuitvoerbare waarschuwings- of andere zorgverplichtingen zouden een té zware last leggen op de werkgever, terwijl zij allicht hun doel voorbij zouden kunnen schieten.

5.19.1 Het is, uit een oogpunt van rechtszekerheid helaas, niet goed mogelijk op dit punt voor de oplossing van alle concrete gevallen duidelijke en voldoende houvast biedende regels te formuleren zonder ofwel een te beperkte dan wel een te ruime aansprakelijkheid in het leven te roepen.(37) Uw Raad heeft zich van dergelijk algemene uitspraken dan ook onthouden.

5.19.2 Dat brengt mee dat, in elk geval in zaken die de karaktertrekken van de onderhavige zaak vertonen, van geval tot geval zal moeten worden beoordeeld of de werkgever tekort is geschoten. De omstandigheid dat de rechtsontwikkeling is gedoemd voort te schrijden in de schemerzone van grensgevallen brengt onvermijdelijk mee dat in concrete gevallen verschillend kan worden geoordeeld over de aansprakelijkheidsvraag.

5.20 In de discussie tot op heden over de "huis-tuin-en-keukenongelukken-leer" is één belangrijk aspect m.i. totnutoe wat onderbelicht gebleven. Ik doel hier op de betekenis van de kelderluikfactoren.(38)

5.21 Zoals bekend hebben deze factoren - niet alleen in ons land(39) - een schijnbaar niet te stuiten opmars ingezet bij bepaling van de vraag of aansprakelijkheid krachtens art. 6:162 BW bestaat. In een aantal gevallen heeft dat geleid tot bepaaldelijk vergaande aansprakelijkheid ten opzichte van derden.

5.22 Volgens het nog steeds belangrijke kelderluik-arrest moet voor de vraag of aansprakelijkheid bestaat als gevolg van het in het leven roepen of laten voortbestaan van een situatie die voor anderen, bij niet-nachtneming van de vereiste voorzichtigheid en oplettendheid, gevaarlijk is, worden gelet op de mate van waarschijnlijkheid dat niet-inachtneming van de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid kan worden verwacht, de hoegrootheid van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, de ernst van de daaruit voortspruitende gevolgen en de mate van bezwaarlijkheid van de te nemen veiligheidsmaatregelen.(40)

5.23 Illustratief is in dit verband het zogenaamde skeeler-arrest dat betrekking heeft op de in acht te nemen veiligheid door de instructeur bij een skeelercursus.(41) De instructeur had onvoldoende gewezen op het dragen van een helm door de cursisten en de risico's verbonden aan het niet dragen ervan. De omstandigheid dat de cursist bekend was of had moeten zijn met de risico's van het niet dragen van een helm (omdat sprake was van een risico dat van algemene bekendheid is) is niet beslissend voor de aansprakelijkheidsvraag.(42)

5.24 Toegespitst op arbeidsongevallen moet, in het kader van de waarschijnlijkheid dat niet de vereiste oplettendheid zal worden betracht, rekening worden gehouden met de algemene ervaringsregel dat werknemers niet steeds de nodige voorzichtigheid in acht nemen, nu het verkeren in bepaalde werksituaties nu eenmaal tot een vermindering van de ter voorkoming van ongevallen raadzame voorzichtigheid leidt.(43)

5.25 Het ligt niet voor de hand dat werknemers een minder vergaande bescherming krijgen dan de derden waarop de gevaarzettingsrechtspraak ziet. Enerzijds omdat art. 7:658 BW ten opzichte van art. 6:162 BW een verscherpte aansprakelijkheid in het leven roept, anderzijds omdat tussen werkgever en werknemer een duidelijke band bestaat die ten opzichte van derden (waarop veel gevaarzettingsrechtspraak ziet) gemeenlijk ontbreekt.

5.26.1 Toegespitst op ongevallen als de onderhavige komt daar nog bij dat, in de woorden van Dommering, de keuken een machinekamer is geworden met ronddraaiende messen en sissende pannen.(44) De doe-het-zelf cultuur heeft ongekende vormen aangenomen en veel nieuwe risico's in de huiselijke sfeer binnengehaald. Daarenboven doen mensen in hun vrije tijd steeds meer riskantere dingen: rafting, bungee jumping, rollerskating, joggen, adventure reizen.(45)

5.26.2 Dommering wijst voorts op CBS-statiskieken waaruit blijkt dat er in 1997/1998 421.000 privé-ongevallen waren die tot acuut of later geleidelijk optredend letsel hebben geleid dat medische behandeling vergde.(46) Uit het hiervoor al gemoemde rapport van EU Injury Database Injuries in the European Union, Statistics summary 2002- 2004(47) blijkt dat het aantal ongevallen dat zich voordoet in de vrije tijd velen malen groter is dan het aantal arbeidsongevallen.

5.27.1 Het Hof heeft zich, als gezegd, niet bekommerd om de vraag of het gebruik van een trapje als het litigieuze (in de gegeven omstandigheden) gevaarlijk/voldoende veilig is, of te verwachten valt dat een werknemer dit desondanks zal gebruiken en wat de potentiële gevolgen zijn wanneer hij dit doet. Noch ook heeft het iets geoordeeld of vastgesteld omtrent waarschuwingen en toezicht op de naleving daarvan door Shell. Aldus heeft het zijn oordeel gebaseerd op een onjuiste rechtsopvatting, althans is zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.

5.27.2 Dat klemt eens te meer nu alleszins voorzienbaar is dat een werknemer een trapje dat door de werkgever in de werklokalen is geplaatst zal gebruiken. Shell heeft ook niet uitgelegd met welk ander, voor de werknemers kenbaar, doel het er anders stond.(48)

5.28.1 In het middel liggen, zoals hiervoor geschetst, hierop toegespitste klachten besloten. Deze slagen.

5.29.2 Volledigheidshalve stip ik nog aan dat deze zaak zich onderscheidt van de in de s.t. onder 19 van mr Sagel genoemde uitspraken, vergaard - in zijn woorden - door "een rondje langs de velden". Immers is het kernverwijt dat [eiser] Shell heeft gemaakt gelegen in de aanwezigheid van een ondeugdelijk (want onvoldoende veilig) trapje en het niet aansporen tot het gebruik van een eveneens beschikbaar wél deugdelijk trapje. Ook al omdat mij niet bekend is of tegen de in de s.t. genoemde uitspraken hogere voorzieningen zijn ingesteld, geef ik er de voorkeur aan daarop thans niet inhoudelijk in te gaan.

5.29 Bij de resterende - niet steeds erg duidelijke - klachten mist [eiser] belang. Volledigheidshalve ga ik er heel kort op in.

5.30 Onderdeel 2.2 verwijt het Hof niet te hebben getoetst of, en zo ja in welke mate, Shell aan haar stelplicht (en bewijslast) heeft voldaan ten aanzien van de op haar rustende zorgplicht.

5.31 Deze klacht faalt. Het Hof is veronderstellenderwijs uitgegaan van de juistheid van [eiser] stellingen. Het heeft vervolgens één van de door Shell gevoerde verweren gehonoreerd. In 's Hofs benadering kon de zaak op basis van deze stellingen en het verweer dat in essentie overeenkomt met de dragende grond voor de afwijzing der vordering worden afgehandeld. Dan valt niet in te zien wat Shell meer had moeten stellen en zo nodig bewijzen. Het onderdeel geeft dat trouwens ook niet aan.

5.32 Hetzelfde lot treft de klacht van onderdeel 2.2 dat Shell in het kader van haar stelplicht bewijsstukken had moeten overleggen waaruit blijkt dat zij het gebruik van de trappen heeft laten onderzoeken. Immers geeft het Hof aan dat en waarom zulks niet nodig was.

5.33 De klacht (eveneens onderdeel 2.2) dat het Hof zou hebben gemeend dat [eiser] tekort zou zijn geschoten in zijn stelplicht mist feitelijke grondslag. Niets wijst daarop.

5.34 Voor zover onderdeel 2.4.1 erover bedoelt te klagen dat het Hof één of meer bepalingen van de Arbeidsomstandighedenwet zou hebben veronachtzaamd, voldoet het niet aan de eisen van art. 407 lid 2 Rv. Immers wordt niet aangegeven op welke bepalingen wordt gedoeld.

5.35 Onderdeel 2.4.2 veronderstelt dat het Hof zijn oordeel (mede?) heeft gestoeld op art. 6:101 BW.

5.36 Ook deze klacht mist feitelijke grondslag. Niets wijst daarop. 's Hofs oordeel is (terecht) gesteld in de sleutel van de vraag of Shell haar zorgplicht heeft geschonden.

5.37 De niet nader uitgewerkte klacht (eveneens onderdeel 2.4.2) dat het louter aankomt op de vraag of in de dagelijkse uitvoering van de werkzaamheden ongelukken kunnen ontstaan, berust op een onjuiste rechtsopvatting. Zij impliceert immers een risico-aansprakelijkheid. Art. 7:658 BW is dat niet.

5.38 Met betrekking tot onderdeel 2.4.1 zij nog vermeld dat, anders dan daarin mogelijk wordt betoogd, de enkele afwezigheid van een risico-inventarisatie nog geen schending van de zorgplicht van de werkgever meebrengt.(49)

5.39 Nu een aantal klachten slaagt, slaagt ook onderdeel 2.5.

5.40 Het middel behelst geen klachten die erop neerkomen dat het Hof niet is ingegaan op de stellingen over de hoge werkdruk zodat deze kwestie moet blijven rusten.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het Hof zag zich geplaatst voor de moeilijkheid dat partijen over vrijwel alle aspecten van mening verschillen.

2 Bedoeld zal wel zijn: vergroting.

3 Shell bedoelt: in plaats van de onveilige trap waarvan zij het bestaan (ter plaatse) ontkent.

4 De naam [eiser] wordt door het Hof op verschillende wijzen gespeld. 's Hofs arrest is letterlijk weergegeven.

5 Zie voor de daaraan voorafgaande periode B. Barentsen, Arbeidsongeschiktheid blz. 67 e.v.

6 Vgl. mijn conclusie voor HR 9 juli 2004, NJ 2005, 260.

7 Ter illustratie voor de situatie in andere (goeddeels Europese) landen zij verwezen naar de belangwekkende opeenvolgende Yearbooks European Tort Law onder redactie van Koziol en Steininger.

8 De optiek hangt met name af van de vraag van welk feitencomplex wordt uitgegaan. Uitgaande van [eiser] lezing (waarvan ook het Hof, ten dele veronderstellenderwijs, is uitgegaan) dat sprake was van een laag trapje én een ongelukkig gestapelde doos die naar beneden viel, zou ik zelf niet terstond willen spreken van een grensgeval. 's Hofs oordeel illustreert evenwel dat daarover anders kan worden gedacht.

9 Ik weersta de verleiding concrete voorbeelden te noemen.

10 Zie reeds het NJV-preadvies 1996 blz. 13 e.v. Ik moge voorts verwijzen naar een reeks eerdere conclusies van mijn hand. K van der Meer is de laatste die zich heeft gevoegd in het rijtje van bezorgde personen die reppen van toenemende claimbewustheid (AV&S 2007 blz. 62). Maar goedergewoonte blijft ook zij steken in een losse bewering zonder enig feitelijk fundament daarvoor te geven. Het door haar en vele anderen gebezigde argument dat de last bij verzekeraars terecht komt (blz. 63) is op zich juist. Maar de vraag is gewettigd of het er veel toe doet, een ogenblik veronderstellenderwijs aangenomen dat sprake zou zijn van een stijgende schadelast, eventueel in de nabije toekomst. Door het vigerende dekkingsstelsel (claims made) lopen de Nederlandse verzekeraars internationaal voorop. Zij hebben hun belangen daarmee vrij adequaat beschermd omdat ze - zij het met een zekere uitloop - dekkingen kunnen beperken en zelfs voor oude schadegebeurtenissen kunnen wegsnijden (zie J. Spier en O.A. Haazen, Aansprakelijkheidsverzekeringen op claims made-grondslag). Omdat verzekerden, als gevolg van deze dekking, steeds meer vastgeklonken zitten aan een verzekeraar, kan deze een stijgende schadelast betrekkelijk eenvoudig remediëren door premies te verhogen. Voor zover dat niet gebeurt, is dat het gevolg van felle onderlinge concurrentie. Moeilijk kan evenwel worden aanvaard dat deze concurrentie een rem zou moeten zetten op de verdere ontwikkeling van het aansprakelijkheidsrecht.

11 Verzekeraars hebben zich de kritiek van anderen en mij klaarblijkelijk wel aangetrokken. Ze zijn voorzichtig geworden met het publiceren van gegevens. Maar af en toe duikt er ineens weer een concrete becijfering op.

12 Daarbij moet vooral worden gedacht aan klimaatverandering met alle voorzienbare en funeste gevolgen - voor de samenleving als geheel en (dus) ook verzekeraars - van dien.

13 Long tail-effecten doen zich daar niet of nauwelijks voor. Mocht door nieuwe accenten in de rechtspraak al sprake zijn van een relevante stijging van de schadelast in een concreet jaar, dan kan deze eenvoudig worden ondervangen door premieverhoging. Zie ook W.H. van Boom, TVP 2004 blz. 1.

14 TK, zitting 1988-1989, 21202 nr 3 blz. 37.

15 Zie bijvoorbeeld het lijstje van consumentenbeschermende maatregelen, NJB 2007 blz. 1031 r.k. Ieder voor zich mogelijk heel nuttige maatregelen, maar de vraag rijst wel of er geen belangrijker kwesties zijn die prioriteit verdienen en die dat niet krijgen.

16 Maar dat is goeddeels onvermijdelijk omdat de rechter nu eenmaal niet zelf zijn zaken uitkiest. Bovendien is de rechter, soms knarsentandend, gedoemd binnen het wettelijk stelsel te opereren.

17 26 oktober 2006, NJ 2007, 201 rov. 37. In zijn noot merkt Mok zuinig op dat die rov. voor dat geval "rijkelijk overdreven" is (blz. 2007 l.k.).

18 Zie o.m. T. Hartlief, AV&S 2006 blz. 107, AV&S 2004 blz. 235 e.v.; I. Giesen, AV&S 2006 blz. 1. M.S.A. Vegter wijst er daarentegen op dat het niet ondoenlijk is een redelijke inschatting te maken van de kans op aansprakelijkheid in een concreet geval: Bb 2004 blz. 240. Zie verder ook C.J.M. Klaassen, AV&S 2004 blz. 83.

19 Zie verder T. Hartlief, AV&S 2006 blz. 99 e.v.

20 O.m. HR 2 maart 2007, NJ 2007, 143; HR 9 juli 2004, NJ 2005, 260 en HR 4 oktober 2002, NJ 2004, 175. Onder 5 wordt hierop nader ingegaan.

21 Zie vooral HR 11 november 2005, RvdW 2005, 124.

22 Zie nader ook T. Hartlief, AV&S 2006 blz. 100.

23 Zie mijn conclusie voor HR 2 maart 2007, NJ 2007, 143 onder 4.11.

24 Ook Hartlief wijst daar op in WPNR 2003/6559 blz. 934.

25 EuroSafe, Injuries in the European Union, Summary 2002-2004 blz. 18.

26 Zie noot 24.

27 AV&S 2003 blz. 34.

28 HR 18 maart 2005, JAR 2005,100.

29 Zie verder Willem van Boom, in Van draden naar daden, Wansink-bundel blz. 61 e.v.; T. Hartlief, AV&S 2005 blz. 157 en RMThemis 2002/2 blz. 67 e.v.

30 Deze is in beide dossiers identiek.

31 Die benaming is niet geheel gelukkig omdat ook art. 6:170 BW een vorm van werkgeversaansprakelijkheid is.

32 HR 4 oktober 2002, NJ 2004, 175 (Laudy/Fair Play).

33 Volledigheidshalve zij aangestipt dat het ging om de beoordeling van een motiveringsklacht.

34 HR 12 september 2003, NJ 2004, 177 GHvV.

35 HR 2 maart 2007, NJ 2007, 143.

36 Zie reeds en onder veel meer HR 10 juni 1983, NJ 1984, 20 PAS.

37 Zie ook mijn conclusie voor HR 2 maart 2007, NJ 2007, 143 onder 4.11.

38 HR 5 november 1965, NJ 1966, 136 GJS.

39 Zie onder veel meer art. 4:102 PETL en daarover Principles on European Tort Law, Text and Commentary (Widmer) blz. 75 e.v.

40 Zie meer recent ook het jetblast-arrest, HR 28 mei 2004, NJ 2005, 105 CJHB. Zie in het kader van art. 7:658 BW ook S.D. Lindenbergh, Arbeidsongevallen en beroepsziekten, blz. 34 e.v.

41 HR 25 november 2005, NJ 2007, 141 CJHB.

42 In rov. 3.4.1 wordt verwezen naar het zogenaamde circus-ezel-arrest (NJ 1989, 729 CJHB). Die zaak is wellicht niet geheel vergelijkbaar enerzijds omdat het beweerdelijk ging om een uitermate groot risico, terwijl de exploitant zelf heeft uitgelokt dat de benadeelde de ezel ging berijden (rov. 3.3).

43 Vaste rechtspraak; o.m. HR 18 september 1998, NJ 1999, 45. HR 19 oktober 2001, NJ 2001, 663 en HR 11 november 2005, RvdW 2005, 124; A&V 1998/6 blz. 140-142 T. Hartlief.

44 Of hij daarbij het oog heeft op doorsnee-keukens zou een empirisch onderzoek vergen. Aan de kern van zijn betoog doet de uitkomst daarvan toe noch af.

45 E.J. Dommering, NTBR 2004, blz. 72- 79; de sissende pannen etq op blz. 78.

46 A.w. blz. 72.

47 Te raadplegen op https://webgate.cec.eu.int/idb/.

48 Zij heeft wel ontkend dat het trapje er stond, maar die bewering is strijdig met haar overige stellingen; zie onder 5.8 e.v.

49 HR 16 mei 2003, NJ 2003, 176. HR 12 september 2003, NJ 2004, 177 GHvV.