Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB4758

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-12-2007
Datum publicatie
07-12-2007
Zaaknummer
R06/130HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB4758
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap (81 RO)

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 824
RvdW 2007, 1045
JWB 2007/424
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R06/130HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 28 september 2007

Conclusie inzake:

[De man]

tegen

[De vrouw]

Deze zaak betreft de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap.

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Verzoeker tot cassatie, de man, en verweerster in cassatie, de vrouw, zijn op 21 juli 1995 met elkaar in gemeenschap van goederen gehuwd. Bij beschikking van 7 augustus 2002 is door de rechtbank te Utrecht de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Deze beschikking is op 1 augustus 2003 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

1.2 Uit het huwelijk van partijen zijn de volgende kinderen geboren:

- [Kind 1], geboren op [geboortedatum] 1996;

- [Kind 2], geboren op [geboortedatum] 1998;

- [Kind 3], geboren op [geboortedatum] 2001.

1.3 Als peildatum van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap geldt 1 augustus 2003.

1.4 De man is via een praktijkvennootschap [A] B.V. werkzaam als advocaat. De aandelen van [A] B.V. worden gehouden door [B] B.V., waarvan de man alle aandelen bezit.

In verband met de samenwerking tussen de man en [betrokkene 1] is in juli 2003 Tax Litigation Advocaten B.V. opgericht, in welke onderneming door de man en [betrokkene 1] respectievelijk [A] B.V. en [C] B.V. zijn ingebracht.

Per 1 december 2003 is de deelname van [C] B.V. aan Tax Litigation Advocaten B.V. beëindigd.

1.5 Volgens een taxatie van 20 april 2004 door [D] bedroeg de waarde in privé van de aandelen van [B] B.V. per 1 augustus 2003 afgerond € 242.000,-.

1.6 Bij inleidend verzoekschrift, gedateerd 12 februari 2002(3), heeft de vrouw de rechtbank te Utrecht verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken alsmede - voorzover thans in cassatie nog van belang - de verdeling van de gemeenschap van goederen vast te stellen.

1.7 De man heeft een verweerschrift tevens zelfstandig verzoekschrift echtscheiding ingediend en daarbij zijnerzijds onder meer verzocht de verdeling van de huwelijksgemeenschap vast te stellen op de door hem voorgestelde wijze. Vervolgens heeft de man nog een aanvullend verzoekschrift ingediend.

1.8 Na behandeling van de zaak ter zitting van 5 juli 2002 heeft de rechtbank bij beschikking van 7 augustus 2002 de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en beslissingen genomen omtrent verscheidene - thans niet meer aan de orde zijnde - nevenvoorzieningen(4). De rechtbank heeft de behandeling van de zaak met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aangehouden.

1.9 Bij beschikking van 5 januari 2005 heeft de rechtbank de zaak met betrekking tot de vaststelling en verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap wederom aangehouden.

1.10 De vrouw heeft een aanvullend verzoekschrift ingediend, gedateerd 25 januari 2005.

1.11 Na behandeling van de zaak ter zitting van 31 maart 2005 heeft de rechtbank bij beschikking van 14 september 2005, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen vastgesteld op de in de beschikking weergegeven wijze(5) en beslist dat de man aan de vrouw uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 23.684,20 dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

1.12 De man is, onder aanvoering van vijf grieven, van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Amsterdam. Daarbij heeft de man het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en te bepalen dat de vrouw aan hem uit hoofde van overbedeling een bedrag van € 92.454,- dient te voldoen, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, met dien verstande dat de man uit hoofde van overbedeling in ieder geval een bedrag lager dan € 23.684,20 aan de vrouw dient te voldoen.

1.13 De vrouw heeft de grieven gemotiveerd bestreden en geconcludeerd tot afwijzing van het door de man ingestelde hoger beroep. De vrouw heeft van haar kant, onder aanvoering van acht grieven, incidenteel appel ingesteld en daarbij het hof verzocht te beslissen als door haar voorgesteld(6).

1.14 Na behandeling van de zaak ter zitting van 4 mei 2006 heeft het hof bij beschikking van 6 juli 2006 de beschikking waarvan beroep vernietigd voorzover daarin wordt afgeweken van de rechtsoverwegingen 4.10 en 4.11 en de bestreden beschikking voor het overige bekrachtigd. Het hof heeft de man voorts, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan de vrouw ten titel van overbedeling een bedrag van € 93.046,- te betalen en bepaald dat de rekening-courant schuld van de man aan Tax Litigation Advocaten B.V. door de man dient te worden gedragen. Daarnaast heeft het hof bepaald dat, indien de man zijn medewerking aan de overdracht en levering van de voormalige echtelijke woning aan de vrouw weigert, de beschikking van het hof in de plaats treedt van de wilsverklaring daartoe van de man en ten slotte het meer of anders verzochte afgewezen.

1.15 De man heeft tegen deze beschikking tijdig(7) beroep in cassatie ingesteld.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel, dat - m.i. - drie onderdelen en enige subonderdelen bevat, is gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.4, 4.6, 4.7, 4.10 en 4.11. Ik volsta met het weergeven van de rechtsoverwegingen 4.4, 4.6 en 4.7:

"4.4 Partijen verschillen van mening over de verrekening van de rekening-courant schuld van de man aan de B.V. De man stelt dat de rechtbank ten onrechte een aantal posten buiten beschouwing heeft gelaten, de vrouw stelt dat de rechtbank de volledige rekening-courant schuld buiten beschouwing had moeten laten.

Het hof volgt ten aanzien van de in de rekening-courant schuld opgenomen posten die ten laste van de draagplicht van de man dienen te komen, de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne.

Daarnaast voert de vrouw in incidenteel hoger beroep de resterende posten op die volgens haar evenmin - voor de helft - ten laste van haar dienen te komen, te weten:

a. "Ohra Bank" ad € 20.026,-;

b. "Reparatie Audi 80" ad € 1.490.-;

c. "Kenteken Audi 80" ad € 26,-;

d. "Proceskosten Jaguar-zaak"ad € 9.466,-;

e. "Stallingskosten Jaguar" ad € 1.012,-;

f. "Bemiddeling Direkt Wonen" ad € 2.439,-;

g. "[D]" ad € 26.750,-';

h. "Annuleringskosten vakantie" ad € 6.465,-;

i. "Notariskosten [a-straat]" ad € 3.074,-;

j. "Courtage" ad € 5.175,-;

k. "Taxatie" ad € 1.182,-;

l. "Bewoonbaar maken [a-straat]" ad € 17.135,-;

m. "Aanschaf kindergarderobe" ad € 1.500,-;

n. "Aanschaf garderobe [de man]" ad € 2.300,-;

o. "Vakanties, speelgoed e.d." ad € 11.375,-;

p. "Fiscaal niet geaccepteerde zakelijke kosten" ad € 86.125,-.

Ter onderbouwing van haar standpunt heeft de vrouw aangevoerd dat deze posten niet nader met stukken worden gestaafd en reeds om die reden ten laste van de man dienen te komen. Verder heeft zij betoogd dat met de onder a genoemde post reeds rekening is gehouden in de alimentatieprocedure, de onder b, c, d en e genoemde posten verknocht zijn aan de man nu zij verband houden met de verwerving en het onderhoud van de aan de man - zonder verrekening - toebedeelde auto's, post f eveneens verknocht is aan de man, ten aanzien van post g de noodzaak niet is aangetoond en deze ten laste van de onderneming dient te komen, post h aan de man is verknocht, de posten i, j en k aan de man zijn verknocht, temeer nu de posten betrekking hebben op een woning die buiten de verdeling is gelaten, de posten m, n en o eveneens aan de man zijn verknocht en post p niet nader is gespecificeerd.

Nu de man heeft nagelaten de - noodzaak van de - in de rekening-courant schuld opgenomen door de vrouw betwiste posten nader met stukken te onderbouwen, hetgeen op zijn weg had gelegen, en de stellingen van de vrouw omtrent deze posten niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, ziet het hof aanleiding deze posten (in totaal € 195.540,-) niet in de verdeling te betrekken en voor rekening van de man te brengen c.q. te laten. De stelling van de man dat de rekening-courant schuld onder meer is ontstaan tengevolge van teveel betaalde kinder-en partneralimentatie maakt dit niet anders, nu dit een executiegeschil betreft welk geschil niet ter beoordeling van dit hof staat.

Overigens, het voorgaande betekent niet dat de rekening-courant schuld op een lager bedrag wordt gewaardeerd - hetgeen immers invloed zou hebben op de waarde van de onderneming - doch dat er een correctie plaatsvindt op de onderlinge draagplicht van de man en de vrouw in verband met deze schuld.

4.5 (...)

4.6 Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat de vrouw het doorlopend krediet aan OHRA heeft afgelost - hetgeen door de man in zijn appelschrift wordt erkend - zodat het hof bij het bepalen van de over- c.q. onderbedeling aan de zijde van de vrouw daarmee rekening zal houden. De man heeft ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aangevoerd om tot een ander oordeel te komen.

4.7 Onweersproken is dat de hypothecaire lening gevestigd op de voormalig echtelijke woning € 169.468,- bedraagt en het saldo op de Postbankrekening met nummer [001] € 2.577,60 negatief, zodat het hof hiermee rekening zal houden.

Verder zal het hof bepalen dat de waarde van de polis bij 't Hoge Huys/Reaal Verzekeringen door partijen dient te worden verdeeld, met dien verstande dat de polis zal worden toebedeeld aan de vrouw, nu hierover tussen partijen overeenstemming bestaat.

Daarnaast bestaat er overeenstemming over het feit dat het aandeel van de vrouw in de nalatenschap van haar vader aan haar zal worden toebedeeld, zodat het hof dienovereenkomstig zal beslissen."

2.2 Onderdeel 1(8) klaagt dat de man volkomen duidelijk heeft uiteengezet(9) dat de waarde van de aandelen onlosmakelijk is verbonden met de hoogte van de rekening-courant schuld. Geklaagd wordt dat het hof aan deze belangrijke stelling geen aandacht heeft besteed. Immers, het hof heeft, aldus het onderdeel, de waarde van de aandelen niet verminderd met de rekening-courant schuld, waardoor de man in feite twee keer betaalt.

2.3 De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag.

In de laatste alinea van rechtsoverweging 4.4 heeft het hof met zoveel woorden overwogen dat zijn oordeel om de hiervoor onder a t/m p genoemde posten van de rekening-courant schuld van de man aan de B.V. niet in de verrekening te betrekken en voor rekening van de man te brengen dan wel te laten, niet betekent "dat de rekening-courant schuld op een lager bedrag wordt gewaardeerd - hetgeen immers invloed zou hebben op de waarde van de onderneming - doch dat er een correctie plaatsvindt op de onderlinge draagplicht tussen de man en de vrouw in verband met deze schuld". Het hof is dus wel ingegaan op de desbetreffende stellingen van de man, maar heeft, anders dan de man wenst, de waarde van de aandelen niet verminderd met de rekening-courant schuld.

2.4 Volgens onderdeel 2 heeft het hof ten onrechte geoordeeld dat de man de toelichting op de rekening-courant schuld, zoals door de vrouw uiteengezet, niet heeft weersproken(10). In drie subonderdelen wordt - zakelijk weergegeven - gesteld dat de man dit wel degelijk heeft gedaan met betrekking tot de posten "Ohra Bank", "[D]" alsmede voor wat betreft de kosten die zijn gemoeid met de verwerving van de woning aan de [a-straat] en de post "fiscaal niet geaccepteerde zakelijke kosten".

2.5 De vrouw heeft in haar verweerschrift tevens houdende incidenteel appel gemotiveerd betwist dat de in de rekening-courant schuld opgenomen (in rov. 4.4 onder a t/m p opgesomde) posten voor de helft ten laste van haar dienen te komen(11).

Het oordeel van het hof in rechtsoverweging 4.4 dat de man heeft nagelaten de - noodzaak van de - in de rekening-courant schuld opgenomen door de vrouw betwiste posten nader met stukken te onderbouwen, hetgeen op zijn weg had gelegen, en de stellingen van de vrouw omtrent deze posten niet (voldoende gemotiveerd) heeft betwist, alsmede zijn oordeel in rechtsoverweging 4.6, zijn feitelijk, zodat de rechtsklacht faalt.

2.6 Voorzover in het onderdeel ook een motiveringsklacht wordt aangevoerd, geldt het volgende.

Ter onderbouwing van dit onderdeel heeft de man verwezen naar de beschikking van de rechtbank van 14 september 2005 (rov. 3.13), de beschikking van het hof van 6 juli 2006 (rov. 4.4), het appelverweerschrift van de vrouw (onder 17 t/m 31) en de pleitnota van de man in eerste aanleg van 31 maart 2005(12) (p. 6).

Niet valt in te zien dat uit genoemde gedingstukken, te weten stukken uit de eerste aanleg resp. een door de vrouw geproduceerd gedingstuk dan wel in de - door de klacht juist aangevallen - rechtsoverweging 4.4, kan worden afgeleid dat de man in hoger beroep bedoelde stellingen van de vrouw heeft weersproken of zijn stellingen nader met stukken heeft onderbouwd. Ook de motiveringsklacht faalt derhalve.

2.7 In subonderdeel 2.3 wordt nog afzonderlijk geklaagd over onbegrijpelijkheid van het oordeel van het hof omdat het hof niet aangeeft of de alimentatiebedragen - vallend onder de post "fiscaal niet geaccepteerde zakelijke kosten" - zonder verrekening aan de man moeten worden toebedeeld omdat deze zijn verknocht of omdat de redelijkheid en billijkheid een andere draagkracht met zich brengt(13).

2.8 Ook deze klacht faalt.

Het oordeel van het hof om (ook) deze post niet in de verdeling te betrekken en voor rekening van de man te brengen resp. te laten, berust, zoals gezegd, erop dat de man heeft nagelaten de - noodzaak van de - door de vrouw betwiste posten nader met stukken te onderbouwen én heeft nagelaten de stellingen van de vrouw hieromtrent gemotiveerd te weerleggen. Het subonderdeel geeft niet aan waarom het hof was gehouden zijn oordeel te baseren op verknochtheid of op de redelijkheid en billijkheid en voldoet in zoverre niet aan art. 407 lid 2 Rv.

2.9 Tenslotte wordt in onderdeel 3 geklaagd dat het hof - in rechtsoverweging 4.7 - ten onrechte heeft overwogen dat de hypothecaire lening, die is gevestigd op de voormalige echtelijke woning, € 169.468,- bedraagt, terwijl beide partijen hebben betoogd dat deze schuld € 169.486,90 bedraagt.

2.10 Het onderdeel wordt terecht voorgesteld maar kan bij gebrek aan belang niet tot cassatie leiden, nu het hof in rechtsoverweging 4.10 (waarnaar in het dictum wordt verwezen) bij de vaststelling van de verdeling wél (min of meer, het verschil bedraagt 10 eurocent) van het juiste bedrag is uitgegaan. Aldaar heeft het hof geoordeeld dat aan de vrouw zal worden toebedeeld "de voormalige echtelijke woning tegen een waarde van € 199.000,-, onder de verplichting de op de woning rustende hypothecaire lening van € 169.487,- voor haar rekening te nemen".

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie de beschikking van het hof Amsterdam van 6 juli 2006, rov. 2.1 t/m 2.4.

2 Voorzover thans van belang.

3 Uit de gedingstukken kan niet worden opgemaakt wanneer het verzoekschrift ter griffie van de rechtbank is ingekomen.

4 De man is van deze beschikking in hoger beroep gekomen bij het hof Amsterdam, waarna de vrouw beroep in cassatie heeft ingesteld; dit laatste beroep is verworpen door de HR in zijn beschikking van 13 mei 2005, LJN AS5959.

5 Zie de rechtsoverwegingen 3.3 t/m 3.23, waarnaar in het dictum wordt verwezen.

6 Zie het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel van de vrouw, p. 14-15.

7 Het verzoekschrift tot cassatie is op 6 oktober 2006 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.

8 Zie het cassatieverzoekschrift, p. 4, 2e en 3e alinea.

9 Verwezen wordt naar de pleitnota van de man in eerste aanleg van [bedoeld zal zijn] 31 maart 2005, p. 6 en zijn beroepschrift, par. 7 t/m 10.

10 Zie het cassatieverzoekschrift, p. 4, laatste alinea. De subonderdelen zijn te vinden op p. 5.

11 Zie het verweerschrift tevens houdende incidenteel beroep van de vrouw, p. 4-9.

12 Per abuis vermeldt het cassatieverzoekschrift als datum 31 maart 2006.

13 Zie het cassatieverzoekschrift, p. 6 (bovenaan).