Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB3317

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
C06/130HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB3317
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Afbakening WAM- en AVB-verzekering; zie ook C06/131 (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 653
RvdW 2007, 845
RAV 2007, 58
S&S 2009, 46
NJB 2007, 2028
JWB 2007/331
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/130HR

mr. J. Spier

Zitting 8 juni 2007

Conclusie inzake

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.

(hierna: Delta Lloyd)

tegen

[Verweerster], voorheen genaamd [A] B.V.

(hierna: [verweerster])

1. Samenhang met zaak C 06/131

1.1 Deze zaak hangt samen met de zaak met rolnr. C 06/131 waarin eveneens heden wordt geconcludeerd.

1.2 Naar de kern genomen, gaat het om de vraag of de onder 2.4 genoemde schade - waarvoor, naar veronderstellenderwijs moet worden aangenomen, [verweerster] aansprakelijk is - valt onder de door Axa verstrekte uitgebreide WAM-verzekering (de parallel-procedure) dan wel onder de door Delta Lloyd afgegeven AVB-verzekering.

2. Feiten

2.1.1 In cassatie kan worden uitgegaan van de feiten zoals door de Rechtbank Amsterdam vastgesteld in rov. 2.1 a tot en met g en 2.3 sub j van haar vonnis van 21 juli 2004 waarin eveneens de onder 1 bedoelde parallel-zaak wordt beslecht. Ook het Hof Amsterdam is daarvan, blijkens rov. 3 van zijn in cassatie bestreden arrest, uitgegaan.

2.1.2 Kortheidshalve wordt hierna [A] aangeduid als [verweerster].

2.2.1 Op 22 mei 1997 is een werknemer van [verweerster] ([betrokkene 1]) als timmerman betrokken geweest bij bouwwerkzaamheden ten behoeve van een noodgebouw van Edah te Nieuwegein.

2.2.2 In het kader van deze werkzaamheden werd gebruik gemaakt van een via [B] B.V. en [C] B.V. bij [betrokkene 2] ingehuurde mobiele kraan (hierna: de kraan).(1)

2.3 De kraan werd bediend door een kraanmachinist die in dienstbetrekking werkzaam was bij [betrokkene 2].

2.4 Tijdens hijswerkzaamheden met de kraan is [betrokkene 1] een bedrijfsongeval overkomen ten gevolge waarvan hij letsel heeft opgelopen. Tijdens een hijsmanoeuvre is [betrokkene 1], die "deels" op een ladder of een zijkant van een legger stond, gevallen van een dakspant. Deze dakspant was aan één zijde bevestigd aan het noodgebouw en moest aan het andere einde door de kraan in positie worden gebracht en vervolgens door [betrokkene 1] worden vastgezet.(2)

2.5 Bij vonnis van de Rechtbank Arnhem (sector kanton) is [verweerster] veroordeeld om aan [betrokkene 1] te vergoeden de schade die hij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van dit ongeval, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, zulks met bijkomende veroordelingen.

2.6.1 [Verweerster] heeft "ter bewaring van rechten" hoger beroep tegen dit vonnis ingesteld.

2.6.2 Volledigheidshalve zij nog vermeld dat het Hof Arnhem het vonnis bij arrest van 15 november 2005 heeft bekrachtigd.(3)

2.7 Ten tijde van het ongeval was [verweerster] verzekerd bij Delta Lloyd uit hoofde van een bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering. Op die verzekering zijn toepasselijk verklaard de voorwaarden [002], waarvan art. 3 sub 2 luidt:

"Niet verzekerd is de aansprakelijkheid voor schade die verband houdt met het houden, gebruiken of besturen van motorvoertuigen, tenzij (...)"

3. Procesverloop

3.1 [Verweerster] heeft bij exploot van 9 december 2002 (onder meer) Delta Lloyd doen dagvaarden voor de Rechtbank te Amsterdam. Zij heeft, na wijziging van eis in appèl bij akte van 23 juni 2005, gevorderd (letterlijk weergegeven)

* primair een verklaring voor recht "dat Delta Lloyd dekking dient te verlenen, danwel aansprakelijk is c.q. te veroordelen tot nakoming van de verplichtingen voortvloeiende uit de gesloten verzekeringsovereenkomsten (..) en/of de daarop van toepassing verklaarde voorwaarden (..) en zo gehouden is om alle geleden en nog te lijden schade van [verweerster] te betalen, opgekomen door het ongeval op 22 mei 1997, waarbij (..) [betrokkene 1] schade heeft geleden, en appellante derhalve - naast de thans al geleden schade - ook op deze voet schade heeft geleden c.q. lijdt, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet;"

* subsidiair : een verklaring voor recht dat Delta Lloyd "ten onrechte een beroep doet op de uitsluiting genoemd in artikel 3 sub 2 van de voorwaarden [002], rubriek A, zodat zij alsnog op grond van de verzekeringsovereenkomst (..) en/of de daarom van verklaarde voorwaarden(4) (..), gehouden is om dekking te verlenen, dan wel aansprakelijk is voor alle geleden en nog te lijden schade van [verweerster] opgekomen door het ongeval op 22 mei 1997, waarbij (..) [betrokkene 1] schade heeft geleden, en appellante derhalve - naast de thans al geleden schade - ook op deze voet schade heeft geleden c.q. lijdt, welke schade dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet",

een en ander met nevenvorderingen.

3.1.2 [Verweerster] heeft, naast de onder 2 vermelde feiten, onder meer aan haar vordering ten grondslag gelegd dat zij bij Delta Lloyd een verzekering afgesloten tegen wettelijke aansprakelijkheid en dat Delta Lloyd deswege dekking moet verlenen voor de onderhavige aansprakelijkheid van [verweerster]. [verweerster] wijst er in dit verband op dat de uitsluitingsgrond waarop Delta Lloyd zich beroept toepassing mist omdat het ongeval niet is veroorzaakt door een motorrijtuig. Althans is geen sprake van 'houden, gebruiken of besturen' van een motorrijtuig in de zin van die uitsluitingsgrond, daar de hijskraan ten tijde van het ongeval niet werd gebruikt, gehouden of bestuurd als een motorrijtuig maar als een hijskraan, die stilstond en niet deelnam aan het verkeer.

3.2 Delta Lloyd heeft ten verwere aangevoerd dat de uitsluitingsbepaling waarop zij zich beroept niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is. Met de uitsluiting wordt beoogd elke aansprakelijkheid voor schade van dekking uit te sluiten die verband houdt met het houden, gebruiken of besturen van een motorrijtuig, behoudens enkele bijzondere, specifiek in de polisvoorwaarden genoemde gevallen. De ratio van de clausule is, aldus Delta Lloyd, gelegen in het feit dat het motorrijtuigrisico voor de algemene aansprakelijkheidsverzekering een relatief te hoog risico vormt. Daarom wordt dat risico ondergebracht in een specifieke motorrijtuig- of werkmaterieelpolis. In deze zaak is voor de kraan een werkmaterieelpolis afgesloten bij Axa waarop [verweerster] als verzekerde heeft te gelden. Voor de toepasselijkheid van de motorrijtuiguitsluiting is voorts bepalend of de schade van [betrokkene 1] is gelegen in een gedraging met het motorrijtuig of het gebruik daarvan, waarbij zich een gevaar eigen aan het gebruik heeft verwezenlijkt.

3.3 De Rechtbank Amsterdam heeft de vordering van [verweerster] bij vonnis van 21 juli 2004 afgewezen. Naar haar oordeel wordt met het litigieuze art. 3 sub 2 bedoeld

"elke aansprakelijkheid van dekking uit te sluiten die is veroorzaakt met of door het houden, gebruiken of besturen van een motorrijtuig. Van een beperking daarop, meer in het bijzonder ten aanzien van de aard van het risico waartoe het houden, gebruiken of besturen van een motorrijtuig zou kunnen leiden, geeft de tekst geen blijk. Voor zover bij de uitleg van de uitsluitingsclausule al aansluiting gezocht moet worden bij de dekking onder een WAM-polis (..) dient bedacht te worden dat de Nederlandse motorrijtuigverzekeraars onder een dergelijke polis in de regel een ruimere dekking geven dan de WAM verplicht voorschrijft. Deze ruimere dekking strekt zich onder meer uit tot de aansprakelijkheid van verzekerden voor door een motorrijtuig veroorzaakte schade ongeacht of zich daarbij het zogenaamde verkeersrisico heeft verwezenlijkt. Naar het oordeel van de rechtbank dient in redelijkheid alsdan van deze, in de regel geldende ruime dekking te worden uitgegaan" (rov. 5.9).

3.4 [Verweerster] heeft hoger beroep ingesteld; Delta Lloyd heeft het beroep bestreden.

3.5.1 Het Hof Amsterdam heeft in zijn arrest van 9 februari 2006 het bestreden vonnis, voor zover gewezen tussen [verweerster] en Delta Lloyd, vernietigd. Het Hof heeft - kort gezegd - voor recht verklaard dat Delta Lloyd dekking moet verlenen en alle als gevolg van het ongeval, waardoor [betrokkene 1] schade heeft opgelopen, door [verweerster] geleden schade te vergoeden.

3.5.2 Het Hof heeft hiertoe, voor zover in cassatie van belang, overwogen (waarbij aantekening verdient dat rov. 4.15 voorkomt onder het hoofdje Axa):

"4.15 (...)

Een verklaring voor recht voor het geval zij (d.i. [verweerster], JS) daadwerkelijk aan [betrokkene 1] schade uitkeert komt [verweerster] niet toe omdat de kraan naar het oordeel van het Hof op het moment van het ongeval niet kan worden beschouwd als motorrijtuig in de zin van de WAM. Het staat immers vast dat de kraan op dat moment stationair was opgesteld op de bouwplaats en slechts werd gebruikt in de functie van hijskraan. Dat de kraan desgewenst op eigen kracht verplaatsbaar was doet daar niet aan af. Grief I faalt daarom.

(...)

4.19 De grieven VIII tot en met XV en XVI betreffen Delta Lloyd en hebben alle betrekking op de vraag of de kraan in de context van de vorderingen van [verweerster] op Delta Lloyd moet worden beschouwd als motorrijtuig in de zin van de bedrijfsaansprakelijkheidsverzekering en of Delta Lloyd ter afwering van de vorderingen van [verweerster] een beroep kan doen op het hiervoor onder 4.1.4 aangehaalde artikel 3 sub 2 van de voorwaarden [002] op grond waarvan schade die verband houdt met het houden, gebruiken of besturen van motorrijtuigen niet verzekerd is. De grieven zullen daarom gezamenlijk worden behandeld.

4.20 Anders dan de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de hijskraan op het moment van het ongeval niet kon worden beschouwd als motorrijtuig. Naast hetgeen daarover onder r.o. 4.15 reeds is overwogen is daartoe in de relatie tussen [verweerster] en Delta Lloyd tevens redengevend dat de kraan niet op de openbare weg werkzaam was maar, gezien de overgelegde tekeningen, op de plaats van de bouw van het noodgebouw, dat de kraan op dat moment louter gebruikt werd als hijswerktuig en niet als motorrijtuig, en de schade waarom het hier gaat geen verband houdt met schadeveroorzaking door een motorrijtuig in het verkeer. Dit alles leidt ertoe dat Delta Lloyd geen beroep kan doen op voormelde uitsluiting van artikel 3 sub 2 van de toepasselijke voorwaarden.

4.21 De conclusie is dat het vonnis voor zover gewezen tussen [verweerster] en Delta Lloyd niet in stand kan blijven en zal worden vernietigd. Delta Lloyd zal haar primaire verplichting om onder de polis aan [verweerster] dekking te verlenen moeten nakomen voor zover komt vast te staan dat [verweerster] als werkgever jegens [betrokkene 1] als werknemer aansprakelijk is voor het ongeval en daardoor schade lijdt. De primair door [verweerster] gevorderde verklaring voor recht zal worden gegeven in voege als na te melden waarbij het onderdeel dat de schade dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet wordt afgewezen nu het hier om een primaire verplichting van Delta Lloyd uit de verzekeringsovereenkomst gaat. (..)"

3.6 Delta Lloyd heeft tijdig cassatieberoep ingesteld. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten.

4. Bespreking van het middel

4.1 Het middel, voorafgegaan door twee uitvoerige inleidingen, bevat twee genummerde klachten, die beide uiteenvallen in een aantal subklachten.

4.2 Delta Lloyd stelt in de inleiding op het eerste onderdeel voorop dat het Hof terecht heeft geoordeeld dat het aankomt op de vraag of de hijskraan als motorrijtuig in de zin van de bedrijfsaansprakelijkheidspolis kan worden aangemerkt. Het Hof zou die vraag evenwel ten onrechte hebben beantwoord aan de hand van het criterium van de verplichte WAM-dekking.

4.3 Onderdeel 1.1 voegt aan deze kernklacht nog toe dat het aankomt op, naar ik begrijp, de polis die in geding is.

4.4 Voor zover het Hof is uitgegaan van de gedachte dat een redelijke uitleg van de uitsluitingsclausule steeds zal meebrengen dat bij gebreke van een dekking onder de WAM-polis een sluitende spiegelbeeld-dekking onder de AVB-verzekering wordt gecreëerd, wordt die gedachte door onderdeel 1.2 onder vuur genomen. Immers wordt in die benadering de Haviltex-maatstaf uit het oog verloren.

4.5 Voor zover 's Hofs oordeel niet zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting is dat oordeel onbegrijpelijk omdat:

a. de polisvoorwaarden een ruim causaal verband behelzen (gesproken wordt van verband houden met en niet veroorzaken door);

b. niet de eis wordt gesteld dat het motorrijtuig deelneemt aan het verkeer; de omstandigheid dat de kraan zich niet op de weg bevindt, maar "in functie is als hijskraan" doet niet ter zake;

c. het Hof heeft niets gesteld over een redelijk vertrouwen van Delta Lloyd op een redelijke uitleg (naar ik begrijp in de betekenis die het Hof aan het litigieuze beding heeft gehecht) van [verweerster].

4.6 Onderdeel 2 vertrekt van het uitgangspunt dat het Hof in beginsel wél de spiegelbeeld-gedachte mocht volgen (ten minste onder één polis moet dekking bestaan). Ook in dat geval wordt 's Hofs oordeel dat Delta LLoyd geen beroep op de uitsluiting kan doen gelaakt omdat:

a. het Hof geen (juist) oordeel heeft gegeven over de vraag of dekking bestaat onder de door Axa afgegeven WAM-polis (onderdeel 2.1);

b. het niet aankomt op de verplichte WAM-dekking maar op de feitelijke dekking (onderdeel 2.2);

c. 's Hofs oordeel "nog onbegrijpelijker" zou zijn als het niet is geënt op de verplichte WAM-dekking maar op de dekking in de AXA-polis (onderdeel 2.3). Deze klacht wordt verder uitgewerkt met een verwijzing naar de polisvoorwaarden van Axa's landmateriaalpolis waaruit zou blijken dat geen enkele beperking is aangebracht met betrekking tot het "verkeersrisico", terwijl het werkrisico expliciet onder de polis is gebracht, aldus deze klacht.

De spiegelbeelddekking

4.7.1 Alvorens de klachten ten gronde te bespreken, lijkt goed om stil te staan bij de kwestie van de spiegelbeelddekking. Het ligt m.i. immers voor de hand dat art. 3 sub 2 van de toepasselijke voorwaarden ([002]) beoogt een "dubbele dekking" ter zake van één en dezelfde schade te voorkomen.

4.7.2 Met de zogenaamde spiegelbeelddekking beogen verzekeraars te bewerkstelligen dat de dekking ter zake van een bepaald risico op de ene polis het spiegelbeeld vormt van de uitsluiting van dat risico op een andere polis en omgekeerd.(5)

4.8 Het is niet ongebruikelijk dat in algemene aansprakelijkheidsverzekeringen van dekking is uitgesloten de aansprakelijkheid voor motorrijtuigenschade (het 'motorrijtuigenrisico'). De achtergrond daarvan is niet alleen dat het motorrijtuigrisico voor de algemene aansprakelijkheidsverzekering een relatief te hoog risico vormt, maar ook dat voor dat risico aparte verzekeringen met aparte regels en een aparte prijsstelling zijn ontwikkeld. Hierbij valt te denken aan de verplichte WAM-verzekering en ook aan de werkmaterieel of landbouwmateriaalverzekering.(6)

4.9 Een sluitende spiegelbeelddekking ontbreekt wanneer de uitsluiting in de algemene aansprakelijkheidsverzekering niet is gebaseerd op 'schade, veroorzaakt door of met een motorvoertuig', maar in plaats daarvan begrippen bevat die een ruimer causaal verband leggen tussen de schade en het motorrijtuig. Dat geldt in ieder geval bij het gebruik van de term 'verband houdende met'(7), maar ook - zij het in mindere mate - bij dat van de term 'voortvloeiende uit' of 'toegebracht door'.(8)

4.10.1 Letterlijke interpretatie van polisbepaling(en) als het onderhavige art. 3.2 kan er in voorkomende gevallen toe leiden dat geen dekking plaatsvindt onder de AVB-polis. Maar zulk een letterlijke uitleg strookt niet met de rechtspraak van Uw Raad. Ingevolge deze rechtspraak en in overeenstemming met de heersende opvattingen in de doctrine komt het - kort gezegd - aan op de Haviltex-maatstaf.(9) Daarbij valt te bedenken dat de uitleg van overeenkomsten in een concreet geval slechts in beperkte mate in cassatie kan worden getoetst vanwege het feitelijk karakter ervan.(10)

4.10.2 Toepassing van het Haviltex-criterium kan niet in het luchtledige plaatsvinden. Van de rechter kan moeilijk worden verwacht dat hij zich begeeft in sacrale formules die loos zijn zolang geen inhoudelijk debat heeft plaatsgevonder dat het mogelijk maakt deze maatstaf handen en voeten te geven.

4.11.1 In beginsel ligt voor de hand dat een verzekeringnemer slechts belangstelling heeft voor het bestaan van een toereikende dekking. De vraag onder welke polis zij valt, zal hem doorgaans allicht minder belang inboezemen. Dat brengt mee dat een "doorsnee" verzekeringnemer geen belang zal hechten aan, laat staan diepere ideeën zal hebben over de betekenis van een spiegelbeeld-clausule zolang hij daardoor maar niet in de kou komt te staan.(11)

4.11.2 De consequentie van deze opvatting is m.i. dat een partij die een beroep doet op het Haviltex-criterium uit de doeken zal moeten doen wat dat beroep in het concrete betekent en waarom zulks het geval is.(12) Laat zij dat na, dan kan de rechter er niet op ingaan zonder buiten de rechtsstrijd te treden. Hij zou dan immers de feiten moeten gaan aanvullen hetgeen hem niet vrijstaat.

4.12.1 Hier aangekomen, moet worden gewezen op een complicatie die wordt ingegeven door de verzekeringspraktijk. Sommige verzekeraars hanteren een "kale WAM-dekking", andere een ruimere.(13) Bij een "kale WAM-dekking" zal bij een ruime uitleg van een uitsluiting als de litigieuze de verzekerde in de kou kunnen komen te staan. Immers kunnen zich dan situaties voordoe waarin er geen spiegelbeelddekking is. Noch de AVB-polis (vanwege de uitsluiting), noch ook de WAM-polis (vanwege de beperkte insluiting) biedt dan dekking.

4.12.2 Verzekeraars weten dat ongetwijfeld.(14) De "doorsnee-verzekeringnemer" weet zulks allicht niet, tenzij hij wordt bijgestaan door een professionele tussenpersoon wiens kennis aan hem moet worden toegerekend. Maar daaromtrent heeft het Hof niets overwogen of vastgesteld.

4.13 Bij deze stand van zaken kan men in theorie twee kanten op:

a. iedere zaak afhandelen op de eigen merites. Daarvoor pleit dat het (veelal) zal aankomen op de concrete omstandigheden van een afzonderlijke zaak. Zo zou van belang kunnen zijn (en in voorkomende gevallen zelfs beslissend kunnen zijn) of de verzekeringnemer, naar de verzekeraar weet, is bijgestaan door een professionele tussenpersoon en of deze laatste zowel de AVB- als de WAM-dekking heeft verzorgd. Zeker in dat laatste geval ligt voor de hand dat deze tussenpersoon (die, namen we aan, professioneel is) zal zorgen voor een sluitende dekking. In dit scenario doet het onder 4.12.2 geschetste perspectief niet (meer) ter zake en zal de clausule op eigen merites kunnen worden beoordeeld;

b. proberen vuistregels te formuleren.

4.14 In het arrest NN/Dritty(15) heeft Uw Raad, naar ik meen, de casuïstische benadering gevolgd. Het ging daar om WAM-verzekering voor schade veroorzaakt met of door het motorrijtuig. Niets was gesteld of gebleken over omstandigheden als onder 4.13 sub a bedoeld. Het geven van een ruime uitleg aan de uitsluiting in de AVB-polis zou meebrengen dat er in het geheel geen dekking zou bestaan. Dat ligt niet voor de hand en zou ook een onbillijke uitkomst zijn. In zo'n situatie is het bewandelen van de onder 4.12.2 genoemde weg (de verzekeraar weet dat gaten in een dekking kunnen ontstaan en daarom moet een uitsluiting die verwijst naar een andere, mogelijk niet bestaande, dekking beperkt worden uitgelegd) aangewezen. In de hier genoemde zaak had het Hof deze benadering gevolgd. Dat oordeel houdt in cassatie stand als feitelijk en niet onbegrijpelijk.

4.15.1 Alvorens in te gaan op de klachten lijkt nog goed (ook) ambtshalve aandacht te besteden aan het - ook, maar in ander verband, in de parallel-procedure besproken - arrest Zürich/Siemen.(16) Het ging in die zaak om graafwerkzaamheden waarbij een elektriciteitskabel werd beschadigd. De werkzaamheden werden uitgevoerd met behulp van een door Siemen van Rijsdijk gehuurde graafmachine; Siemen had ook de bestuurder Kooiman "gehuurd". Siemen meende te zijn meeverzekerd onder de door Zürich afgegeven (uitgebreide) WAM-polis van Rijsdijk. Deze polis bood dekking voor schade veroorzaakt met of door een motorrijtuig.

4.15.2 In cassatie klaagde Zürich er onder meer over dat het Hof niet was ingegaan op haar stelling dat - kort gezegd - de schade niet was gelegen in enig gebruik van een motorrijtuig maar in het op onzorgvuldige wijze verstrekken door Siemen van aanwijzingen omtrent de ligging van de kabels. Hoewel juist dat het Hof aan deze stelling voorbij was gegaan, spon Zürich geen garen bij haar klacht:

"Ingevolge (..) de polisvoorwaarden dekt de verzekering tegen de wettelijke aansprakelijkheid van de verzekerde voor schade toegebracht met of door graafmachine. Anders dan het middel tot uitgangspunt neemt, laat zulks geen andere conclusie toe dan dat daaronder ook aansprakelijkheid valt voor schade, die met of door de graafmachine wordt toegebracht, wanneer die aansprakelijkheid het gevolg is van een onrechtmatig handelen of nalaten van een houder als Siemen (..). De strekking van de polis is onmiskenbaar aansprakelijkheid te dekken die kan voortvloeien uit het gebruik van de machine, ongeacht of die schade is veroorzaakt door een gebrek van de machine of een fout van de bestuurder dan wel van iemand op wiens aanwijzingen de machine gebruikt werd."(17)

4.15.3 De afdelingen Algemene aansprakelijkheid, motorrijtuigen en Transport van het Verbond van verzekeraars hebben zich bij deze opvatting aangesloten.(18)

4.16 In de parallel-procedure wordt m.i. (zij het mede om cassatie-technische redenen) tevergeefs opgekomen tegen het oordeel dat [verweerster] geen houder is. Van praktisch betekenis lijkt dat niet omdat de bestuurder/haar werkgever [betrokkene 2] ongetwijfeld houder of bezitter is. Als [betrokkene 2] aansprakelijk zou zijn, jegens [verweerster], dan loopt de vraag of Axa de door [betrokkene 2] geleden schade moet vergoeden niet vast op de hoedanigheid van [verweerster]. Als aan de overige voorwaarden voor de dekkingsplicht in de relatie Axa/[betrokkene 2] is voldaan, spint [verweerster] daarbij eveneens, zij het niet als medeverzekerde of op grond van de action directe, garen. Zo bezien, was de parallel-procedure wellicht niet nodig geweest.

4.17 Volledigheidshalve zij nog aangestipt dat Wansink kritische kanttekeningen plaatst bij het arrest Zürich/Siemen.(19) Hij besteedt ook uitvoerig aandacht aan andere uitspraken, ook uit de verzekeringsbranche. Maar hij wijst eveneens op het voordeel van de praktische eenvoud van de door Uw Raad gekozen benadering. Kortheidshalve verwijs ik naar zijn boeiende betoog.

Bespreking van de klachten ten gronde

4.18 Ik kom thans bij een bespreking van de klachten ten gronde. Daarbij ga ik - uiteraard - slechts in op de in het middel verwoorde klachten en niet op klachten die in de parallel-procedure zijn ontwikkeld en waarnaar het middel niet verwijst. Voor zover de s.t. onder 2.4 een ruimere toetsing verdedigt, lijkt mij dat onjuist.

4.19 Delta Lloyd onderschrijft, als gezegd, (terecht) 's Hofs oordeel dat de litigieuze hijskraan ten tijde van de veroorzaking van het ongeval geen motorrijtuig was in de zin der WAM.

4.20 Volgens onderdeel 1.1 kan de betekenis van een begrip in de polisvoorwaarden uitsluitend worden vastgesteld binnen de context van de verzekeringsovereenkomst.

4.21.1 Op zich is dat uitgangspunt niet onjuist.(20) De vraag is in de eerste plaats of het Hof dat heeft miskend. De steller van het middel kan worden toegegeven dat zeker niet onmogelijk is dat het antwoord bevestigend luidt. In elk geval blijkt uit rov. 4.20 niet met zoveel woorden dat het Hof acht heeft geslagen op bedoelde context.

4.21.2 Het is m.i. ten minste zéér de vraag of het in casu in het bijzonder op deze context aankomt. Ook de spiegelbeeld-dekking (meebrengend dat schades in elk geval onder één polis vallen) speelt een belangrijke rol; zie onder 4.7 e.v.

4.22.1 Als ik het goed zie dan komt het betoog van Delta Lloyd erop neer dat het Hof heeft verzuimd na te gaan wat de strekking van de litigieuze uitgebreide WAM-polis van Axa is. Ook wanneer juist zou zijn dat het Hof daarop niet is ingegaan (wat zeker verdedigbaar is) kan dat Delta Lloyd niet baten. Deze en dergelijke vragen vergen een feitelijke beoordeling die moeilijk in het luchtledige kan plaatsvinden. Zou het Hof zich hebben begeven in bespiegelingen over zodanige strekking zonder enig houvast biedend aanknopingspunt in het debat of in andere gegevens die daarvoor steun boden, dan zou de meest gerede partij er met vrucht over hebben kunnen klagen dat het Hof feiten zou hebben aangevuld en/of buiten de rechtsstrijd zou zijn getreden.

4.22.2 Nog daargelaten dat het onderdeel daarop geen beroep doet (wat op zich al beslissend is), behoefde ook het onder 3.2 weergegeven verweer van Delta Lloyd het Hof niet tot andere gedachten te brengen. Immers gaat het in casu geenszins om een eigenlijk motorrijtuigrisico dat in het kader van een AVB-dekking moeilijk te kwantificeren is en/of te hoog is omdat, zo parafraseer ik, in het verkeer nu eenmaal veel vaker ongevallen plaatsvinden dan elders (en, zo voeg ik toe, daarvoor een verplichte WAM-dekking bestaat). Maar dat betekent allerminst dat het risico van schades buiten het verkeer (waarom het in casu gaat) te hoog is en dat AVB-verzekeraars ook dat buiten de deur willen houden. Het zou uiteraard hun goed recht zijn dat tóch te doen, maar dat moet dan wel op heldere wijze gebeuren. Ook vergt het ten minste enige uitleg waarom zij dat werkelijk nuttig en nodig (zouden) vinden. Die uitleg heeft Delta Lloyd evenwel niet gegeven; het middel kon daarop dan ook geen beroep doen.

4.23 Nu het Hof over een strekking van bedoelde polis (of van de door Delta Lloyd afgegeven polis) niets heeft vastgesteld en het onderdeel (begrijpelijkerwijs) niet aangeeft waar in feitelijke aanleg een hierop toegespitst debat heeft plaatsgevonden, faalt de klacht.

4.24 Ten overvloede voeg ik hieraan nog toe dat een tegengesteld oordeel Delta Lloyd mogelijk zou baten, maar [verweerster] zou kunnen versteken van dekking onder enige polis.(21) Nu Delta Lloyd en [verweerster] klaarblijkelijk,(22) maar zoals in de parallel-conclusie uiteengezet tevergeefs, gezamenlijk optrekken met als enig werkelijk doel te doen vaststellen dat Axa dekking moet verlenen, zou aldus niet het beoogde resultaat worden bereikt.

4.25 Onderdeel 1.2 gaat er - naar de kern genomen - vanuit dat het Hof een spiegelbeelddekking heeft geconstrueerd na in de parallelzaak te hebben bevonden dat de schade niet valt onder de door Axa verstrekte dekking.

4.26.1 Met juistheid wijst Delta Lloyd erop dat de door haar en de door Axa verstrekte polissen aan verschillende verzekeringnemers zijn verstrekt. Juist is eveneens dat dit van belang kán zijn bij de interpretatie van de spiegelbeelddekking.

4.26.2 Ik leg de nadruk op "kan" zijn. Of de omstandigheid dat sprake is van door verschillende verzekeraars aan afzonderlijke verzekeringnemers verstrekte polissen er in een concreet geval toe doet, hangt (mede) af van de vraag of het gaat om min of meer standaard polisbepalingen en of partijen daarvan op de hoogte zijn. In dat laatste geval valt niet in te zien waarom de onder 4.26.1 bedoelde omstandigheid ter zake dienend zou zijn.

4.26.3 Zou sprake zijn van standaard polisbepalingen, dan zou m.i. relevante betekenis toekomen aan de spiegelbeeldclausule en de redelijke verwachtingen die [verweerster] daaraan heeft mogen ontlenen; zie onder 4.11.(23)

4.27 Ook in dit opzicht geldt dat in feitelijke aanleg geen op de onder 4.26 besproken materie toegesneden stellingen zijn betrokken. In elk geval wordt daarop thans geen beroep gedaan.

4.28 Hoe dit zij, het is ten minste aan twijfel onderhevig of het Hof zich in rov. 4.20 baseert op een interpretatie van de het begrip "motorrijtuig" dat in beide polissen voorkomt. Voor die lezing pleit wellicht de verwijzing naar rov. 4.15. Ertegen pleit dat rov. 4.20 met zoveel woorden spreekt over de relatie [verweerster]/Delta Lloyd én verwijst naar art. 3 van de polisvoorwaarden van Delta Lloyd.

4.29 Uit rov. 4.15 blijkt dat naar 's Hofs oordeel in de zin van de Axa-polis geen sprake is van een motorrijtuig in de zin van de WAM. Daarom komt [verweerster] jegens Axa geen vorderingsrecht op de voet van art. 6 WAM toe. Over de vraag of de hijskraan in deze zaak, in het licht van de ruimere dekking dan door de (verplichte) WAM voorzien, al dan niet als motorrijtuig in de zin van de Axa-polis moet worden begrepen, heeft het Hof zich niet uitgelaten. Ik versta rov. 4.20 daarom aldus dat de verwijzing naar rov. 4.15 geen zelfstandige betekenis heeft anders dan voor een beschrijving van de feitelijke situatie (de kraan stond stationair opgesteld en werd slechts als hijskraan gebruikt).

4.30 In deze - m.i. meest voor de hand liggende en met de bewoordingen van rov. 4.20 het best strokende - uitleg van rov. 4.20 mist het onderdeel waarin wordt aangenomen dat 's Hof oordeel stoelt op de spiegelbeeld-benadering feitelijke grondslag.(24)

4.31 Ook wanneer de lezing van Delta Lloyd juist zou zijn, mislukt de klacht. In dat geval heeft het Hof niet meer of anders gedaan dan de spiegelbeeldclausule uitleggen. Dat is een (overwegend) feitelijke bezigheid die niet met vrucht, zoals het onderdeel doet, met een rechtsklacht kan worden bestreden.

4.32 Onderdeel 1.3 gaat ervan uit dat 's Hofs oordeel wél in de Haviltex-sleutel kan worden gesteld.

4.33 Deze klacht faalt zoals onder 4.22 en 4.23 uiteengezet.

4.34 Ten overvloede: met Delta Lloyd neem ik aan dat de woorden "verband houden met" ruim moeten worden uitgelegd; zie onder 4.15. Het Hof heeft dat evenwel niet miskend. De reden waarom Delta Lloyd niet met vrucht beroep op de uitsluitingsclausule van art. 3 kan doen, is niet in deze tournure gelegen, maar in de omstandigheid dat de hijskraan ten tijde van het ongeval geen motorrijtuig was.

4.35 Het onderdeel hamert er verder nog op(25) dat onbegrijpelijk is waarom de omstandigheid dat de kraan zich ten tijde van het ongeval niet op de weg bevond, maar werd gebruikt als hijskraan, meebrengt dat deze niet langer een motorrijtuig zou zijn.

4.36 Ik geef graag toe dat 's Hofs oordeel niet dwingend is. Voor een tegengesteld oordeel zou met name grond hebben bestaan wanneer het Hof door partijen aangedragen (en onderbouwde) argumenten, waaruit valt af te leiden dat WAM-verzekeraars uitgebreide dekkingen plegen te geven die zich geheel losmaken van het verkeersrisico, onbesproken zou hebben gelaten. Het Hof heeft - het verhaal wordt eentonig - over dergelijke stellingen van partijen evenwel niets vastgesteld en het onderdeel doet er geen beroep op. Bij die stand van zaken kon het Hof moeilijk anders dan aan de hand van de polisbepalingen goede zin geven aan het woordje "motorrijtuig".

4.37 De stelling dat een motorrijtuig dat buiten de weg als hijskraan functioneert een motorrijtuig (in de zin der polis) blijft, is verdedigbaar. Maar een tegengesteld oordeel is dat eveneens.(26) Daarmee is 's Hofs oordeel bestand tegen de toets der kritiek.

4.38 In haar s.t. staat Delta Lloyd nog uitvoerig stil bij de Axa-polis (onder 2.9). Nu 's Hofs oordeel daarop, als gezegd, m.i. niet (mede) is gestoeld, behoeft daarop niet te worden ingegaan.

4.39 Onderdeel 2 gaat ervan uit dat 's Hofs oordeel stoelt op

a) de spiegelbeelddekking-gedachte;

b) het in de beschouwingen betrekken van de WAM.

4.40 Zoals hiervoor uiteengezet berust 's Hofs oordeel op geen van deze pijlers. De verwijzing naar de WAM in rov. 4.15 vindt in geheel ander verband plaats; zie onder 4.29. Daarmee ontbeert het uitgangspunt waarop de klachten voortbouwen feitelijke grondslag.

4.41 Ten overvloede nog het volgende.

4.42 De omstandigheid dat tussen [verweerster] en Axa nog geen definitief oordeel over de dekkingsverplichting bestaat, doet niet af aan de verplichting van Delta Lloyd om aan háár verplichtingen uit de door haar afgegeven polis te voldoen.

4.43 De slotklacht onderdeel 2.3 verliest uit het oog dat op een dergelijke stelling, die een feitelijke beoordeling vergt, in feitelijke aanleg geen beroep is gedaan. In elk geval wordt niet aangegeven waar dat zou zijn gebeurd.

4.44 Ten slotte: het ongeval waarbij [betrokkene 1] letsel heeft opgelopen heeft in elk geval aanleiding gegeven tot vier procedures: tussen [betrokkene 1] en [verweerster]; [verweerster] en [betrokkene 2]; [verweerster] en Delta Lloyd en [verweerster] en Axa. Tot op heden zijn daarbij - voor zover kenbaar - 10 instanties betrokken (geweest). Dat is heel wat voor een betrekkelijk eenvoudig ongeval.

4.45 Zou het niet eenvoudiger zijn geweest eerst de aansprakelijkheidsvraag uit te zoeken en zouden de betrokken verzekeraars de dekkingskwestie vervolgens niet onderling hebben kunnen uitvechten? Dat had veel kosten en moeite gespaard.

Conclusie

Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Het Hof geeft dit in rov. 4.1.1 m.i. iets nauwkeuriger weer.

2 Rov. 4.1.2 van 's Hofs arrest.

3 Zie s.t. Delta Lloyd onder 1.2.2.

4 Deze toch al slecht lopende volzinnen zijn hier geheel ontspoord. Ik geef ze evenwel letterlijk weer.

5 J.H. Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering (2006) blz. 214-215. Zie nader mijn ambtgenoot Wuisman in zijn conclusie van 20 april 2007, rolnr C 06/089 onder 3.3.

6 Zie nader de conclusie van A-G Wuisman in de zaak met C06/089 onder 3.3 en uitvoerig, ook met verdere bronnen, Wansink, a.w. blz. 227 e.v.

7 Zoals ook in casu; zie onder 2.7.

8 Zie nader Wansink, De algemene aansprakelijkheidsverzekering (2006) blz. 234.

9 O.m. HR 14 oktober 2005, NJ 2006, 117 rov. 5.2. Zie nader Wansink, a.w. blz. 261; Asser-Hartkamp II (2005) nr. 279-288; Asser-Clausing-Wansink nr. 179-187. Zie ook HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 258 MMM.

10 Onder veel meer HR 14 oktober 2005, NJ 2006, 117 rov. 5.2.

11 Vgl. - de redenering is niet geheel identiek; zij is toegesneden op de daarin beslechte zaak - HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 22 rov. 3.5 en de aan het arrest voorafgaande conclusie van A-G Verkade onder 3.18.

12 Vgl. HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 22 rov. 3.5.

13 Een ruime polis lijkt intussen regel in plaats van uitzondering; zie Wansink, a.w. blz. 228. In de zaak NN/Dritty (NJ 2004, 22) werd die stelling in cassatie eveneens betrokken; zij liep erop stuk dat het Hof daaromtrent niets had vastgesteld (rov. 3.5).

14 Maar zij weten ongetwijfeld ook dat een ruime dekking veeleer regel dan uitzondering is; zie de vorige voetnoot.

15 HR 10 oktober 2003, NJ 2004, 22; zie ook A-G Verkade onder 3.19.

16 HR 16 februari 1996, NJ 1997, 186 MMM.

17 Rov. 3.6; in vergelijkbare zin A-G Asser onder 2.33.

18 Wansink, a.w. blz. 246.

19 A.w. blz. 247 en voor nadere uiteenzettingen de daaraan voorafgaande pagina's; zie met name ook blz. 237/8 en 242/3.

20 HR 18 oktober 2002, NJ 2003, 258 MMM rov. 3.4.

21 Zie nader onder 4.16.

22 Het ligt m.i. besloten in de eerste alinea van de repliek in de parallel-zaak; zie eveneens § 3.1.3 s.t. Ik wijs er met nadruk op dat deze omstandigheid niet redengevend is voor mijn oordeel. Ik wijs er slechts op om aan te stippen dat in elk geval [verweerster] van een koude kermis thuis zou (kunnen) komen wanneer alleen in deze 's Hofs arrest zou worden vernietigd.

23 Dat is intussen een rijkelijk theoretisch perspectief omdat het veronderstelt dat partijen dergelijke stukken intensief bestuderen.

24 De geëerde steller van het middel onderkent trouwens dat de door haar verdedigde lezing niet in het arrest is te lezen; zie de s.t. onder 2.11.1.

25 Derde alinea.

26 Het enige argument daartegen in de s.t. onder 2.11.1 wordt aangevoerd, is dat het "zonneklaar" zou zijn. Dat is met alle respect wat mager, hetgeen de steller niet helpen omdat zij niet kan terugvallen op een nuttige discussie in feitelijke aanleg.