Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BB3067

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
23-10-2007
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
02911/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BB3067
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

HR: art. 81 RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02911/06

Mr. Knigge

Zitting: 28 augustus 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. De verdachte is door het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch wegens 1. "medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A (oud), van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A (oud), van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", 4. met betrekking tot de vuurwapens "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III, meermalen gepleegd", met betrekking tot de munitie "handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd", en 5. "A. In het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is en B. Opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naam gesteld reisdocument, meermalen gepleegd" veroordeeld tot elf jaren en acht maanden gevangenisstraf, met onttrekking aan het verkeer en verbeurdverklaring zoals in het arrest omschreven.

2. Namens de verdachte heeft mr. H.H.M. van Dijk, advocaat te 's-Hertogenbosch, zeven middelen van cassatie voorgesteld. Voorts heeft namens de verdachte mr. R. Zilver, advocaat te Nieuwegein, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Voorts is op 12 maart 2007 - na afloop van de op voet van art. 437 lid 2 Sv gestelde termijn, welke door de Hoge Raad was verlengd tot 1 februari 2007 - een aanvullende schriftuur van de hand van mr. Zilver binnengekomen. Die schriftuur wordt gepresenteerd als een aanvullende toelichting op het door mr. Zilver ingediende tweede middel. In feite is evenwel - zoals ik in aansluiting op de bespreking van genoemd middel zal uiteenzetten - sprake van een nieuwe, zelfstandige klacht. Daarom zal de aanvullende schriftuur buiten bespreking moeten worden gelaten.

Bespreking van de middelen van mr. Van Dijk:

4. De eerste twee middelen richten zich tegen het volgende oordeel van het Hof:

"Bespreking verweren

Algemeen:

Ten aanzien van de feiten 1 t/m 6: onrechtmatig verkregen bewijs.

Mr. Van Dijk heeft namens de verdachte betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten. Mr. Van Dijk heeft daartoe - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat:

A. op 6 februari 2001, toen door de officier van justitie werd besloten tot de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden als bedoeld in titel IV A van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering, er jegens verdachte geen verdenking bestond;

B. op 22 juni 2001, toen de officier van justitie besloot om de bijzondere opsporingsbevoegdheden niet langer te baseren op titel IV A maar op titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering, er geen redelijk vermoeden bestond als vereist in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering, te weten dat in georganiseerd verband misdrijven als omschreven in artikel 67, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering worden beraamd of gepleegd die gezien hun aard of de samenhang met andere misdrijven die in dat georganiseerd verband worden beraamd of gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.

Mr. Van Dijk stelt op basis van de hiervoor onder A en B omschreven punten dat de opsporing jegens verdachte onrechtmatig is geweest zodat het tengevolge daarvan verkregen materiaal van het bewijs dient te worden uitgesloten. Omdat ander bewijs ontbreekt dient volgens mr. Van Dijk vrijspraak te volgen ten aanzien van alle ten laste gelegde feiten.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Ten aanzien van A.

Ter onderbouwing van zijn standpunt onder A verwijst mr. Van Dijk naar het proces-verbaal aanvraag stelselmatige observatie d.d. 6 februari 2001 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (dossierpagina's 1154 t/m 1157 met bijlagen). Uit dat proces-verbaal blijkt - aldus mr. Van Dijk - onvoldoende van feiten en omstandigheden om een verdenking van een strafbaar feit jegens verdachte op te kunnen baseren omdat:

- de daarin opgenomen CIE informatie te algemeen en te weinig specifiek is en bovendien niet betrouwbaar en

- de daarin opgenomen tactische informatie te oud is.

Het hof overweegt dienaangaande het navolgende.

Het proces-verbaal aanvraag stelselmatige observatie d.d. 6 februari 2001 (dossierpagina's 1154 t/m 1157) vermeldt CIE - informatie en tactische informatie op basis waarvan volgens dat proces-verbaal een verdenking jegens verdachte was gerezen dat verdachte zich schuldig zou maken aan - kortgezegd - de (inter)nationale handel in verdovende middelen.

De CIE-informatie bestaat uit:

- een op 28 november 2000 door verbalisant [verbalisant 3] opgesteld proces-verbaal (dossierpagina 1158) waarin door hem als betrouwbaar aangemerkte informatie wordt gerelateerd dat in de periode gelegen tussen 8 juni 1999 en 13 oktober 2000, van verscheidene informanten informatie werd ontvangen dat [verdachte] uit [woonplaats] betrokken is bij de productie, de handel en de in- en uitvoer van drugs, zijnde stoffen die voorkomen op lijst 1 en 2 van de Opiumwet;

- een op 10 januari 2001 door verbalisant [verbalisant 4] opgemaakt proces-verbaal (dossierpagina 1159), waarin door hem als informatie waarvan de betrouwbaarheid niet kon worden beoordeeld, wordt gerelateerd dat in mei 2000 van een informant informatie werd ontvangen dat [verdachte] zich begin 2000 heeft uitgelaten dat hij doende was met het opstarten van een amfetaminelab in een witte villa in de [a-straat] in de gemeente Bergeijk;

- een op 6 februari 2001 door verbalisant [verbalisant 5] opgemaakt proces-verbaal (dossierpagina 1160), waarin door hem als betrouwbaar aangemerkte informatie wordt gerelateerd dat in de maand februari 2001 van twee informanten informatie werd ontvangen dat een groepering bestaande uit [verdachte] en anderen, zich op grote schaal bezighoudt met de vervaardiging van en de handel in synthetische drugs. Zij beschikken daarvoor over laboratoria. Een onlangs door de politie opgerold drugslaboratorium in [woonplaats] was van [verdachte] en anderen.

De tactische informatie uit het proces-verbaal d.d. 6 februari 2001 bestaat - zakelijk weergegeven - uit:

- een inbeslagneming op 25 maart 1998 van een hoeveelheid XTC-pillen en cocaïne in Frankrijk. De betrokkenheid van verdachte daarbij blijkt uit verklaringen die in februari en mei 2000 door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], medeverdachten bij dit transport, ten overstaan van de Belgische justitie worden afgelegd en welke daarna ter kennis zijn gekomen van de Nederlandse justitie;

- de bij de criminele inlichtingendienst in Nederland reeds in 1998 bekende informatie dat [verdachte] drugs naar Engeland stuurde bestemd voor vermoedelijk [betrokkene 1], in welk kader in februari 1999 ook een ontmoeting wordt vastgesteld tussen [betrokkene 1] en verdachte;

- een inbeslagneming van drugs op 27 oktober 1998 te Amsterdam. Uit cryptische telefoongesprekken is daarbij het vermoeden gerezen dat [verdachte] betrokken was bij de afname van een deel van de partij cocaïne en hiervoor betalingen moest doen of geld moest wisselen;

- het feit dat verdachte vele criminele contacten onderhield;

- het aantreffen op 25 januari 2001 van een drugslaboratorium en een grote hoeveelheid chemische stoffen, geschikt voor de produktie van synthetische drugs, te [woonplaats].

Ten aanzien van vorenstaande CIE -informatie en tactische informatie is het hof van oordeel dat, in onderling verband en samenhang bezien, deze op 6 februari 2001 voldoende feiten en omstandigheden bevatten om een verdenking jegens verdachte op te kunnen baseren en bijzondere opsporingsbevoegdheden als bedoeld in titel IV A van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering te kunnen aanwenden.

Daaraan doet niet af dat aan mr. Van Dijk kan worden toegegeven dat de tactische informatie met betrekking tot het transport van drugs naar Engeland (1998/1999) en de inbeslagneming van drugs in Amsterdam (1998) op 6 februari 2001 gedateerd was.

Ten aanzien van B

Ter onderbouwing van het hierboven onder B weergegeven standpunt verwijst mr. Van Dijk naar het proces-verbaal bevindingen d.d. 22 juni 2001 van de verbalisant [verbalisant 1] (dossierpagina 717 t/m 722 van het BOB-dossier).

Mr. Van Dijk stelt dat dit proces-verbaal geen feiten en omstandigheden bevat waarop een redelijk vermoeden als bedoeld in artikel 126o, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering kan worden gebaseerd.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

In het proces-verbaal bevindingen d.d. 22 juni 2001 worden, naast de in het proces-verbaal van 6 februari 2001 reeds genoemde feiten en omstandigheden, aanvullend de navolgende omstandigheden gerelateerd op basis waarvan een redelijk vermoeden als bedoeld in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering kan worden aangenomen (dossierpagina 720 van het BOB-dossier):

- verdachte onderhoudt frequent contact met personen die antecedenten hebben op het gebied van de Opiumwet;

- in de veelvuldige contacten die verdachte met andere personen via de mobiele telefoon heeft wordt in bedekte termen en met versluierd taalgebruik gesproken en waarbij regelmatig wordt aangegeven dat bepaalde onderwerpen niet over de telefoon mogen worden besproken;

- verdachte maakt, door middel van codes en versluierd taalgebruik, herhaaldelijk afspraken met personen op bepaalde plaatsen, zoals wegrestaurants, waarbij de ontmoetingsplaats op het laatste moment nog wordt gewisseld;

- verdachte is bijzonder argwanend en oplettend met betrekking tot het opsporingsmiddel observatie, hetgeen niet alleen blijkt uit het wijzigen van de ontmoetingsplaatsen maar ook uit zijn rijgedrag (hard rijden, op taxi overstappen etc.).

- verdachte is zeer vermoedelijk op 2 april 2001 onder de valse naam "[valse naam verdachte]" vanuit Nederland naar Spanje gevlogen en weer terug en neemt diverse keren telefonisch contact op en regelt ontmoetingen met ene [betrokkene 2].

Het hof is op basis van de feiten en omstandigheden zoals gerelateerd in voormeld proces-verbaal van 6 februari 2001 en voormeld proces-verbaal van 22 juni 2001, in onderling verband en samenhang bezien, van oordeel dat daaruit een redelijk vermoeden kon worden afgeleid zoals bedoeld in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering.

Het hof verwerpt mitsdien dit verweer van mr. Van Dijk in zijn beide onderdelen."

5. Het eerste middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het proces-verbaal aanvraag stelselmatige observatie d.d. 6 april 2001 van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] voldoende feiten en omstandigheden bevatte om een verdenking jegens verdachte op te kunnen baseren en de bijzondere opsporingsbevoegdheden als bedoeld in titel IV A van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering te kunnen aanwenden, althans dat 's Hofs oordeel dienaangaande onbegrijpelijk is.

6. Het middel is niet veel meer dan een herhaling van het ten overstaan van het hof gevoerde verweer. Zo ziet het er geheel aan voorbij dat het Hof heeft overwogen dat mr. Van Dijk kan worden toegegeven dat de tactische informatie met betrekking tot kort gezegd Engeland en Amsterdam gedateerd was. Tegenover het "nietes" van de steller van het middel kan ik dan ook niet veel meer dan een "welles" plaatsen. Het oordeel van het Hof is naar mijn mening niet onbegrijpelijk. Voor verdere toetsing is in cassatie geen plaats. Ik merk nog op dat, anders dan waar de opsteller van het middel van uitgaat, het Hof de diverse onderdelen van de CID-informatie alsmede de tactische informatie in onderling verband en samenhang heeft bezien. Waar elk onderdeel afzonderlijk mogelijk niet voldoende zou zijn om een verdenking jegens verdachte op te baseren, is de gezamenlijkheid ervan dat wel.

7. Ik kan niet nalaten op te merken dat het beroep dat wordt gedaan op art. 27 Sv, mij misplaatst voorkomt. De opvatting die aan middel en verweer ten grondslag ligt, namelijk dat voor de inzet van bijzondere opsporingsbevoegdheden een verdenking in de zin van art. 27 Sv is vereist, is in haar algemeenheid niet juist. Zo vereist art. 126g Sv voor de toepassing van stelselmatige observatie - waarop het proces-verbaal van aanvraag d.d. 6 februari 2001 zich richtte, slechts de verdenking van een misdrijf. De geobserveerde persoon behoeft daarbij (nog) geen verdachte te zijn.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat op basis van de feiten en omstandigheden gerelateerd in het proces-verbaal van 22 juni 2001 van de verbalisant [verbalisant 1] en het in middel 1 besproken proces-verbaal van 6 februari 2001 een redelijk vermoeden kan worden afgeleid als bedoeld in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is.

10. Ook hier gaat het om niet veel meer dan een herhaling van het gevoerde verweer. En ook hier geldt in mijn optiek dat het Hof zonder meer heeft kunnen oordelen dat aan de inhoud van het proces-verbaal van 6 februari 2001 in samenhang met de inhoud van het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] van 22 juni 2001 een redelijk vermoeden zoals bedoeld in titel V van boek 1 van het Wetboek van Strafvordering kan worden ontleend.

11. Ik merk daarbij nog op dat het beroep op art. 27 Sv zo mogelijk nog meer misplaatst dan ten aanzien van het eerste middel het geval is. De Titel V-bevoegdheden kenmerken zich in het algemeen door een - in elk geval qua formulering - afgezwakte verdenkingsvoorwaarde. Zo vereist art. 126m lid 1 Sv voor het aftappen van telefoons nog dat er een verdachte is, terwijl in art. 126t Sv de term verdachte juist zorgvuldig is vermeden. De vraag is dan ook in welk belang de verdachte is geschaad doordat vanaf 22 juni 2001 onder de inzet van de bijzondere opsporingsbevoegdheden een andere grond is geschoven. Dat het gevolg daarvan is geweest dat gebruik is gemaakt van opsporingsmethoden die onder het regime van titel IVA niet konden worden toegepast, is niet aangevoerd. Dat betekent dat het middel hoe dan ook niet tot cassatie kan leiden, aangezien het verweer niet aan de daaraan te stellen eisen voldeed.

12. Het middel faalt.

13. Het derde middel richt zich tegen de volgende overwegingen van het Hof:

"Benamingen "[A]/[B]", "[C]" en "[D]"

Mr. Van Dijk heeft ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde feit betoogd dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken omdat - kort gezegd - op geen enkele wijze blijkt van enige betrokkenheid van de verdachte bij dat feit.

De raadsman heeft daartoe onder meer aangevoerd dat met de benamingen zoals "[A]/[B]", "[C]" en "[D]", die voorkomen in afgeluisterde telefoongesprekken en die door de rechtbank voor het bewijs zijn gebruikt, niet de verdachte wordt bedoeld maar een andere persoon.

De rechtbank heeft in dat kader - aldus mr. Van Dijk - ten onrechte voor het bewijs gebruik gemaakt van een proces-verbaal bevindingen d.d. 20 april 2002 van de verbalisant [verbalisant 6] (dossierpagina 1942 t/m 1959) waarin deze de conclusie trekt dat met genoemde benamingen de verdachte wordt bedoeld. Volgens de raadsman kan een conclusie van een verbalisant niet meewerken aan het bewijs en is er voor het overige ook geen bewijs dat met vorengenoemde benamingen de verdachte wordt bedoeld.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Met de raadsman van verdachte is het hof van oordeel dat het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 april 2002 van de verbalisant [verbalisant 6] een conclusie bevat en het hof zal de conclusie in dit proces-verbaal om die reden niet voor het bewijs gebruiken.

Met de rechtbank is het hof echter van oordeel dat op grond van hetgeen in dat proces-verbaal d.d. 20 april 2002 feitelijk is gerelateerd en door het hof als bewijsmiddel wordt gebezigd, de conclusie kan worden getrokken dat met de benamingen "[A]/[B]", "[C]" en "[D]", de verdachte wordt bedoeld.

In dat proces-verbaal worden gerelateerd:

- Een afgeluisterd telefoongesprek van 19 september 2001 waarin de gespreksdeelnemers (zijnde medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4]) spreken over "[A]" wiens dochter die dag jarig is, hetgeen ten aanzien van de dochter van verdachte blijkt te kloppen;

- Afgeluisterde telefoongesprekken waarin een medeverdachte ([medeverdachte 3]) ontmoetingen afspreekt met verdachte en korte tijd na die telefonisch gemaakte afspraken of kort na die ontmoetingstijdstippen een andere medeverdachte belt met de mededeling dat hij een afspraak heeft gemaakt, dan wel een ontmoeting heeft gehad met "[B]" dan wel "[C]" dan wel "[D]"

- Peilbakengegevens waaruit blijkt dat de auto van medeverdachte [medeverdachte 3] op hiervoor bedoelde ontmoetingstijdstippen zich bevindt in de (onmiddellijke) nabijheid van verdachtes woning in [woonplaats].

Tevens neemt het hof hierbij in aanmerking dat [medeverdachte 3] tijdens een verhoor bij de rechter-commissaris op 28 september 2005, naar aanleiding van een aantal hem voorgehouden afgeluisterde telefoongesprekken, in zijn algemeenheid heeft verklaard dat hij de verdachte soms "[D]" noemde."

14. De afgeluisterde telefoongesprekken waarin [medeverdachte 3] spreekt over "[A]/[B]", "[C]" en "[D]" en de daaraan gerelateerde peilbakengegevens, dan wel observatiegegevens zijn opgenomen in de ten aanzien van feit 1 gebezigde bewijsmiddelen 9.1, 9.2, 9.3 ([D], [B]), 10.1, 10.2, 10.3 ([D]), 11.1, 11.2, 11.3, 11.4, 11.5 ([C]), 12.1, 12.2, 12.3 ([C]), 13.1 ([B]), 14.1 t/m 14.6 ([D]),15.3, 15.4 ([D]), 16.1, 16.2 ([D]), 19.3, 19,4 ([D]).

15. De klacht is niet geheel duidelijk. Het middel zelf klaagt dat het Hof de verklaring van [medeverdachte 3] heeft gedenatureerd. In de toelichting op het middel lijkt de nadruk evenwel te vallen op de stelling dat de door het Hof "geciteerde onderdelen" uit het genoemde proces-verbaal van bevindingen niet (geheel) zijn terug te vinden in de aanvulling op het verkort arrest.

16. Om met dat laatste te beginnen: de steller van het middel ziet eraan voorbij dat het Hof door te overwegen als het heeft gedaan, zowel het bewijsmiddel heeft aangeduid waaraan het de bedoelde gegevens ontleende, als de inhoud daarvan heeft weergegeven. Daarmee is aan de eis der wet voldaan. Geen rechtsregel vereist dat (de inhoud van) het bewijsmiddel ook nog eens in de aanvulling op het verkort arrest wordt opgenomen. Reeds daarom faalt de klacht.

17. Dan nu de vermeende denaturering. Die zou zo begrijp ik hierin bestaan dat, waar [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij verdachte tot cassatie soms "[D]" noemt, het Hof ervan uitgaat dat voorzover in de bewijsmiddelen wordt gesproken van "[A]/[B]", "[C]" en "[D]" daarmee verdachte wordt bedoeld.

18. Als bewijsmiddel 8 ten aanzien van feit 1 heeft het Hof de verklaring van [medeverdachte 3] bij de rechter-commissaris gebezigd voor zover inhoudende : "Soms noemde ik [verdachte] "[D]".". Deze tot het bewijs gebezigde zin komt uit een zich onder de stukken bevindend proces-verbaal van getuigenverhoor van 28 september 2005, houdende het verhoor van [medeverdachte 3] door de Rechter-Commissaris. De complete alinea waarin de zin is ingebed, luidt als volgt:

"Met betrekking tot het gesprek 220040120 op pagina 15 van het vonnis verklaar ik dat ik mij dat gesprek niet kan herinneren en ik weet niet wie ik met de "[D]" in dat gesprek heb bedoeld. Ik noemde veel mensen "[D]". Soms noemde ik ook [verdachte] "[D]". Ik hoor de raadsman mij wijzen op mijn verklaring afgelegd op 31 maart 2005 in welke verklaring ik verklaard heb dat ik [verdachte] nooit "[D]" heb genoemd. U vraagt mij indringend wat nu de waarheid is. Ik heb [verdachte] mogelijk een of twee keer achter zijn rug om "[D]" genoemd, maar normaal noemde ik hem niet zo. Dit gezegd hebbend en terugkijkend op het laatste gesprek weet ik niet of ik in dit geval met "[D]" [verdachte] heb bedoeld."

19. Van denaturering lijkt mij hier geen sprake. Het Hof heeft bijkans letterlijk tot het bewijs gebezigd hetgeen [medeverdachte 3] heeft verklaard: "Soms noemde ik [verdachte] "[D]". Dat [medeverdachte 3] voorts verklaart dat hij verdachte hooguit één of twee keer zo heeft genoemd, doet hier niet aan af, omdat het het Hof vrijstond daaraan geen geloof te hechten. Dat hij verklaart de verdachte normaal niet zo te noemen, is door het Hof niet miskend. Uit de bewijsmiddelen volgt immers dat [medeverdachte 3] verdachte tevens "[C]", "[B]" en "[A]" noemde.

20. De opmerking in de toelichting op het middel dat het enkele feit dat [medeverdachte 3] bij de Rechter-Commissaris verklaard heeft dat hij verdachte soms "[D]" noemt, niet met zich brengt dat steeds als [medeverdachte 3] spreekt over "[D]" hij daarmee verdachte bedoelt, miskent dat het Hof zijn oordeel dat [medeverdachte 3] in de voor het bewijs gebezigde telefoongesprekken met "[D]" de verdachte bedoelt, niet alleen op dat enkele feit heeft gebaseerd, maar mede heeft doen stoelen op de andere in de gewraakte overweging weergegeven feiten en omstandigheden.

21. Het middel faalt derhalve in beide onderdelen.

22. Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte heeft geconcludeerd dat [medeverdachte 3] in [woonplaats] contact heeft gehad met verdachte, welk oordeel het Hof baseerde op het gegeven dat het peilbaken dat aan de auto van [medeverdachte 3] was aangebracht, op verschillende tijdstippen in [woonplaats] is geweest in combinatie met gesprekken die omstreeks die tijdstippen tussen de verzoeker tot cassatie en [medeverdachte 3] zijn gevoerd.

23. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de peilbakengegevens zoals weergegeven in bewijsmiddel 16.2 niet stroken met de peilbakengegevens zoals die zouden blijken uit het proces-verbaal van 13 december 2004 van verbalisant [verbalisant 7], als bijlage gevoegd bij het op bevel van het Hof aan het dossier toegevoegde aanvullend proces-verbaal betreffende bakengegevens van verbalisant [verbalisant 9] van 21 december 2004.

24. Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van 11 februari 2003 van verbalisant [verbalisant 8] (bewijsmiddel 16.2) houdt in dat de personenauto, merk Peugeot, type 206, voorzien van het Belgische kenteken [AA-00-BB] op 8 april 2002 zich om 19:52 uur bevond op de [b-straat] te [woonplaats] en om 20:38 uur op de A67/E34. Het proces-verbaal van 13 december 2004 van verbalisant [verbalisant 7] houdt ten aanzien van dezelfde personenauto in dat deze zich volgens het daarin opgenomen overzichtsstaatje op 8 april 2002 om 19:14 uur bevond op de A13/E34, om 19:52 op de [b-straat] te [woonplaats] en om 21:03 uur wederom op de A13/E34.

25. Beide processen-verbaal stemmen dus in zoverre overeen. Beide processen-verbaal geven aan dat het gaat om "onder andere" vastgestelde data, annex tijdstippen, annex plaatsen. Ze bevatten dus niet alle peilbakengegevens. Daar staat tegenover dat gelet op het bevel van het Hof de processen-verbaal samen wel de volledige peilbakengegevens met betrekking tot de heen- en terugreis van [medeverdachte 3] van België naar [woonplaats] zouden moeten bevatten.

26. Dat dit het geval is is uitgaande van de gegevens zoals weergegeven in de beide overzichtsstaatjes ook plausibel: op 8 april is de auto om 19:14 uur vanuit België op weg naar [woonplaats], om 19:52 uur is deze gearriveerd; om 20:38 uur is hij op de terugweg op de A67/E34 en om 21:03 uur is hij weer bijna "thuis".

27. Het middel gaat stilzwijgend voorbij aan het in het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 7] vervatte overzichtsstaatje. Het beroept zich op de bij dat verbaal gevoegde kaartbladen met betrekking tot 8 april 2002. Volgens de kaarten bevond de auto zich op 8 april om 17:14 uur op de A13/E34, om 17:52 op de [b-straat] te [woonplaats] en om 19:03 weer op de A13/E34. De tijden van de kaartbladen verschillen precies twee uur met de tijden in het overzichtsstaatje.

28. Als regel kan in cassatie niet voor het eerst een beroep worden gedaan op feitelijke gegevens die door het Hof niet zijn vastgesteld. Ik zie geen reden om daarover in dit geval anders te oordelen. Ik merk daarbij op dat voor de discrepantie tussen het overzichtsstaatje en de kaartgegevens vermoedelijk een simpele verklaring bestaat. Het overzichtsstaatje vermeldt dat de tijdsaanduiding uitgaat van de Nederlandse zomertijd. Het ligt niet voor de hand dat de meetapparatuur op die zomertijd is afgesteld. Het zou me niet verbazen als die apparatuur uitgaat van Greenwich Mean Time (GMT).

29. In het middel wordt ook geklaagd over de peilbakengegevens betreffende 12 april 2002 waar het Hof van uitgaat in bewijsmiddel 19. Het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van 11 februari 2003 van verbalisant [verbalisant 8] houdt in dat de personenauto, merk Peugeot, type 206, voorzien van het Belgische kenteken [AA-00-BB] zich op 12 april 2002 om 21:25 uur op de [b-straat] te [woonplaats] bevond, om 21:26 uur een stukje verder op de [b-straat] te [woonplaats] bevond en om 21:31 bij de oprit van de A67/E34 bij [woonplaats] bevond.

30. Het proces-verbaal van 13 december 2004 van verbalisant [verbalisant 7] houdt ten aanzien van dezelfde personenauto in dat deze zich volgens het overzichtsstaatje op 12 april 2002 om 20:53 uur op de A21/E34 bevond, om 21:25 uur op de [b-straat] te [woonplaats] bevond en om 21:56 uur wederom op de A21/E34 bevond. Anders dan in het middel wordt gesteld zijn er door de verbalisant derhalve drie peilbakengegevens overgelegd en niet één. Deze gegevens sporen met de voor het bewijs gebezigde gegevens. Dat de kaarten telkens een tijdstip vermelden dat twee uren vroeger is, kan daaraan om de bovenvermelde reden niet afdoen.

31. Het middel faalt derhalve in beide onderdelen.

32. Het vijfde middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen verkort proces-verbaal heeft opgemaakt, niet binnen drie maanden na het instellen van het cassatieberoep een aanvulling van het verkorte proces-verbaal heeft opgemaakt en niet de zakelijke inhoud van de verklaring van verdachte heeft opgenomen in het proces-verbaal.

33. In de toelichting op het middel wordt duidelijk dat de klacht zich eigenlijk enkel richt op de briefwisseling die plaatshad met betrekking tot de inhoud van de processen-verbaal van de terechtzittingen van 16 en 19 januari 2006 tussen de raadsman van verdachte en de Vice-President van het Hof te 's-Hertogenbosch. Deze briefwisseling is aangehecht aan de schriftuur.

34. De raadsman stuurt de Vice-President een afschrift van een aan hem gerichte brief van verdachte en merkt daarbij enkel op dat ook hem bij lezing van de processen-verbaal van de zitting opviel dat deze wel erg summier waren. Vervolgens vraagt hij de Vice-President om hem mede te delen of de bemerkingen van verdachte hem aanleiding geven de zittingsprocessen-verbaal aan te vullen. De Vice-President schrijft in antwoord op die brief dat hij geen aanleiding ziet om de processen-verbaal aan te vullen, nu daarin is aangegeven dat de verklaringen van verdachte zakelijk worden weergegeven en die weergave de relevante essentie van de verklaringen bevat.

35. Het komt mij voor dat men dan uitgepraat is. Als een verweer dermate belangrijk wordt geacht dat men daar graag een reactie van het Hof op heeft, dan doet men er goed aan uitdrukkelijk te verzoeken dit verweer op te nemen in het proces-verbaal van de terechtzitting. Beter nog, het op te nemen in een pleitnota en deze te overleggen. Kennelijk vond de raadsman bedoeld verweer niet belangrijk genoeg om zo'n handeling te verrichten.

36. Het middel faalt.

37. Het zesde middel bevat de klacht dat in het arrest staat vermeld dat het is gewezen door de mrs. Van Zon, Gründemann en Otten, terwijl aan de stukken van het geding het ernstige vermoeden valt te ontlenen dat het niet die drie raadsheren waren die het arrest hebben gewezen.

38. Het blijkt te gaan om (een kopie van) een roulatielijst van het Hof waaruit volgt dat de zaak van verdachte heeft gerouleerd tussen de raadsheren mrs Claassens, Otten en Van Zon en de griffier mr. Term. Een kopie van die lijst is aan de schriftuur gehecht. Belangrijker is dat de roulatielijst is aangehecht aan de akte van cassatie en derhalve deel uitmaakt van de gedingstukken.

39. Ik meen dat het enkele bestaan van bedoelde roulatielijst niet het ernstig vermoeden wekt dat het arrest niet door mr Gründemann is gewezen. Het verkort arrest is door mr Gründemann ondertekend hetgeen betekent dat hij met de inhoud daarvan is akkoord gegaan. Dat wordt niet anders als zou blijken dat hij nadien niet betrokken is geweest bij de aanvulling op het verkort arrest of bij de uitwerking van het proces-verbaal van de zitting.

40. Ik merk nog op dat de roulatielijst niet is gedateerd en dat die lijst evenmin vermeldt waarop zij betrekking heeft. Wel gaat het daarbij gezien het opschrift ("Cassatie inzake: [verdachte]") om een roulatieschema dat betrekking heeft op de fase na het instellen van het cassatieberoep. Om de vaststelling van het verkort arrest kan het dus moeilijk zijn gegaan. Daarop wijst ook dat niet alleen mr. Claassen niet klopt als het zou gaan om het eindarrest, maar dat ook de griffier een ander is. Nu zijn er in de onderhavige zaak erg veel terechtzittingen geweest in hoger beroep. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 20 juli 2005 vermeldt mr. Van Zon als voorzitter, mrs. Otten en Claassens als raadsheren, en mr. Van Term als griffier. Mijn inschatting is dan ook dat de roulatielijst op de uitwerking van het proces-verbaal van die terechtzitting ziet.

41. Het middel faalt.

42. Het zevende middel klaagt dat het Hof weliswaar heeft geconstateerd dat de redelijke termijn is overschreden, maar daarvoor ook voor een groot deel de schuld bij verzoeker tot cassatie heeft gelegd en overigens aan de constatering van die schending een te lichte strafkorting heeft verbonden, terwijl daarnaast ook de redelijke termijn in de cassatiefase is geschonden.

43. Het Hof heeft in zijn arrest met betrekking tot de overschrijding van de redelijke termijn het volgende overwogen:

"Overschrijding van de redelijke termijn

Van de zijde van de verdachte is het verweer gevoerd dat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van de verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden, welke schending, aldus de raadsman, bij een eventuele strafoplegging verdisconteerd moet worden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Procedureverloop

Ten aanzien van het procedureverloop stelt het hof - voorzover van belang voor de beoordeling van de redelijke termijn - het navolgende vast.

(i) 2 juli 2002: aanhouding verdachte;

(ii) 3, 4 en 5 juni 2003: finale inhoudelijke behandeling rechtbank;

(iii) 19 juni 2003: eindvonnis

(iv) 24 juni 2003: hoger beroep door verdachte:

(v) 29 oktober 2003: stukken ontvangen door hof;

(vi) 16 en 19 januari 2006: finale inhoudelijke behandeling hof;

(vii) 2 februari 2006: eindarrest hof;

Aanvang en einde totale procedure

De aanvang van de redelijke termijn stelt het hof op 2 juli 2002, de datum waarop de verdachte werd aangehouden. Aan die aanhouding kon de verdachte in redelijkheid de verwachting ontlenen dat het openbaar ministerie jegens hem een vervolging zou instellen. De termijn eindigt op 2 februari 2006, zijnde de datum van het eindarrest van dit hof. Hieruit volgt dat de totale strafprocedure 3 jaren en 7 maanden heeft geduurd.

Procedure in zijn afzonderlijke onderdelen.

Uit het beschreven procedureverloop volgt dat de periode (i) tot en met (iii) (de behandeling in eerste aanleg) ruim elf maanden heeft geduurd. Van een overschrijding van de redelijke termijn, die normaliter, in geval zoals in casu verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, wordt gesteld op 16 maanden, is in dit deel van de procedure geen sprake.

De periode van (iv) tot en met (v) (instellen hoger beroep en ontvangst van de stukken door het hof) heeft ruim vier maanden geduurd. Van een overschrijding van de redelijke termijn, die normaliter op 8 maanden wordt gesteld, is geen sprake.

De periode van (iv) tot en met (vii) (instellen hoger beroep en eindarrest hof) heeft twee jaren en ruim 7 maanden geduurd. Dit is een overschrijding van de redelijke termijn die normaliter op 16 maanden, in geval zoals in casu verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, wordt gesteld, met een periode van ruim 15 maanden.

Ten aanzien van deze periode (de procedure in hoger beroep) overweegt het hof dat door de verdediging een groot aantal verzoeken werd gedaan tot het uitvoeren van onderzoekshandelingen en tot het horen van een groot aantal getuigen (ook in het verre buitenland).

Daarnaast betreft het een gecompliceerde zaak. Enige overschrijding van de gebruikelijk als redelijk aan te merken termijn in dit onderdeel van de procedure is naar het oordeel van het hof dan ook aanvaardbaar.

Echter tijdens de behandeling in hoger beroep is de samenstelling van het hof gewijzigd na het tijdstip waarop voornoemde verzoeken door de verdediging werden gedaan (december 2003/januari 2004). Daardoor zijn de beslissingen op de verzoeken niet, zoals in de bedoeling lag, genomen op 16 april 2004, doch eerst op 17 september 2004. De vertraging die in deze fase is ontstaan is, te weten 5 maanden, is naar het oordeel van het hof niet toe te rekenen aan de verdediging.

Tijdens de procedure in hoger beroep (april 2005) bleek tevens dat de verdediging niet de beschikking had gekregen over alle cd's en dvd's met opgenomen telefoongesprekken en tevens bleek dat deze gesprekken niet altijd even goed waren af te luisteren en de faciliteiten voor verdachte beperkt waren. Daardoor kon de geplande inhoudelijke behandeling op 26 en 28 oktober 2005 geen doorgang vinden en heeft die inhoudelijke behandeling eerst op 16 en 19 januari 2006 plaatsgevonden. Ook deze tussen eind oktober 2005 en medio januari 2006 verstreken tijd (ruim 21/2 maand) komt naar het oordeel van het hof niet voor rekening van de verdediging.

Uit het vorenstaande volgt dat van de overschrijding van de gebruikelijk als redelijk aan te merken termijn voor de behandeling in hoger beroep een deel van ruim 71/2 maand niet voor rekening van de verdediging komt.

Op basis van het vorenstaande is het hof van oordeel dat, gelet op het tijdsverloop voor wat betreft een afzonderlijk onderdeel (de procedure in hoger beroep) en de procedure als geheel, er sprake is van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

De overschrijding van de redelijke termijn zal het hof compenseren door in plaats van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, de hierna te bepalen gevangenisstraf op te leggen."

44. Uit de overwegingen van het Hof volgt duidelijk dat het Hof de in de toelichting op het middel genoemde termijnoverschrijding in verband met het vertrek van de voorzitter mr. Aarts alsmede de termijnoverschrijding in verband met het beluisteren van de telefoon- en dirafgesprekken door verdachte uitdrukkelijk niet voor rekening van de verdediging laat komen. In de toelichting op het middel wordt daaraan eenvoudigweg voorbij gegaan.

45. Voor het overige geldt dat het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn in cassatie slechts in beperkte mate kan worden getoetst in die zin dat slechts onderzocht kan worden of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van de zaak. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet snel sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling in cassatie.

46. Van een onjuiste rechtsopvatting is in dezen geen sprake en 's Hofs oordeel is ook geenszins onbegrijpelijk, met name ook niet waar het Hof de ingewikkeldheid van de zaak en de invloed van de verdediging op het procesverloop heeft betrokken.

47. Dit onderdeel van het middel faalt derhalve.

48. In het middel wordt voorts geklaagd over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie, wegens overschrijidng van de inzendtermijn. Het beroep in cassatie is ingesteld op 13 februari 2006. De stukken hadden derhalve uiterlijk op 13 oktober 2006 bij de Hoge Raad moeten binnenkomen. Het middel stelt dat die stukken pas na die datum zijn binnengekomen, echter zonder een specifieke datum te noemen.

49. Volgens de griffiestempel op de stukken zijn deze echter op 25 augustus 2006 ter griffie van de Hoge Raad binnengekomen. Van een overschrijding van de inzendtermijn is dan ook geen sprake.

50. Het middel faalt derhalve.

Bespreking van de middelen van mr. Zilver

51. Het eerste middel klaagt dat het Hof, ter verwerping van een terzake het onder 2 ten laste gelegde feit gevoerd verweer, bewijsoverwegingen heeft gebezigd welke niet aan de gebruikte bewijsmiddelen en/of feiten van algemene bekendheid kunnen worden ontleend, zodat de bewezenverklaring in zoverre ontoereikend is gemotiveerd.

52. Bedoeld verweer en de verwerping daarvan zijn door het Hof als volgt opgenomen in zijn arrest:

"Buiten het grondgebied van Nederland brengen

Mr. Ausma heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit. Mr. Ausma heeft daartoe aangevoerd dat niet bewezen kan worden dat er XTC-pillen buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Volgens mr. Ausma zijn er aanwijzingen in het dossier dat de XTC-pillen die in Lübeck (Duitsland) in beslag werden genomen, bij aanvang van het transport zich in België bevonden, vermoedelijk in het grensgebied West-Brabant/Antwerpen. De pillen zijn vervolgens via de Belgische route (Luik-Aachen) naar Lübeck (Duitsland) vervoerd. Daarbij werd - aldus mr. Ausma- het Nederlands grondgebied niet gepasseerd. De raadsman verwijst daarbij naar een ongedateerde brief van [betrokkene 2] welke als bijlage 6 is gevoegd bij de schriftelijke stukken die door mr. Ausma ter zitting van 20 juli 2005 werden overgelegd. Uit die brief volgt tevens - aldus mr. Ausma - dat de Ford Transit waarin de in Lübeck aangetroffen pillen werden vervoerd, was gehuurd bij een bedrijf in Tilburg en van daaruit naar het grensgebied West-Brabant/Antwerpen is gereden.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Daargelaten waar het transport van de XTC-pillen is aangevangen, vast staat dat de pillen vanuit het grensgebied West-Brabant/ Antwerpen naar Lübeck (Duitsland) zijn vervoerd. Voor de vraag welke route daarbij werd afgelegd - wel of niet over Nederlands grondgebied - is het navolgende van belang.

Uit de huurovereenkomst met betrekking tot de Ford Transit (bijlage 15 van de door mr. Ausma op 20 juli 2005 overgelegde stukken), blijkt dat deze met ingang van 14 november 2001 was gehuurd bij een autobedrijf in Tilburg. De kilometerstand van die auto was toen 115.004 km. Uit bijlage 16 van de door mr. Ausma op 20 juli 2005 overgelegde stukken blijkt dat de Ford Transit, na de inbeslagneming op 20 november 2001 in Lübeck, daar op 19 december 2001 werd opgehaald en rijdend naar Tilburg is gebracht. De kilometerstand van de auto bij aankomst in Tilburg was 116.439 km.

Het hof leidt hieruit af dat de Ford Transit vanaf de aanvang van de huurovereenkomst tot en met de terugkeer van de auto in Tilburg (116.439 km - 115.004 km=) 1.435 km heeft gereden.

Uit de door het hof geraadpleegde routeplanner volgt dat de snelste route van Lübeck (Duitsland) naar Tilburg (over Nederlands grondgebied) ongeveer 546 km lang is. Dit betekent dat tussen het moment van de verhuur van de auto en de inbeslagneming daarvan in totaal (1.435 km - 546 km=) 889 km zijn gereden.

Wanneer de door de verdachte gestelde route over Belgisch grondgebied vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen - via Luik naar Aachen en vervolgens naar Lübeck - zou zijn gereden, dan zou het aantal gereden kilometers (volgens de door het hof geraadpleegde routeplanner (snelste route)) uitkomen op:

Tilburg-Antwerpen : 73 km;

Antwerpen-Luik-Aachen-Lubeck: totaal 722 km;

Uit een afgeluisterd telefoongesprek tussen [betrokkene 2] en de ontvangers van de pillen in Duitsland op 15 november 2001 (dossierpagina 4111 en 4112) blijkt dat [betrokkene 2] op 30 kilometer voor Lübeck stopt omdat hij te laat is voor de aflevering van de pillen.

Dit betekent dat volgens de stelling van mr. Ausma voor de heenreis in totaal (722 km-30 km=) 692 km met de Ford Transit zijn gereden.

Uit de brief van [betrokkene 2] (bijlage 6 bij de stukken van mr. Ausma d.d. 20 juli 2005) blijkt dat de Ford Transit op 15 november 2001 vanaf 30 kilometer voor Lübeck terug is gereden naar Bremen. Vervolgens is de Ford Transit met de XTC-pillen op 20 november 2001 weer vanuit Bremen naar Lübeck gereden, waar uiteindelijk de pillen in beslag werden genomen.

De afstand Lübeck-Bremen bedraagt (volgens de door het hof geraadpleegde routeplanner (snelste route)) 178 km.

Dit betekent dat op 15 november 2001 een afstand werd afgelegd van 178 km - 30 km (correctie in verband met eindpunt 30 km voor Lübeck) is 148 km.

Op 20 november 2001 werd tussen beide plaatsen een afstand afgelegd van 178 km.

Indien de door de raadsman van de verdachte gestelde route zou zijn gevolgd zou (73 km+692 km+148 km+178 km=) 1091 km met de Ford Transit zijn gereden, hetgeen aanzienlijk meer is dan het eerder vastgestelde aantal gereden kilometers (889 km).

Het hof is daarnaast van oordeel dat de hiervoor door de raadsman gestelde route, welke geheel voert over Belgisch grondgebied, niet de meest voor de hand liggende route is. Immers de meest logische route vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen naar Lübeck voert - naar het oordeel van het hof - over Nederlands grondgebied. Uitgaande van deze route kan het aantal kilometers als volgt worden vastgesteld:

Tilburg-Antwerpen: 73 km;

Wernhout-Lübeck (-30 km): 559 km

Lübeck(-30km)-Bremen: 148 km

Bremen-Lübeck: 178 km

Totaal: 958 km.

Het hof stelt vast dat dit aantal gereden kilometers meer overeenkomt met de vastgestelde werkelijk gereden kilometers van 889 km.

Het hof overweegt hierbij nog dat de hiervoor gebezigde afstanden, feiten van algemene bekendheid zijn, immers zijn af te leiden uit een voor eenieder te raadplegen routeplanner.

Naast het hiervoor geconstateerde aantal gereden kilometers neemt het hof ook nog het navolgende in aanmerking voor de vaststelling dat het transport van de XTC-pillen over het Nederlands grondgebied zal zijn gegaan.

Tegen de bestuurder van de Ford Transit, [betrokkene 2], werd een Haftbefehl door de Duitse autoriteiten (Amtsgericht Lübeck) uitgevaardigd in verband met de invoer van de XTC-pillen op Duits grondgebied. De inhoud van dat Haftbefehl (door de advocaat-generaal overgelegd ter zitting in hoger beroep op 19 januari 2006) luidt:

"Der Beschuldigte [betrokkene 2] führte aus Holland kommend über Bad Bentheim mit einem weissen Transporter mit dem niederländischen Kennzeichen [CC-00-DD] nach den bisherigen Feststellungen über 1.600.000 Ecstasy-Pillen in die Bundesrepublik Deutschland ein."

In een op schrift gestelde verklaring van [betrokkene 2] d.d. 25 maart 2002, welke op 17 april 2002 door de Rechtsanwalt van [betrokkene 2] werd verzonden aan de Staatsanwaltschaft bei dem Landgericht (door de advocaat-generaal overgelegd ter zitting in hoger beroep op 19 januari 2006), wordt vermeld:

"Ich, [betrokkene 2], gebe hiermit nachfolgende Erklärung ab.

(..) erkläre ich hiermit dass die Vorwürfe aus dem Haftbefehl des Amtsgericht Lübeck vom 21.11.2001, mir am diesem Tage verkündet und ausgehändigt, im Hinblick auf den Tatbeitrag meiner Person zutreffend sind".

In dat verband overweegt het hof verder dat het een feit van algemene bekendheid is dat wanneer men vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen naar Lübeck rijdt, over Nederlands grondgebied, men bij de plaats Bad Bentheim, ter hoogte van Twente, de grens met Duitsland passeert.

Op basis van het vorenstaande, in onderling verband en samenhang bezien, is het hof van oordeel dat de XTC-pillen die op 20 november 2001 in Lübeck in beslag werden genomen via het Nederlandse grondgebied naar Duitsland zijn vervoerd en derhalve buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Hetgeen daartoe door mr. Ausma verder in zijn pleitnota wordt gesteld, doet daaraan niet af.

Het verweer van de raadsman wordt mitsdien verworpen."

53. In de toelichting op het middel wordt in de eerste plaats aangevoerd dat het Hof bij herhaling uit gaat van de "snelste route" volgens "de door het hof geraadpleegde routeplanner", doch dat het enkele feit dat een bepaalde route volgens de door het Hof geraadpleegde routeplanner de kortste (ik neem aan dat hier bedoeld wordt "snelste") is niet rechtvaardigt dat wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat diezelfde route ook daadwerkelijk is gevolgd.

54. Deze grief berust op een onjuiste lezing van 's Hofs arrest. Het Hof heeft niet aangenomen dat de snelste routes daadwerkelijk zijn gereden, maar heeft bij zijn berekening veronderstellenderwijs tot uitgangspunt genomen dat telkens gebruik is gemaakt van de snelste route, hetgeen op zich ook het meest aannemelijk is. Die berekening heeft daarbij slechts de functie om aannemelijk te maken dat een route door Nederland zich beter laat verenigen met de standen die de kilometerteller aangaf dan de door de verdediging aangedragen route over Luik en Aachen. Dat de daadwerkelijke route door Nederland liep, heeft het Hof dan ook mede op grond van andere gegevens bewezen geacht. Het hof beroept zich immers ook op het feit van algemene bekendheid dat wanneer men vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen naar Lübeck rijdt, over Nederlands grondgebied, men bij Bad Bentheim, ter hoogte van Twente, de grens met Duitsland passeert, alsmede op het tot het bewijs gebezigde door de Duitse autoriteiten uitgevaardigde Haftbefehl inhoudende onder meer dat [betrokkene 2] via Bad Bentheim Duitsland is binnengereden en de, eveneens tot het bewijs gebezigde, verklaring van [betrokkene 2] dat hetgeen in het Haftbefehl staat op zijn deelname aan de in-/uitvoer van de XTC zag.

55. Ik merk daarbij op dat als - zoals de steller van het middel kennelijk voorstaat - in de berekening rekening wordt gehouden met mogelijke omleidingen of met extra kilometers die derden mogelijk met de auto hebben afgelegd, de berekening er voor de verdachte alleen maar ongunstiger op wordt. Als de Ford Transit na de inbeslagneming op de terugreis via omwegen naar Tilburg zou zijn teruggereden, dan valt het aantal vóór die inbeslagneming met de auto gereden kilometers in de berekening lager uit dan 889 km, zodat de discrepantie met de door de verdachte gestelde route groter is dan door het Hof is gesignaleerd. Hetzelfde geldt als er vóór de inbeslagneming (op de heenweg) met de auto omwegen zijn gereden. Dan komt de berekening van het aantal gereden kilometers op meer uit dan 1091 km, zodat de discrepantie met het "werkelijk" aantal gereden kilometers eveneens groter is dan door het Hof is gesignaleerd. In zoverre mag de verdachte dus niet klagen dat het Hof de snelste route tot uitgangspunt van zijn berekeningen heeft genomen.

56. Anders is het misschien als in plaats van de snelste, de kortste route zou zijn gereden. Voor zover daarover bedoeld mocht zijn te klagen, merk ik het volgende op. De kortste route van Lübeck naar Tilburg (de terugreis) komt volgens twee door mij de geraadpleegde routeplanners uit op 507 resp. 514 km, zodat als van die kortste route wordt uitgegaan, voor de heenreis 928 resp. 921 km resteert. Als op de heenreis zoals die door de verdachte is voorgesteld (via Luik en Aachen), de kortste route zou zijn genomen in plaats van de snelste, dan is het verschil met de snelste route slechts 24 km.(1) Dat komt dan neer op een totaalafstand van ongeveer 1067 km. Dat betekent dat, ook als uitgegaan wordt van de op zich minder waarschijnlijke optie dat telkens de kortste route is gekozen, nog steeds geldt dat de door de verdachte voorgestelde route moeilijk valt te rijmen met het aantal verreden kilometers volgens de kilometerteller. Een route die over Nederlands grondgebied heeft gelopen past daar beter bij.

57. Deze grief van het middel gaat dus niet op.

58. Dat geldt ook voor de tweede grief van het middel, inhoudende dat onbegrijpelijk is dat het Hof overweegt dat uit de door de raadsman van verzoeker op 20 juli 2005 overgelegde brief van de chauffeur [betrokkene 2] zou blijken dat deze de bus op 15 november 2001 vanaf 30 km voor Lübeck heeft teruggereden naar Bremen. De "30 km voor Lübeck" heeft het Hof afgeleid uit het tot het bewijs gebezigde telefoongesprek waarin [betrokkene 2] letterlijk zegt "Ik zit 30 kilometer voor Lübeck". Uit de door de raadsman overgelegde brief heeft het Hof vervolgens afgeleid dat [betrokkene 2] toen weer is teruggereden naar Bremen. Ik merk nog op dat het Hof er ten gunste van de verdachte vanuit is gegaan dat [betrokkene 2] 30 km vóór Lübeck is gekeerd. Als het Hof er vanuit was gegaan dat [betrokkene 2] helemaal tot in Lübeck is gereden en pas daarna is teruggereden naar Bremen, zou de heenreis in de berekening 60 km langer zijn uitgevallen.

59. Ook de derde grief, inhoudende dat het oordeel van het Hof dat de meest logische route vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen naar Lübeck over Nederlands grondgebied voert, niet wordt onderbouwd door enig bewijsmiddel, faalt. De raadsman kan worden toegegeven dat het gebruik van het woord "logische" voor discussie vatbaar is. In het licht bezien van de zin die daaraan vooraf gaat bedoelt het Hof kennelijk te zeggen dat een route die vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen over Nederlands grondgebied voert meer voor de hand ligt dan een route die geheel over Belgisch grondgebied gaat. Dat dat oordeel door feiten van algemene bekendheid wordt ondersteund, kan mijns inziens staande gehouden worden. Als Antwerpen als vertrekpunt wordt gekozen, geeft de ANWB routeplanner als snelste route een route aan die via Venlo loopt (en dus over Nederlands grondgebied voert). Wordt het even ten noorden van Antwerpen gelegen Brasschaat als vertrekpunt genomen, dan voert de snelste route over Bad Bentheim. Bedoeld oordeel hoeft dus niet onderbouwd te worden door enig bewijsmiddel.

60. De opmerking van de raadsman dat het logischer is met een lading drugs zo min mogelijk grenzen te willen passeren en dan dus maar te kiezen voor een langere route, doet aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel niet af. Het Hof heeft immers niet op grond van het enkele feit dat een route over Nederlands grondgebied in het algemeen het meest voor de hand liggend is, aangenomen dat die route ook daadwerkelijk is gevolgd. Dat impliceert dat het Hof heeft beseft dat de mogelijkheid bestaat dat in casu van het meest voor de hand liggende pad is afgeweken. Heel erg plausibel is de reden die de raadsman opvoert om een ongebruikelijke route te kiezen, intussen niet. Zo heel veel stelt de grenscontrole tussen België-Nederland en Nederland-Duitsland immers niet meer voor.

61. De volgende grief houdt in dat het onbegrijpelijk is dat het Hof bij de berekening van het aantal kilometers volgens de "logische" route geen rekening houdt met de afstand Antwerpen-Wernhout. Die grief is op zich terecht voorgedragen. Ook ik kan niet bedenken waarom het Hof de afstand Antwerpen-Wernhout niet heeft meegerekend. Dat is overigens niet het enige wat ik niet begrijp. Het Hof licht niet toe waarom het ervan uitgaat dat de "logische" route vanuit Antwerpen vertrekt.(2) Het Hof heeft juist "daargelaten" waar het transport van de XTC-pillen is aangevangen en slechts als vaststaand aangenomen dat de pillen "vanuit het grensgebied West-Brabant-Antwerpen" naar Duitsland zijn vervoerd. Dat aanduiding wijst op een plaats dichtbij de Nederlandse grens, waarbij vooral te denken is aan plaatsen ten noorden van Antwerpen. Onduidelijk is voorts waarop het Hof baseert dat de route langs het in Nederland gelegen Wernhout heeft gevoerd. Als daarvan mag worden uitgegaan, staat immers vast dat de drugs via Nederland naar Duitsland zijn gereden.(3) Het heeft er alle schijn van dat het Hof hier het spoor even bijster is geraakt.

62. De vraag is of dit tot cassatie moet leiden. Ik meen van niet. Aan de begrijpelijkheid van 's Hofs oordeel dat een route over Nederlands grondgebied beter past bij de standen van de kilometerteller, doet de ondoorgrondelijkheid van de berekening niet wezenlijk afbreuk. Een route door Nederland is immers hoe dan ook korter dan de route waar de raadsman van uitgaat. Daar komt dan nog bij dat het oordeel van het Hof dat de drugs via Nederland naar Duitsland zijn vervoerd zoals al gezegd niet alleen op de uitgevoerde berekeningen steunt.

63. Ik merk daarbij nog het volgende op. De mogelijkheid dat de drugs zich in België bevonden, is aannemelijk geworden toen boven water kwam dat de op 14 november 2001 gehuurde Ford Transit in de nacht van 14 op 15 november 2001 door een observatieteam is gezien op een parkeerplaats bij een hotel in het even ten noorden van Antwerpen gelegen Brasschaat. De verdediging heeft zich daarop beroepen ter ondersteuning van de stelling dat de drugs zich in België hebben bevonden (en dus niet in Bergen op Zoom, Wernhout of Baarle Hertog).(4) Dat verklaart misschien waarom het Hof als vertrekpunt van de "logische" route Antwerpen heeft gekozen. Zuiverder ware het evenwel geweest als voor Brasschaat was gekozen. Dat maakt een niet onbelangrijk verschil: dan immers voert de snelste route zoals wij zagen niet over Venlo, maar langs Bad Bentheim. De ANWB-routeplanner geeft daarbij als snelste route tussen Brasschaat en Lübeck een afstand van 613 km aan. De snelste route van Tilburg naar Brasschaat bedraagt voorts 68 km. Uitgaande van deze gegevens ziet de berekening van de "logische" route er als volgt uit.

Tilburg-Brasschaat: 68 km

Brasschaat-Lübeck (- 30 km): 583 km

Lübeck (- 30 km) - Bremen: 148 km

Bremen - Lübeck: 178 km

Totaal: 977 km.

Dit is maar weinig meer dan de 958 km waarop het Hof uitkomt. Nog steeds geldt dat - zoals het Hof overweegt - het aantal berekende kilometers "meer overeenkomt met de vastgestelde werkelijk gereden kilometers van 899 km".(5)

64. De laatste grief houdt in dat verdachte zich niet kan verenigen met de overweging van het Hof dat het een feit van algemeen bekendheid is dat men bij de plaats Bad Bentheim, ter hoogte van Twente, de grens met Duitsland passeert, wanneer men vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen naar Lübeck rijdt. Ook deze grief slaagt mijns inziens niet. Het Hof zal met deze overweging bedoeld hebben te zeggen dat het een feit van algemene bekendheid is dat de (of: een) voor de hand liggende route als men vanuit bedoeld grensgebied naar Lübeck rijdt, via de grensovergang bij Bad Bentheim loopt. Dat is inderdaad een feit van algemene bekendheid. Zoals ik al aangaf voert de snelste route vanuit Brasschaat volgens de routeplanner langs Bad Bentheim. Uiteraard volgt daaruit niet zonder meer dat de Ford Transit die route ook is gereden. Dat een route langs Bad Bentheim voor de hand ligt, ondersteunt echter wél de Erklärung die [betrokkene 2]s tegenover de Duitse autoriteiten aflegde. In onderling verband en samenhang bezien met die Erklärung en met het feit dat een route via Luik en Aken zich moeilijk laat rijmen met de kilometerstanden, kan de gewraakte overweging dus wel degelijk bijdragen aan 's Hofs oordeel dat de in Lübeck inbeslaggenomen XTC-pillen via Nederlands grondgebied naar Duitsland zijn vervoerd. Onbegrijpelijk is dat oordeel alles bij elkaar genomen niet.

65. Het middel faalt.

66. Het tweede middel klaagt dat het Hof de bewezenverklaring dat verdachte het onder 2 tenlastegelegde feit meermalen heeft gepleegd, niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.

67. Het Hof heeft dienaangaande in zijn arrest het volgende overwogen:

"Meermalen gepleegd

Uit de gebezigde bewijsmiddelen leidt het hof af dat er eerst een partij van 800.000 pillen richting Lübeck is gebracht. Deze aflevering kon niet plaatsvinden omdat [betrokkene 2] te laat met de Ford Transit in Lübeck zou aankomen. Dat was op 15 november 2001.

Vervolgens is de Ford Transit met de pillen in de omgeving van Bremen achtergebleven. Daarna, op 19/20 november 2001, is de andere helft van 800.000 pillen naar de in Duitsland, in de buurt van Bremen achtergebleven, Ford Transit gebracht en daarin ingeladen. Vervolgens werden de in totaal 1,6 miljoen pillen naar Lübeck vervoerd en daar op 20 november 2001 in beslag genomen.

Dat de Ford Transit na het eerste "gestrande" transport in de buurt van Bremen is achtergebleven en niet terug is gereden naar het eerste punt van vertrek (te weten het grensgebied West-Brabant/Antwerpen) leidt het hof af uit de omstandigheid dat in dat geval de kilometerstand van de Ford een geheel andere zou zijn dan het hiervoor vastgestelde aantal gereden kilometers (889 km).

Uit de inhoud van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting zijn naar het oordeel van het hof geen aanwijzingen naar voren gekomen dat de tweede hiervoor genoemde zending van 800.000 pillen via een andere route dan de meest voor de hand liggende route over Nederlands grondgebied naar Duitsland is gebracht. Aldus zijn (mede) door verdachte meermalen XTC-pillen buiten het grondgebied van Nederland gebracht."

68. In de toelichting op het middel wordt voor wat betreft de overwegingen van het Hof over "het hiervoor vastgestelde aantal gereden kilometers" en "de meest voor de hand liggende route" verwezen naar hetgeen in het eerste middel dienaangaande is aangevoerd. Dat is een wel erg uit de losse pols geformuleerde klacht. Dat niet - zoals het Hof oordeelt op grond van het (op basis van de kilometerstanden) vastgestelde aantal gereden kilometers - met de Ford vanuit Bremen op en neer kan zijn gereden naar Antwerpen om de volgende lading pillen op te halen, lijkt mij evident. Dat de meest voor de hand liggende route vanuit het grensgebied West-Brabant/Antwerpen over Nederlands grondgebied loopt, is zoals hiervoor reeds uiteengezet een alleszins begrijpelijk oordeel.

69. In de toelichting op het middel wordt voorts geklaagd dat het Hof aan het feit dat er geen aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de tweede zending via een andere route dan die over Nederlands grondgebied naar Duitsland is gebracht, niet de gevolgtrekking had mogen verbinden dat (mede) door verdachte meermalen XTC-pillen buiten het grondgebied van Nederland zijn gebracht. Het Hof had die gevolgtrekking slechts kunnen afleiden uit de gebezigde bewijsmiddelen.

70. Het Hof heeft die gevolgtrekking naar mijn mening wel degelijk uit de gebezigde bewijsmiddelen - gecombineerd met feiten van algemene bekendheid - afgeleid. Die gevolgtrekking berust namelijk kennelijk mede op de eerder gedane vaststelling dat de eerste zending pillen via Nederland naar Duitsland is vervoerd. Mede gelet op het feit dat een route over Nederlands grondgebied - hetzij via Venlo, hetzij via Bad Bentheim of Nordhorn - ook het meest voor de hand ligt, heeft het Hof de mogelijkheid dat de daders de tweede keer opeens de moeite hebben genomen om om Nederland heen te rijden, als hoogst onwaarschijnlijk terzijde kunnen schuiven. Daarbij heeft het Hof uiteraard in aanmerking genomen dat uit de inhoud van het dossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de tweede zending via een andere route dan die over Nederlands grondgebied is gegaan.

71. Het middel faalt.

72. In de aanvullende schriftuur wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen 32 en 33 bezwaarlijk iets anders kan worden afgeleid dan dat [betrokkene 2] met ongeveer 1,6 miljoen XTC-pillen Duitsland is ingereden, zodat het onbegrijpelijk te achten is dat het Hof heeft overwogen dat er eerst een partij van 800.000 pillen en vervolgens nog eens 800.000 pillen naar Duitsland is gebracht.

73. Hoewel deze klacht als een aanvullende toelichting op het tweede middel wordt gepresenteerd, kan die presentatie niet verhullen dat sprake is van een zelfstandige grief. Het tweede middel is gebaseerd op de vaststelling van het Hof dat er een tweede zending is geweest, waarbij het oordeel van het Hof dat die tweede zending over Nederlands grondgebied is gegaan, wordt aangevochten. In de aanvullende schriftuur wordt niet dat oordeel aangevochten, maar de vaststelling van het Hof waarop het tweede middel was gebaseerd. De aanvullende schriftuur richt zich dus op een ander oordeel van het Hof dan het tweede middel doet. Dat betekent dat de aanvullende klacht buiten bespreking moet blijven.

74. Ik merk nog op dat het belang van de klacht mij gering lijkt te zijn. Of de partij van 1,6 miljoen pillen in één keer dan wel in twee keer over de grens is gebracht, maakt uit voor de kwalificatie ("meermalen gepleegd"), maar is van weinig belang voor de strafwaardigheid van de bewezenverklaarde feiten zoals die door het Hof is beoordeeld.(6) In het hypothetische geval dat de klacht besproken én gegrond bevonden zou worden, zou daarom wellicht met verbetering van de bewezenverklaring en de kwalificatie kunnen worden volstaan.

75. Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte niet de redenen heeft opgegeven die hebben geleid tot gebruik voor het bewijs van processen-verbaal van afgeluisterde gesprekken tussen verdachte en [betrokkene 3], aangezien daarmee werd afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat die processen-verbaal niet voor het bewijs hadden mogen worden gebruikt.

76. Blijkens de door de raadsman mr. Ausma ter zitting in hoger beroep van 19 januari 2006 overgelegde pleitnotities is namens verdachte het volgende aangevoerd:

"56. Vanaf p.45 aanvullend vonnis gesprekken [betrokkene 3] al bewijs. OM daar in spagaat -> als [betrokkene 3] geen verdachte is en niet vervolgd wordt, gesprekken ook niet belastend uitleggen. Immers, dan gewoon mededader en logischerwijs ook vervolgen, dan wel op zijn minst als verdachte aanmerken. Is niet gebeurd. Zie verklaring AG zitting 22 april 2005 (p 6 PV). Gesprekken [betrokkene 3] reeds om die reden niet voor het bewijs bezigen."

77. De tekst loopt niet helemaal soepel, maar de intentie is duidelijk. De bedoelde verklaring van de AG is blijkens het proces-verbaal van de zittingen van 13 en 22 april 2005 ter zitting van 13 april 2005 afgelegd en luidt als volgt:

"De raadsman heeft mij voorts verzocht om hem mede te delen of [betrokkene 3] in het onderhavige onderzoek als verdachte is aangemerkt. Ik kan hem mededelen dat [betrokkene 3] in de KTZ 30 zaak niet als verdachte is aangemerkt. Voorzover ik weet is [betrokkene 3] in het "Bosgeit onderzoek" ook niet als verdachte aangemerkt. Het telefoonnummer van [betrokkene 3] kwam naar voren in een gesprek tussen verdachte en [betrokkene 3] en is afgeschermd verstrekt aan het Amsterdamse onderzoeksteam en is vervolgens in het onderzoek Bosgeit getapt. Er is door de rechter-commissaris een machtiging gegeven tot een spoedtap ten aanzien van [betrokkene 3]. Deze heeft zeven dagen gelopen omdat de zaak klapte naar aanleiding van de aanhouding van [betrokkene 2] in Lübeck. De machtiging terzake het tappen van de telefoon van [betrokkene 3] is niet gegeven op basis van een verdenking van [betrokkene 3], maar in het kader van het onderzoek jegens [betrokkene 4] die in deze zaak wel verdachte was.

Overigens beschikt de raadsman in het kader van de "Bosgeitzaak" reeds over stukken die hierop betrekking hebben."

78. Ter zitting van het Hof van 19 januari 2006 heeft de Advocaat-Generaal bij het Hof als volgt gereageerd op het gevoerde verweer:

"- Ten aanzien van het feit dat [betrokkene 3] niet strafrechtelijk is vervolgd:

Uit prioriteitsoverwegingen is [betrokkene 3] niet in deze zaak meegenomen. [betrokkene 3] is wel getapt in de Amsterdamse zaak. Zijn aandeel was echter te gering om hem daarvoor te vervolgen. Daarnaast is de stelling van de verdediging niet juist dat wanneer een persoon aan een tapgesprek deelneemt maar niet zelf vervolgd wordt, die tapgesprekken niet voor het bewijs zouden mogen worden gebruikt."

79. Anders dan de steller van het middel meen ik niet dat het Hof het aangevoerde had dienen op te vatten als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat om een expliciete verantwoording van het gebruik van bedoeld bewijsmateriaal vroeg. Daarvoor is het aangevoerde eenvoudig te onbenullig. In het algemeen valt immers niet in te zien waarom tapgesprekken waaraan een persoon deelneemt die niet zelf vervolgd wordt of niet als verdachte wordt aangemerkt, niet "belastend" zouden mogen worden uitgelegd. Dat wordt niet anders als die gesprekken aanwijzingen opleveren dat bedoelde persoon zelf betrokken is bij de strafbare feiten waarop het onderzoek zich richt. Dit reeds omdat er - zoals de verklaring van de Advocaat-Generaal op de zitting van 19 januari 2006 laat zien - goede redenen kunnen zijn om het onderzoek niet tegen die persoon te richten.

80. Het middel faalt.

81. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

82. Ambtshalve merk ik op dat de termijn van 16 maanden die voor de behandeling van het cassatieberoep geldt indien de verdachte, zoals in casu, gedetineerd is, overschreden is. Deze termijn liep af op 13 juni 2007. Dit dient te leiden tot strafvermindering.

83. Andere gronden waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, zijn door mij niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch alleen ten aanzien van de strafoplegging, tot strafvermindering en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 De door mij geraadpleegde routeplanner Map 24 (die de via-optie Luik en Aken biedt) komt de snelste route uit op 722 km (zoals ook door het Hof is aangenomen). De kortste route via Luik en Aken bedraagt volgens de planner 698 km.

2 Voor een mogelijke verklaring, zie aanstonds.

3 Wernhout is aanvankelijk genoemd als de plaats waar de drugs zouden zijn opgeslagen geweest en ingeladen. Zie o.m. het requisitoir in eerste aanleg. Die optie verloor aan aannemelijkheid toen bleek dat de Ford Transit op een parkeerplaats nabij Anwerpen was gesignaleerd. Zie het politieproces-verbaal van 26 september 2002, opgemaakt door verbalisant [verbalisant 10].

4 Zie de pleitnota van mr. Ausma, overgelegd ter zitting in hoger beroep van 19 januari 2006, nrs 25 t/m 32.

5 De discrepantie tussen de berekende en de "werkelijk" gereden kilometers wordt door het Hof niet verklaard. Dat onderstreept dat de berekening slechts dient om de onaannemelijkheid van de door de verdediging genoemde route aan te tonen. Verschillende (combinaties van) verklaringen laten zich intussen denken. Het kan zijn dat de auto niet via de snelste, maar via de kortste weg is teruggereden. Het kan ook zijn dat de heenreis de kortste weg is genomen (de routeplanner geeft als kortste - via Nordhorn lopende - weg van Brasschaat naar Lübeck 576 km aan). Denkbaar is ook dat [betrokkene 2] al eerder dan 30 km vóór Lübeck is omgedraaid of niet helemaal terug naar Bremen is gereden.

6 Het Hof overweegt in het kader van de strafmotivering: "Uit de bewezenverklaarde feiten volgt dat de verdachte in kort op elkaar volgende perioden betrokken is geweest bij de uitvoer van zeer grote hoeveelheden XTC-tabletten (circa 1.600.000 (feit 2) en circa 1.470.100 (feit 1)." De meermalen gepleegde uitvoer van feit 2 wordt hier derhalve als één geval van uitvoer behandeld.