Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA9708

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
07-09-2007
Datum publicatie
07-09-2007
Zaaknummer
C06/095HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA9708
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verenigingsrecht. Geschil tussen (gewone) vereniging van eigenaars van zomerhuisjes en leden over rechtmatigheid van de opzegging van hun lidmaatschap; vrijheid van vereniging (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-09-07
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 557
RvdW 2007, 748
NJB 2007, 1782
JWB 2007/285

Conclusie

Rolnr. C06/095HR

mr. L. Timmerman

Zitting 11 mei 2007

Conclusie inzake:

Vereniging van eigenaren van het Beach Park Texel

(hierna: de Vereniging)

Eiseres tot cassatie

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerder 2]

3. [Verweerder 3]

4. [Verweerder 4]

5. [Verweerder 5]

6. [Verweerder 6]

7. [Verweerder 7]

8. [Verweerder 8]

9. [Verweerder 9]

10. [Verweerder 10]

11. [Verweerder 11]

12. [Verweerder 12]

(hierna: [verweerder] c.s.)

Verweerders in cassatie

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 In 1990 heeft de gemeente Texel, ten behoeve van de ontwikkeling van "t Stappeland" te Koog op Texel, aan Livingstone Building Industry B.V. grond verkocht voor het realiseren en in eigendom verkrijgen van 144 (van de daar in totaal 160 te realiseren) zomerhuizen. Ter uitvoering van die overeenkomst heeft de gemeente op 9 januari 1991 de grond in eigendom overgedragen aan Dutch Livingstone Invest N.V.( Livingstone). Aan deze vennootschap had Livingstone Building Industry B.V. haar rechten en plichten uit de overeenkomst had overgedragen.

1.2 In deze koopovereenkomst(2) is onder meer opgenomen dat Livingstone en haar rechtsopvolgers zich jegens de gemeente Texel verplichten de 144 zomerhuizen zo per kalenderjaar te verhuren dat gemiddeld per zomerhuis sprake is van een totale huurperiode van 12 weken oftewel 1728 weken per jaar voor alle 144 zomerhuizen gezamenlijk (art. 14). Ook heeft Livingstone zich jegens de gemeente verplicht, op verbeurte van een boete van NLG. 100.000,-- en ter uitvoering van de in art. 14 opgenomen verplichting, zorg te dragen voor het door haar of haar rechtsopvolgers alleen of in samenwerkingsverband uitvoeren van de exploitatie en het beheer van het complex van 144 zomerhuizen (art. 15). Met betrekking tot de verplichtingen in de artikelen 14 en 15 is een kettingbeding opgenomen in art. 19 van de koopovereenkomst.

1.3 Bij notariële akte van 20 maart 1991(3) heeft Livingstone een vereniging van eigenaren opgericht, de Vereniging, destijds genaamd de vereniging van Eigenaren van het Beach-Park Livingstone. De daarbij vastgestelde statuten zijn nadien op 4 juni 1991 en op 20 januari 1995 gewijzigd. Artikel 5 lid 8 van de statuten luidt als volgt:

"Bij niet-nakoming door een lid van één of meer door hem jegens de vereniging aangegane verbintenissen verbeurt de overtreder of diens rechtsopvolger aan de vereniging een boete van VIJF EN TWINTIG DUIZEND GULDEN per overtreding, welke boete is verbeurd door het enkele feit der overtreding zonder dat enige ingebrekestelling of rechterlijke tussenkomst zal zijn vereist en onverminderd het recht van de vereniging om naast de voormelde boete nakoming van de verplichting(en) en verder geleden schade te vorderen."

1.4 Livingstone heeft de eigendom niet gesplitst in appartementsrechten maar heeft de grond verkaveld en de afzonderlijke kavels verkocht. [Verweerder] c.s. hebben allen een kavel van Livingstone gekocht en geleverd gekregen. Zij hebben daartoe een koop- en aannemingsovereenkomst gesloten met Inprojekt Onroerend Goed B.V. als lasthebber van Livingstone. In de koopovereenkomst(4) en de akte van levering zijn bepalingen opgenomen die de koper verplichten toe te treden tot de Vereniging en lid te blijven zolang hij de hoedanigheid van eigenaar en/of zakelijk gerechtigde van het aangekochte perceel bezit. Ook verplicht de koper zich onder meer de statuten en reglement van de Vereniging na te komen en bij te dragen in de onderhoudskosten van de algemene voorzieningen.

1.5 De Vereniging heeft een overeenkomst gesloten met Gran Dorado, onder meer voor de bemiddeling door Gran Dorado bij het verhuren van de vakantiewoningen. [Verweerder] c.s. verhuren hun vakantiewoning niet via Gran Dorado, maar verhuren deze zelf. Er is dus een groep zelfverhuurders.

1.6 Er is onenigheid ontstaan tussen [verweerder] c.s. en de Vereniging over de hoogte van de individuele bijdrage aan de Vereniging. [Verweerder] c.s. vinden dat zij op onevenredige wijze dienen bij te dragen in de kosten van de Vereniging die worden gemaakt voor de bemiddeling door Gran Dorado bij de verhuur van de vakantiewoningen. Om deze reden hebben [verweerder] c.s. hun lidmaatschap van de Vereniging opgezegd en de vereniging Bescherm uw Bezit / Schützen Sie Ihren Besitz (hierna: BUB) opgericht.

1.7 De Vereniging heeft [verweerder] c.s. hierop in rechte betrokken en heeft de rechtbank Amsterdam verzocht:

I. voor recht te verklaren:

- dat [verweerder] c.s. niet hebben voldaan aan hun verplichtingen uit de koop- en aannemingsovereenkomst en de statuten en het huishoudelijk reglement van de Vereniging;

- dat [verweerder] c.s. (gedaagden 1 en 2, gedaagden 3 en 4 en gedaagden 5 en 6 hoofdelijk) de boete van NLG. 25.000,-- per kavel hebben verbeurd (art. 5 lid 8 van de statuten van de Vereniging);

- dat [verweerder] c.s. slechts gerechtigd zijn tot opzegging of beëindiging anderszins van het lidmaatschap van de Vereniging op de gronden als opgenomen in art. 6 van de statuten van de Vereniging.

II. [verweerder] c.s. te gebieden wederom en met terugwerkende kracht lid te worden van de vereniging met de beperkingen als neergelegd in art. 6 van de statuten van de Vereniging;

III. [verweerder] c.s. te verbieden hierna wederom het lidmaatschap op te zeggen met de beperkingen als neergelegd in art. 6 van de statuten van de Vereniging;

IV. [verweerder] c.s. (gedaagden 1 en 2, gedaagden 3 en 4 en gedaagden 5 en 6 hoofdelijk) te veroordelen tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vereniging te betalen een bedrag van NLG. 25.000,-- per rechthebbende op een villa in het Beach-Park Texel.

1.8 De Vereniging heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd de stelling dat, hoewel in de statuten niets is bepaald over de opzegging van het lidmaatschap van de Vereniging door een lid en opzegging door een lid conform art. 2:35 BW mogelijk is, een lid dat zijn lidmaatschap van de Vereniging opzegt wel tekortschiet in de nakoming van de koop- en aannemingsovereenkomst, in het bijzonder de verplichting van artikel 12 en (bij een rechtsopvolger) artikel 13(5). De Vereniging heeft zich op het standpunt gesteld dat [verweerder] c.s. door hun handelen onrechtmatig jegens de Vereniging en haar leden hebben gehandeld omdat het lidmaatschap van haar leden essentieel is om haar verplichtingen jegens de gemeente Texel na te komen.

1.9 [Verweerder] c.s. hebben de vorderingen van de Vereniging weersproken en aangevoerd dat een verplicht niet-opzegbaar lidmaatschap in strijd is met de vrijheid van vereniging, neergelegd in onder andere art. 11 EVRM, art. 8 van de Grondwet en art. 2:35 BW. Zij hebben verder aangevoerd dat op deze bepalingen slechts een uitzondering kan worden gemaakt in uitzonderingsgevallen, zoals bij appartementsrechten, waarvan hier geen sprake is. Ook stellen [verweerder] c.s. dat de bepalingen die ze verplichten lid te blijven van de Vereniging onredelijk bezwarend zijn in de zin van art. 6:233 BW. Verder betogen [verweerder] c.s. dat de redelijkheid en billijkheid met zich meebrengt dat van [verweerder] c.s. niet gevergd kan worden dat zij lid blijven van de Vereniging omdat te weinig rekening wordt gehouden met hun belangen.

1.10 De rechtbank heeft bij vonnis van 12 mei 2004 de vorderingen van de Vereniging afgewezen. De rechtbank heeft als uitgangspunt genomen dat tussen partijen niet in geschil is dat de eigendom van het recreatiepark niet is gesplitst in appartementen en de Vereniging daarom geen vereniging van eigenaars is als bedoeld in art. 5: 124 BW. Zij overweegt vervolgens dat op grond van art. 2:35 lid 1 aanhef en onder b BW het lidmaatschap van een vereniging altijd opzegbaar moet zijn. Naar het oordeel van de rechtbank legt de Vereniging feitelijk aan haar vorderingen ten grondslag een verplicht lidmaatschap van de Vereniging en omdat een verplicht lidmaatschap in strijd is met art. 2:35 BW komen de vorderingen niet voor toewijzing in aanmerking.

1.11 De Vereniging is bij appeldagvaarding van 28 mei 2004 in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank gewezen op 12 mei 2004.

1.12 Het hof heeft bij arrest van 17 november 2005 het bestreden vonnis bekrachtigd en de vorderingen van de Vereniging afgewezen. Het hof was, met de rechtbank, van oordeel dat een onopzegbare verplichting tot het aanhouden van het lidmaatschap -behoudens, zoals de Vereniging heeft aangegeven, in gevallen van beëindiging of overdracht van het eigendomsrecht -, buiten het geval van appartementsrechten, waarvoor een afzonderlijke wettelijke regeling geldt, strijdig is met het wettelijk stelsel, waarvan het genoemde art. 2:35 BW een weergave is. Ook was het hof van oordeel dat de door de verkoper van ieder van [verweerder] c.s. bedongen persoonlijke in de koopakte vermelde verplichtingen niet door de Vereniging, als derde, afdwingbaar zijn (rov. 4.4).

1.13 De Vereniging heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld.(6) [Verweerder] c.s. zijn in cassatie niet verschenen en tegen hen is verstek verleend op de zitting van 12 mei 2006. De Vereniging heeft haar standpunten in cassatie schriftelijk doen toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatieberoep omvat een inleiding en 4 middelen tot cassatie. In plaats van de gebruikelijke opzet van één cassatiemiddel met een onderverdeling in genummerde onderdelen is gekozen voor een opzet van 4 afzonderlijke cassatiemiddelen. De cassatiemiddelen bevatten een korte opsomming van de cassatieklachten waarna deze worden toegelicht op een wijze vergelijkbaar met een memorie van grieven.

Middel 1

2.2 Middel 1 richt zich met zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht tegen de overweging van het hof, in rov. 4.4 van het bestreden arrest, dat de Vereniging nog op te richten was ten tijde van de koopovereenkomst tussen de verkoper en ieder van [verweerder] c.s. Het middel betoogt dat deze overweging van het hof onjuist danwel onbegrijpelijk is, omdat uit de vaststelling van de feiten door de rechtbank blijkt dat de Vereniging is opgericht op 20 maart 1991, terwijl de koopovereenkomsten met [verweerder] c.s. na deze datum zijn gesloten. Het middel betoogt dan ook dat de Vereniging reeds was opgericht ten tijde van de koopovereenkomst tussen de verkoper en ieder van [verweerder] c.s.

2.3 Het hof heeft in rov. 4.4. van het bestreden arrest ondermeer als volgt overwogen:

"Anderzijds oordeelt het hof dat de door de verkoper van ieder van [verweerder] c.s. bedongen persoonlijke in de koopakte vermelde verplichtingen niet door de Vereniging, als derde, afdwingbaar zijn, met name niet nu door de Vereniging op wie hieromtrent stelplicht zou rusten, geen feiten en omstandigheden worden gesteld, die een overgang van rechten aannemelijk zouden kunnen maken. Waar de Vereniging betoogt dat haar vordering steunt op de overeenkomsten die [verweerder] c.s. met de verkoper, al dan niet ten behoeve van de op te richten vereniging, zijn aangegaan, stuit haar betoog ook op het hiervoor overwogene af."

2.4 De klachten in middel 1 missen belang in cassatie. De klachten richten zich tegen een overweging van het hof die niet aangemerkt kan worden als een dragende overweging van het oordeel van het hof in rov. 4.4. Het hof heeft in rov. 4.4. geoordeeld dat de door de verkoper van ieder van [verweerder] c.s. bedongen persoonlijke in de koopakte vermelde verplichtingen niet door de Vereniging, als derde, afdwingbaar zijn. Naar het oordeel van het hof heeft de Vereniging geen feiten en omstandigheden gesteld die een overgang van de rechten van de verkoper op de Vereniging aannemelijk zouden maken en heeft de Vereniging dus niet aan haar stelplicht voldaan. Het hof overweegt dan ook dat de vorderingen van de Vereniging voorzover deze gegrond zijn op de overeenkomsten die [verweerder] c.s. met de verkoper, al dan niet ten behoeve van de op te richten vereniging, zijn aangegaan niet toegewezen kunnen worden. De overweging van het hof dat de overeenkomsten tussen de verkoper en [verweerder] c.s., al dan niet ten behoeve van de op te richten vereniging, zijn aangegaan is dan ook in dit kader een overweging ten overvloede(7).

Middel 2

2.5 Middel 2 richt zich met zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof, in rov. 4.4. van het bestreden arrest, dat de door de verkoper van ieder van [verweerder] c.s. bedongen persoonlijke in de koopakte vermelde verplichtingen niet door de Vereniging, als derde, afdwingbaar zijn, omdat de Vereniging niet aan haar stelplicht heeft voldaan en geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die een overgang van rechten aannemelijk zou maken. Het middel betoogt dat deze overweging van het hof in rov. 4.4 rechtens onjuist is, met name in het licht van art. 6:265 BW en/of in het licht van het Haviltex criterium omtrent de uitleg van wilsverklaringen, omdat uit de tekst van de individuele koopovereenkomsten en akten van levering opgemaakt kan worden dat er sprake is van een derdenbeding ten behoeve van de Vereniging. Verder betoogt het middel dat voor zover het hof van oordeel is dat de bewoordingen van de betreffende bepalingen in met name de akte van levering en de gedragingen van partijen bij het sluiten van de koopovereenkomst en het passeren van de akte van levering en nadien niet voldoen aan de wettelijke vereisten van een derdenbeding en de aanvaarding daarvan bij volmacht, deze redenering van het hof onbegrijpelijk gemotiveerd is in het licht van de vastgestelde feiten en/of de essentiële stellingen van de Vereniging.

2.6 Middel 2 richt zich met een rechtsklacht(8) en een motiveringsklacht(9) tegen de feitelijke beslissing van het hof, in rov. 4.4, dat de door de verkoper van ieder van [verweerder] c.s. bedongen persoonlijke in de koopakte vermelde verplichtingen niet door de Vereniging, als derde, afdwingbaar zijn omdat de Vereniging niet aan haar stelplicht heeft voldaan en geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die een overgang van rechten aannemelijk zouden maken. Dit oordeel van het hof is gebaseerd op een waardering van de bewijsmiddelen en is hiermee voorbehouden aan het hof als feitenrechter. Een feitelijk oordeel gebaseerd op de waardering van bewijsmiddelen kan in cassatie slechts marginaal getoetst worden op begrijpelijkheid.(10) Een motiveringsklacht gericht tegen een dergelijke feitelijke beslissing dient duidelijk aan te geven waarom de beslissing van de feitenrechter onvoldoende of onbegrijpelijk gemotiveerd is. Het middel dient het motiveringsgebrek specifiek aan te wijzen.(11) Ik kan in de koopakte geen aanwijzing vinden dat de Vereniging daaraan rechten zou kunnen ontlenen. Op afdwinging van die koopakte door de Vereniging richt zich het gevorderde. Tegen deze achtergrond vind ik de beslissing van het hof dat de Vereniging onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die een overgang van rechten uit de koopakte aannemelijk kunnen maken niet onbegrijpelijk. Het middel wijst onvoldoende specifiek aan wat het hof nu eigenlijk over het hoofd gezien. In het cassatiemiddel wordt wel een beroep gedaan op bepaalde onderdelen van de akte van levering. Op die akte is echter in feitelijke instanties geen beroep(12) of een alleen zeer terloops en niet uitgewerkt beroep(13) gedaan. Ik meen dat het middel dient te falen.

Middel 3

2.7 Middel 3 richt zich met een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.4) dat de door de verkoper van ieder van [verweerder] c.s. bedongen persoonlijke in de koopakte vermelde verplichtingen niet door de Vereniging als derde, afdwingbaar zijn, met name niet nu door de Vereniging, op wie de stelplicht rust, geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die een overgang van rechten aannemelijk zouden kunnen maken. Het middel betoogt dat deze overweging van het hof onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd is in het licht van de (subsidiaire) stelling van de Vereniging in hoger beroep, dat zij door Livingstone gemachtigd is de contractuele rechten van Livingstone op grond van de bepalingen in de individuele koopovereenkomsten en akten van leveringen met [verweerder] c.s. uit te oefenen. Het middel betoogt althans dat het hof met het bestreden oordeel onvoldoende gemotiveerd is voorbij gegaan aan deze (essentiële) stelling van de Vereniging in hoger beroep.

2.8 Naar mijn mening kan ook deze motiveringsklacht niet slagen. De Vereniging heeft zich onder punt 45 van de Memorie van Grieven subsidiair op het standpunt gesteld dat zij door Livingstone gemachtigd is om nakoming te vorderen van de bepalingen (met name art. 12) in de koopovereenkomsten met [verweerder] c.s.: "Subsidiar is de Vereniging gemachtigd om dit namens Livingstone te doen, waar immers de Vereniging voor Livingstone haar verplichtingen jegens onder andere de gemeente en andere derden nakomt en taak bevoegdheid schept." [Verweerder] c.s. hebben zich onder punt 16 van de Memorie van Antwoord op het standpunt gesteld dat een situatie van volmacht in casu niet aan de orde is. Voorzover de klacht in middel 2 betoogt dat het hof ongemotiveerd is voorbij gegaan aan deze (subsidiaire) stelling van de Vereniging mist deze klacht feitelijke grondslag. Uit de overweging van het hof (in rov. 4.4), dat door de Vereniging geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die een overgang van rechten aannemelijk zouden kunnen maken, kan worden opgemaakt dat het hof hier niet alleen doelt op een overgang van rechten door middel van een derdenbeding maar ook door middel van volmacht. Voorzover de klacht in middel 2 betoogt dat het bestreden oordeel van het hof onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de stelling van de Vereniging dat zij handelt als gevolmachtigde van Livingstone, kan deze klacht naar mijn mening ook niet slagen. Naar het oordeel van het hof (in rov. 4.4) heeft de Vereniging onvoldoende aan haar stelplicht voldaan met betrekking tot al haar stellingen die zouden leiden tot de conclusie dat de Vereniging haar vorderingen kan doen steunen op de overeenkomsten die [verweerder] c.s. met de verkoper zijn aangegaan. De Vereniging is immers een derde bij deze overeenkomsten en dient eerst aan te tonen op welke grond zij een beroep kan doen op de bepalingen in deze overeenkomsten. Het oordeel van het hof met betrekking tot het niet hebben voldaan aan haar stelplicht door de Vereniging is feitelijk van aard en kan daarom in cassatie slechts marginaal getoetst worden. Naar mijn mening is dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd gezien de niet onderbouwde (subsidiaire) stelling van de Vereniging, onder punt 45 van de MvG, dat zij handelt als gevolmachtigde van Livingstone. De stelling dat taak bevoegdheid schept is onder het geldende Nederlandse privaatrecht niet wel houdbaar.

Middel 4

2.9 Middel 4 richt zich met zowel een rechtsklacht als een motiveringsklacht tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.4) dat een onopzegbare verplichting tot het aanhouden van het lidmaatschap - behoudens, zoals de Vereniging heeft aangegeven, in gevallen van beëindiging of overdracht van het eigendomsrecht -, buiten het geval van appartementsrechten, waarvoor een afzonderlijke wettelijke regeling geldt, strijdig is met het wettelijk stelsel, waarvan artikel 2:35 BW een weergave is. Het middel betoogt dat het hof ten onrechte heeft beslist dat het stelsel van de wet, met name art. 2:35 BW, eraan in de weg staat om de vordering van de Vereniging, t.w. om [verweerder] c.s. te houden aan de overeenkomsten, welke de Vereniging heeft gesloten met name ten aanzien van de verhuur en de overige gezamenlijke activiteiten, zoals onderhoud, toe te wijzen. Ook betoogt het middel dat het oordeel van het hof, dat een contractueel verbod om het lidmaatschap van de Vereniging op te zeggen in strijd is met het wettelijk stelsel, althans een vordering van de Vereniging tot nakoming van de door haar gesloten overeenkomsten (ten behoeve van gezamenlijke activiteiten als verhuur en onderhoud) verhindert, onbegrijpelijk dan wel onvoldoende gemotiveerd is in het licht van de vaststaande feiten en/of de essentiële stellingen van de Vereniging. Verder betoogt het middel dat het hof ten onrechte het bewijsaanbod van de Vereniging terzake heeft gepasseerd, althans een verboden prognose heeft gemaakt over de uitkomst.

2.10 De klachten in middel 4 missen mijns inziens feitelijke grondslag. De klachten richten zich tegen het oordeel van het hof (in rov. 4.4) dat een onopzegbaar lidmaatschap van een vereniging in strijd is met art. 2:35 BW omdat, naar het middel betoogt, het hof zich hiermee op het standpunt zou hebben gesteld dat een opzegbaar lidmaatschap van de Vereniging eraan in de weg staat dat de Vereniging van [verweerder] c.s. nakoming vordert van de overeenkomsten welke de Vereniging gesloten heeft ten behoeve van gezamenlijke activiteiten als verhuur en onderhoud. Naar mijn mening gaat het middel hiermee uit van een onjuiste lezing van het oordeel van het hof in rov. 4.4. van het bestreden arrest.

2.11 Het hof heeft in rov. 4.4 niet geoordeeld dat de Vereniging van [verweerder] c.s. geen nakoming kan vorderen van de overeenkomsten die de Vereniging heeft gesloten ten behoeve van gezamenlijke activiteiten als verhuur en onderhoud omdat een contractuele verplichting om lid te blijven van de Vereniging in strijd is met art. 2:35 BW. Het hof heeft immers, na terecht te hebben vastgesteld dat een onopzegbaar lidmaatschap van een vereniging, buiten het geval van appartementsrechten, in strijd is met art. 2:35 BW, anderzijds geoordeeld dat de door de verkoper van ieder van [verweerder] c.s. bedongen persoonlijke in de koopakte vermelde verplichtingen niet door de Vereniging, als derde, afdwingbaar zijn, omdat door de Vereniging geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die een overgang van rechten aannemelijk maken. Onder door de verkoper van ieder van [verweerder] c.s. bedongen persoonlijke in de koopakte vermelde verplichtingen valt ook de verplichting tot het bijdragen in de exploitatie-, onderhouds- en beheerskosten van de algemene en/of recreatieve voorzieningen van het villapark (art. 12 C van de koopovereenkomst(14)). Hieruit kan naar mijn mening worden opgemaakt dat naar het oordeel van het hof de Vereniging, in beginsel, nakoming kan vorderen van [verweerder] c.s. van overeenkomsten die de Vereniging heeft gesloten ten behoeve van gezamenlijke activiteiten als verhuur en onderhoud. Dit zou mogelijk zijn indien de Vereniging aannemelijk zou kunnen maken dat het recht op het afdwingen van de verplichting tot het bijdragen in de kosten van gezamenlijke activiteiten (zoals opgenomen in de individuele koopovereenkomsten) is overgegaan op de Vereniging. In dat geval zou de Vereniging haar vorderingen kunnen baseren op de overeenkomsten die [verweerder] c.s. met de verkoper hebben gesloten. Nu, naar het oordeel van het hof, de Vereniging er niet in is geslaagd aan te tonen dat er een overgang van rechten heeft plaats gevonden, bestaat er buiten het lidmaatschap van de Vereniging ( wat opzegbaar is op grond van art. 2:35 BW) geen rechtsgrond waarop de Vereniging [verweerder] c.s. kan verplichten bij te dragen in de kosten van gezamenlijke activiteiten zoals verhuur en onderhoud van het villapark.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zoals onbetwist vastgesteld door de rechtbank in de rov. 1 a t/m f in het vonnis van 12 mei 2004.

2 Prod. 5 bij de CvA.

3 Prod. 7 bij de CvA.

4 Zie prod. 1 bij de CvE.

5 Zie prod. 1 bij CvE.

6 De cassatiedagvaarding is uitgebracht op 23 januari 2006; het bestreden arrest is van 17 november 2005.

7 Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), p. 112.

8 Zie nr. 18 van de cassatiedagvaarding.

9 Zie nr. 19 van de cassatiedagvaarding.

10 Zie Asser Procesrecht/Veegens-Korthals Altes-Groen (2005), p. 235 e.v. en W.D.H. Asser, 'Civiele cassatie', Ars Aequi Libri (2003), p. 49 e.v.

11 Zie W.D.H. Asser, 'Civiele cassatie', Ars Aequi Libri (2003), p. 82 en A. ter Heide, 'Het cassatiemiddel in burgerlijke zaken', WB-Bundel (2003), p. 198 e.v.

12 Zie dagvaarding onder 3-5 en memorie van grieven, par. 41 en verder.

13 Zie conclusie van repliek, par. 44.

14 Prod. 1 bij de CvE.