Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA9462

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
13-07-2007
Datum publicatie
13-07-2007
Zaaknummer
R06/187HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA9462
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

WSNP. Tussentijdse beëindiging van toepassing van schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 F. wegens schending door schuldenaar van sollicitatieplicht en informatieplicht (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-07-13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 509
RvdW 2007, 702
NJB 2007, 1739
JWB 2007/269

Conclusie

R06/187HR

mr. Keus

Parket, 25 mei 2007

Conclusie inzake:

[Verzoekster]

Het gaat in deze zaak om de vraag of de toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] tussentijds kon worden beëindigd op de grond dat [verzoekster] niet aan de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieplicht en informatieplicht heeft voldaan.

1. Feiten en procesverloop

1.1 Bij vonnis van 15 maart 2005 heeft de rechtbank Utrecht de definitieve toepassing van de schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoekster] uitgesproken, met benoeming van mr. M.P.P.M. van Vonderen tot rechter-commissaris en G.J. van Rossen tot bewindvoerder. Blijkens de verklaring schuldsanering, zoals deze bij het verzoekschrift van [verzoekster] was overgelegd, had [verzoekster] schulden tot een bedrag van € 9.437,01.

1.2 In zijn vervolgverslag (nr. 3) van 6 september 2006 heeft de bewindvoerder de rechter-commissaris verzocht de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor te dragen voor tussentijdse beëindiging. In zijn verslag heeft de bewindvoerder opgemerkt dat [verzoekster] haar informatieplicht niet nakomt en niet heeft aangetoond actief op zoek te zijn naar werk. Ook zouden er nieuwe schulden zijn ontstaan. Uit een handgeschreven notitie op het overgelegde verslag van 20 september 2006 maak ik op dat de waarnemend rechter-commissaris, mr. C.S. Schoorl, met een voordracht voor tussentijdse beëindiging heeft ingestemd.

1.3 Ter terechtzitting van 23 oktober 2006 is het verzoek van de bewindvoerder tot tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling behandeld. [verzoekster] en de (waarnemend) bewindvoerder zijn ter zitting verschenen en hebben hun respectieve standpunten (nader) uiteengezet.

1.4 Op 30 oktober 2006 heeft de rechtbank vonnis gewezen.

1.5 De rechtbank heeft in haar vonnis gereleveerd dat een door de (waarnemend) bewindvoerder genoemde nieuwe schuld van € 632,- ter zake van motorrijtuigenbelasting volgens [verzoekster] op een niet meer op haar naam staande auto betrekking heeft en dat [verzoekster] voor het overige het door de bewindvoerder gestelde heeft erkend, waarbij zij als verklaring heeft aangevoerd dat zij in haar privé-leven veel voor haar kiezen heeft gehad en dat zij ervan uitging dat de bewindvoerder de benodigde informatie, zoals de loonstroken, door middel van de postblokkade zou verkrijgen.

Met betrekking tot de actuele situatie heeft de rechtbank vastgesteld dat [verzoekster] inmiddels een baan als taxichauffeur heeft en na de schoolvakantie aan het werk is gegaan.

1.6 Naar het oordeel van de rechtbank is [verzoekster] haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, met name de informatieplicht en de sollicitatieplicht, niet naar behoren nagekomen. Dat de bewindvoerder informatie via de postblokkade ontvangt, impliceert volgens de rechtbank niet dat [verzoekster] niet zou zijn verplicht om relevante informatie uit eigen beweging aan de bewindvoerder te melden en dat zij, als de bewindvoerder om bepaalde informatie vraagt, niet zou zijn gehouden die informatie te verstrekken. Wat betreft de sollicitatieplicht heeft de rechtbank van belang geacht dat [verzoekster], ondanks verzoek, tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen stukken heeft overgelegd waaruit blijkt dat zij heeft gesolliciteerd of dat zij arbeidsongeschikt is. Dat [verzoekster] recent een baan heeft gevonden, is volgens de rechtbank een positieve ontwikkeling, maar is niet voldoende, nu zij dit eerst op de zitting in het kader van het verzoek tot tussentijdse beëindiging aan de bewindvoerder heeft verteld. Om deze redenen (en niet vanwege de door de bewindvoerder genoemde nieuwe schulden) heeft de rechtbank de toepassing van de schuldsaneringsregeling beëindigd.

1.7 Bij verzoekschrift van 7 november 2006 is [verzoekster] bij het hof Amsterdam in hoger beroep gekomen. Op 14 december 2006 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [Verzoekster] is daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door haar raadsman. De (waarnemend) bewindvoerder is eveneens verschenen.

1.8 Bij arrest van 21 december 2006 heeft het hof, evenals de rechtbank, geoordeeld dat [verzoekster] in de nakoming van de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voorvloeiende informatie- en sollicitatieplicht is tekortgeschoten.

Ten aanzien van de informatieplicht heeft het hof (in rov. 3.4) geoordeeld dat het "onvoldoende redenen (heeft) om aan te nemen dat [verzoekster] op elk verzoek van de bewindvoerder om inlichtingen heeft gereageerd en de bewindvoerder steeds volledig heeft geïnformeerd, nu [verzoekster] hiervan geen enkel bewijs heeft overgelegd en dit door de bewindvoerder wordt betwist". Daarbij heeft het hof overwogen dat het enkele feit dat sprake is van een postblokkade, [verzoekster] niet van haar verplichting de bewindvoerder zowel gevraagd als ongevraagd op de hoogte te brengen van wijzigingen in haar situatie en overige relevante informatie ontslaat.

Wat betreft de sollicitatieplicht heeft het hof (eveneens in rov. 3.4) overwogen dat de bewindvoerder niet heeft tegengesproken dat [verzoekster] tot 24 augustus 2005, de datum dat haar jongste kind vijf jaar oud werd, van de sollicitatieplicht was vrijgesteld. Volgens het hof is gebleken dat [verzoekster] nadien gedurende een maand geen actie heeft ondernomen. Het hof heeft vastgesteld dat [verzoekster] in november 2005 met een reïntegratieproject bij de gemeente Utrecht is gestart, maar dat zij in het kader van dat project pas in het voorjaar van 2006 met de opleiding tot taxichauffeur is begonnen(1). In de tussenliggende periode heeft zij geen sollicitatieactiviteiten ondernomen. Het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] de zaken in deze periode teveel op hun beloop heeft gelaten. Zij had zich ook gedurende deze periode moeten inspannen om betaald werk te krijgen en bewijzen van haar sollicitatieactiviteiten aan de bewindvoerder moeten overleggen. Volgens het hof heeft [verzoekster] onvoldoende gegevens overgelegd om de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken, zodat het hof daarin geen reden heeft gezien om anders te beslissen. Voorts heeft het hof nog overwogen dat de sollicitatieplicht niet alleen is gericht op het maximaliseren van het inkomen, maar ook op het verrichten van voldoende inspanningen om betaald werk te krijgen en het informeren van de bewindvoerder daaromtrent, om een goede uitvoering van de schuldsaneringsregeling en controle hierop mogelijk te kunnen maken.

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.

1.9 Met haar verzoekschrift van 27 december 2006 (dat op diezelfde datum bij de Hoge Raad is ingekomen) heeft [verzoekster] tijdig beroep in cassatie ingesteld(2). In cassatie is geen verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 [Verzoekster] heeft één middel geformuleerd. Dat middel valt uiteen in vijf onderdelen, die verschillende rechts- en motiveringsklachten omvatten.

2.2 Onderdeel 1 omvat een rechts- en motiveringsklacht met betrekking tot de door het hof gehanteerde grond voor de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Het onderdeel verwijst naar HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259, m.nt. B. Wessels. Ingevolge de in dat arrest geformuleerde maatstaf had het hof zich volgens het onderdeel ervan moeten vergewissen of (althans moeten motiveren dat) in het licht van de omstandigheden van het geval en de aard van de niet verstrekte inlichtingen, de nalatigheid van [verzoekster] met betrekking tot haar inlichtingenplicht een duidelijke aanwijzing vormt dat de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling(3) bij haar ontbreekt. Het arrest van het hof geeft volgens het onderdeel van een dergelijke afweging van belangen geen blijk, althans ontbeert het oordeel van het hof ter zake een deugdelijke motivering.

Het onderdeel kiest op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat volgens de gevestigde jurisprudentie mogelijke schendingen van de inlichtingenverplichting van de schuldenaar (die naast de uit de wet voortvloeiende informatieplichten ook een meer algemene verplichting omvat tot het verschaffen van die inlichtingen waarvan de schuldenaar weet of behoort te begrijpen dat zij voor een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling van belang zijn) moeten worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf of, in het licht van de omstandigheden van het geval, het niet verstrekken van de betrokken inlichtingen een duidelijke aanwijzing vormt dat bij de schuldenaar de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt(4). Alhoewel het hof deze maatstaf niet woordelijk heeft vermeld, heeft het deze, anders dan het middel poneert, kennelijk wel degelijk toegepast. Het hof heeft immers (in rov. 3.4, tweede volzin) overwogen dat [verzoekster] bij aanvang van de schuldsaneringsregeling uitgebreid door de bewindvoerder over de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen en de concrete acties die van haar werden verwacht, is geïnformeerd(5). Voorts heeft het hof gereleveerd dat [verzoekster] tegenover de stellingen van de bewindvoerder, die heeft aangevoerd dat [verzoekster] aan verzoeken tot het verstrekken van inlichtingen geen gehoor heeft gegeven en evenmin uit zichzelf relevante informatie heeft verstrekt (ook niet over de persoonlijke problemen waarop zij zich in de onderhavige procedure heeft beroepen)(6), en die voorts heeft betwist ervan op de hoogte te zijn geweest dat [verzoekster] aan een reïntegratieproject heeft deelgenomen, een opleiding tot taxichauffeur heeft gevolgd en per 1 september 2006 als taxichauffeur werkzaam is (rov. 3.3), geen enkel bewijs van het tegendeel heeft overgelegd (rov. 3.4). Kennelijk en niet onbegrijpelijk is het hof van oordeel geweest dat de omstandigheid dat [verzoekster], alhoewel zij op haar verplichtingen is gewezen, de bewindvoerder noch uit eigen beweging, noch op diens verzoek heeft geïnformeerd en hem evident relevante informatie over haar deelname aan het reïntegratieproject, over de door haar gevolgde opleiding tot taxichauffeur en over de door haar gevonden baan heeft onthouden, een duidelijke aanwijzing vormt dat bij [verzoekster] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt. Aldus beschouwd heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd en is zijn oordeel niet onbegrijpelijk noch onvoldoende gemotiveerd.

Ten slotte teken ik nog aan dat, anders dan het onderdeel lijkt te veronderstellen, de hiervoor bedoelde maatstaf niet met zich brengt dat een belangafweging dient plaats te vinden. De bedoelde maatstaf strekt ertoe vast te stellen of de nodige medewerking van de schuldenaar ontbreekt. Een afweging van belangen is daarbij in beginsel niet aan de orde. Overigens verduidelijkt het onderdeel niet welke belangen het hof tegen elkaar had moeten afwegen.

2.3 De onderdelen 2, 3 en 4 bestrijden met rechts- en motiveringsklachten dat, in het licht van de in die onderdelen genoemde omstandigheden, het hof tot het oordeel had kunnen komen dat bij [verzoekster] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling onbrak.

Bij de bespreking van deze onderdelen stel ik voorop dat de vaststelling dat [verzoekster] niet de medewerking heeft verleend die van haar kon worden gevergd, een feitelijk oordeel is dat in cassatie slechts op deugdelijkheid van de motivering kan worden getoetst(7).

2.4 Onderdeel 2 stelt dat het hof heeft miskend dat, in het licht van de omstandigheden van het geval en de aard van de niet verstrekte inlichtingen, geen sprake is van een duidelijke aanwijzing dat bij [verzoekster] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt, dan wel zijn oordeel dienaangaande niet naar behoren heeft gemotiveerd. Het onderdeel acht daartoe een drietal omstandigheden van belang:

(i) de niet verstrekte informatie is informatie waaruit kan worden opgemaakt dat [verzoekster] haar verplichtingen ter zake van het maximaliseren van haar inkomsten is nagekomen, althans doende was zo snel mogelijk weer aan het werk te komen;

(ii) de bewindvoerder, van wie mag worden verwacht dat hij zich actief opstelt op het moment dat hij relevante, aan de schuldenaar gerichte post ontvangt en leest, had (zoals [verzoekster] ook heeft verondersteld) op zijn minst met die informatie bekend kunnen zijn;

(iii) de aan [verzoekster] verweten inertie heeft niet als consequentie dat de schuldeisers zijn benadeeld.

Volgens het onderdeel zou het hof zonder deugdelijke motivering aan deze stellingen zijn voorbijgegaan.

Nog daargelaten dat het onderdeel niet vermeldt waar [verzoekster] de bedoelde stellingen in de feitelijke instanties heeft ingenomen en in zoverre niet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv voldoet, kan het, wat de onder (i) en (ii) bedoelde omstandigheden betreft, al hierom niet tot cassatie leiden, omdat het hof die beide omstandigheden wel degelijk in zijn oordeel heeft betrokken. Naar aanleiding van de (weliswaar in verband met de sollicitatieplicht) door [verzoekster] geuite veronderstelling dat voldoende zou zijn dat haar inspanningen op het maximaliseren van haar inkomen waren gericht (de onder (i) genoemde omstandigheid), heeft het hof in rov. 3.4 overwogen dat de sollicitatieplicht niet alleen op het maximaliseren van het inkomen is gericht, maar ook op het verrichten van voldoende inspanningen om betaald werk te verkrijgen en het informeren van de bewindvoerder daarover, om een goede uitvoering van de schuldsaneringsregeling en controle hierop door de bewindvoerder mogelijk te maken. Daarbij is mede van belang dat het hof heeft geoordeeld dat [verzoekster] (ondanks het in november 2005 gestarte reïntegratieproject) in de periode van 24 augustus 2005 tot aan de start van haar cursus in het voorjaar van 2006 de zaken teveel op hun beloop heeft gelaten; zou [verzoekster] de bewindvoerder naar behoren hebben geïnformeerd, dan had deze haar daarop kunnen wijzen. Ook de postblokkade (de onder (ii) genoemde omstandigheid) is door het hof mede in aanmerking genomen; het hof heeft (niet onbegrijpelijk) geoordeeld dat het enkele feit dat van een postblokkade sprake is, [verzoekster] niet ontslaat van haar verplichting de bewindvoerder zowel gevraagd als ongevraagd van wijzigingen in haar situatie en overige relevante informatie op de hoogte te brengen(8). De onder (iii) genoemde omstandigheid is weliswaar niet door het hof besproken, maar een beroep op die omstandigheid heb ik in de processtukken (in het bijzonder in het beroepschrift en in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 14 december 2006) ook niet kunnen terugvinden. In zoverre is sprake van een ontoelaatbaar feitelijk novum waarop in cassatie geen acht kan worden geslagen. Overigens wijs ik erop dat benadeling van de schuldeisers geen bestanddeel vormt van de in art. 350 lid 3 onder c Fw opgenomen grond voor tussentijdse beëindiging van toepassing van de schuldsaneringsregeling (vergelijk de in art. 350 lid 3 onder e Fw opgenomen grond dat de schuldenaar tracht zijn schuldeisers te benadelen), en voorts dat niet bij voorbaat kan worden uitgesloten dat de aan [verzoekster] verweten inertie schuldeisers heeft benadeeld en dat, als [verzoekster] de bewindvoerder naar behoren zou hebben geïnformeerd, dit ertoe had kunnen bijdragen dat [verzoekster] al eerder betaald werk zou hebben gevonden.

2.5 De onderdelen 3 en 4 hebben betrekking op de door [verzoekster] aangedragen bijzondere (persoonlijke) omstandigheden. Tijdens de zitting van het hof van 14 december 2006 heeft [verzoekster] blijkens het proces-verbaal (p. 2) als volgt over die omstandigheden verklaard:

"De bewindvoerder heeft mij bij aanvang van de schuldsaneringsregeling op de hoogte gesteld van de verplichtingen die ik binnen de regeling heb. Dit was echter zoveel informatie in één keer, dat ik niet alles heb begrepen. Ook had ik op dat moment psychische problemen. Mijn partner was overleden, mijn zoon werd mishandeld en mijn dochter was van huis weggelopen. Ik ben toen psychisch ingestort. Ik heb er niet aan gedacht de bewindvoerder te informeren over het feit dat ik niet in staat was om te solliciteren. (...)"

In aanvulling hierop heeft de raadsman van [verzoekster] onder meer opgemerkt:

"Cliënte heeft veel problemen en bevindt zich aan de onderkant van de maatschappij. Haar tekortschieten in de nakoming van de verplichtingen binnen de schuldsaneringsregeling werd veroorzaakt door haar persoonlijke omstandigheden en kan haar niet verweten worden. (...)"

2.6 Onderdeel 3 betoogt dat de bewindvoerder de hiervoor bedoelde omstandigheden niet heeft weersproken. In dat licht is het oordeel van het hof in rov. 3.4 dat [verzoekster] de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt, volgens het onderdeel onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd. Daarbij doet het onderdeel mede een beroep op de bepaling van art. 24 Rv, waaruit zou voortvloeien dat een onweersproken feit niet nog eens aannemelijk behoeft te worden gemaakt. Onderdeel 4 voegt daaraan toe dat, te meer waar uit het bestreden oordeel zou kunnen worden opgemaakt dat de aangevoerde persoonlijke omstandigheden op zich voldoende zijn voor het oordeel dat niet kan worden gesteld dat bij [verzoekster] de van haar te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling ontbreekt, het hof [verzoekster] in de gelegenheid had moeten stellen haar persoonlijke omstandigheden aan te tonen, althans deze omstandigheden nader had moeten onderzoeken.

2.7 Voor zover onderdeel 3 een op art. 24 Rv gebaseerde (rechts)klacht omvat, kan deze niet tot cassatie leiden, omdat art. 24 Rv (dat de rechterlijke lijdelijkheid betreft) niet bepaalt dat onweersproken feiten als vaststaand moeten worden aangenomen en de bepaling van art. 350 lid 1 Fw bovendien impliceert dat de hoofdregel van art. 24 Rv in een procedure als de onderhavige niet geldt (zie het slot van art. 24 Rv: "tenzij uit de wet anders voortvloeit")(9).

Voor zover het onderdeel beoogt te verwijzen naar de bepaling van art. 149 lid 1 tweede volzin Rv, kan het evenmin tot cassatie leiden. Weliswaar verklaart art. 284 Rv die voor de dagvaardingsprocedure geschreven bewijsregel op de verzoekschriftprocedure van overeenkomstige toepassing, maar art. 362 lid 2 Fw verklaart de derde titel van het eerste boek van Rv (waarvan art. 284 Rv deel uitmaakt) op verzoeken ingevolge de Fw niet van toepassing(10). Overigens staat art. 149 lid 1 tweede volzin Rv de rechter wel degelijk toe ook van niet of niet voldoende betwiste feiten bewijs te verlangen, zo vaak aanvaarding van de betrokken stellingen zou leiden tot een rechtsgevolg dat niet ter vrije bepaling van partijen staat. Daarbij teken ik aan dat de procedure, strekkende tot tussentijdse beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling op grond van art. 350 Fw, verschilt van de contentieuze procedure, waarvoor de bewijsregel van art. 149 Rv is geschreven. De toepassing van de schuldsaneringsregeling kan, behalve op verzoek van de bewindvoerder, ook op voordracht van de rechter-commissaris of door rechtbank ambtshalve worden beëindigd. In het bijzonder in het geval dat op voordracht van de rechter-commissaris of ambtshalve wordt beëindigd, is er in de procedure geen wederpartij die de stellingen van de schuldenaar kan betwisten. Het systeem van art. 149 Rv, op grond waarvan (kort gezegd) niet betwiste feiten vaststaan, past hierbij niet(11).

2.8 De klacht van onderdeel 4, inhoudende dat het hof [verzoekster] in de gelegenheid had moeten stellen de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden aan te tonen, slaagt evenmin.

Voor zover het onderdeel ten betoge strekt dat het hof [verzoekster] op grond van de bewijsregels van de negende afdeling van de tweede titel van het eerste boek van Rv tot nadere bewijslevering had moeten toelaten, faalt het, reeds omdat die bewijsregels, zoals hiervóór (onder 2.7) al aan de orde kwam, op verzoeken ingevolge de Fw niet van overeenkomstige toepassing zijn. Daarbij komt dat [verzoekster] met betrekking tot de door haar aangevoerde persoonlijke omstandigheden geen bewijsaanbod heeft gedaan.

Voor zover het onderdeel verdedigt dat het hof de door [verzoekster] aangevoerde bijzondere omstandigheden had moeten onderzoeken, verliest het uit het oog dat [verzoekster], bijgestaan door haar raadsman, voldoende in de gelegenheid is geweest haar persoonlijke omstandigheden toe te lichten en deze door bewijsstukken aan te tonen. Zoals blijkt uit de hierboven weergegeven citaten uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling ten overstaan van het hof, heeft [verzoekster] slechts summierlijk melding gemaakt van de persoonlijke omstandigheden als gevolg waarvan zij naar eigen zeggen niet in staat was te solliciteren en de bewindvoerder te informeren. In het licht van de summiere toelichting van [verzoekster], de omstandigheid dat zij geen enkel (nader) bewijsstuk in het geding heeft gebracht en heeft nagelaten een bewijsaanbod te doen, kon het hof zonder nadere motivering aan de gestelde persoonlijke omstandigheden voorbijgaan(12).

2.9 Onderdeel 5 stelt dat het oordeel van het hof dat het enkele feit dat [verzoekster] gedurende het reïntegratieproject in het kader van de Wet werk en bijstand niet heeft gesolliciteerd met zich brengt dat zij haar sollicitatieverplichting niet is nagekomen, rechtens onjuist is. Het onderdeel betoogt dat de ingevolge art. 350 lid 3 Fw op [verzoekster] rustende verplichting haar inkomsten te maximaliseren, niet een sollicitatieverplichting pur sang is. Uit de omstandigheid dat [verzoekster] een reïntegratieproject heeft gevolgd en uiteindelijk een baan heeft verkregen, volgt dat zij aan haar sollicitatieplicht heeft voldaan, aldus het onderdeel.

Het onderdeel gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof heeft het bestreden oordeel niet gebaseerd op "het enkele feit" dat [verzoekster] gedurende het reïntegratieproject niet heeft gesolliciteerd, maar op het feit dat [verzoekster] over de periode van 24 augustus 2005 tot de start van de opleiding tot taxichauffeur in het voorjaar van 2006 de zaken teveel op hun beloop heeft gelaten. De door het hof bedoelde periode valt niet (geheel) samen met de duur van het reïntegratieproject; bovendien is die periode mede bepaald door het feit dat de opleiding tot taxichauffeur niet kort na de start van het reïntegratieproject (in november 2005), maar (door omstandigheden) eerst in het voorjaar van 2006 van start ging. Voorts heeft het hof overwogen dat de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende sollicitatieplicht niet alleen is gericht op het maximaliseren van het inkomen om zodoende een maximaal bedrag aan de schuldeisers te kunnen afdragen, maar ook op het verrichten van voldoende inspanningen om betaald werk te verkrijgen en het informeren van de bewindvoerder daaromtrent, om een goede uitvoering van de schuldsaneringsregeling en controle daarop mogelijk te maken, en dat [verzoekster] hiermee in gebreke is gebleven. Nu het onderdeel uitgaat van een onjuiste lezing van het bestreden arrest, kan het bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

Overigens wijs ik ten overvloede op de ReCoFa-richtlijnen, zoals deze vanaf 1 oktober 2005 van kracht zijn. In paragraaf 14 is een nadere invulling gegeven aan de minimale sollicitatieplicht. Daarin is onder meer opgenomen dat de schuldenaar gemiddeld vier maal per maand schriftelijk dient te solliciteren. Volgens paragraaf 14 geldt verder dat "deelname aan reïntegratietrajecten (...) onverlet (laat) dat schuldenaren zich zelfstandig moeten inspannen om betaald werk te vinden", alsmede dat "het volgen van een opleiding, integratiecursus of andere cursus (...) niet in de weg (mag) staan aan het vervullen van / solliciteren naar full time werk."(13)

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 De verklaring die [verzoekster] ten overstaan van het hof heeft afgelegd, strookt niet met haar verklaring bij de rechtbank. Ten overstaan van de rechtbank heeft [verzoekster] verklaard dat zij haar theorie-examen in december 2005 heeft gehaald, terwijl zij bij het hof heeft verklaard dit examen in mei 2006 te hebben gehaald.

2 Ingevolge art. 351 lid 2 jo 342 lid 3 Fw bedraagt de cassatietermijn acht dagen, te rekenen vanaf de datum van het arrest.

3 Het onderdeel spreekt hier, kennelijk abusievelijk, van "schuldenaar". Eenzelfde verschrijving komt overigens voor in de cursieve kop van het genoemde arrest, zoals opgenomen in de NJ.

4 Zie naast HR 15 februari 2002, NJ 2002, 259, m.nt. B. Wessels, onder meer HR 4 november 2005, NJ 2006, 135 (rov. 3.3). Zie ook: G.H. Lankhorst, Weigering van de schone lei wegens schending informatieplicht, Bb 2006, 35, p. 118-124.

5 Blijkens de brief van de bewindvoerder van 16 november 2006 met bijlagen, naar welke brief het hof in rov. 2.2 heeft verwezen, is [verzoekster] tijdens het huisbezoek op 4 april 2005 mondeling geïnformeerd en is haar vóór dat huisbezoek de bij die brief gevoegde, schriftelijke informatie, onder meer houdende een uiteenzetting van de verplichtingen van de schuldenaar, gezonden.

6 Zie voor de herhaalde verzoeken om informatie de brief van de bewindvoerder van 16 november 2006 met bijlagen, waarnaar het hof in rov. 2.2 heeft verwezen.

7 Aldus ook A-G Wuisman in zijn conclusie onder 3.5 voor HR 23 februari 2007, RvdW 2007, 234; voor de beoordelingsruimte die de Hoge Raad daarbij aan de feitenrechter laat, verwijst A-G Wuisman naar HR 20 oktober 2006, NJ 2006, 572.

8 Vgl. HR 14 mei 2004, NJ 2004, 620; daarin was mede aan de orde een tekortschieten van de schuldenaar in de informatieplicht met betrekking tot een omstandigheid waarvan de bewindvoerder dankzij de postblokkade was gebleken.

9 Aldus ook conclusie A-G Langemeijer onder 2.6 voor HR 13 april 2007, RvdW 2007, 403.

10 Vgl. voor het eigenstandige karakter van het faillissementsprocesrecht M. Ynzonides, Faillissements- versus burgerlijk procesrecht, TvI 2004, p. 301-304.

11 Vgl. de noot van E. Loesberg bij HR 24 oktober 1997, JOR 1997, 147, waarin Loesberg zich op het standpunt stelt dat mede vanwege de betrokkenheid van derden bij een faillissement de regels van stelplicht en bewijslast niet gelden voor de vraag of sprake is van de toestand van opgehouden hebben te betalen als bedoeld in artikel 6 Fw.

12 Vgl. ook HR 19 januari 2007, NJ 2007, 61, rov. 3.4.1, waarin de Hoge Raad, met betrekking tot het al dan niet ontvangen zijn van een poststuk door de schuldenaar, overwoog dat het hof hetgeen de schuldenaar heeft aangevoerd ter motivering van haar verweer kennelijk onvoldoende eenduidig en aannemelijk heeft geoordeeld en op die grond het verweer terzijde heeft gesteld, en dat dit oordeel, dat is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en in belangrijke mate afhangt van de beoordeling van de uitlatingen van de schuldenaar ter terechtzitting, niet onbegrijpelijk is. Ook A-G Wuisman benadrukt in zijn conclusie voor HR 23 februari 2007, RvdW 2007, 234, de beoordelingsruimte die de Hoge Raad laat aan de feitenrechter voor diens vaststelling dat van het niet verlenen van medewerking die van de schuldenaar kon worden gevergd sprake is, en verwijst daarvoor naar HR 20 oktober 2006, NJ 2006, 572.

13 Zie over het uiteenlopen van de ReCoFa-richtlijnen en de eisen die uitkeringsinstanties stellen, de conclusie (onder 2.2) van A-G Langemeijer voor HR 13 april 2007, RvdW 2007, 403, en de daarin opgenomen verwijzing naar HR 19 januari 2007, RvdW 2007, 103.