Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA8455

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
14-09-2007
Datum publicatie
14-09-2007
Zaaknummer
R07/111HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA8455
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Bopz; verlening van voorlopige machtiging terwijl betrokkene heeft geweigerd mee te werken aan een psychiatrisch onderzoek als bedoeld in art. 5 lid 1 Wet Bopz (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-09-14
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BJ 2008/8
JOL 2007, 575
RvdW 2007, 768
NJB 2007, 1854
JWB 2007/292

Conclusie

R07/111HR

Mr. F.F. Langemeijer

Parket, 29 juni 2007

Conclusie inzake:

[Betrokkene = verzoekster]

tegen

Officier van justitie te Amsterdam

In deze zaak is een voorlopige machtiging verleend. In cassatie is de vraag aan de orde of aan het vereiste van een psychiatrisch onderzoek is voldaan ofschoon de patiënt heeft geweigerd aan het psychiatrisch onderzoek mee te werken.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. De officier van justitie in het arrondissement Amsterdam heeft op 23 maart 2007 aan de rechtbank aldaar verzocht een voorlopige machtiging te verlenen om verzoekster tot cassatie (hierna: betrokkene) in een psychiatrisch ziekenhuis te doen opnemen en verblijven. Bij het verzoekschrift is een geneeskundige verklaring overgelegd, op 21 maart 2007 opgemaakt door de niet bij de behandeling betrokken psychiater [betrokkene 5], alsmede een brief van de behandelend psychiater, [betrokkene 6], d.d. 22 februari 2007 met een overzicht van de psychiatrische voorgeschiedenis van betrokkene.

1.2. De rechtbank heeft het verzoek mondeling behandeld op 11 april 2007. Gehoord zijn: betrokkene en haar advocaat, de psychiater [betrokkene 1](1), de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige [betrokkene 2] en de manager van het RIBW(2) [betrokkene 3]. Telefonisch heeft de rechter nog de geneesheer-directeur van De Geestgronden, [betrokkene 4], gehoord.

1.3. Ter zitting is namens betrokkene aangevoerd dat de geneeskundige verklaring niet voldoet aan de wettelijke eisen, nu het onderzoek van de rapporterende psychiater [betrokkene 5] niet berust eigen waarneming: deze heeft onvoldoende gedaan om betrokkene persoonlijk te spreken en is afgegaan op de informatie van de behandelende artsen. De advocaat van betrokkene heeft de rechtbank primair verzocht een contra-expertise te gelasten en subsidiair geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek omdat onvoldoende is gebleken van `gevaar' in de zin van de Wet Bopz.

1.4. De rechtbank heeft bij beschikking van 11 april 2007 de verzochte voorlopige machtiging verleend voor de duur van zes maanden. In reactie op het verweer overwoog de rechtbank:

"De rechtbank wijst het primaire verzoek van de advocaat af. [Betrokkene 5] heeft betrokkene drie maal bezocht en hij heeft haar slechts één keer via een intercom kunnen spreken. Tijdens dit gesprek heeft betrokkene [betrokkene 6] medegedeeld dat zij hem niet wilde spreken, omdat zij hem niet kende. De rechtbank leidt hieruit af dat betrokkene geen enkel andere onafhankelijke psychiater wil spreken. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoekende psychiater voldoende in het werk heeft gesteld om betrokkene persoonlijk te spreken. De rechtbank is tevens van oordeel dat, nu verschillende artsen onafhankelijk van elkaar tot de conclusie zijn gekomen dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestesvermogens, te weten schizofrenie van het paranoïde type, die gevaar oplevert, voldoende onafhankelijk onderzoek naar de stoornis heeft plaatsgevonden. De rechtbank weegt hierbij mee dat sinds de diagnose in 1994 is gesteld, nooit redenen aanwezig zijn geweest, om deze diagnose bij te stellen. De destijds gestelde diagnose is nog immer actueel. Bij die stand van zaken ziet de rechtbank geen aanleiding een contra-expertise te gelasten.

Gelet op de stukken en het gehouden verhoor is de rechtbank van oordeel dat betrokkene door voornoemde stoornis gevaar veroorzaakt, welk gevaar, met name gevaar dat betrokkene maatschappelijk te gronde zal gaan, niet kan worden afgewend door tussenkomst van personen of instellingen buiten een psychiatrisch ziekenhuis. Daarbij is overwogen dat door verschillende hulpverleners grote inspanningen zijn geleverd om het gevaar op ander wijze af te wenden, maar zonder resultaat."

1.5. Namens betrokkene is - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. In cassatie is geen verweerschrift ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Onderdeel I heeft betrekking op de wettelijk vereiste verklaring van een psychiater die de betrokkene met het oog op de te verlenen machtiging kort te voren heeft onderzocht, maar niet bij diens behandeling betrokken was(3). Uit de verklaring dient te blijken dat de betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet.

2.2. In art. 5 lid 1 Wet Bopz heeft de wetgever kennelijk een onderzoek voor ogen gestaan waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert. Evenwel kan niet worden aanvaard dat, indien zulk een contact als gevolg van een weigering van de betrokkene om daaraan mee te werken niet of slechts in een beperkte mate mogelijk is, geen voorlopige machtiging kan worden verleend. Wel zal in een dergelijk geval de psychiater in zijn verklaring uiteen dienen te zetten waarom hij de betrokkene niet of slechts in een beperkte mate heeft kunnen onderzoeken en op welke gronden hij, mede aan de hand van van derden verkregen informatie, niettemin tot de slotsom is gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 Wet Bopz zich voordoet. De rechtbank zal dan dienen na te gaan of de psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden (vereiste 1). Voorts zal de rechtbank dienen na te gaan of ondanks de aan de verklaring klevende beperking voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 zich voordoet (vereiste 2)(4). De rechtbank is in deze zaak van oordeel dat aan beide vereisten is voldaan.

2.3. Voor zover het middelonderdeel ervan uitgaat dat de voorlopige machtiging niet had mogen worden verleend zonder dat een onderzoek heeft plaatsgevonden waarbij de psychiater de betrokkene in een direct contact spreekt en observeert(5), gaat de klacht voorbij aan de zo-even genoemde jurisprudentieregel. Voor zover in het middelonderdeel de rechtsklacht besloten ligt dat de rechtbank heeft nagelaten te onderzoeken of de rapporterende psychiater heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem kon worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden (het eerste vereiste), mist die klacht feitelijke grondslag. Blijkens de aangehaalde motivering heeft de rechtbank dit wel onderzocht.

2.4. De stelling in het middelonderdeel dat de informatie in de geneeskundige verklaring afkomstig is van de behandelende arts(6) leidt niet tot cassatie. Voorop staat dat art. 5 lid 1 onder (e) EVRM een objective medical expertise vereist(7), d.w.z. een psychiatrisch onderzoek door een niet bij de behandeling betrokken psychiater. Het is waar dat de rapporterende niet bij de behandeling betrokken psychiater zich op basis van eigen onderzoek een oordeel moet vormen over de in art. 2 Wet Bopz bedoelde vragen, los van het oordeel van de behandelaar(s)(8). Dit wil niet zeggen dat de rapporterende psychiater bij zijn eigen onderzoek geen gebruik zou mogen maken van informatie, verkregen van de behandelende artsen of verpleegkundigen. Integendeel, art. 5 lid 3 Wet Bopz schrijft voor dat de niet bij de behandeling betrokken psychiater zo mogelijk tevoren overleg pleegt met de behandelend psychiater van de betrokkene. De in alinea 2.2 aangehaalde jurisprudentie staat toe dat, wanneer een persoonlijk contact tussen de rapporterende psychiater en de patiënt ondanks voldoende pogingen niet mogelijk is, de rapporterende psychiater zich een oordeel vormt aan de hand van informatie die van anderen dan de patiënt zelf is verkregen. Ook de rechtspraak van het EHRM staat in zo'n geval toe dat de onderzoekende psychiater gebruik maakt van dossiergegevens. In rov. 47 van het arrest inzake Varbanov, reeds aangehaald, overwoog het EHRM dat indien er geen andere mogelijkheid tot persoonlijk onderzoek bestaat, bijvoorbeeld omdat de betrokkene weigert te verschijnen voor onderzoek, ten minste vereist is een beoordeling door een medisch deskundige op grond van het dossier. Ook in dit geval gaat het om een objectieve psychiatrische beoordeling, gemaakt op grond van een medisch dossier.

2.5. Verderop in onderdeel I wordt geklaagd dat uit de gedingstukken niet blijkt dat de rapporterende psychiater betrokkene driemaal heeft bezocht, zoals de rechtbank heeft vastgesteld(9). Deze motiveringsklacht lijkt mij gegrond, maar zij behoeft niet tot cassatie te leiden. In de geneeskundige verklaring (rubriek 4.a) staat dat betrokkene tot drie maal toe na aanbellen het contact via de intercom van het appartementencomplex, waar zij woont, verbrak. Zij liet de rapporterende psychiater via de intercom weten zijn komst niet op prijs te stellen. Hieruit blijkt inderdaad niet van drie afzonderlijke bezoeken van de psychiater. Mijns inziens moet - en kan - de desbetreffende vaststelling van de rechtbank verbeterd worden gelezen als: drie pogingen van de rapporterende psychiater om met betrokkene in contact te komen. Terzijde valt te noteren dat volgens dezelfde geneeskundige verklaring de rapporterende, niet bij de behandeling betrokken psychiater later op die dag nog telefonisch contact met betrokkene heeft opgenomen; in dit telefoongesprek sprak betrokkene uit dat zij niet wenste dat de psychiater contact opnam met haar advocaat en zij verbrak het telefonisch contact.

2.6. De stelling dat de rapporterende psychiater zijn komst tevoren niet (schriftelijk) had aangekondigd(10) leidt niet tot cassatie, reeds omdat zij een onderzoek naar de feiten vergt en in de procedure bij de rechtbank niet is aangevoerd. Van een psychiater die een verklaring als bedoeld in art. 5 Wet Bopz afgeeft mag, in verband met de op hem rustende verplichting om datgene te doen wat redelijkerwijs van hem kan worden verwacht om het door de wet vereiste onderzoek te doen plaatsvinden, worden verwacht dat hij aan de persoon op wie die verklaring betrekking heeft zelf kenbaar maakt dat hij voornemens is hem te onderzoeken(11). Geen rechtsregel gebiedt dat dit schriftelijk geschiedt.

2.7. De rechtbank is van oordeel dat de onderzoekende psychiater voldoende in het werk heeft gesteld om betrokkene te spreken. De rechtbank heeft vermeld(12) dat betrokkene de rapporterende psychiater niet wilde spreken op grond van haar achterdocht en dat dit past bij de gestelde diagnose: schizofrenie, paranoïde type. De rechtbank heeft hiermee kennelijk willen zeggen dat in dit geval het voor de rapporterende psychiater geen zin zou hebben gehad, nogmaals een poging te doen om betrokkene persoonlijk te benaderen voor een onderzoek. Dat oordeel is nauw verweven met een waardering van de feiten en kan daarom niet in cassatie op juistheid worden getoetst. In de wet is niet geregeld hoeveel en welke pogingen de rapporterende psychiater moet doen om met de betrokkene in contact te komen. Het antwoord op deze vraag hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien, bijvoorbeeld, een weigering blijkt te zijn ingegeven door angst voor het onderzoek en de consequenties daarvan, mag in het algemeen van de psychiater worden verwacht dat deze niet meteen na het horen van de weigering wegloopt, doch zich de moeite getroost de betrokkene te informeren over het voorgenomen onderzoek en de consequenties daarvan. Indien de patiënt tijdelijk niet aanspreekbaar is, mag in het algemeen - binnen redelijke grenzen - worden verwacht dat de arts op een andere dag terugkomt(13). Indien door de psychiater in een gesprek contact is gelegd met de patiënt, maar deze niet voor een (voortzetting van het) gesprek openstaat, houdt het op enig moment op. De slotsom van het voorgaande is dat de rechtbank heeft mogen oordelen dat aan vereiste (1) is voldaan, zodat onderdeel I niet tot cassatie behoeft te leiden.

2.8. Onderdeel II klaagt over het afwijzen van de ter zitting verzochte contra-expertise. Ter zitting van de rechtbank is betrokkene verschenen. Zij heeft op de vraag waarom zij de psychiater niet te woord wilde staan geantwoord: "Ik ken deze man niet. Ik wil niet praten met een psychiater. Ik wil wel met een psycholoog praten"(14). Haar advocaat heeft de rechtbank verzocht om een contra-expertise te gelasten. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. De rechtbank betrok in dit oordeel "dat betrokkene geen enkele andere psychiater wil spreken". Daarnaast overwoog zij (i) dat de rapporterende psychiater voldoende in het werk heeft gesteld om betrokkene persoonlijk te spreken, (ii) dat, nu verschillende artsen onafhankelijk van elkaar tot de conclusie zijn gekomen dat bij betrokkene sprake is van een stoornis van de geestvermogens, te weten schizofrenie, paranoïde type, die gevaar oplevert, voldoende onafhankelijk onderzoek naar de stoornis heeft plaatsgevonden. Daarbij heeft de rechtbank meegewogen (iii) dat sinds de diagnose in 1994 is gesteld, nooit redenen aanwezig zijn geweest om deze diagnose bij te stellen.

2.9. Aan HR 29 april 2005, NJ 2007, 153 m.nt. J. Legemaate (BJ 2005, 14 m.nt. W. Dijkers) zijn, voor zover thans van belang(15), de volgende regels te ontlenen. Overeenkomstig de algemene regels in de verzoekschriftprocedure is de rechter vrij, een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige toe of af te wijzen(16). Niettemin moet, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, eventueel tot vrijheidsbeneming leidende beslissing, worden aangenomen dat een verzoek tot het verrichten van een nader onderzoek door een deskundige slechts gemotiveerd kan worden afgewezen. De eisen die aan die motivering moeten worden gesteld, hangen af van de omstandigheden van het geval, waarbij met name van belang is op welke punten het verzochte nadere onderzoek zich volgens de betrokkene zou moeten richten, en de mate waarin de rechter uit de bij het verzoek tot het verlenen van de machtiging overgelegde geneeskundige verklaring en de overige stukken reeds duidelijkheid heeft verkregen omtrent de door hem te beslissen punten.

2.10. Wanneer de betrokken patiënt heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het onderzoek door de onafhankelijke psychiater, maar naderhand op zijn weigering terugkomt en zich alsnog bereid verklaart zich te laten onderzoeken in het kader van een contra-expertise, zal mijns inziens de rechter de verzochte contra-expertise door een psychiater niet mogen weigeren louter op grond van het feit dat betrokkene aanvankelijk had geweigerd mee te werken aan het onderzoek door de psychiater. In dit geval is het anders gelopen. Het middelonderdeel veronderstelt dat de afwijzing door de rechtbank van het verzoek om een contra-expertise is gebaseerd op de mededeling van betrokkene ter zitting dat zij (niet alleen niet met [betrokkene 6], maar ook) niet met een andere psychiater wil praten(17). In het middelonderdeel wordt betoogd dat namens betrokkene is gevraagd om een contra-expertise om de aanwezigheid van een stoornis van de geestvermogens en het gestelde gevaar te onderzoeken. Hoewel de klacht niet helemaal duidelijk is, is vermoedelijk bedoeld dat betrokkene slechts een verklaring heeft willen geven waarom zij niet met [betrokkene 6] wilde spreken, maar daarmee niet heeft willen stellen dat zij niet bereid zou zijn aan de door haar advocaat verzochte contra-expertise mee te werken. Nu de informatie waarop het medisch oordeel in de geneeskundige verklaring was gebouwd, feitelijk alleen van de behandelende sector afkomstig was, noemt het middelonderdeel het onbegrijpelijk dat de rechtbank niet (alsnog) een onafhankelijke psychiater heeft aangewezen om zich over stoornis en gevaar uit te laten.

2.11. Afgezet tegen de in alinea 2.9 genoemde maatstaf, heeft de rechtbank in ieder geval voldaan aan haar verplichting om de afwijzing van het verzoek om een contra-expertise met redenen te omkleden. De vraag resteert of, gelet op de ingrijpende aard van de door de rechter te nemen, tot vrijheidsbeneming leidende beslissing, de motivering van deze beslissing voldoende is om de beslissing te dragen. Naast de geneeskundige verklaring van [betrokkene 6] berust het oordeel van de rechtbank kennelijk op de mededeling die de psychiater Ritzen ter zitting van de rechtbank heeft gedaan (p.-v. blz. 4). Met de in 1994 gestelde diagnose doelt de rechtbank kennelijk(18) op de in het overzicht `psychiatrische voorgeschiedenis' genoemde opneming van betrokkene in februari/maart 1994 in een psychiatrisch ziekenhuis op grond van een inbewaringstelling in verband met een paranoïde psychose(19). In het onderhavige geval had de rechtbank twee vragen te beantwoorden: (a) Wil betrokkene zelf meewerken aan een contra-expertise zoals door haar advocaat is verzocht? (b) Indien de rechtbank het verzoek om een contra-expertise afwijst, dient zij nog steeds na te gaan of, ondanks de aan de geneeskundige verklaring klevende beperking, voldoende is komen vast te staan dat betrokkene gestoord is in haar geestvermogens en dat een geval als bedoeld in art. 2 zich voordoet (vereiste 2).

2.12. Het antwoord op vraag (a) berust op een uitleg van de uitlatingen van betrokkene ter zitting. Deze uitleg is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Onbegrijpelijk is de lezing welke de rechtbank aan de verklaring van betrokkene geeft, niet. Het verzoek van de advocaat om een contra-expertise kwam op losse schroeven te staan toen betrokkene aangaf niet met een onafhankelijke (d.w.z. niet bij de behandeling betrokken) psychiater te willen spreken. Strikt genomen is dan nog steeds een contra-expertise mogelijk, in die zin dat een tweede niet bij de behandeling betrokken psychiater op basis van het medisch dossier een oordeel (second opinion) kan geven, maar de rechtbank heeft kennelijk - en m.i. niet onbegrijpelijk - het verzoek om een contra-expertise niet verstaan als dáárop gericht. De slotsom is dat onderdeel II faalt.

2.13. Onderdeel III van het middel heeft betrekking op het in art. 2 lid 2 Wet Bopz bedoelde gevaar. De rechtbank heeft vastgesteld dat met name gevaar bestaat dat betrokkene maatschappelijk te gronde zal gaan(20). Volgens het middelonderdeel is onbegrijpelijk dat - en waarom - de rechtbank tot dit oordeel is gekomen. Ter toelichting op deze klacht wordt aangevoerd dat een aantal van de gegevens, die volgens de (in het middelonderdeel geciteerde) gedingstukken zouden moeten wijzen op het gevaar van maatschappelijke ondergang, gemotiveerd door en namens betrokkene zijn weerlegd. Dit klemt te meer omdat de rechtbank in dit geval niet beschikte over een rapport van een onafhankelijke psychiater die op grond van eigen onderzoek tot de conclusie is gekomen dat hier sprake is van een stoornis van de geestvermogens en een daaruit voortvloeiend gevaar.

2.14. Allereerst moet worden vastgesteld wat de rechtbank precies bedoelt met het gevaar van maatschappelijk te gronde gaan. Dit valt af te leiden uit de verklaring van de psychiater ter zitting, zoals weergegeven op blz. 2 van de bestreden beschikking, die werd ondersteund door de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en, op het onderdeel huisvesting, door de ter zitting gehoorde functionaris van het RIBW.

2.15. De motivering van de rechtbank, die verwijst naar de stukken en het gehouden verhoor, verschaft voldoende inzicht in hetgeen de rechtbank hierbij voor ogen heeft gestaan. Weliswaar heeft betrokkene ontkend dat het gevaar bestaat dat zij zonder opneming in een psychiatrisch ziekenhuis maatschappelijk te gronde zal gaan (zo zou zij inmiddels een afspraak met de huisarts hebben gemaakt in verband met haar suikerziekte; de incidenten in het RIBW zijn volgens betrokkene onvoldoende om te kunnen spreken van een gevaar dat vrijheidsbeneming kan rechtvaardigen), maar de rechtbank heeft anders geoordeeld. De beoordeling hiervan is te zeer verweven met een weging van de feiten om in cassatie op juistheid te worden getoetst.

2.16. In het middelonderdeel wordt herhaald dat de informatie waarop de rechtbank haar oordeel baseert, ook die in de geneeskundige verklaring, nagenoeg geheel afkomstig is van de behandelende sector.

2.17. Wie zich tracht te verdiepen in het alternatief (wat had de rechtbank dan wél moeten doen, aangenomen dat betrokkene niet bereid was zich door een niet bij de behandeling betrokken psychiater te laten onderzoeken?) stuit op het probleem dat zowel de onderzoekende psychiater als nadien de rechtbank weinig praktische mogelijkheden tot onderzoek hadden indien de informatie vanuit de behandelende sector geheel buiten beschouwing zou moeten worden gelaten. Het is nauwelijks doenlijk iets te zeggen over het risico dat betrokkene maatschappelijk te gronde gaat, zonder daarbij de mogelijkheden van hulpverlening buiten een psychiatrisch ziekenhuis te betrekken. De rechter zal het gestelde gevaar zoveel mogelijk moeten verifiëren en vervolgens moeten vaststellen of het dreigende onheil de ingrijpende vrijheidsbenemende maatregel rechtvaardigt. Om te kunnen onderzoeken wat de psychiatrische voorgeschiedenis van de betrokkene is, wat tot dusver aan begeleiding en hulpverlening is gedaan, of deze begeleiding en hulpverlening kunnen worden voortgezet en zo neen, waarom niet, heeft de onderzoeker, respectievelijk de rechtbank, informatie uit de behandelende sector nodig. Verder gaat het om een voorspelling van het gedrag van de betrokkene in de veronderstelde situatie dat de verzochte machtiging tot opname in een psychiatrisch ziekenhuis achterwege zou blijven. De rechtbank heeft in dit geval niet volstaan met een standaardmotivering, noch volstaan met het overnemen van de inhoud van de geneeskundige verklaring. De rechtbank heeft ter zitting inlichtingen ingewonnen bij de (waarneemster van de) behandelende psychiater, bij de sociaal-psychiatrisch verpleegkundige en bij de functionaris van het RIBW (met betrekking tot het risico dat betrokkene niet langer in het RIBW zal kunnen blijven). In het cassatiemiddel wordt niet specifiek geklaagd dat de rechtbank heeft verzuimd de huisarts of een andere deskundige te horen over somatische aspecten (de suikerziekte); in elk geval is niet daarom verzocht bij de behandeling in in eerste aanleg. Onder deze omstandigheden komt het mij noch onjuist, noch onbegrijpelijk voor dat de rechtbank, voor de beoordeling van het vereiste gevaar, genoegen heeft genomen met de geneeskundige verklaring van [betrokkene 6], aangevuld met de informatie uit het medisch dossier en de ter zitting verkregen inlichtingen. Onderdeel III faalt.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Gelet op de inhoud van haar verklaring, neem ik aan dat [betrokkene 1] is verschenen als waarnemer van de behandelende psychiater.

2 Regionale instelling voor beschermd en begeleid wonen.

3 Zie art. 6 lid 5 in verbinding met art. 5 lid 1 Wet Bopz.

4 Vaste rechtspraak. Zie o.m.: HR 6 november 1998, NJ 1999, 103 (BJ 1998, 60 m.nt. WD); HR 3 november 2000, NJ 2000, 719 (BJ 2000, 59); HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599 (BJ 2002, 45); HR 21 februari 2003, BJ 2003, 20 m.nt. WD; HR 12 december 2003, BJ 2004, 2 m.nt. red.; conclusie A-G voor HR 22 oktober 2004, BJ 2004, 55 m.nt. red. en HR 17 juni 2005, BJ 2005, 24.

5 Cassatieverzoekschrift blz. 2, in het midden.

6 Cassatieverzoekschrift blz. 3, tweede alinea. Deze stelling vindt bevestiging in rubriek 4.c en rubriek 5.d van de geneeskundige verklaring.

7 EHRM 5 oktober 2000 (Varbanov), BJ 2001, 36 m.nt. W. Dijkers.

8 Vgl. HR 20 oktober 2006, BJ 2006, 48 m.nt. red.

9 Cassatieverzoekschrift blz. 3, derde alinea.

10 Cassatieverzoekschrift blz. 3, derde alinea.

11 HR 25 oktober 2002, NJ 2002, 599, rov. 3.3.

12 Zij het uit de tweede hand: als mededeling van de rapporterende psychiater aan de geneesheer-directeur.

13 Conclusie voor HR 3 november 2000, reeds aangehaald, alinea 2.3.

14 Proces-verbaal van de zitting, blz. 2.

15 Door of namens betrokkene is niet het verzoek gedaan een bepaalde getuige of deskundige te horen.

16 In het algemeen is de feitenrechter vrij in zijn beslissing om, al dan niet, een of meer deskundigen in te schakelen te zijner voorlichting; zie bijv. HR 9 september 2005, NJ 2006, 619, rov. 6.2.

17 Cassatieverzoekschrift blz. 4, tweede alinea.

18 Het dossier bevat geen andere referentie aan gebeurtenissen in het jaar 1994.

19 Zie het overzicht "Psychiatrische voorgeschiedenis" op blz. 2 van de brief van de behandelende psychiater d.d. 22 februari 2007, als bijlage gevoegd bij het inleidend verzoekschrift, en de mededelingen van de s.p.v. ter zitting (p.-v. blz. 3).

20 Zie art. 1, lid 1 onder f, Wet Bopz.