Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA8448

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
26-10-2007
Datum publicatie
26-10-2007
Zaaknummer
C06/162HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA8448
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalige echtelieden bij de vaststelling van verdeling van hun huwelijksgoederengemeenschap over het als gevolg van verrekening tenietgaan van de vordering wegens overbedeling van de man op de vrouw en de vordering van de vrouw op de man ter zake van verschuldigde dwangsommen, alimentatie en proceskosten uit eerder kort geding (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 708
RvdW 2007, 929
NJB 2007, 2182
JWB 2007/359
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/162HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 29 juni 2007

conclusie inzake

[De man]

tegen

[De vrouw]

Edelhoogachtbaar College,

1. In deze zaak, die betrekking heeft op de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen waren gehuwd, gaat het in cassatie om de vraag of het hof heeft kunnen oordelen dat de vordering wegens overbedeling van de man op de vrouw en de vordering van de vrouw op de man ter zake van verschuldigde dwangsommen, alimentatie en proceskosten op grond van verrekening tot hun gemeenschappelijk beloop zijn teniet gegaan.

2. De feiten liggen als volgt.

(i) Partijen, hierna: de man en de vrouw, zijn op 6 november 1969 in algehele gemeenschap van goederen met elkaar gehuwd.

(ii) Het huwelijk van partijen is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking op 20 mei 1996.

(iii) De vrouw heeft op 23 april 1997 tegen de man bij de President van de rechtbank te 's-Hertogenbosch een kort geding aangespannen waarin zij, voor zover thans nog van belang, vorderde dat de man wordt veroordeeld om onder verbeurte van een dwangsom een bedrag van f 370.129,78 terug te storten op een onder de huwelijksgoederengemeenschap vallende rekening bij de Rabobank.

(iv) De vordering van de vrouw werd door de President bij vonnis van 4 juni 1997 toegewezen onder verbeurte van een dwangsom van f 10.000,- per dag dat de man niet aan de veroordeling tot restitutie voldoet met bepaling dat ten titel van deze dwangsomsanctie geen hoger bedrag verbeurd zal kunnen worden dan de somma van f 250.000,-.

3. In de onderhavige procedure, ingeleid door de vrouw bij dagvaarding van 21 augustus 1997 bij de rechtbank 's-Hertogenbosch, heeft de vrouw vaststelling van verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gevorderd op de door haar voorgestelde wijze, waarbij sprake is van overbedeling van de vrouw.

4. De rechtbank heeft bij verstekvonnis van 28 november 1997 een verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld.

5. Tegen dit vonnis heeft de man bij dagvaarding in oppositie van 21 juli 1998 verzet gedaan en, met vernietiging van het verstekvonnis, vaststelling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap gevorderd overeenkomstig de door hem voorgestelde wijze.

6. In haar (tweede) tussenvonnis van 21 december 2001 heeft de rechtbank onder meer overwogen (r.o. 2.1.7):

"[De vrouw] (de vrouw, A-G) stelt dat (...) de schuld aan [de man] (de man, A-G) wegens overbedeling middels verrekening met de vordering ter zake dwangsommen, alimentatie en procekosten is voldaan. [De man] betwist niet dat de schuld aan [de man] wegens overbedeling middels verrekening is voldaan, zodat de rechtbank dit gegeven als vaststaand aanneemt."

7. In haar eindvonnis van 18 augustus 2004 heeft de rechtbank onder meer overwogen (r.o. 2.19):

"In rechtsoverweging 2.1.7. van het tussenvonnis van 21 december 2001 is reeds vastgesteld dat de schuld van [de vrouw] aan [de man] wegens overbedeling middels verrekening met de vordering ter zake dwangsommen, alimentatie en proceskosten is voldaan."

Het dictum van het eindvonnis luidt onder meer:

"Stelt vast dat [de vrouw] wegens overbedeling aan [de man] verschuldigd is Euro 67.452,08 en verklaart voor recht dat de verbintenissen die hieruit voortvloeien en de verbintenissen die voortvloeien uit de vordering van [de vrouw] inzake dwangsommen, alimentatie en proceskosten tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zijn gegaan."

8. De man is van het tussenvonnis van 21 december 2001 en van het eindvonnis van 18 augustus 2004 van de rechtbank in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch.

9. Het hof heeft bij zijn arrest van 28 februari 2006 onder meer overwogen dat van de geschillen die in eerste aanleg aan de rechter zijn voorgelegd in hoger beroep nog één geschil resteert, namelijk een geschil dat betrekking heeft op waardepapieren tot een beloop van f 250.000,- met betrekking waartoe de man betoogt dat deze waardepapieren, die de vrouw al in bezit heeft, aan haar moeten worden toebedeeld zodat hij nog een vordering op de vrouw heeft van f 250.000,- (r.o. 4.1.4). Het hof is op grond van zijn beoordeling van dit geschilpunt tot de conclusie gekomen dat het bedrag van overbedeling van de vrouw moet worden verhoogd met de helft van f 250.000,-, zijnde (f 125.000,-) Euro 56.722,53, tot Euro 124.174,61 (r.o. 4.3.9). Het hof heeft daaraan toegevoegd (r.o. 4.3.10):

"Hierop strekt in mindering de niet door de man betwiste vordering van de vrouw uit hoofde van verbeurde dwangsommen tot het beloop van f 250.000,- (Euro 113.445,05) zodat resteert Euro 10.729,56.

De vrouw heeft zich tevens beroepen op verrekening met verschuldigde alimentatie en proceskosten. Zij heeft het verloop van deze verrekenvordering niet gespecificeerd. De man heeft dit beroep op verrekening niet weersproken. Het hof acht aannemelijk dat de man aan de vrouw terzake in ieder geval Euro 10.729,56 verschuldigd is. Het hof zal in het dictum daarom alleen de overbedeling vaststellen, maar de vrouw niet veroordelen om de man dit bedrag te voldoen."

In het dictum heeft het hof, onder vernietiging in zoverre van het eindvonnis van de rechtbank, vastgesteld dat de vrouw aan de man wegens overbedeling verschuldigd is Euro 67.452,08 en Euro 56.722,53 en voor recht verklaard dat de verbintenissen die hieruit voortvloeien en de verbintenissen die voortvloeien uit de vordering van de vrouw inzake dwangsommen, alimentatie en proceskosten tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zijn gegaan.

10. De man is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met één middel, dat door de vrouw is bestreden met conclusie tot verwerping van het beroep.

11. Het middel keert zich (a) tegen hetgeen het hof in de hierboven onder 9 aangehaalde r.o. 4.3.10 heeft overwogen inzake de verrekening van de vordering wegens overbedeling, alsmede (b) tegen de afwijzing van de door de man gevorderde wettelijke rente.

12. Wat de onder (a) bedoelde klacht betreft, betoogt het middel dat het hof door tot verrekening te besluiten blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent, dan wel een onjuiste toepassing heeft gegeven aan art. 6:136 BW, aangezien van enige verrekeningsvordering geen sprake is, er geen beroep op verrekening is gedaan, de pretense verrekeningsvordering niet is onderbouwd, en de man geen gelegenheid heeft gehad op die pretense vordering te reageren zodat het recht op hoor en wederhoor is geschonden.

13. In eerste aanleg heeft de rechtbank overwogen dat de vrouw heeft gesteld dat haar schuld aan de man wegens overbedeling door middel van verrekening met haar vordering op de man ter zake van dwangsommen, alimentatie en proceskosten is voldaan, en voorts overwogen dat de man dit niet heeft betwist zodat dit gegeven als vaststaand moet worden aangenomen (r.o. 2.1.7 van het tussenvonnis van 21 december 2001 en r.o. 2.19 van het eindvonnis van 18 augustus 2004). Op grond hiervan heeft de rechtbank bij haar eindvonnis voor recht verklaard dat de verbintenissen die voortvloeien uit het feit dat de vrouw wegens overbedeling aan de man Euro 67.452,08 verschuldigd is, en de verbintenissen die voortvloeien uit de vordering van de vrouw op de man inzake dwangsommen, alimentatie en proceskosten tot hun gemeenschappelijk beloop teniet zijn gegaan.

14. Uit de gedingstukken blijkt niet - het middel noemt ook geen vindplaatsen - dat de man tegen deze door de rechtbank gegeven beslissingen, waarin besloten ligt dat de vrouw een beroep op verrekening heeft gedaan, dat de man de door de vrouw gepretendeerde tegenvordering niet heeft betwist, en dat de tegenvordering van de vrouw in verrekening kan worden gebracht met de vordering wegens overbedeling van de man op de vrouw, in hoger beroep grieven heeft aangevoerd.

15. Hierop stuit de onder (a) bedoelde klacht van het middel in haar geheel af. Uit het grievenstelsel vloeit immers voort dat het hof als appelrechter, behoudens uitzonderingen die hier niet van toepassing zijn, de bedoelde, voor de man ongunstige beslissingen van de rechtbank, die niet door grieven waren bestreden, had te eerbiedigen. Vgl. H.E. Ras, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken, 2e dr. 2001 bew. door A. Hammerstein, blz. 31 en de aldaar vermelde rechtspraakgegevens.

16. Voor zover het middel met zijn onder (a) bedoelde klacht nog wil betogen dat het hof niet tot verrekening had mogen besluiten, nu het hof de vordering wegens overbedeling van de man op de vrouw heeft vastgesteld op een hoger bedrag dan het bedrag waarop de rechtbank deze vordering had vastgesteld, strandt dit betoog op de omstandigheid dat het hof - onbestreden in cassatie - heeft overwogen dat aannemelijk is dat, ook uitgaande van de nadere vaststelling van de hoogte van de vordering wegens overbedeling van de man op de vrouw, de tegenvordering van de vrouw, hoewel het beloop daarvan wat de verschuldigde alimentatie en proceskosten betreft door de vrouw niet is gespecificeerd, in ieder geval meer beloopt dan de vordering wegens overbedeling van de man op de vrouw.

17. De onder (b) bedoelde klacht van het middel neemt stelling tegen het oordeel van het hof dat de door de man gevorderde wettelijke rente vanaf 21 juli 1998 niet kan worden toegewezen, aangezien wettellijke rente niet is verschuldigd indien de vordering van de man door verrekening teniet is gegaan (r.o. 4.3.11).

18. Deze klacht kan evenmin doel treffen. Nog daargelaten dat het middel niet aangeeft in welk opzicht het gewraakte oordeel een schending van het recht en/of verzuim van vormen waarvan de niet-inachtneming met nietigheid is bedreigd, oplevert, berust de beslissing van het hof om de gevorderde wettelijke rente af te wijzen mede op de grond dat geen wettelijke rente verschuldigd is over de periode vóórdat de verdeling is vastgesteld. Deze door het middel niet bestreden grond kan de beslissing van het hof zelfstandig dragen, zodat de klacht in ieder geval reeds wegens gebrek aan belang moet falen.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden