Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7958

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
12-10-2007
Datum publicatie
12-10-2007
Zaaknummer
R07/008HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7958
Rechtsgebieden
Civiel recht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Insolventierecht. Opheffing van faillissement en gelijktijdig uitspreken schuldsaneringsregeling, afgewezen verzoek van failliet ex art. 15b leden 1 en 2 jo art. 284 F.; (bewijs van verzending) kennisgeving als bedoeld in art. 3 lid 1 F., overeenkomstige toepassing van KB 27 januari 1926, Stb. 14 (uitvoeringsbesluit ex art. 6 F.), aanvangstijdstip termijn.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 3
Faillissementswet 15b
Faillissementswet 284
Faillissementswet 362
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 659
RvdW 2007, 864
NJ 2007, 622
NJB 2007, 2080
JWB 2007/340
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Zaaknr. R07/008HR

Mr. Huydecoper

Parket, 22 juni 2007

Conclusie inzake

[Verzoeker]

verzoeker tot cassatie

Feiten(1) en procesverloop

1) Het gaat in deze zaak om het volgende:

De verzoeker tot cassatie, [verzoeker], is op verzoek van een crediteur op 6 juni 2006 failliet verklaard.

Op 1 september 2006 heeft [verzoeker] ex art. 15b lid 1 en 2 Fw de rechtbank verzocht om opheffing van het faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling, met andere woorden: om omzetting van het faillissement in een schuldsanering.

Bij beschikking(2) van 9 oktober 2006 heeft de rechtbank het verzoek afgewezen. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat [verzoeker] ten aanzien van (een deel van) zijn schuld aan de Belastingdienst (van in totaal € 73.732,63) niet te goeder trouw is geweest.

2) In het namens [verzoeker] ingestelde hoger beroep kwam aan de orde dat [verzoeker] zijn verzoek van 1 september 2006 te laat zou hebben gedaan, en of dit het gevolg is geweest van aan hem toe te rekenen omstandigheden (zie met name art. 15b lid 1 Fw)(3). [Verzoeker] voerde aan dat hij van de (griffier van de) rechtbank nooit een brief heeft ontvangen als bedoeld in art. 3 Fw, waarin hem gewezen wordt op de mogelijkheid om toepassing van de schuldsaneringsregeling te verzoeken. Daarnaast voerde [verzoeker] aan dat hij, nadat zijn faillissement was uitgesproken, in overleg met de curator heeft gewacht met het indienen van een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, totdat duidelijkheid omtrent zijn financiële situatie was verkregen. De curator heeft deze gang van zaken ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd(4).

3) Het hof heeft met betrekking tot de zo-even summier aangeduide argumenten overwogen dat volgens opgave van de griffie van de rechtbank de bij art. 3 Fw bedoelde brief tweemaal (eenmaal aangetekend en eenmaal per gewone post) is verzonden aan het adres waarop [verzoeker] destijds bij de gemeentelijke basisadministratie stond ingeschreven, en dat de termijnoverschrijding in dit opzicht voor zijn rekening moet blijven, terwijl ook het feit dat in overleg met de curator gewacht is met indiening van het verzoekschrift, [verzoeker] niet kan baten omdat dit hem niet van zijn eigen verantwoordelijkheid ontslaat.

Het hof bekrachtigde vervolgens de uitspraak van de rechtbank.

4) Namens [verzoeker] is tijdig en regelmatig cassatieberoep ingesteld(5).

Bespreking van het cassatiemiddel

5) Bij de beoordeling van de cassatieklachten stuit ik op de moeilijkheid, dat de uitspraak van het hof, althans wat mij betreft, enige uitleg behoeft.

Ik begrijp de beslissing van het hof als het gaat om de vraag wat er gebeurd is met de brief als bedoeld in art. 3 Fw, zo, dat het hof op grond van de mededelingen van de rechtbankgriffie als aannemelijk beoordeelt dat die brief - die tweemaal verzonden zou zijn - telkens gestuurd is naar het destijds in de GBA aangegeven adres van [verzoeker](6) én dat die brief ook telkens op dat adres is bezorgd, of althans aangeboden.

Aan de hand van dit oordeel (dat echter niet expliciet uit de door het hof gegeven motivering blijkt), kan men, dunkt mij, aannemen dat het feit dat de brief overigens niet onder de aandacht van [verzoeker] kan zijn gekomen, voor diens risico "dient te komen", zoals het hof wél expliciet heeft aangenomen. Houdt men rekening met de mogelijkheid dat de brief beide keren niet op het aangegeven adres is bezorgd, dan is het laatstgenoemde oordeel onhoudbaar - vandaar de door mij gekozen uitleg van de overweging van het hof.

6) Als men de overweging van het hof niet zo begrijpt als ik hiervóór voorstelde, lijkt mij moeilijk aan te geven hoe die overweging dan wél moet worden begrepen. Dan geldt, denk ik, dat die overweging als onvoldoende gemotiveerd moet worden beoordeeld. Hetzelfde geldt trouwens als men die overweging wel zo leest als ik heb voorgesteld, maar aanneemt dat een louter impliciet oordeel over het ter plaatse bezorgd zijn van de brief/brieven, onvoldoende is om aan de motiveringseis te beantwoorden.

7) Uitgaande van de in alinea 5 hiervóór voorgestelde uitleg, stuit men op de vraag of het hof aan de hand van de loutere mededelingen van de (rechtbank)griffie, inderdaad kon oordelen dat de bij art. 3 Fw bedoelde brief - in dit geval: twee maal - was verzonden aan én bezorgd op het adres van [verzoeker]. Die vraag vraagt daarom om aandacht, omdat de rechtspraak van de Hoge Raad over art. 3:37 BW niet dadelijk verenigbaar lijkt met een bevestigende beantwoording.

8) Of een brief al-dan-niet verzonden en bezorgd is, dringt zich - overigens - op als een geheel feitelijke vraag, en dus een vraag waarvan de beoordeling niet in cassatie thuishoort. Weging van de "probabilities" en beoordeling van de "preponderance" daarvan - oftewel: waardering van het bewijs - geldt als "feitelijk" bij uitstek(7).

Daarbij lijkt mij dat de feitelijke rechter zeer wel kán oordelen dat wanneer een bepaalde brief twee maal na elkaar naar hetzelfde adres - tevens: het juiste adres - is gestuurd, de "balance of probabilities" doorslaat naar de kant, dat die brief (hoogstwaarschijnlijk) ook daar is aangekomen(8).

9) Maar hoezeer dit "overigens" het geval moge zijn, bij zijn uitleg van art. 3:37 BW heeft de Hoge Raad de grenzen - althans: zo begrijp ik deze jurisprudentie - juist iets anders, en iets scherper getrokken.

Bij HR 4 juni 2004, NJ 2004, 411, rov. 3.6, werd immers aangenomen dat het oordeel van een rechtbank, voorzover dat ertoe strekte dat de juiste adressering en aangetekende verzending van een bepaald stuk voldoende steun kon opleveren voor de bevinding dat dat stuk de betrokkene ook had bereikt, althans: dat het hem correct was aangeboden, op een onjuiste rechtsopvatting berustte óf een motiveringsgebrek inhield(9).

10) Ik denk dat de aangehaalde rechtspraak van de Hoge Raad ertoe strekt, het risico van haperingen bij de verzending van mededelingen e.a., in geprononceerde mate te leggen bij de partij die aan het gedaan zijn daarvan (d.w.z.: van de mededeling in kwestie), rechtsgevolgen verbonden wil zien.

De vraag lijkt mij nu, of deze wat aangescherpte regels van bewijslastverdeling en (vooral) bewijswaardering, die de Hoge Raad heeft gegeven in het kader van art. 3:37 BW, oftewel: in het kader van de civielrechtelijke beoordeling van rechtsgevolgen die door het doen van bepaalde mededelingen worden bewerkstelligd, ook toepassing moeten vinden als het gaat om de procesrechtelijke verhouding van, in dit geval, een procespartij ten opzichte van (de griffie van) de rechterlijke instantie bij welke die partij in een zaak betrokken is of wordt.

11) Ik ben geneigd die vraag met "nee" te beantwoorden. Daarbij spelen voor mij twee factoren een rol:

In de eerste plaats mag van rechterlijke instanties en hun griffies een zeer hoge mate van zorgvuldigheid en betrouwbaarheid worden verwacht. Als een griffie meedeelt dat een bepaalde handeling op een bepaalde manier verricht is, acht ik het daarom verantwoord, er "blind op te varen" dat die informatie juist is(10).

En in de tweede plaats is de rechtsverhouding tussen de justitiabele en de rechterlijke instelling een wezenlijk andere, dan die tussen twee rechtssubjecten die elkaar op de voet van art. 3:37 BW mededelingen doen. De aspecten die een bepaalde (naar mijn oordeel dus: aangescherpte) risicoverdeling in de ene verhouding rechtvaardigen, ontbreken in de andere. Daarom ligt op de hand om in die andere verhouding de "gewone" maatstaven voor bewijslastverdeling en bewijswaardering toe te passen, en niet de aangescherpte maatstaf die voor de eerstbedoelde verhouding ontwikkeld is.

12) Aan de hand van deze beschouwingen kom ik ertoe, de klachten van het middel die gericht zijn op 's hofs beoordeling van het argument dat [verzoeker] de in art. 3 Fw voorgeschreven mededeling niet zou hebben ontvangen, te beoordelen als ongegrond.

Om de hoger besproken redenen kón het hof uit de mededelingen van de rechtbankgriffie de gevolgtrekkingen maken dat de bedoelde brief twee maal aan het juiste adres was verzonden; en kón het hof ook als in hoge mate aannemelijk beoordelen dat die brief op dat adres was aangekomen. In aansluiting daarop is dan als juist aan te merken, het oordeel dat het overigens voor risico van [verzoeker] zou komen dat die deze brief (of brieven) blijkbaar niet in handen heeft gekregen, of anderszins verzuimd heeft om daar kennis van te nemen of om op de inhoud te reageren. Nu overigens geen bijzondere omstandigheden - zoals bijvoorbeeld ziekte of gebrek - waren aangevoerd, waardoor het niet reageren als redelijkerwijs niet aan [verzoeker] toerekenbaar zou kunnen worden aangemerkt, kon het hof nauwelijks anders dan dit argument verwerpen; en althans geeft dat oordeel geen blijk van miskenning van de toe te passen regels, noch van schending van de motiveringsplicht.

13) Op de zojuist weergegeven bezwaren stuiten de hier bedoelde klachten van het middel alle af. Ik loop die klachten "pour acquit de conscience" stuk voor stuk na:

Onderdeel 1 bepleit een andere maatstaf voor bewijs(waardering en -motivering) dan ik hiervóór als juist heb aangemerkt. Daarnaast wordt aangevoerd dat slechts een van adressering (op de brief zelf) en van ondertekening voorzien bericht zou mogen gelden als de in art. 3 Fw bedoelde brief(11). Dergelijke eisen stelt de wet echter niet. (Ik stem er overigens graag mee in dat het wenselijk zou zijn wanneer een oproepingsbrief van een griffie wél aan die eisen zou voldoen - al was het maar omdat daardoor de ambtenaren in kwestie genoodzaakt zouden worden, (nog iets) meer persoonlijke aandacht aan deze zendingen te besteden, iets wat mij bij dergelijke "gevoelige" berichten bepaald wenselijk lijkt.)

Onderdelen 1.1 en 1.2 herhalen de zojuist behandelde eisen die aan de in art. 3 Fw bedoelde brief gesteld zouden mogen worden, met enkele toevoegingen. Ik stel op mijn beurt, dat verzending van een brief in de vorm en op de wijze zoals dat (naar het kennelijke oordeel van het hof) hier is gebeurd, met geen regel van toepasselijk recht strijdig is, noch met de goede procesorde. Dat (zoals onderdeel 1.2 toevoegt) de griffie gehouden zou zijn om "bewijsstukken" betreffende de verzending conform art. 3 Fw te bewaren, kan al daarom buiten beschouwing blijven omdat er in de feitelijke instanties geen als voldoende onderbouwd aan te merken stellingen over het ontbreken hiervan zijn aangevoerd(12); en het hof daar dus ook allicht geen onderzoek naar heeft gedaan.

Onderdeel 1.3 stuit af op dezelfde bezwaren: voor een deel bestrijdt het 's hofs bewijswaardering - tevergeefs; voor een ander deel doet het een beroep op vereisten die aan de in art. 3 Fw bedoelde brief gesteld zouden moeten worden, maar die de wet nu eenmaal niet stelt; en ten derde brengt het bezwaren te berde - en klaagt het over het uitblijven van onderzoek daarnaar - terwijl die bezwaren ten overstaan van het hof niet zijn aangevoerd(13).

De onderdelen 1.4 - 1.6 herhalen een deel van de eerdere argumenten; en zij bevatten enige nadere stellingen omtrent eisen die aan de in art. 3 Fw bedoelde brief zouden moeten worden gesteld, en verdere tegenwerpingen tegen het feit dat het hof de deugdelijke verzending van deze brief kennelijk als aannemelijk heeft beoordeeld. Daarvoor geldt het eerder gezegde op overeenkomstige voet: de eisen die het middel aanvoert stelt de wet niet, en 's hofs bewijsoordeel, voorzover al in cassatie voor toetsing vatbaar, blijft binnen de daarvoor geldende grenzen.

Onderdeel 2 is specifiek betrokken op de verzending van de in art. 3 Fw bedoelde brief. Ook hiervoor geldt echter dat het hof aan de hand van de informatie van de rechtbankgriffie kon oordelen dat (aannemelijk was dat) die verzending had plaatsgehad; en ook hier geldt dat dat oordeel(14) geen nadere motivering behoefde.

Ter vermijding van mogelijk misverstand merk ik nog op dat het middel op een aantal plaatsen - bijvoorbeeld: in onderdeel 2 (cassatierekest p. 6, regels 5 - 8) - tot uitgangspunt neemt dat in cassatie als (veronderstellenderwijs) vaststaand zou moeten worden aangenomen dat [verzoeker] de door de rechtbankgriffie verzonden brief of brieven niet heeft ontvangen. Zoals ik al eerder aangaf, is dat uitgangspunt in zoverre onjuist dat - althans: zoals ik de beslissing van het hof versta -, het hof als bewezen of als aannemelijk heeft beoordeeld dat de bedoelde brieven zijn verzonden én ter plaatse zijn aangekomen. Voorzover van de kant van [verzoeker] anders werd betoogd, heeft het hof dat betoog dus verworpen. Bij die stand van zaken was niet langer relevant of [verzoeker] de brief/brieven ook had "ontvangen" (waarmee ik zoveel bedoel als: of hij die binnen handbereik heeft gehad en ervan kennis heeft genomen). Wanneer dat laatste niet gebeurd mocht zijn, kan dát hem immers (nu verdere "disculperende" omstandigheden niet waren aangevoerd), met recht worden toegerekend.

14) Onderdeel 3 berust voor een deel op de eerder besproken argumenten, en behoeft in zoverre geen nadere bespreking.

Het onderdeel voert echter ook aan dat het hof een onjuist of onvoldoende gemotiveerd oordeel zou hebben gegeven met betrekking tot het argument dat, zo vat ik het samen, [verzoeker] op instigatie van de curator gekomen is tot een (verder(15)) verlate indiening van het verzoek om "omzetting".

In HR 10 juni 2005, NJ 2005, 314 (zie met name rov. 3.2.2) was (eveneens) aan de orde, in hoeverre omstandigheden die zich ná het verstrijken van de termijn van 14 dagen van de art. 3 en 15b Fw voordoen, van invloed kunnen zijn op het oordeel dat wat heeft geleid tot het verlaat doen van het in art. 15b lid 1 Fw bedoelde verzoek, niet aan de schuldenaar mag worden toegerekend. In de aangehaalde rov. kwam de Hoge Raad tot het oordeel dat hier alléén betekenis toekomt aan omstandigheden die zich hebben voorgedaan binnen de bedoelde termijn van 14 dagen(16),(17).

15) Tot mijn spijt moet ik vaststellen dat dit aan honorering van de op dit thema toegesneden klachten in de weg staatt: men kan immers slechts constateren dat het hier ingeroepen optreden van de curator plaats moet hebben gevonden ná het verstrijken van de bedoelde termijn.

Ik schrijf intussen: met spijt, en wel om twee redenen:

- In de eerste plaats deel ik de mening, die ten grondslag moet liggen aan de opmerking van A-G Langemeijer in alinea 2.9 van zijn conclusie voor het aangehaalde arrest, over de "onbarmhartigheid" van de hier gegeven regeling. Met Dethmers, Van schuldsanering tot schone lei, 2005, p. 21 - 22, kan ik slechts vaststellen dat de (natuurlijke) personen die de WSNP (vooral) op het oog heeft, niet zelden de eigenschappen zullen missen die men nodig heeft voor de tamelijk alerte reacties waar de art. 3 en 15b Fw van uit gaan. Dat betekent dan dat de zojuist aangegeven, door de Hoge Raad aanvaarde regel, er wel toe moet leiden dat de wet in gevallen waarin het faillissement van een schuldenaar-natuurlijke persoon door een derde wordt aangevraagd, vaak niet tot het beoogde doel zal leiden, dan wel aan dat doel zal voorbijschieten. Ik ben het (ook) met A-G Langemeijer eens(18) dat de wetgever bewust voor deze uitkomst lijkt te hebben gekozen (op de gronden die in alinea 2.4 van de aangehaalde conclusie worden genoemd); maar ik denk dat het aldus opgezette systeem zowel wat betreft zijn "barmhartigheid" als wat betreft zijn doeltreffendheid, onaantrekkelijk is.

- En ten tweede: ik stem ermee in dat de schuldenaar die de termijn van 14 dagen heeft laten verstrijken, in zeer veel gevallen geneigd zal zijn zich te richten naar het oordeel en advies van de curator, die in dat geval vaak benoemd zal zijn. Als curatoren, mede op "inblazing" van de in het middel (in onderdeel 3.3) aangehaalde Richtlijn van de Recofa-werkgroep(19), de indruk oproepen dat een verzoek (geruime tijd) na ommekomst van de termijn van 14 dagen, inners: na de termijn die vereist is voor het opmaken van het eerste faillissementsverslag, een redelijke kans van slagen maakt, terwijl in werkelijkheid alleen bijzondere omstandigheden gedurende de eerste 14-dagen termijn aan zo'n verzoek kans van slagen kunnen geven, kost het weinig moeite om zich voor te stellen dat dat voor alle betrokkenen, maar vooral voor de schuldenaren, buitengewoon teleurstellend kan - en veelal ook zal - uitpakken. Daarbij komt dat de door Recofa gesuggereerde aanpak - namelijk: een verzoek pas beoordelen (en dus ook het indienen ervan pas overwegen) als de curator zich een indruk van de stand van zaken heeft kunnen vormen -, zich als bepaald zinnig aandient; en dat het omgekeerde vaak zal gelden voor de aanpak die het wettelijke systeem lijkt te vereisen.

16) Ik verheel dan ook niet dat het mijn sympathie zou hebben wanneer omstandigheden als de hier bedoelde wél tot toepassing van de in art. 15b lid 1 Fw aangegeven uitzondering zouden kunnen leiden; maar als gezegd, staat het in alinea 14 aangehaalde arrest - met de rechtsbronnen waar dat arrest weer op steunt - daaraan in de weg. Vandaar de spijt waar ik eerder blijk van gaf.

17) Onderdeel 3.1 brengt, meen ik, geen argumenten te berde die ik niet hiervóór al heb onderzocht.

Onderdeel 3.2 voert onder meer aan dat de argumenten waarmee het hof de in alinea's 14 en 15 hiervóór onderzochte aspecten heeft verworpen - [verzoeker] zou ook na het faillissement een "eigen verantwoordelijkheid" hebben voor zijn aanpak van de problemen -, niet buitengewoon overtuigend zijn. Ik kan in dat opzicht wel met de steller van het middel meevoelen; maar ik meen, dat ook hier geldt dat (alleen al) de regel uit de in alinea 14 aangehaalde uitspraak belet, dat deze klacht doel kan treffen.

De verdere argumenten uit onderdeel 3.2, evenals de argumenten uit onderdeel 3.3 merk ik aan als herhalingen of detailuitwerkingen van eerder al besproken argumenten, die thans niet opnieuw aan de orde hoeven te komen.

Conclusie

Aan de hand van deze bevindingen, concludeer ik tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1 Ontleend aan het in cassatie bestreden arrest, rov. 2.1 - 2.5.

2 De rechtbank duidt haar beslissing als beschikking aan. In het thans in cassatie bestreden arrest wordt deze beslissing aangeduid als vonnis. Zie over de ongerijmdheden van de terminologie van de Faillissementswet op dit punt bijvoorbeeld Van Mierlo, TvI 1998/1, p. 9 - 10.

3 En bijvoorbeeld HR 10 juni 2005, NJ 2005, 314, rov. 3.2.1 en 3.2.2.

4 Proces-verbaal van 1 december 2006, p. 2.

5 De cassatietermijn bedraagt ingevolge art. 15c lid 4 Fw acht dagen. Het cassatierekest is op 12 januari 2007 per fax ingekomen, en op 15 januari 2007 per gewone post. De bestreden uitspraak is van 5 januari 2007.

6 Bij gebreke van enige aanwijzing in de andere richting ga ik er overigens van uit dat [verzoeker] destijds ook werkelijk op dat adres woonde. Zie ook par. 1.6 van het (eerste) verslag van de faillissementscurator, overgelegd als prod. II bij het appelrekest.

7 HR 2 februari 2007, NJ 2007, 92, rov. 3.5; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 103; Asser, Civiele Cassatie, 2003, p. 49.

8 Dit à fortiori als er geen melding wordt gemaakt van terugzending van de brief als "onbestelbaar".

9 Daarbij verwees de Hoge Raad naar HR 16 oktober 1998, NJ 1998, 897, rov. 3.4; zie ook HR 8 september 1995, NJ 1996, 567 m.nt. HJS, rov. 3.3.2.

10 Daarmee wil ik de rechter niet de ruimte ontzeggen om daar in voorkomend geval anders over te oordelen. Het gaat er mij hier alleen om dat de bijzondere positie van de griffie een rechtvaardiging oplevert voor beoordeling van mededelingen van die kant als bij uitstek betrouwbaar - ongeveer op dezelfde voet als waarop ook "officiële" verklaringen van deurwaarders of notarissen gewoonlijk als (bij uitstek) betrouwbaar mogen worden beoordeeld.

11 Het middel verwijst hier, maar ook elders, nog naar de ingevolge art. 14 lid 1 en lid 2 jo. art. 99 Fw geldende zogenaamde "postblokkade". Hier is echter een misverstand in het spel: tijdens de in art. 3 Fw bedoelde periode van 14 dagen was het faillissementsverzoek nog niet in behandeling (en was het faillissement dus ook nog niet uitgesproken), en gold er dus ook nog geen "postblokkade".

De klacht verwijst verder naar een (aanzienlijk) aantal bepalingen uit de derde titel van boek 1 Rv; maar deze titel is ingevolge art. 362 Fw in faillissementszaken niet van toepassing.

12 De eerste alinea van de in appel op 27 december 2006 genomen akte bevat wel toespelingen op dit thema; maar daar wordt bijvoorbeeld niet aangevoerd dat [verzoeker]s raadsman - zoals bepaaldelijk op diens weg had gelegen - zich ervan op de hoogte heeft gesteld welke gegevens met betrekking tot de hier aan de orde zijnde verzending, door de rechtbankgriffie zijn vastgelegd en bewaard (en dus ook niet, wat daarbij aan het licht zou zijn gekomen). In burgerrechtelijke geschillen kan men nu eenmaal gewoonlijk niet volstaan met het opperen van bepaalde suggesties (over kwesties waarover men zelf heel goed informatie had kunnen inwinnen), in de verwachting dat de rechter dan ambtshalve onderzoek zal instellen naar wat men aldus heeft opgeworpen. Zoals men dat vandaag de dag wel hoort zeggen: "zo werkt dat niet."

13 Hier geldt weer wat ik in de vorige voetnoot al opmerkte: men had natuurlijk, wanneer daarop gerichte bezwaren zouden zijn ingebracht, nader kunnen onderzoeken op welke basis de van de rechtbankgriffie ontvangen informatie betreffende de in art. 3 Fw bedoelde verzending, berustte (dat had de advocaat van [verzoeker] overigens kunnen doen, in plaats van er op te speculeren dat het hof hier "spontaan" nader onderzoek naar zou uitvoeren of gelasten). Maar bezwaren van deze strekking (ik bedoel dan: bezwaren die ertoe strekten dat de opgave van de griffie die het hof daadwerkelijk heeft opgevraagd en gekregen, niet op deugdelijk onderzochte gegevens zou berusten) zijn niet ingebracht, zodat het hof geen aanleiding had zich daar nader in te verdiepen.

Het middel doet in dit verband een beroep op HR 12 april 1991, NJ 1992, 215 m.nt. HJS, (naar ik aanneem:) rov. 3.2; maar ik meen dat het daar overwogene eerder steun biedt aan de zienswijze die ik hier verdedig, dan aan die van het middel.

14 Afgezien dan van de in alinea's 5 en 6 hiervóór geopperde bedenking(en).

15 Toen het faillissement werd uitgesproken en de curator benoemd werd, was de termijn van art. 15b lid 1 Fw immers al verstreken.

16 Zie inmiddels ook Hof Amsterdam 25 november 2005, NJF 2006, 198, rov. 2.5.

17 Rov. 3.2.2 van de beslissing van de Hoge Raad stelt ook buiten twijfel dat een verzoek dat gedaan wordt na de termijn van 14 dagen en zonder dat sprake is van de "exculperende" omstandigheden die in art. 15b lid 1 Fw worden aangeduid, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dat men, althans aan de hand van de tekst van de wet, daarover ook anders kon denken laat bijvoorbeeld Wessels, TvI 1998/10, p. 214 zien.

18 Ter vermijding van een op de loer liggende à contrario-gevolgtrekking: ik ben het vrijwel altijd met de A-G eens.

19 In par. 2 van die Richtlijn, "Omzetting van faillissement in schuldsanering", waar inderdaad wordt gesuggereerd dat het (eerste, openbare) verslag van de curator zinvol kan worden afgewacht.