Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7919

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
09-10-2007
Datum publicatie
10-10-2007
Zaaknummer
02559/06 A
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7919
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Geloofwaardigheid en redengevendheid van verklaringen van medeverdachten. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR LJN AB7528 inzake het gebruik voor bewijs van een in een ambtsedig opgenomen getuigeverklaring. HR herhaalt verder dat uitgangspunt is dat de selectie en waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter zonder dat hij dat behoeft te motiveren en dat slechts onder omstandigheden een nadere motivering wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal, welke omstandigheden mede afhankelijk zijn van de bijzondere aard van de materie en van hetgeen ttz in feitelijke aanleg door of namens verdachte is aangevoerd. De opvatting dat het Hof, in het geval dat een getuige bij gelegenheid van zijn verhoor door de RC en ttz in appel zijn tegenover de politie afgelegde belastende verklaring onder ede heeft ingetrokken, gehouden is te motiveren waarom het die ingetrokken verklaring bruikbaar acht voor het bewijs, is - afgezien van bijzondere gevallen waaromtrent niets is aangevoerd of gebleken - onjuist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 663
RvdW 2007, 876
NJB 2007, 2089
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02559/06 A

Mr. Vellinga

Zitting: 19 juni 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Verdachte is door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba bij vonnis van 23 mei 2006 wegens 1. subsidiair: 'medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit de dood ten gevolge heeft', 2 en 4. 'medeplegen van overtreding van het bij artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening 1930 gestelde verbod, meermalen gepleegd' en 3. 'medeplegen van diefstal, voorafgegaan, vergezeld of gevolgd van geweld of bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren' veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat uit de gebezigde bewijsmiddelen niet kan volgen dat tegen het hoofd van het slachtoffer een vuurwapen is geplaatst, zoals onder 1 subsidiair is bewezenverklaard.

4. Ten laste van de verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

"hij op 29 mei 2005 op het eilandgebied Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een halsketting en een vuurwapen, toebehorende aan [slachtoffer 1], welke diefstal werd voorafgegaan, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1], gepleegd door verdachte, en zijn mededader(s), met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken en om betrapping op heterdaad aan zich en andere deelnemers aan voormeld misdrijf, hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld uit het opzettelijk een vuurwapen aan het hoofd van [slachtoffer 1] te plaatsen en vervolgens met een vuurwapen schoten op en/of in de richting van [slachtoffer 1] te lossen, bij welk feit [slachtoffer 1] een schotverwonding opliep, als gevolg van welke verwonding [slachtoffer 1] is overleden;"

5. Het Hof heeft deze bewezenverklaring doen steunen op de volgende bewijsmiddelen:

"1. een proces-verbaal (nummer 527/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3], allen brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 2 juni 2005 voor zover inhoudende als relatering van verbalisanten, -zakelijk weergegeven-:

Op zondag 29 mei 2005 omstreeks 03.50 uur werden de patrouilles van het wijkbureau Rio Canario en Projectteam Atrako gedirigeerd naar de Mirla Plateweg ter hoogte van de Bar Palma Soleano, alwaar een man zou zijn beroofd en neergeschoten.

Bij een ter plaatse ingesteld onderzoek bleek dat drie mannen het slachtoffer dat later bleek te zijn [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1949, in zijn auto hadden overvallen en hadden neergeschoten.

Omstreeks 04.25 uur constateerde de politiearts de dood van het slachtoffer [slachtoffer 1].

2. een sectieverslag (nummer 619/2005, d.d. 1 juni 2005) van de sectie uitgevoerd op het stoffelijk overschot van [slachtoffer 1] op 31.05.05 door JA. van Raalte, arts, patholoog, met als conclusie -zakelijk weergegeven-:

[Slachtoffer 1] is overleden als gevolg van een schotwond die de borstholte binnendrong tussen de 7e en de 8e rib. Het verscheuren van de grote lichaamsslagader heeft geleid tot een snel en groot bloedverlies -waarbij 2 liter bloed in de borstholte werd aangetroffen- hetgeen leidde tot een snelle dood.

3. een proces-verbaal (nummer 531/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 29 mei 2005 voor zover inhoudende als verklaring van de getuige [getuige 1], -zakelijk weergegeven-:

Ik zag de voor mij bekende [slachtoffer 4] komen aanrijden. Hij rijdt in een rode Nissan. Hij parkeerde zijn auto net voor het nummerkantoor dat in hetzelfde gebouw zit als de Bar Palma Soleano aan de Mirla Plateweg. Ik stond daar om de auto's in de gaten te houden.

[Slachtoffer 4] bleef in zijn auto zitten en ik zag dat drie mannen vanuit de richting van de bakkerij aan kwamen gerend richting de bar. Deze drie mannen hadden bivakmutsen op. Deze mannen liepen rechtstreeks naar de auto van [slachtoffer 4]. Een van hen opende het portier en de tweede man liep naar de passagierszijde van de auto en opende het portier daar, De derde man bleef aan de achterkant van de auto rond staan kijken.

De mannen die bij de portieren stonden zeiden [slachtoffer 4] om zijn ketting af te doen en ik zag dat hij daaraan voldeed. Toen [slachtoffer 4] zijn ketting aan de man gaf die aan zijn kant stond zag ik dat [slachtoffer 4] uitstapte en zich omkeerde alsof hij naar de achterkant van de auto wilde lopen. Het was op dat moment dat de man die aan de andere kant van de auto stond een gericht schot op [slachtoffer 4] loste en hem in zijn rug trof.

De drie mannen die hem kwamen overvallen namen dezelfde weg terug als die zij gekomen waren.

4. een proces-verbaal (nummer 583/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 6], allen brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako en het RST, gesloten op 7 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1], - zakelijk weergegeven-:

Ik beken dat ik betrokken was bij de beroving in de nachtelijke uren op 29 mei 2005. Ik heb hem gepleegd samen met [verdachte] ([verdachte], opm. Hof) en [medeverdachte 2]. [Medeverdachte 2] stelde voor om de eigenaar van de Bar Palma Soriano te gaan beroven. Terwijl we daar stonden te wachten kwam er opeens een rode auto aanrijden. De man in die auto stopte voor het nummerkantoor naast de bar. Buiten de bar stond een man die ons aan bleef kijken.

[Medeverdachte 2] ging aan de kant van de bestuurder staan en opende het portier. [Verdachte] stond aan de andere kant. Toen hij het portier opende ging ik de auto binnen.

De volgende dag vernam ik dat de man die wij beroofd hadden dood was vanwege een schot. Het was ook op die dag dat [medeverdachte 2] bij mij was en mij 600 gulden heeft gegeven. Toen ik aan hem vroeg wat ze met de ketting hadden gedaan, zei hij tegen mij dat ze die verpand hadden voor 1800 gulden.

5. een proces-verbaal (nummer 584/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 6], allen brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako en het RST, gesloten op 8 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1], - zakelijk weergegeven-:

[Medeverdachte 2] had een nikkelkleurige revolver bij zich. Volgens mij een kaliber .38.

[Verdachte] had een grijs pistool met een zwart handvat, dat was een Hugger. Ikzelf had een nikkelkleurig pistool kaliber .22 bij me.

6. een proces-verbaal (nummer 652/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 13 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 2], -zakelijk weergegeven-:

Bij de overval met dodelijke afloop van 29 mei 2005 op de Mirla Plateweg ter hoogte van de Bar Palma Soleano waren [medeverdachte 1], [verdachte] ([verdachte], opm. Hof) en ik betrokken.

7. een proces-verbaal (nummer 648/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 12 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 2], -zakelijk weergegeven-:

[Verdachte] en ik trokken onze maskers aan en gingen op de man af. Ik ging bij de bestuurderszijde en [verdachte] en [medeverdachte 1] gingen via het andere portier. Ik haalde mijn vuistvuurwapen te voorschijn, bedreigde de man ermee en zei hem rustig te blijven. De man gaf mij een duw en begon met ons te vechten. Het lukte [medeverdachte 1] om een van de halskettingen van de man af te nemen. Toen we bezig waren met de man zag ik een nikkelkleurige revolver tussen zijn broeksband. Op een gegeven moment deinsde ik naar achteren. De man stapte uit de auto. Hij haalde zijn revolver tevoorschijn. Ik sloeg deze van hem af en hij viel tegen het wegdek. Ik raapte hem op en rende weg. De man besloot mij te volgen. Op dat moment loste [medeverdachte 1] een schot op de man. Hij raakte die man in zijn rug. Toen de man viel renden wij alledrie weg.

8. een proces-verbaal (nummer 668/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 6], allen brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako en het RST, gesloten op 14 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1], - zakelijk weergegeven-:

Ik heb de man geschoten toen hij [medeverdachte 2] ging aanvallen. Op dat moment wist ik dat de man gewapend was, want [medeverdachte 2] had dat gezegd toen wij de man in de auto aanvielen. Toen ik de man schoot kon ik niet zien of hij zijn wapen in zijn hand had, daarom heb ik hem geschoten.

Op jullie vraag wat [verdachte] heeft gedaan tijdens de beroving moet ik het volgende zeggen. [Verdachte] ging als eerste in de auto via het portier aan de rechterkant. [Verdachte] heeft compleet aan de beroving deelgenomen.

Verder moet ik aan jullie verklaren dat hij degene was die in het bezit was van de ketting en ik ben die op de zondag na het gebeuren bij hem gaan halen. Toen ik bij hem was ging hij die halen en hij gaf me hem op straat."

6. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan inderdaad het bewezenverklaarde onderdeel "een vuurwapen aan het hoofd van [slachtoffer 1] te plaatsen" niet volgen. De Hoge Raad kan de bewezenverklaring verbeterd lezen met weglating van deze passage. Aan de ernst van het bewezenverklaarde doet deze verbeterde lezing niet af.(1)

7. Het middel is dus terecht voorgesteld, maar kan niet tot cassatie leiden.

8. Het tweede middel klaagt dat het Hof had dienen te motiveren waarom het tot het bewijs van de feiten 1 en 3 heeft gebezigd de belastende verklaringen van de medeverdachten zoals afgelegd bij de politie, nu zij deze verklaringen als getuigen onder ede bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in hoger beroep hebben ingetrokken en het Hof, voor wat betreft feit 3, tijdens zijn terechtzitting heeft verzuimd deze getuigen vragen te stellen omtrent dit feit.

9. Ten aanzien van feit 1 heeft het Hof bewezen verklaard zoals hierboven onder 4 weergegeven en de daarbij de bewijsmiddelen gebezigd zoals hierboven onder 5 weergegeven.

10. Ten aanzien van feit 3 heeft het Hof bewezen verklaard dat:

"hij op 24 mei 2005 op het eiland Curaçao, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen (uit Toko San Miguel) ongeveer NAF 600,--, NAF 200,--, 5 flessen Whisky (White Label), 3 flessen Brandy, een polshorloge (merk Seiko), een mobiele telefoon (merk Nokia), een mobiele telefoon (Nokia; baby model) en een polshorloge (merk Citizens), toebehorende aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welke diefstal werd voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], gepleegd door verdachte en/of zijn mededader(s), met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken, bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld uit het opzettelijk vuurwapens tonen aan en/of richten op die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en daarbij zeggende "Atrako" en vervolgens aan het polshorloge van [slachtoffer 2] te trekken en [slachtoffer 3] met tot vuisten gebalde handen te slaan op zijn mond en gezicht en door de kassa te vernielen;"

11. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:

"9. een proces-verbaal (nummer 1084/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 14 september 2005 voorzover inhoudende als relatering van verbalisanten, -zakelijk weergegeven-:

Op 24 mei 2005 had er omstreeks 19.50 uur een geval van diefstal met geweldpleging plaats te Toko San Miguel op het adres aan de Blanquillaweg 4. Hierbij hadden vier mannen door gebruik van geweld en/of bedreiging met geweld geld en goederen van bedoelde toko weggenomen bij de werknemers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2].

10. een proces-verbaal (nummer 564/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7], brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 2 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 2], -zakelijk weergegeven-:

Heden, 24 mei 2005, bevond ik mij omstreeks 19.50 uur achter de balie van de toko. De mannen waren bewapend met vuurwapens en schreeuwden met dreigende stem "atrako!". Ik voelde mij erg in gevaar. Verdachte 1 liep naar mij toe en maande mij op de grond te gaan liggen. Een van de andere verdachten liep de snack binnen en kwam terug met [slachtoffer 3]. Verdachte 1 doorzocht mijn kleding en trok aan mijn horloge. Ik nam het van mijn pols af en gaf het hem. Ik zag dat de mannen [slachtoffer 3] aan het mishandelen waren. Om die reden maakte ik de kassa open. Verdachte 1 nam de la met geld weg. Ik hoorde dat een ander de kassa in de snack kapot sloeg.

Weggenomen werden NAF 600 van de toko en NAF 200 van de snack, 5 Flessen Whisky White Label, 3 Flessen Brandy, een polshorloge (Seiko) en een mobiele telefoon (Nokia).

11. een proces-verbaal (nummer 565/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 8], brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 8 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van aangever [slachtoffer 3], -zakelijk weergegeven-:

Een van de mannen had een zwarte pet op zijn hoofd die een gedeelte van zijn gezicht bedekte. De andere drie mannen hadden een zwarte bivakmuts over hun gezicht getrokken. De mannen waren bewapend met zwarte vuurwapens. De mannen hielden de eigenaar die bij de kassa stond onder bedreiging met hun vuurwapen. Ze zeiden mij op de grond te gaan liggen. Verdachte A sloeg mij met zijn vuist tegen mijn mond en in mijn gezicht. Ik zag hoe een van de mannen het geld uit de kassa haalde. Tevens namen de mannen whisky en sigaretten weg.

12. een proces-verbaal (nummer 585/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 5], beiden brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako en het RST, gesloten op 8 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1], -zakelijk weergegeven-:

De beroving bij Toko San Miguel heb ik samen met [medeverdachte 3] ([medeverdachte 3]), [medeverdachte 2] ([medeverdachte 2]) en [verdachte] ([verdachte], opm. Hof) gepleegd.

13. een proces-verbaal (nummer 567/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 8], beiden brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 9 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 1], -zakelijk weergegeven-:

Toen wij langs Toko San Miguel reden zei [medeverdachte 2] tegen mij dat dit een goede plaats was om een beroving te plegen.

Toen ik klaar was en naar het huis van [medeverdachte 3] fietste vond ik [medeverdachte 3], [verdachte] en [medeverdachte 2] al klaar om de overval bij de toko te gaan plegen.

[Medeverdachte 2] had geen fiets en daarom gaf ik mijn fiets aan hem, [verdachte] had zijn eigen fiets en ik reed met [medeverdachte 3] op zijn fiets.

Toen we na ongeveer 15 minuten wachten zagen dat er maar drie man in de toko waren gingen we naar binnen. [Medeverdachte 2] was de eerste, gevolgd door mij. [Medeverdachte 2] hield de mensen in de toko onder bedwang met een vuurwapen en ik rende naar achteren waar de kassa stond. Ik nam het geld uit de kassa weg en rende terug naar voren. Toen ik terug kwam zag ik dat [verdachte] bezig was met een man. Ik vroeg hen of ze klaar waren en we renden naar onze fietsen.

Bij de woning van [medeverdachte 2] hebben we het geld op de grond gelegd en dat tussen ons vieren gedeeld. Ieder kreeg NAF 150 in bankbiljetten. Het losse geld hebben we weggenomen zonder het te verdelen. Toen we klaar waren zag ik dat [verdachte] een polshorloge had en [medeverdachte 3] had een mobiele telefoon bij zich.

[Medeverdachte 2] had een zwart pistool en [verdachte] een nikkelkleurig vuurwapen.

14. een proces-verbaal (nummer 571/05), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden brigadier van politie bij het Korps Politie Curaçao, ingedeeld bij het Projectteam Atrako, gesloten op 9 juni 2005 voor zover inhoudende als verklaring van verdachte [medeverdachte 3], -zakelijk weergegeven-:

De beroving in Toko San Miguel heb ik gepleegd met [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2]. [Verdachte], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] waren alledrie gewapend.

Omstreeks 19.30 uur stapten we op onze fietsen. We hadden drie fietsen. [Medeverdachte 1] zat bij mij op de fiets. Daar gekomen stapten we af en trokken onze maskers aan en gingen de supermarkt binnen. [Medeverdachte 1] was niet gemaskerd; hij had een pet die hij over zijn gezicht had getrokken. Toen we binnen waren rende de zoon van de eigenaar naar achteren. Ik ging op hem af en gaf hem een mep. [Medeverdachte 2] dwong de vader om de kassa te openen en vervolgens haalden [verdachte] en ik het geld er uit. Van de buit heb ik ongeveer NAF 160,-- gekregen."

12. Het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof van 9 mei 2006 houdt -voor zover van belang - in:

"verhoor getuigen

Het Hof gaat over tot het horen van de getuigen.

verklaring medeverdachten als getuigen

De eerste getuige genaamd [medeverdachte 2] legt op de wijze zijner godsdienstige gezindheid de eed af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. De voorzitter houdt de getuige voor welke strafbepaling is gesteld op het geven van een valse getuigenis. Tevens heeft de voorzitter de getuige gewezen op zijn verschoningsrecht als bedoeld in artikel 253 Wetboek van Strafvordering.

Op vragen van de voorzitter verklaart de eerste getuige als volgt.

U houdt mij de door mij, op 10 oktober 2005 in de zaak tegen [verdachte], bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring voor. Hetgeen ik destijds verklaard heb berust op waarheid. [Medeverdachte 1] (aantekening griffier: de getuige bedoelt kennelijk de medeverdachte [medeverdachte 1]) is met het voorstel gekomen om de Bar Palma Soriano te gaan beroven.

Toen wij [slachtoffer 4] (aantekening griffier: de getuige bedoelt kennelijk het slachtoffer [slachtoffer 1]) zagen, is [verdachte] weggerend. Ik weet dat [verdachte] op dat moment is weggerend, omdat ik hem heb zien wegrennen. [Verdachte] is weggerend omdat hij [slachtoffer 4] heeft herkend.

Ik hoor u vragen of [verdachte] een vuurwapen had en ik hoor u ook vragen wie de ketting van het slachtoffer heeft weggenomen. [Verdachte] had geen vuurwapen en [medeverdachte 1] is degene die de ketting van het slachtoffer heeft weggenomen.

Ik hoor u zeggen dat ik bij de politie verklaard heb dat [verdachte] een vuurwapen bij zich had. Ik antwoord u dat ik niet weet waarom ik zulks heb verklaard.

Op uw vraag of [verdachte] met het slachtoffer geworsteld heeft antwoord ik nee; [verdachte] was al weg.

De voorzitter heeft telkens de leden, de (waarnemend) procureur-generaal, de verdachte en diens raadsman in de gelegenheid gesteld vragen aan de getuige te stellen.

verklaring tweede getuige

Vervolgens wordt de tweede getuige genaamd [medeverdachte 1] gehoord.

Hij legt op de wijze zijner godsdienstige gezindheid de eed af de gehele waarheid en niets dan de waarheid te zullen zeggen. De voorzitter houdt de getuige voor welke strafbepaling is gesteld op het geven van een valse getuigenis. Tevens heeft de voorzitter de getuige gewezen op zijn verschoningsrecht als bedoeld in artikel 253 Wetboek van Strafvordering.

Op vragen van de voorzitter verklaart de tweede getuige als volgt.

Het klopt dat [verdachte] op gegeven moment is weggerend. Op het moment dat ik de ketting van het slachtoffer wegnam was [verdachte] al weggerend. Ik heb later aan [verdachte] gevraagd waarom hij was weggerend en hij gaf mij als antwoord dat hij het slachtoffer had herkend. Ik weet niet of [verdachte] geld van de ketting heeft gekregen.

Op de vraag van mr. Carmelia waarom ik bij de politie een andere verklaring heb afgelegd antwoord ik dat ik problemen met [verdachte] had. Het waren straatproblemen die betrekking hadden op een vrouw. Om die reden heb ik op [verdachte] gelogen.

Ik hoor de procureur-generaal zeggen dat [getuige 1] verklaard heeft dat hij van een afstand alles heeft gezien. Volgens de verklaring van [getuige 1] is [verdachte] achter de auto blijven staan. Dat is niet zo. Wij hebben [verdachte] niet meer gezien.

Toen ik de ketting van het slachtoffer wegpakte, heb ik gemerkt dat [verdachte] er niet bij was. Het klopt dat ik - na de atrako- geld voor [verdachte] heb gestuurd. Het was geen zwijggeld. Ik heb het gedaan, omdat [verdachte] er bij was toen ik het plan beraamde.

De voorzitter heeft telkens de leden, de procureur-generaal, de verdachte en diens raadsman in de gelegenheid gesteld vragen aan de getuige te stellen.

Het getuigenverhoor wordt gesloten.

De voorzitter geeft daarop aan de verdachte en diens raadsman de gelegenheid om tegen de getuigen en hun verklaring in te brengen wat tot verdediging kan dienen en de procureur- generaal die tot het maken van opmerkingen.

(...)

pleidooi

De raadsman van de verdachte voert het woord tot verdediging conform pleitnotities, die aan dit proces-verbaal zijn gehecht en hier als ingelast en herhaald dienen te worden beschouwd."

13. De tijdens deze terechtzitting overgelegde pleitnotities houden in:

"2. Bewijsminimum: Ontbreken van wettig en overtuigend bewijsmateriaal

De verdediging is van opvatting dat de telastegelegde feiten niet wettig en overtuigend kunnen worden bewezenverklaard.

Vast staat dat verdachte vanaf zijn aanhouding heeft ontkend de beweerdelijke feiten te hebben gepleegd. Zie in dit verband met betrekking tot feit 1 en 2:

1. Proces-verbaal van nader verhoor d.d. 12 juni 2005 (P.V. no 605/05);

2. Proces-verbaal van nader verhoor d.d. 12 juni 2005 (P.V. no 610/05);

3. Proces-verbaal d.d. 16 juni 2005 van horen van verdachte bewaring hij de rechter-commissaris.

Uit die verklaringen van verdachte komt, kort gezegd naar voren dat hij van plan was met zijn mededaders een beroving te gaan plegen, maar toen hij zag dat het een bekende was van zijn familie, heeft hij afgezien van zijn plan. Deze verklaringen van verdachte vinden allereerst steun in de door zijn vader ([betrokkene 1]) en stiefmoeder ([betrokkene 2]) op 11 oktober 2005 bij de rechter- commissaris afgelegde verklaringen. Zij bevestigen dat het slachtoffer de oom is van de nicht van verdachte. Verdachte had dus inderdaad een reden om af te zien van het plan en zich van de uitvoering ervan te distantiëren.

Op 10 oktober 2005 bevestigen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de rechter-commissaris, na aanvankelijk bij de politie een leugenachtige verklaring te hebben afgelegd, de verklaringen van verdachte [verdachte].

De op 10 oktober 2005 bij de RC afgelegde verklaringen zijn vandaag ter zitting door beide medeverdachten onder ede bevestigd.

Uit het voorgaande blijkt dat er in geval van verdachte [verdachte] moet worden gesproken van vrijwillige terugtred. Zijn handelingen heeft hij niet voltooid en dat was het gevolg van omstandigheden van zijn eigen wil afhankelijk. Van medeplegen van feit 1 primair/subsidiair kan dan ook niet worden gesproken.

Uit de bewijsmiddelen blijkt weliswaar van een bewuste samenwerking. [Verdachte] wilde aanvankelijk een gezamenlijk verder reikend plan tot uitvoering brengen door met de eigen daad die van de anderen te steunen. Er is echter geen sprake van een gezamenlijke uitvoering.

Voor medeplegen tot de telastegelegde feiten is de zogenoemde dubbele opzet vereist, namelijk op (het gevolg) van het telastegelegde delict en op de nauwe en bewuste samenwerking. In casu kan hiervan niet worden gesproken. Uit niets blijkt dat verdachte uitvoeringshandelingen heeft verricht die zijn gericht op het telastegelegde feiten. [Verdachte] heeft ook niets van de buit ontvangen. [Medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij via een vriend van hem geld heeft gestuurd naar de anderen, maar dat hij niet weet of [verdachte] het geld heeft ontvangen.

Verdachte dient dan ook te worden vrijgesproken van feit 1 en 2.

Feiten 3 en 4

Ook deze feiten heeft verdachte vanaf zijn aanhouding ontkend te hebben gepleegd.

De verdachte belastende verklaringen terzake dit feit zijn afkomstig van medeverdachten [medeverdachte 1] en van [medeverdachte 3].

[Medeverdachte 1] heeft op 10 oktober 2005 ten overstaan van de rechter-commissaris verklaard te hebben gelogen omtrent de betrokkenheid van verdachte terzake deze feiten en heeft nog eens benadrukt dat [verdachte] niet betrokken was bij die overval.

De verdediging is van opvatting dat er niet voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is terzake feiten 3 en 4. De verdediging verzoekt Uw Hof daarom verdachte ook van het derde en vierde feit vrij te spreken.

In deze zaak staat met betrekking tot alle vier telastegelegde feiten vast dat er geen andere bewijsmiddelen voorhanden zijn dan getuigenbewijs en een eventuele bewezenverklaring in overwegende mate zou moeten steunen op getuigenverklaring. Er is teveel twijfel in deze zaak omtrent de schuld van verdachte [verdachte].

De vereiste overtuiging dat [verdachte] zich schuldig zou hebben gemaakt aan enig strafbare feit kan immers niet tot stand komen.

Mitsdien is vrijspraak geïndiceerd als einduitspraak.

3. Conclusie

De verdediging is van opvatting dat het Openbaar Ministerie er niet in is geslaagd wettig en overtuigend bewijs te leveren voor de verdenking dat cliënt het telastegelegde heeft begaan. Het beschikbare belastende materiaal is ontoereikend om daarop een veroordeling terzake het telastegelegde te gronden.

De door de verdediging aangevoerde omstandigheden zouden moeten leiden tot een voor verdachte gunstige uitspraak.

De verdediging verzoekt Uw Hof dan ook het vonnis van de Eerste Rechter te vernietigen en wegens het ontbreken van wettig bewijsmateriaal en wegens het ontbreken van de zo noodzakelijke overtuiging cliënt vrij te spreken van het hetgeen hem is telastegelegd."

14. Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevinden zich de processen-verbaal van de verhoren van de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] als getuigen. De bij de rechter-commissaris op 10 oktober 2005 afgelegde verklaring van de getuige [medeverdachte 1] houdt -voor zover van belang- in:

"Op vragen van de raadsman antwoord ik als volgt.

1.

U houdt aan mij een proces-verbaal d.d. 12 juni 2005 voor waarbij de medeverdachte [verdachte] bij de politie heeft verklaard,

"Onderweg naar huis, kwam [medeverdachte 1] met het voorstel om Palma Soriano Bar te gaan beroven. [Medeverdachte 2] en ik gingen ermee akkoord, terwijl "[medeverdachte 3]" naar huis ging. Vervolgens liepen wij naar Palma Soriano Bar te Mirla Plateweg.

Toen ik dichterbij de auto aankwam, merkte ik dat bedoelde man de voor mij bekende man bijgenaamd "[slachtoffer 4]" was. Ik besloot op dat moment om terug te trekken, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op bedoelde man afging. Ik stapte terug en liep van daar weg.

Ik deed niet meer mee met de beroving: Toen ik vandaar wegliep, hoorde ik een schot.

Op dat moment rende ik naar huis."

U vraagt of deze verklaring op waarheid berust.

Ja, die verklaring berust op waarheid. Ik heb gelogen. Ik weet niet waarom ik gelogen had. [Verdachte] was weggerend.

2.

Had [verdachte] een vuurwapen?

Nee, [verdachte] had geen vuurwapen.

3.

Wie heeft de ketting van het slachtoffer weggenomen?

Ik heb de ketting zelf van het slachtoffer weggenomen. Ik heb een leugenachtige verklaring afgelegd door te verklaren dat [verdachte] die ketting had weggenomen. Nee, hij was niet aanwezig.

4. U vraagt of [verdachte] in de auto aanwezig was.

Toen de portier van de auto open ging waren we [verdachte] uit het oog verloren en hebben hem niet meer gezien.

5.

U houdt aan mij een proces-verbaal d.d. 13 juni 2005 waarbij de verdachte [verdachte] bij de politie heeft verklaard,

"Op maandag 30 mei 2005 in de middaguren zag ik [medeverdachte 1] thuis. Ik ging bij hem. Zijnde bij hem, vroeg [medeverdachte 1] mij waarom ik wegrende, terwijl de man met [medeverdachte 2] aan het vechten was. Reagerend daarop zei ik tegen hem dat ik zonder reden van mijn plan afzag. Ik had hem niet gezegd dat wijlen "[slachtoffer 4]" een bekende van mij was."

U vraagt of deze verklaring op waarheid berust.

Het klopt dat [verdachte] niet aan mij heeft verteld waarom hij op de bewuste dag was weggerend. Het klopt ook dat ik aan hem had gevraagd waarom hij weggerend was.

6.

U houdt aan mij een proces-verbaal d.d. 14 juni 2005 waarbij ik bij de politie heb verklaard,

"Toen ik bij [betrokkene 3] was vroeg ik hem om de halsketting te gaan panden. Ik heb tegen hem gezegd dat ik hem NAF. 100,- zou geven. Wij gingen met de bus naar een pandhuis in de stad. [Betrokkene 3] ging het pandhuis binnen en toen hij terugkwam gaf hij me iets meer dan NAF. 2.000,-. Ik gaf hem NAF. 100,-. Ik bleef met NAF. 700,- en ik heb de rest aan hem gegeven om deze aan [medeverdachte 2] te geven zodat [medeverdachte 2] deze kon verdelen met [verdachte]."

Ik hoor u zeggen dat [betrokkene 3] bij de politie in een proces-verbaal d.d. 13 juni 2005 heeft verklaard: "Van dat bedrag had [medeverdachte 1] mij direct daarna NAF. 100,- gegeven". U vraagt of [verdachte] ook geld van de overval heeft ontvangen.

Ik weet niet of [verdachte] het geld heeft ontvangen, maar ik heb wel geld met [betrokkene 3] voor hem gestuurd.

7.

U houdt aan mij een proces-verbaal d.d. 7 juni 2005 waarbij ik bij de politie heb verklaard,

"De beroving bij Toko San Miguel had ik samen met [medeverdachte 3] alias "[medeverdachte 3]", [medeverdachte 2] bijgenaamd "[medeverdachte 2]" en [verdachte] gepleegd."

Die verklaring berust niet op waarheid. [Verdachte] was niet aanwezig. Ik heb die beroving samen met de man bijgenaamd "[medeverdachte 3]" gepleegd.

U vraagt waarom ik [verdachte] ook in de overval heb betrokken terwijl hij niet heeft deelgenomen.

Getuige antwoord dat hij hem ook erbij wilde betrekken. Na aandringen van de rechter- commissaris en de raadsman geeft getuige geen antwoord en zegt dat hij geen antwoord daarop kan geven.

(...)

De rechter-commissaris vraagt of ik [verdachte] in de gevangenis ben tegengekomen en of hij tegen mij heeft gezegd wat ik vandaag hier moest verklaren.

Ik ben [verdachte] alleen twee keer in de gevangenis tegengekomen. Ik zit in Blok 6, terwijl [verdachte] in Blok 7 gedetineerd zit. Je kan niet makkelijk naar buiten. [verdachte] heeft niet tegen mij gezegd wat ik vandaag hier moest verklaren."

15. De bij de rechter-commissaris op 10 oktober 2005 afgelegde verklaring van de getuige [medeverdachte 2] houdt -voor zover van belang- in:

"Op vragen van de raadsman antwoord ik als volgt.

1.

U houdt aan mij een proces-verbaal d.d. 12 juni 2005 voor waarbij de medeverdachte [verdachte] bij de politie heeft verklaard,

"Onderweg naar huis, kwam [medeverdachte 1] met het voorstel om Palma Soriano Bar te gaan beroven. [medeverdachte 2] en ik gingen ermee akkoord, terwijl "[medeverdachte 3]" naar huis ging. Vervolgens liepen wij naar Palma Soriano Bar te Mirla Plateweg.

Toen ik dichterbij de auto aankwam, merkte ik dat bedoelde man de voor mij bekende man bijgenaamd "[slachtoffer 4]" was. Ik besloot op dat moment om terug te trekken, terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op bedoelde man afging. Ik stapte terug en liep van daar weg.

Ik deed niet meer mee met de beroving. Toen ik vandaar wegliep, hoorde ik een schot. Op dat moment rende ik naar huis."

U vraagt of deze verklaring op waarheid berust.

Ja, die verklaring berust op waarheid. Toen [verdachte] merkte dat hij de persoon die we gingen beroven kende, rende hij weg.

2.

Had [verdachte] een vuurwapen?

Nee, [verdachte] had geen vuurwapen.

3.

Wie heeft de ketting van het slachtoffer weggenomen? Bij het horen op de inverzekeringstelling d.d. 12 juni 2005 had je verklaard dat jij de ketting had weggenomen.

Nee, [medeverdachte 1] had de ketting weggenomen. Ik heb die verklaring niet afgelegd.

4.

Je hebt ook verklaard dat [verdachte] en jij maskers hadden opgedaan en op het slachtoffer [slachtoffer 1] afgingen.

Ik had een masker. [Verdachte] had een pet. [Verdachte] is niet op [slachtoffer 1] afgegaan.

5.

U vraagt waarom ik verklaard heb dat [verdachte] een vuurwapen had, terwijl dat niet op de waarheid berust en dat [verdachte] op de auto van het slachtoffer afging terwijl dat niet op de waarheid berust.

Ik weet niet waarom ik een leugenachtige verklaring had afgelegd. Wat ik vandaag heb verklaard is de waarheid.

6.

U vraagt of [verdachte] ook op een gegeven moment de auto binnen ging en met het slachtoffer begon te worstelen.

Nee, [verdachte] was al vertrokken.

7.

U vraagt wat ik kan verklaren over de overval op Toko San Minguel te Blanquillaweg.

Ik weet daar niets van en kan geen verklaring daarover afleggen."

16. Voor de beoordeling van het middel moet het volgende voorop worden gesteld:

"i) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het tenlastegelegde door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van een behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient op te roepen dan wel dat de rechter zodanige oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voorzover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd.

(ii) Het onder (i) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal inhoudende een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het tenlastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder heeft verklaard. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen.

(iii) Indien in de onder (ii) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen (vgl. HR 6 juni 2006, NJ 2006, 333)."(2)

17. In het onderhavige geval zijn de verklaringen van de getuige [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] de enige bewijsmiddelen waaruit rechtstreeks kan volgen dat de verdachte betrokken was bij de overval op 29 mei 2005 (feit 1). Ten aanzien van de overval op 24 mei 2005 (feit 3) zijn de verklaringen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] de enige verklaringen waaruit verdachtes betrokkenheid rechtstreeks volgt.

18. Voor wat betreft de feit 1 geldt het volgende. De getuigen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn ter terechtzitting van het Hof als getuigen gehoord zodat in dit opzicht aan de eisen van de Hoge Raad is voldaan. In de toelichting op het middel wordt de eis gesteld dat deze rechtspraak van de Hoge Raad een lege huls is als hieraan niet een nadere motiveringsplicht wordt gekoppeld in het geval de rechter van oordeel is waarom de niet onder ede bij de politie afgelegde verklaring wel geloofwaardig is en de wel onder ede bij de rechter afgelegde verklaring niet.

19. Deze stelling vindt geen steun in het recht. Uitgangspunt is dat het in beginsel is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt om tot het bewijs te bezigen wat deze uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat deze voor het bewijs van geen waarde acht zonder dat hij van zijn oordeel omtrent de keuze en de betrouwbaarheid van het door hem gekozen bewijsmateriaal rekenschap behoeft af te leggen. Op dit uitgangspunt zijn zowel wettelijke als enkele jurisprudentiële uitzonderingen aangebracht, op grond waarvan onder omstandigheden een nadere redengeving van de feitenrechter wordt verlangd omtrent de betrouwbaarheid van het door hem gebezigde bewijsmateriaal, welke omstandigheden mede afhankelijk zijn van de bijzondere aard van de materie en van hetgeen ter terechtzitting in feitelijke aanleg door of namens de verdachte is aangevoerd. (HR 6 januari 2004, 01219/03, LJN: AN8569, rov. 3.2). Daarbij is niet van belang of de door de rechter gebezigde verklaring voor de bewijsconstructie essentieel is.(3)

20. Het in deze zaak namens de verdachte aangevoerde noopte het Hof niet zijn gebruik van de belastende verklaringen van de [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] voor het bewijs van de feit 1 nader te motiveren. Daarin wordt immers niet uiteengezet waarom het Hof de belastende verklaringen van deze getuigen niet mag gebruiken. Het verweer houdt slechts in dat de verdachte zich heeft teruggetrokken en geen uitvoeringshandeling heeft verricht.

21. Dat geldt ook voor het gebruik van de belastende verklaringen van de getuige [medeverdachte 1] voor het bewijs van de feit 3. Ook ten aanzien van die verklaringen geldt dat niet uiteengezet wordt waarom het Hof die verklaringen niet mag gebruiken.

22. Voor zover het middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd de getuige [medeverdachte 3] op te roepen, geldt dat de verklaring van deze gedurige niet de enige verklaring is waarop het bewezenverklaarde voor wat betreft feit 3 rust terwijl van bijzondere omstandigheden die gelet op de beginselen van behoorlijke procesorde meebrengen dat de getuige ter terechtzitting had moeten worden gehoord, niet blijkt. Daartoe is het verweer van verdachte en zijn raadsman te summier. De regels als weergegeven in het hiervoor onder 16 aangehaalde arrest zijn dus niet geschonden. Voor het overige geldt hetgeen is opgemerkt ten aanzien van de verklaring van de getuige [medeverdachte 1].

23. Het middel faalt.

24. Het eerste middel kan worden afgedaan op de voet van art. 81 RO.

25. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep..

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 27 juni 2000, NJ 2000, 548; HR 10 januari 2006, LJN AU8082.

2 HR 12 september 2006, LJN AW6737. Zie ook HR 1 februari 1994, NJ 1994, 427 waarin nog de eis werd gesteld dat de steun in andere bewijsmiddelen 'in belangrijke mate' aanwezig moest zijn, wil de verplichting tot oproeping niet gelden; HR 14 april 1998, NJ 1999, 73 en HR 29 september 1998, NJ 1999, 74 waarin de eis van 'belangrijke mate' wordt uitgelegd als ' in voldoende mate'. Zie verder HR 15 maart 2005, LJN AS4681.

3 HR 14 oktober 2003, NJ 2005, 182.