Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7912

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
04-12-2007
Datum publicatie
06-12-2007
Zaaknummer
02201/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7912
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

1. Weigeren verdachte om gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen. 2. Een omstandigheid a.b.i. art. 408.1 sub c Sv. Ad 1. In art. 588 Sv is niet voorzien in een bepaling die de weigering van verdachte om een gerechtelijk stuk in ontvangst te nemen gelijkstelt met uitreiking van dat stuk in persoon, zoals bv. wel het geval is in art. 385.3 Sv. Ad 2. Het voorhouden van de "akte" op het politiebureau aan verdachte, levert niet zonder meer een omstandigheid op a.b.i. art. 408.1 sub c Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2008, 18
JOL 2007, 816
RvdW 2008, 23
NJB 2008, 184
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02201/06

Mr. Vellinga

Zitting: 19 juni 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage waarbij hij wegens 1. "opzettelijk niet voldoen aan een vordering krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar belast met de uitoefening van enig toezicht" en 2. "wederspannigheid" is veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair twintig dagen hechtenis, alsmede tot een gevangenisstraf voor de duur van twee weken, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

2. Namens verdachte heeft mr. A.M. Seebregts, advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel richt zich met twee motiveringsklachten tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep.

4. In de eerste plaats klaagt het middel dat niet blijkt dat de verdachte, zoals het Hof heeft vastgesteld, op de hoogte was van de terechtzitting in eerste aanleg..

5. Zoals besloten ligt in de hierna onder 9 aangehaalde overweging van het Hof heeft het Hof niet vastgesteld dat de verdachte op de hoogte was van de zitting maar dat het voor zijn rekening komt wanneer hij daarvan niet op de hoogte is geraakt door de dagvaarding ongelezen te laten. Dit onderdeel van het middel berust dus op onjuiste lezing van het arrest van het Hof en faalt derhalve bij gebreke aan feitelijk grondslag.

6. Ten tweede klaagt het middel dat uit de stukken niet blijkt dat de dagvaarding aan de verdachte is overhandigd en derhalve dat niet blijkt van betekening in persoon.

7. Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn toegezonden bevindt zich - voor zover hier van belang - een akte van uitreiking inhoudende dat op 20 augustus 2005 om 11.05 uur aan de verdachte de bijbehorende gerechtelijke brief ( te weten de dagvaarding om op 28 november 2005 te verschijnen voor de Politierechter te 's-Gravenhage) in persoon aan hem is uitgereikt, en voorts dat de verdachte niet wenste te tekenen voor de ontvangst daarvan. De Politierechter heeft op 28 november 2005 verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte en hem op dezelfde datum veroordeeld zoals hiervoor onder 1 is weergegeven. Blijkens de akte rechtsmiddel is namens de verdachte op 6 januari 2006 appèl ingesteld tegen die uitspraak.

8. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt in:

"De verdachte legt op vragen van de voorzitter een verklaring af, inhoudende -zakelijk weergegeven-:

Het is juist dat ik op 19 augustus 2005 ben aangehouden. Ik heb de dagvaarding voor de zitting van 28 november 2005 niet gekregen. De dagvaarding is wel aan mij getoond op het politiebureau door een rechercheur. Hij zei daarbij: als je tekent, dan beken je schuld. Ik heb toen geweigerd om te tekenen en heb de dagvaarding niet in ontvangst genomen. De politie heeft geen verklaring afgenomen. De zittingsdatum was mij wel bekend geworden, maar ik had de dagvaarding niet bij mij. Ik heb geen oproep voor de zitting ontvangen.

De voorzitter toont de dagvaarding voor de zitting van 28 november 2005 aan de verdachte.

De verdachte verklaart voorts - zakelijk weergegeven - :

Ik weet niet of dit de desbetreffende dagvaarding was. Ik heb gezegd: als ik teken, dan wil ik een kopie van de dagvaarding hebben. Mij is toen gezegd dat dat niet mogelijk was. Om die reden heb ik niet getekend. Ik denk dat ik een transactie van € 400,- aangeboden heb gekregen. Ik heb hier geen mededeling over ontvangen.

Je ziet tegenwoordig steeds meer gewelddadigheid en bedrog door de politie. Er is € 40,- van mij gestolen door de politie.

De advocaat-generaal handhaaft zijn standpunt dat de verdachte niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

De raadsman voert ter verdediging aan - zakelijk weergegeven - :

Mijn cliënt heeft niet willen tekenen op de akte van uitreiking. Het blijft een beetje onduidelijk of hij de dagvaarding heeft gelezen. Hij zegt dat hij niks heeft meegekregen van de politie. Cliënt zegt dat hij pas op de hoogte is geraakt van de veroordeling, toen hij een uitnodiging kreeg van de reclassering. Het is hier het woord van de verdachte tegen het woord van de desbetreffende politieagent. Ik verzoek om aanhouding van de zaak teneinde de agent te horen die de dagvaarding aan de verdachte heeft uitgereikt.

De advocaat-generaal verzet zich tegen het aanhoudingsverzoek, nu uit de stukken blijkt dat de verdachte op de hoogte was van de zitting.

Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad. Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het verzoek tot het horen van bedoelde getuige wordt afgewezen. Het hof overweegt daartoe dat het geen noodzaak ziet om de agent die de dagvaarding aan de verdachte heeft betekend als getuige te horen, nu op de akte van betekening van de dagvaarding in eerste aanleg is aangegeven dat de verdachte heeft geweigerd om te tekenen voor uitreiking aan hem van de gerechtelijke brief, houdende die dagvaarding, en van het bijbehorende mededelingenformulier. Het hof leidt hieruit af dat toen op zijn minst gepoogd is deze stukken aan hem uit te reiken. Bovendien heeft de verdachte heden ter terechtzitting verklaard dat de akte hem op het politiebureau is voorgehouden."

9. Het Hof heeft daarop terstond de niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep uitgesproken, welke uitspraak als volgt is gemotiveerd:

"Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De dagvaarding van de verdachte om op 28 november 2005 ter terechtzitting in eerste aanleg te verschijnen is aan de verdachte in persoon uitgereikt op 20 augustus 2005.

Voor zover door de verdediging is gesteld dat "een beetje onduidelijk is gebleven" of de verdachte ook werkelijk de inhoud van de dagvaarding heeft gelezen en dus op de hoogte was van de datum en het tijdstip van de terechtzitting in eerste aanleg, overweegt het hof dat zowel uit de daarvan opgemaakte akte van uitreiking als uit het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van politie Haaglanden d.d. 14 september 2005, PL 15A4/2005/9878-17 valt af te leiden dat op 20 augustus 2005 aan de verdachte, die alstoen in het politiebureau verbleef, in persoon de dagvaarding is betekend alsmede dat de verdachte niet voor ontvangst van een afschrift wenste te tekenen. Onder die omstandigheden komt het naar het oordeel van het hof voor rekening en risico van de verdachte als deze de dagvaarding ongelezen laat.

De verdachte had derhalve binnen veertien dagen na het op 28 november 2005 gewezen vonnis in hoger beroep moeten komen. De verdachte heeft echter eerst op 6 januari 2006 hoger beroep ingesteld, zodat hij daarin - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - niet-ontvankelijk dient te worden verklaard."

10. Art. 408 Sv bepaalt:

1. Het hoger beroep moet binnen veertien dagen na de einduitspraak worden ingesteld indien:

a. de dagvaarding om op de terechtzitting te verschijnen of de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting aan de verdachte in persoon is gedaan of betekend;

b. de verdachte op de terechtzitting of nadere terechtzitting is verschenen;

c. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

2. In andere gevallen dan de in het eerste lid genoemde moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is.

3. Indien het onderzoek op de terechtzitting voor onbepaalde tijd is geschorst en de aanzegging of oproeping voor de nadere terechtzitting niet in persoon is gedaan of betekend, dan is de termijn bedoeld in het tweede lid van toepassing, tenzij

a. de verdachte op de nadere terechtzitting is verschenen of

b. zich anderszins een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was.

Indien een van deze twee uitzonderingen zich voordoet, is de termijn genoemd in de aanhef van het eerste lid van toepassing.

11. Het Hof heeft bij de verwerping van het verzoek tot horen van de getuige vastgesteld dat minstgenomen is gepoogd de dagvaarding aan de verdachte uit te reiken. Vervolgens stelt het Hof ter onderbouwing van de beslissing dat de verdachte niet in zijn hoger beroep kan worden ontvangen, vast dat de dagvaarding aan de verdachte in persoon is uitgereikt c.q. betekend, zich daarbij baserend op de inhoud van de akte van uitreiking alsmede op het ambtsedig opgemaakte proces-verbaal van politie Haaglanden d.d. 14 september 2005, PL 15A4/2005/9878-17.

12. Genoemde akte van uitreiking houdt in dat de gerechtelijke brief en het bijbehorende mededelingenformulier op zaterdag 20 augustus 2005 te 11.05 uur te (...) is uitgereikt aan de geadresseerde in persoon, alsmede:

"De in deze akte bedoelde gerechtelijke brief en het bijbehorende mededelingenformulier zijn aan mij uitgereikt.

Handtekening

Wenst niet te tekenen."

Genoemd proces-verbaal houdt in als voorgedrukte, aangekruiste tekst:

"Na overleg met de politieparketsecretaris mvr. mr. M. Melchers is op zaterdag 20 augustus 2005 aan de verdachte [verdachte] een transactie, in de vorm van een schikkingsbedrag van € 400,00 aangeboden, alsmede een gewaarmerkte kopie van een dagvaarding en een voorgedrukt mededelingenformulier uitgereikt. De verdachte ondertekende daarvoor een ingevulde akte van uitreiking.

De verdachte dient, bij het niet voldoen van het schikkingsbedrag binnen de daarvoor gestelde betalingstermijn, op maandag 28 november 2005 te 11:05 uur, te verschijnen ter terechtzitting van de politierechter van het arrondissementsparket te 's-Gravenhage."

13. Uitreiking van een gerechtelijk schrijven als bedoeld in art. 587 Sv houdt in dat degene aan wie het gerechtelijk schrijven ter ontvangst wordt aangeboden dit inderdaad in ontvangst neemt.(1) Zou dit anders zijn dan zouden de voor weigering te ontvangen in art. 385 lid 3 Sv en 450 lid 3 Sv getroffen voorzieningen overbodig zijn. Ik wijs ook op de memorie van toelichting op het bepaalde in art. 385 lid 3 Sv:

"Om te voorkomen dat door het weigeren de oproeping aan te nemen, de uitreiking op eenvoudige wijze mislukt, is een vergelijkbare voorziening opgenomen als in artikel 385, derde lid."(2)

Een dergelijke voorziening is in art. 587 e.v. Sv niet getroffen. De wetgever zou kunnen overwegen in deze leemte nog eens te voorzien. Zolang dat niet het geval is zou de uitreikende ambtenaar in geval van weigering het uit te reiken stuk aan te nemen de inhoud daarvan aan de geadresseerde kunnen mededelen en van die mededeling proces-verbaal kunnen opmaken. Dan zal doorgaans op grond van die mededeling kunnen worden aangenomen dat de verdachte van de inhoud van het uit te reiken stuk op de hoogte is.

14. Bij de verwerping van het verzoek de getuige te horen laat het Hof blijken er niet zeker van te zijn of de dagvaarding en het bijbehorende mededelingenformulier daadwerkelijk aan de verdachte zijn uitgereikt in die zin dat deze aan de verdachte ter hand zijn gesteld. Of het Hof daar bij de beraadslaging op terug is gekomen wordt niet duidelijk. Het Hof verwijst wel naar de akte van uitreiking en genoemd proces-verbaal, maar daarin is niet te vinden of de dagvaarding ter uitreiking is aangeboden of inderdaad aan de verdachte is overhandigd. Voorts wijst het Hof erop dat het verdachtes risico is als hij de hem aangeboden dagvaarding weigert in ontvangst te nemen, een overweging die gelet op het bepaalde in art. 408, lid 1 aanhef en onder a, Sv overbodig zou zijn indien de dagvaarding inderdaad overeenkomstig de wet was uitgereikt.

15. Deze onduidelijke stellingname van het Hof brengt mij tot het volgende. Is het Hof ervan uitgegaan dat aanbieding van een uit te reiken stuk aan de geadresseerde uitreiken overeenkomstig de wet oplevert, dan heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, in het bijzonder met betrekking tot het bepaalde in art. 587 en 588 Sv. Heeft het Hof geoordeeld dat de dagvaarding aan de verdachte is overhandigd dan is het oordeel van het Hof onvoldoende gemotiveerd.

16. Het middel slaagt ten dele.

17. Terzijde merk ik nog op dat mij de inzet van de discussie ter terechtzitting van het Hof over de weigering een afschrift te verstrekken niet geheel duidelijk is. Verdachte heeft verklaard alleen te willen tekenen als hij een kopie van de dagvaarding kreeg, maar dat hem toen is gezegd dat dat niet mogelijk was. Voor zover deze verklaring betrekking zou hebben op de dagvaarding is deze onbegrijpelijk: uitreiken houdt immers in dat de verdachte de dagvaarding wordt ter hand gesteld. Daarom zou ik denken dat het haast niet anders kan of verdachtes verklaring over het weigeren van een afschrift moet betrekking hebben op weigering hem een afschrift van de door hem voor ontvangst te tekenen akte van uitreiking te verstrekken. Het Hof heeft te dien aanzien echter niets vastgesteld zodat ik hier in cassatie aan voorbij ga.

18. Het tweede middel bevat de klacht dat het Hof bij de motivering van de afwijzing van het verzoek tot het horen van de verbalisant in het midden heeft gelaten of het de verklaring van de verdachte irrelevant heeft geacht, of als onaannemelijk terzijde heeft geschoven.

19. Het verzoek de getuige te horen is blijkens hetgeen verdachtes raadsman ter terechtzitting heeft aangevoerd kennelijk gedaan om te kunnen ophelderen of de verdachte de dagvaarding ter gelegenheid van de aanbieding ter uitreiking heeft gelezen dan wel dat hij pas op de hoogte is geraakt van de veroordeling, toen hij een uitnodiging kreeg van de reclassering. Nu het Hof, zoals bij de bespreking van het eerste middel is uiteengezet, ten onrechte heeft vastgesteld dat de dagvaarding in persoon is uitgereikt is dan wel die beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd, is voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep van belang wanneer de verdachte op de hoogte is geraakt van de dag van de terechtzitting dan wel van de veroordeling. De door het Hof voor de verwerping van het verzoek tot het horen van de getuige gegeven motivering gaat daaraan ten onrechte voorbij.

20. Het middel slaagt.

21. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.

22. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafprocesrecht, Kluwer 2005, vijfde druk, p. 625. Anders J.H. Janssen en M. Verkerk, Betekening van dagvaardingen in strafzaken, Trema 2006, p. 23-34, i.h.b. p. 24 l.k. onder verwijzing naar Hof Leeuwarden 11 maart 2003, NJ 2003, 280.

2 Kamerstukken II 1995-1996, 24 510, nr. 3, p. 6.