Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7898

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
02-10-2007
Zaaknummer
01870/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7898
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Meldingsplicht Wet MOT. Bewezen is verklaard dat verdachte voor derden eurobiljetten in kleinere coupures heeft omgewisseld voor eurobiljetten in grotere coupures zonder te voldoen aan de meldingsplicht van de Wet MOT. Het middel en het verweer nemen tot uitgangspunt dat waar in de tll sprake is van “wisselen van (…)” wordt gedoeld op de feitelijke handelingen van verdachte die zijn verricht in het wisselkantoor GWK alwaar verdachte de van derden ontvangen valuta omwisselde. T.t.v. die handelingen zou de meldingsplicht o.g.v. de Wet MOT voor verdachte niet meer gelden (maar voor het wisselkantoor waar zij het geld ter wisseling aanbood). Middel en verweer berusten op een onjuiste lezing van de tll. De bedoelde passage in de tll ziet onmiskenbaar op het (bedrijfsmatig) “wisselen” a.b.i. art. 1.1.8° (oud) Wet MOT i.h.k.v. verdachtes handelen als geldtransactiekantoor. Dat is een financiële dienst i.d.z.v. art. 1.1 (oud) Wet MOT ten aanzien waarvan voor verdachte een meldingsplicht gold. Het Hof heeft dat in de motivering van de verwerping van het verweer ook tot uitdrukking gebracht en het verweer terecht verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 632
RvdW 2007, 857
RF 2007, 85
NJB 2007, 2039
JE 2008, 10
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01870/06

Mr. Vellinga

Zitting: 19 juni 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam wegens 1 subsidiair: medeplegen van schuldwitwassen, meermalen gepleegd. 2: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Wet inzake de geldtransactiekantoren, en 3 primair: opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld bij artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, meermalen gepleegd, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee maanden voorwaardelijk en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis.

2. Namens verdachte heeft mr. J.M.M. Heilbron, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat de verwerping van het verweer, dat niet blijkt dat de gewisselde gelden, zoals onder 1 bewezenverklaard, van misdrijf afkomstig waren, onvoldoende met redenen is omkleed.

4. Het Hof heeft ten laste van verdachte onder 1 bewezenverklaard dat:

"zij in de periode van 4 mei 2003 tot en met 14 november 2003 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen telkens chartale geldbedragen, waaronder

op 4 mei 2003 Euro 's totaal 5.000

en

op 5 mei 2003 Euro 's totaal 5.000

en

op 22 mei 2003 Euro 's totaal 5.500

en

op 24 mei 2003 Euro 's totaal 5.500

en

op 27 mei 2003 Euro 's totaal 5.000

en

op 19 juni 2003 Euro 's totaal 3.000

en

op 20 juni 2003 Euro's totaal 6.000

en

op 14 november 2003 Engelse Ponden totaal 6.480

heeft verworven en voorhanden heeft gehad en heeft omgezet, terwijl zij en haar mededader(s) redelijkerwijs moesten vermoeden dat bovenomschreven geldbedragen onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf."

5. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:

1. De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg van 26 mei 2005.

Deze verklaring houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

"Ik heb steeds kleine coupures gewisseld voor grotere. Ik heb dit een paar keer gedaan. Dit gebeurde onder andere op het Leidseplein en op de Amstel (het hof begrijpt: te Amsterdam). Ik was ook samen met een Colombiaanse vriend, [medeverdachte 2], op wisselkantoren in het centrum geweest. Ik wisselde telkens kleine coupures in grotere. Dit heb ik ook 2 à 3 keer voor [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]) gedaan. Ook met meerdere personen heb ik gewisseld. Ik heb ook nog vaker gewisseld, maar dat was niet voor [medeverdachte 1]. Ik deed dat voor een andere Colombiaan. Ik weet niet meer precies hoeveel ik ervoor kreeg. De Engelse ponden, die op 14 november 2003 zijn gewisseld, moeten van [medeverdachte 1] geweest zijn. Ik heb aan [medeverdachte 1] nooit gevraagd hoe hij aan zijn geld kwam. Ik heb dat ook nooit verder onderzocht. Ik wisselde steeds voor dezelfde Colombiaan. Ik heb hiervoor geen vergunning gevraagd. Ik heb nooit wisseltransacties gemeld. Ik kreeg het geld van die Colombiaan op verschillende plaatsen. Dit was in een café of gewoon op straat."

2. Een proces-verbaal met nummer 28480, codenummer V19-02, van 23 juni 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden ambtenaar van de Belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar bij de FIOD-ECD Haarlem.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als de op 23 juni 2004 tegenover verbalisanten afgelegde verklaring van verdachte:

"Ik heb geld gewisseld voor [medeverdachte 1] (het hof begrijpt: [medeverdachte 1]), maar ik weet niet waar het geld vandaan kwam. Ik kreeg kleine Nederlandse biljetten van 50 en 100 euro's om te wisselen. Ik kreeg soms 1%, soms meer van het te wisselen bedrag. Ik heb gewisseld bij wisselkantoren. Het wisselen deed ik soms bij de Amstel en bij het GWK Leidseplein. Ook ben ik bij het postkantoor en bij het Centraal Station geweest om te wisselen. Als ik bij het wisselkantoor ging wisselen kreeg ik het geld onder meer thuis bij [medeverdachte 1]. Ik kreeg het maximale bedrag dat ik mocht wisselen bij het kantoor. Ik ben ook wel eens met meerdere personen, Colombianen, tegelijk gaan wisselen. Als er meer gewisseld moest worden dan was toegestaan voor één persoon dan werden er andere mensen bij geroepen, onder andere [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], om te wisselen. Ik kreeg klein geld van [medeverdachte 1] om te wisselen zoals biljetten van 10, 20 en 50 en ik moest dat geld omwisselen naar groot geld, zoals biljetten van 500.

De euro's op 4 mei 2003, 5 mei 2003, 22 mei 2003 en 24 mei 2003 heb ik op verzoek van een vriend omgewisseld. Als ik geld voor [medeverdachte 1] wisselde moest ik dat altijd omwisselen naar biljetten van 500. Ik kreeg van [medeverdachte 1] altijd kleine biljetten van euro's om te wisselen. De 6.480 Britse ponden die ik op 14 november 2003 bij de Coffinbank in de Leidsestraat te Amsterdam ter wisseling heb aangeboden moeten van [medeverdachte 1] zijn geweest. Ik weet niet waar ik de ponden in gewisseld heb.

Voor elke 5000 euro die [medeverdachte 2] of ik wisselde kregen wij 200 of 300 euro. Ik denk dat ik 10 tot 20 keer voor [medeverdachte 1] heb gewisseld. Precies kan ik het niet zeggen."

3. Een proces-verbaal met nummer 21816, Codenummer 1-OPV, van 29 juni 2004, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant 3], ambtenaar van de Belastingdienst en buitengewoon opsporingsambtenaar FIOD-ECD Haarlem.

Dit proces-verbaal houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:

"1-D-051 Dit betreft een overzicht van de verdachte transacties ten name van [verdachte] zoals deze door het MOT/BLOM zijn doorgemeld."

4. Een overzicht van de gewisselde valutasoorten betreffende [verdachte], 15-01-1969 [gevoegd als bijlage 1-D-051 bij het onder 3 genoemde proces-verbaal].

Dit overzicht houdt in, voorzover van belang en zakelijk weergegeven:

Datum transactie/reden doormelding aangeboden valutasoort/ontvangen valutasoort

04-05-2003 verdacht

[verdachte] 5.000 euro 5.000 euro

05-05-2003 verdacht

[verdachte] 5.000 euro 5.000 euro

22-05-2003 verdacht

[verdachte] 5.500 euro 5.500 euro

24-05-2003 verdacht

[verdachte] 5.500 euro 5.500 euro

27-05-2003 verdacht

[verdachte] 5.000 euro 5.000 euro

19-06-2003 verdacht

[verdachte] 3.000 euro 3.000 euro

20-06-2003 verdacht

[verdachte] 6.000 euro 6.000 euro

14-11-2003 verdacht

[verdachte] 6.480 GBP 6.480 GBP

6. Het door het middel bedoelde verweer heeft het Hof als volgt samengevat en verworpen:

"1. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op gronden zoals weergegeven in de door haar overgelegde pleitnota aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de door haar cliënte gewisselde gelden van misdrijf afkomstig zijn, alsmede dat haar cliënte niet wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat die gelden van misdrijf afkomstig zijn.

Het hof verwerpt dit verweer met overneming van de gronden zoals weergegeven in het vonnis van de rechtbank te Amsterdam van 9 juni 2005 onder 4.2. In aanvulling hierop overweegt het hof dat niet aannemelijk is geworden dat de verdachte terecht in de veronderstelling verkeerde dat de reden dat de man, voor wie zij naar eigen zeggen geld heeft gewisseld, zelf niet kon wisselen was gelegen in het feit dat hij illegaal in Nederland zou verblijven. Bovendien zou dit niet afdoen aan het feit dat verdachte redelijkerwijs kon vermoeden dat het geld dat zij van die onbekende derde kreeg om te wisselen van misdrijf afkomstig was, nu zij voor hem in een periode van drie weken vier maal aanzienlijke bedragen euro's in kleine coupures heeft gewisseld in eurobiljetten van grote coupures."

7. De Rechtbank heeft in haar, door het Hof vernietigde vonnis onder 4.2. overwogen:

"4.2.

De raadsvrouw van verdachte heeft aangevoerd dat van de door haar cliënte gewisselde bedragen niet kan worden bewezen dat deze gelden uit misdrijf afkomstig zijn, met uitzondering van de door haar cliënte gewisselde ponden.

De rechtbank verwerpt dit verweer. Vooropgesteld moet worden dat niet kan worden vastgesteld uit welke nader te duiden misdrijven de door verdachte gewisselde gelden afkomstig zijn. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 28 september 2004 (LJN-nummer A03562) is dat ook niet vereist. Daarentegen staat wel vast dat verdachte telkens kleine coupures omwisselde in grote, daarbij onder de meldgrens van de Wet MOT bleef; kennelijk om melding te voorkomen en zij in een korte periode een omvangrijk geldbedrag heeft gewisseld. Tegenover deze omstandigheden die kunnen worden gekwalificeerd als handelingen om de herkomst van het geld verborgen te houden heeft verdachte op geen enkele wijze het bestaan van een legale bron van dat geld aannemelijk gemaakt. Zij wisselde volgens eigen zeggen voor een vriend, van wie zij de naam niet wil noemen, omdat hij illegaal zou zijn. Daarbij heeft verdachte echter ook opgegeven dat deze vriend wel over een buitenlands paspoort beschikte. Het is echter een feit van algemene bekendheid dat een ieder met een geldig paspoort in beginsel bij het Grenswisselkantoor kan wisselen.

De rechtbank komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het bestaan en de herkomst van de door verdachte gewisselde bedragen verborgen moest blijven en is het bestaan van een legale bron zo onwaarschijnlijk, dat bewezen wordt geacht dat het geld - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is."

8. In het door de Rechtbank in haar hiervoor aangehaalde overweging genoemde arrest van 28 september 2004, LJN AP2124(1) overwoog de Hoge Raad:

3.4.1. Art. 420bis, eerste lid sub b, Sr luidt:

"Als schuldig aan witwassen wordt gestraft (...) hij die een voorwerp verwerft, voorhanden heeft, overdraagt of omzet of van een voorwerp gebruik maakt, terwijl hij weet dat het voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig is uit enig misdrijf."

3.4.2. Deze op 14 december 2001 in werking getreden bepaling is in het Wetboek van Strafrecht ingevoegd bij de Wet van 6 december 2001, Stb. 606, tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en enkele andere wetten in verband met de strafbaarstelling van het witwassen van opbrengsten van misdrijven. Met betrekking tot het bestanddeel "afkomstig uit enig misdrijf" houdt de Memorie van Toelichting in:

"Voldoende is dat wordt (tenlastegelegd en) bewezen dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Niet vereist is dat de rechter identificeert welk misdrijf precies aan het voorwerp ten grondslag ligt. Vaak zal dit niet mogelijk zijn, terwijl het ook niet relevant is voor de strafwaardigheid van het witwassen. Gaat het bijvoorbeeld om handelingen van verdachte Y ten aanzien van een bankrekening waarop hij en zijn compaan opbrengsten van hun verschillende criminele activiteiten (mensenhandel, afpersing, drugshandel) plachten te storten, maar is niet duidelijk uit welke van die activiteiten de betrokken gelden afkomstig waren (wellicht uit allemaal), dan kan niettemin bewezen worden geacht dat die gelden uit enig misdrijf afkomstig waren."

(Kamerstukken II 1999-2000, 27 159, nr. 3, blz. 16)

3.5. Aan het middel ligt, mede blijkens de toelichting, de opvatting ten grondslag dat voor een bewezenverklaring van het in de op art. 420bis, eerste lid onder b, Sr toegesneden tenlastelegging opgenomen onderdeel "afkomstig uit enig misdrijf" is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Die opvatting kan, gelet op doel en strekking van de onderhavige wetsbepaling en mede in het licht van de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis, niet als juist worden aanvaard. Dat betekent ook dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan.

3.6.1. Blijkens de bewijsmiddelen heeft het Hof vastgesteld dat de verdachte pakketjes met bankbiljetten, tot in totaal € 24.000,--, onder zijn kleding had verborgen en in zijn kleding bij zich had, dat hij dacht dat het geld niet van eerlijk werken kwam omdat het zo'n groot bedrag was en van drugs of stelen afkomstig was, dat hij dit bedrag in opdracht van zijn opdrachtgever, van wie hij de eveneens bij hem aangetroffen drugs had gekregen, naar Bonaire moest brengen, waarbij de opdrachtgever zijn reis had geregeld en het ticket voor hem had gekocht en hem had opgedragen het geld te verbergen op zijn lichaam en het geld en de drugs op Bonaire af te geven aan een persoon die hem aan zijn kleding zou herkennen en in het geval hij zou worden gepakt niet te zeggen van wie het geld was.

3.6.2. Het Hof heeft kennelijk hieruit afgeleid dat het niet anders kan zijn dan dat het desbetreffende geldbedrag in de gegeven omstandigheden - middellijk of onmiddellijk - uit enig misdrijf afkomstig was als bedoeld in art. 420bis, eerste lid onder b, Sr. Dat oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting, het is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Het middel faalt derhalve."

9. De motivering van de verwerping van het verweer dat niet blijkt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat de gewisselde gelden van misdrijf afkomstig zijn komt op het volgende neer. Verdachte heeft telkens kleine coupures omgewisseld in grote, en bleef daarbij onder de meldgrens van de Wet MOT, kennelijk om melding te voorkomen en dus het wisselen van die geldbedragen verborgen te houden. Voorts heeft zij in een korte periode in totaal een omvangrijk geldbedrag gewisseld terwijl haar verklaring ten aanzien van de legale herkomst van de gewisselde gelden geen geloof verdient. In die omstandigheden is het bestaan van een legale bron zo onwaarschijnlijk, dat bewezen is dat het geld - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf afkomstig is.

10. In aanmerking genomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan en de bewijsmiddelen inhouden dat de verdachte voor het wisselen een beloning kreeg tot soms 1% of meer van het te wisselen bedrag, geeft de motivering van de verwerping van het verweer geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het niet onbegrijpelijk.

11. Volgens de toelichting op het middel brengt de omstandigheid dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte niet alleen voor [medeverdachte 1], volgens de toelichting op het middel het subject van het strafrechtelijk onderzoek, maar ook voor andere personen gelden heeft gewisseld, mee dat de verwerping van het verweer onvoldoende met redenen is omkleed. Het oordeel van het Hof staat echter los van de persoon van wie de verdachte de bedragen ter wisseling kreeg aangeboden. Daarom doet genoemde omstandigheid niet af aan hetgeen onder 10 is uiteengezet.

12. Het middel faalt.

13. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het Hof van het verweer dat op verdachte ten tijde van het plegen van de onder 3 bewezenverklaarde feiten geen meldingsplicht (meer) rustte.

14. Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"3. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts aangevoerd dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde, aangezien - voorzover al kan worden aangenomen dat verdachte beroeps- of bedrijfsmatig een dienst heeft verricht - de meldingsplicht ten tijde van de wisseltransacties niet bij de verdachte maar bij het wisselkantoor lag alwaar zij het geld ter wisseling heeft aangeboden.

Het hof verwerpt het verweer. Zoals hierboven onder 2 overwogen is het hof van oordeel dat de verdachte heeft gehandeld als geldtransactiekantoor, waarmee vast staat dat de verdachte bedrijfsmatig een financiële dienst heeft verricht. Hieruit volgt dat op verdachte een meldingsplicht rustte ten aanzien van de door haar verrichte ongebruikelijke transacties. Hieraan doet niet af dat op het wisselkantoor waar de verdachte het geld ter wisseling aanbood eveneens een meldingsplicht rustte."

15. Onder 2 overwoog het Hof onder meer:

"Het hof is - anders dan de raadsvrouw - van oordeel dat in casu sprake is van bedrijfsmatig handelen. In het licht van het arrest van de Hoge Raad van 27 maart 2001, LJN AB0740 moet worden aangenomen dat sprake is van beroeps- dan wel bedrijfsmatig handelen, als dit handelen geregeld en stelselmatig heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat zevenmaal wisselen van aanzienlijke geldbedragen in een periode van ongeveer anderhalve maand, zoals in het onderhavige geval, dient te worden beschouwd als geregeld en stelselmatig handelen. Voorts is niet alleen de rechtspersoon of natuurlijke persoon die daadwerkelijk wisselhandelingen uitvoert werkzaam als wisselkantoor, maar ook degene die beroeps- of bedrijfsmatig ten behoeve van of op verzoek van een ander bij een wisselkantoor munten of bankbiljetten aanbiedt en daarvoor munten en/of bankbiljetten van andere of dezelfde valuta ontvangt (HR 18 mei 2004, LJN A04054). Het verweer wordt derhalve in beide onderdelen verworpen."

16. Volgens de toelichting op het middel heeft het Hof aldus miskend dat de verdachte niet, zoals onder 3 tenlastegelegd en bewezenverklaard, meldingsplichtig was ten tijde van het wisselen van de vreemde valuta doch slechts op het moment dat zij die gelden ontving.

17. Onder 3 primair is ten laste van de verdachte bewezenverklaard:

"zij in de periode van 4 mei 2003 tot en met 20 juni 2003 te Amsterdam telkens bedrijfsmatig een financiële dienst heeft verleend, te weten het wisselen van euro 's in Eurobiljetten van een andere waarde, waarbij zij, verdachte, telkens opzettelijk in strijd met de verplichting, geformuleerd in artikel 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties, die door haar, verdachte, verrichte ongebruikelijke transacties, als bedoeld in artikel 1 lid 1 onder d van genoemde wet, niet onverwijld heeft gemeld aan het meldpunt als bedoeld in die wet."

18. Art, 9 van de Wet melding ongebruikelijke transacties (hierna: Wet MOT) luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit:

"1. Een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent, is verplicht een daarbij verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie onverwijld te melden aan het meldpunt."

19. Art. 1 lid 1 Wet MOT luidde ten tijde van het bewezenverklaarde feit voor zover hier van belang:

"1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. dienst: het in of vanuit Nederland:

1°. in bewaring nemen van effecten, bankbiljetten, munten, muntbiljetten, edele metalen en andere waarden;

2°. openstellen van een rekening waarop een saldo in geld, effecten, edele metalen of andere waarden kan worden aangehouden;

3°. verhuren van een safe-loket;

4°. verrichten van een uitbetaling ter zake van het verzilveren van coupons of vergelijkbare stukken van obligaties of vergelijkbare waardepapieren;

5°. sluiten van een levensverzekeringsovereenkomst als bedoeld in artikel 1, onder b, van de Wet toezicht verzekeringsbedrijf 1993, alsmede het daarbij verlenen van bemiddeling;

6°. doen van een uitkering uit hoofde van een levensverzekeringsovereenkomst als bedoeld sub 5°;

7°. crediteren of debiteren dan wel doen crediteren of debiteren van een rekening waarop een saldo in geld, effecten, edele metalen of andere waarden kan worden aangehouden;

8°. wisselen van guldens, euro's of vreemde valuta;

9°. verkopen, alsmede het verlenen van bemiddeling bij verkoop, van voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen, edele metalen, sieraden, juwelen dan wel andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken van grote waarde;

10°. verlenen van andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen diensten;"

20. Aanvankelijk - tot de Wet van 13 december 2001, Stb. 665(2)- spraken art. 1 en 9 Wet MOT over het verlenen van een "financiële dienst". Bij genoemde wet is de beperking "financiële" komen te vervallen en aan de omschrijving van "dienst" in art. 1 Wet MOT toegevoegd het thans onder 90 vermelde "verkopen, alsmede het verlenen van bemiddeling bij verkoop, van voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen, edele metalen, sieraden, juwelen dan wel andere bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen zaken van grote waarde".

21. De memorie van toelichting op het oorspronkelijke art. 9 Wet MOT houdt onder meer in:

"4.4. Een systeem van verplichte melding van ongebruikelijke transacties creëert tevens een bijzondere aandachtsplicht voor deze transacties. De verplichting ongebruikelijke transacties te melden brengt namelijk met zich dat deze transacties met bijzondere aandacht moeten worden onderzocht. Nederland is hiertoe gehouden uit hoofde van de in paragraaf 2 genoemde artikelen van de Richtlijn inzake witwassen, alsmede de daar vermelde FATF-aanbevelingen.

4.5. Het onderhavige voorstel van wet voorziet dan ook in artikel 9, eerste lid, in een meldingsplicht ten aanzien van elke verrichte of voorgenomen ongebruikelijke transactie. Deze verplichting geldt voor een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een financile dienst verleent (hierna: financiële instelling). Artikel 1, onderdeel a, geeft een opsomming van financiële diensten in de zin van deze wet. Een ieder die deze diensten beroeps- of bedrijfsmatig verleent, valt in voorkomende gevallen onder de meldingsplicht voor ongebruikelijke transacties. Hierbij moet in ieder geval gedacht worden aan banken, levensverzekeraars, assurantietussenpersonen, wisselkantoren en effectenbemiddelaars.

Overigens is er alleen sprake van 'een financiële dienst in de zin van deze wet als de dienst in of vanuit Nederland wordt verleend. Dit betekent dat een Nederlands bijkantoor van een buitenlandse financiële instelling onder de werking van deze wet valt, terwijl een buitenlands bijkantoor van een Nederlandse financiële instelling dat niet doet. Uiteraard is een buitenlands bijkantoor van een Nederlandse kredietinstelling wel onderworpen aan eventuele voorschriften van DNB op dit terrein. Voorts zal een dergelijk bijkantoor vallen onder de lokale wetgeving inzake witwassen van geld. Voor een nadere uiteenzetting van financiële diensten wordt verwezen naar de artikelsgewijze toelichting bij artikel 1.

Artikel 9, eerste lid, richt zich tot "een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent". De meldingsplicht rust derhalve op zowel de rechtspersoon als de natuurlijke persoon die beroeps- of bedrijfsmatig een financiële dienst verleent. Ter vermijding van misverstanden zij hierbij benadrukt dat het voorgaande niet betekent dat de meldingsplicht rust op het personeel van financiële instellingen, dat immers niet beroeps- of bedrijfsmatig financiële diensten verleent, maar in dienstverband. De meldingsplicht richt zich tot de instelling. Daarbij wordt verondersteld dat financiële instellingen goede interne procedures ontwikkelen die ervoor zorgen dat iedere ongebruikelijke transactie door de instelling als zodanig kan worden gemeld."(3)

22. De uitbreiding van "financiële dienst" naar "dienst" wordt bij memorie van toelichting op de Wet van 13 december 2001, Stb. 665 als volgt toegelicht:

"Er zijn aanwijzingen dat de verscherpte controle in de financiële sector witwassers ertoe heeft aangezet uit te kijken naar alternatieve methoden om de oorsprong van de opbrengsten van misdrijven te verhullen. Zo blijken criminelen de contante gelden die zij bij hun criminele activiteiten genereren, onder andere om te zetten in kostbare zaken. Vooral zaken die een bepaalde status en luxe levensstijl verlenen, zoals sieraden, juwelen, auto's en schepen of zaken die duurzaam zijn in die zin dat zij hun waarde behouden, zoals edele metalen, edelstenen, kunst en antiek worden gebruikt voor het witwassen van geld.

Zowel nationaal, als internationaal worden voortdurend initiatieven ondernomen om het witwassen van geld te bestrijden. Zo zal de Europese Raad de Richtlijn van 10 juni 1991 (91/308/EEG) tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld (hierna: de richtlijn) actualiseren en de werkingssfeer uitbreiden. In artikel 12 van de richtlijn is reeds aangegeven dat niet alleen via kredietinstellingen en financiële instellingen kan worden witgewassen, maar dat ook andere categorieën van beroepen en ondernemingen werkzaamheden verrichten die in het bijzonder geschikt zijn om voor het witwassen van geld te worden gebruikt. Indien er aanwijzingen zijn dat dit zich manifesteert, rust op de lidstaten de verplichting de maatregelen uit de richtlijn ook op deze categorieën van beroepen en ondernemingen geheel of ten dele toe te passen.

Ook de Financial Action Task Force on money laundering (FATF) is bezig met een proces de activiteiten van niet-financiële dienstverleners onder de reikwijdte van de veertig aanbevelingen van de FATF te brengen. In aanbeveling 9 staat reeds dat de FATF-leden zouden kunnen overwegen bepaalde aanbevelingen van toepassing te laten zijn op de activiteiten van bedrijven en beroepen die geen financiële instelling zijn.

Inmiddels zijn er - als gezegd - indicaties dat criminelen steeds meer gebruik maken van andere ondernemingen, zoals autohandelaren en diamantairs, voor het witwassen van gelden. Deze ontwikkeling wordt door FATF-onderzoek naar witwastechnieken en -typologieën bevestigd. Bij de herziening van de richtlijn zullen dan ook onder andere handelaren in zaken van grote waarde onder de werkingssfeer van de richtlijn worden gebracht. De definitieve aanname van de richtlijn heeft vertraging opgelopen en zal pas later dit jaar plaatsvinden.

Met dit wetsvoorstel wordt de verkoop van zaken van grote waarde die zich lenen voor het witwassen van geld onder de werkingssfeer van de Wet melding ongebruikelijke transacties (Wet MOT) en de Wet identificatie bij financiële dienstverlening 1993 (Wif 1993) gebracht.

Bij de herziening van de richtlijn is veelvuldig gesproken over een identificatie- en meldingsplicht voor handelaren. Binnen de EU is er consensus dat deze categorie van diensten onder de reikwijdte van de richtlijn moet vallen. In het Gemeenschappelijk standpunt zoals door de Europese Raad vastgesteld op 30 november 2000(4) is bepaald dat handelaren in goederen van grote waarde, zoals edelstenen en -metalen, telkens wanneer in contanten wordt betaald, en wel voor een bedrag van 15000 euro of meer een identificatieplicht en een meldingsplicht voor witwastransacties krijgen. Het ligt niet in de verwachting dat er grote wijzigingen zullen optreden.(5)

Het vooruitlopen op de richtlijn wordt noodzakelijk geacht in verband met het verdwijnen van de gulden als wettig betaalmiddel per 28 januari 2002. Als gevolg hiervan zal er de komende maanden naar verwachting een verhoogde activiteit zijn op het gebied van het inruilen van contante guldens. De signalen uit de markt geven aan dat de handel in zaken van grote waarde hierbij mogelijk een grote rol gaat spelen.

Omdat het verkopen van de in deze wet bedoelde zaken niet als financiële dienst te beschouwen is en om de personen en ondernemingen die deze zaken beroeps- of bedrijfsmatig verkopen of daarbij bemiddelen binnen de reikwijdte van de Wif 1993 en de Wet MOT te brengen, is besloten tot een uitbreiding van de reikwijdte van deze wetten die inhoudt dat de bepalingen van de wetten niet meer slechts op financiële instellingen en hun financiële diensten van toepassing zijn, maar ook op andere instellingen en diensten, voor zover zij bij of krachtens deze wetten zijn aangewezen. Vanuit het oogpunt van eenvoud is hierbij voor de algemene termen "dienst" en "instelling" gekozen.

Als dienst wordt aangewezen: het verkopen, alsmede het daarbij verlenen van bemiddeling, van aangewezen zaken van grote waarde. De zaken waar het hier om gaat, zijn conform het eerder genoemde Gemeenschappelijk standpunt, zaken die waardevol dan wel waardevast zijn. De "grote waarde" zal op grond van de indicatoren worden bepaald. De zaken die bij dit wetsvoorstel worden aangewezen zijn voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen, edele metalen, juwelen en sieraden. In de toekomst kunnen andere zaken waarvan blijkt dat zij gebruikt worden voor het witwassen van geld bij algemene maatregel van bestuur worden aangewezen. Bestond immers over de wenselijkheid van het aanwijzen van bepaalde andere zaken thans reeds duidelijkheid, dan zouden deze zaken uiteraard bij gelegenheid van dit voorstel op het niveau van de wet zijn benoemd. Verder kan erop worden gewezen dat ter implementatie de herziene richtlijn voor een aantal diensten voorzien zal moeten worden in een meldingsplicht. Afhankelijk van de aard van dienst en de desbetreffende beroepsgroep zal in het kader van de implementatiewerkzaamheden bezien worden volgens welke wettelijke systematiek - hetzij via de Wet MOT, hetzij via sectorale regelgeving - een meldingsregeling in het leven wordt geroepen. Voorafgaand daaraan zal overigens uiteraard eerst met de desbetreffende branches overleg moeten worden gevoerd en dienen de handhavingsaspecten van dergelijke nieuwe regelingen in kaart te worden gebracht.

(...)

Artikelsgewijze toelichting (betreffende de Wet MOT; WHV)

Artikel 1

A

Door de wijziging van de term "financiële dienst" in "dienst" wordt het mogelijk de verkoop van aangewezen zaken die gebruikt kunnen worden voor het witwassen van geld onder de reikwijdte van de wet te brengen. Hierdoor zal het ook in de toekomst mogelijk zijn andere diensten dan financiële diensten bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen.

B

Als dienst wordt aangewezen: het verkopen, alsmede het daarbij verlenen van bemiddeling, van voertuigen, schepen, kunstvoorwerpen, antiquiteiten, edelstenen, edele metalen, sieraden, juwelen dan wel andere bij algemene maatregel van bestuur aangewezen zaken van grote waarde. In de toekomst kunnen andere zaken waarvan blijkt dat zij gebruikt worden voor het witwassen van geld worden aangewezen.

C

In artikel 9, tweede lid van de Wet MOT zijn de gegevens bepaald die een melding moet bevatten. Deze gegevens hebben hoofdzakelijk betrekking op financiële transacties zoals deze door financiële instellingen verricht worden. Omdat bij het beoordelen van de transactie door het MOT belangrijk is te weten welke zaken zijn verhandeld, zal in de melding een omschrijving van de betrokken zaken moeten worden opgenomen. Hiertoe zal een onderdeel f aan het tweede lid van artikel 9 worden toegevoegd. Op grond van artikel 9, eerste lid, onder d, zal overigens moeten worden aangegeven hoeveel er contant betaald is."

23. Zoals de tekst van de Wet MOT en de hiervoor aangehaalde parlementaire geschiedenis laten zien rust de plicht tot het melden van een ongebruikelijke transactie op een ieder die beroeps- of bedrijfsmatig een dienst verleent. Enige beperking tot de aard van het bedrijf of beroep of een uitsluiting voor die gevallen waarin op een ander de meldingsplicht rust kent de wet niet. Daarom is noch aan de tekst van de wet noch aan haar parlementaire geschiedenis enige steun te ontlenen voor de aan het middel ten grondslag liggende stelling dat op de verdachte geen meldingsplicht meer rustte omdat die door het ter inwisseling aannemen van het door de verdachte ter inwisseling aangeboden geld was overgegaan op de instelling die het geld wisselde tegen de door de verdachte gewenste coupures.

24. Voor de goede orde merk ik op dat anders dan de Wet identificatie bij financiële dienstverlening de Wet MOT geen beperking kent van de in art. 9 Wet MOT opgenomen verplichting tot instellingen. Art. 1 van eerstgenoemde wet kent anders dan art. 1 Wet Mot een omschrijving van "instelling" en omschrijft "dienst" als "het door een instelling in of vanuit Nederland: 1°. in bewaring nemen van effecten, etc." Zoals door het middel ook niet wordt bestreden kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte gelet op het aantal transacties, het korte tijdsbestek waarin deze plaatsvonden, de omstandigheid dat de transacties werden verricht voorverschillende personen, en de omstandigheid dat de verdachte per transactie een - daaraan soms qua hoogte gerelateerde - beloning ontving, worden afgeleid dat de verdachte, zij het in geringe omvang, bedrijfsmatig een financiële dienst heeft verleend bestaande in het wisselen van - onder meer - euro's. Zoals ik hiervoor reeds heb uiteengezet behoefde de verdachte daarvoor niet een financiële instelling te zijn.

25. Het middel faalt.

26. Het eerste middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

27. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Niet, zoals de Rechtbank vermeldt: A03562.

2 In werking getreden 28 december 2001.

3 Kamerstukken II, 1992-1993, 23009, nr. 3, p. 5.

4 Nr. 5/2001, Publicatieblad EG 2001/C 36/02

5 Die verwachting is uitgekomen: zie onder 20.