Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7685

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
26-09-2007
Zaaknummer
02598/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7685
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Aannemen van een valse hoedanigheid a.b.i. art. 326 Sr. Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte reeds t.t.v. het sluiten van de overeenkomsten niet de intentie had om met de hem verstrekte bedragen om te gaan zoals was voorgespiegeld. Meer in het bijzonder op grond daarvan heeft het Hof kunnen oordelen dat verdachte telkens valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid de bewezenverklaarde hoedanigheid van bonafide bemiddelaar in financiële diensten en vertrouwenspersoon die aan hem verstrekt geld tijdelijk als “een goed huisvader” zou beheren, heeft aangenomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 532
JOL 2007, 613
RvdW 2007, 818

Conclusie

Nr. 02598/06

Mr Machielse

Zitting: 12 juni 2007

Conclusie inzake:

[Verdachte]

1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 12 september 2005 voor 1.primair "oplichting, meermalen gepleegd", subsidiair "verduistering" en 2. primair "valsheid in geschrift, meermalen gepleegd" veroordeeld tot twaalf maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proefttijd van twee jaren. Voorts heeft het hof de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] toegewezen en aan de verdachte een betalingsverplichting opgelegd een en ander zoals in het arrest vermeld. Tot slot heeft het hof verdachte ontzet van het recht het beroep van bemiddelaar in financiële diensten en makelaar van onroerende goederen en assurantie-tussenpersoon uit te oefenen voor de duur van vijf jaren.

2. Namens verdachte heeft Mr F. van der Meij, advocaat te Amsterdam, cassatie ingesteld. Mr J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden houdende tien middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel klaagt dat de inzendtermijn in cassatie is overschreden. Dat is juist. Namens de verdachte is op 23 september 2005 cassatieberoep ingesteld. De stukken zijn bij de Hoge Raad op 7 september 2006 binnengekomen. Dat levert een overschrijding van de inzendtermijn op van ruim drie maanden. Dat moet leiden tot strafvermindering.

4.1. Het tweede middel klaagt dat het onder 1 primair bewezenverklaarde, met name voor zover het betreft de woorden 'het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels' niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

4.2. Ten laste van verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 1 mei 1998 tot en met 30 april 2002 in Nederland met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse hoedanigheid en door een samenweefsel van verdichtsels, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [benadeelde partij 1] en [betrokkene 3] en [benadeelde partij 2] en [betrokkene 4] heeft bewogen tot de afgifte van respectievelijk euro 92.115,97 t.a.v. [betrokkene 1] en f. 337.25 1,93 (euro 153.038,25) t.a.v. [betrokkene 2] en f. 148.000,-- (euro 67.159,47) t.a.v. [benadeelde partij 1] en [betrokkene 3] en f. 283.3 16,77 (euro 128.563,55) t.a.v. [betrokkene 4] en f. 25.000,- (euro 11.344,51) t.a.v. [betrokkene 4] en f. 3 80.000,-- (euro 172.436,48) t.a.v. [benadeelde partij 2], hebbende verdachte telkens met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid, terwijl verdachte met voornoemde personen een soms jarenlange vertrouwensrelatie had,

- die personen voorgehouden dat, indien deze voornoemde geldbedragen bij verdachte in depot zouden geven, deze een hogere rente zouden krijgen dan de toen geldende rente bij banken en

- die [betrokkene 2] voorgehouden dat het in depot geven aan verdachte van geldbedragen een gebruikelijke gang van zaken was en

- zich telkens voorgedaan als bonafide bemiddelaar in financiële diensten en vertrouwenspersoon, die aan hem verstrekt geld tijdelijk als een goed "huisvader" zou beheren;

- en telkens daarbij verzwegen dat het te verstrekken geld geheel of gedeeltelijk gebruikt zou worden voor de handel in opties en betalingen van schulden;

- en ten aanzien van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] - voorafgaande aan de afdracht of overboeking van het geld - ter bevestiging van gemaakte afspraken een overeenkomst van geldlening op schrift gesteld en die overeenkomst ondertekend en respectievelijk door die [betrokkene 1] en die [betrokkene 2] laten ondertekenen, in welke overeenkomsten bepalingen over de hoogte van de rentevergoedingen en de datum van opeisbaarheid en de wijze van betaling van de rentevergoeding en de datum van opeisbaarheid en de wijze van terugbetaling van de hoofdsom waren opgenomen,

- en ten aanzien van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] - voorafgaande aan de afdracht of overboeking van het geld - ter bevestiging van gemaakte afspraken een overeenkomst van geldlening op schrift gesteld en die overeenkomst ondertekend en respectievelijk door die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] laten ondertekenen, in welke overeenkomsten bepalingen over de hoogte van de rentevergoedingen en de datum van opeisbaarheid van de rentevergoeding en de datum van opeisbaarheid van de hoofdsom waren opgenomen, waardoor voornoemde personen werden bewogen tot bovenomschreven afgiften;"

4.3. Uit de bewijsmiddelen is - voor zover hier relevant - af te leiden dat:

- de verdachte handelde als bemiddelaar in verkoop en aankoop van woningen (bwm 2, 14, 32) en als tussenpersoon in verzekeringen (bwm 24, 41).

- de verdachte anderen, met wie gelet op het bovenstaande een vertrouwensrelatie bestond, aanbood de opbrengst van de verkoop van hun woning (in depot) te bewaren tegen een hogere rente dan banken zouden kunnen bieden (bwm 1 en 2, 14, 24, 25, 32, 41).

- verdachte steeds contracten afsloot waarin hij toezegde de maandelijkse rente en de hoofdsom op een afgesproken tijdstip over te maken (bwm 3, 4 en 14, 15, 25, 32, 41).

- verdachte dat geld direct op zijn eigen bankrekening stortte, het heeft belegd in opties en er eigen boodschappen, verzekeringspremies en belastingschulden van heeft betaald, zonder van de uitgaven een administratie bij te houden en zonder dit aan de klanten mede te delen (bwm 1 en 2).

- verdachte reeds bij het maken van de afspraken voornemens was het geld te beleggen (bwm 8), terwijl hij dat steeds heeft verzwegen.

- verdachte met [benadeelde partij 2] de afspraak maakte dat het geld niet zou worden belegd (bwm 41 en 42).

- verdachte een keer heeft gezegd dat hij voor een hogere rente kon zorgen via connecties bij een grote bank (bwm 3).

- dat verdachte zijn klanten blanco formulieren liet ondertekenen, waar hij vervolgens buiten weten van de klant in opnam dat het bedrag op een veel latere datum zou worden overgemaakt (bwm 32) of wel degelijk zou worden belegd (bwm 42).

4.4. Het hof heeft in een nadere bewijsoverweging als volgt gereageerd op het verweer dat er sprake was van een privé-lening waarbij verdachte de vrije hand zou hebben:

"Blijkens de verklaringen van de aangevers [betrokkene 1], [betrokkene 2], [benadeelde partij 1] en [betrokkene 3], [benadeelde partij 2] en [betrokkene 4], als weergegeven in de bewijsmiddelen, blijkt dat aan de aangevers is voorgespiegeld dat het door hen op de bankrekening van verdachte te storten bedrag door verdachte in depot zou worden gehouden. Dat in de door verdachte opgestelde en door de aangevers [betrokkene 2] en [benadeelde partij 1] op respectievelijk 11 januari 2001 en 22 mei 1998 ondertekende verklaringen is vermeld dat het om een prive-lening zou gaan doet hieraan niet af, nu deze verklaringen door verdachte als 'financieel deskundige' zijn opgesteld en de aangevers als leken deze verklaringen in goed vertrouwen hebben getekend. Blijkens de verklaringen van [betrokkene 1], [betrokkene 2], [betrokkene 4] en [benadeelde partij 2], voornoemd, heeft verdachte tevens met behulp van (op verzoek van verdachte) door aangevers ondertekende blanco vellen, valse overeenkomsten opgesteld, waarin stond opgenomen dat de aangevers ervan op de hoogte waren dat de door hen aan verdachte verstrekte gelden zouden worden gebruikt voor beleggingen.

Ten overvloede overweegt het hof dat, zo er al sprake zou zijn van privé-leningen, uit bovenvermelde verklaringen van de aangevers volgt dat deze leningen werden verstrekt onder de beperking dat dat geld in depot zou worden gehouden door verdachte. Dat dit niet in de tussen verdachte en de respectieve aangevers gesloten overeenkomst is vastgelegd doet aan de clausulering niet af, gelet op het feit dat, zoals hiervoor reeds overwogen, de overeenkomsten door verdachte als 'financieel deskundige' zijn opgesteld, waarbij bedoelde beperking door verdachte kennelijk bewust uit de overeenkomst is gehouden.

Het betoog van de verdachte dat sprake zou zijn van privé-leningen waarbij hij de vrije hand had om met die gelden te doen wat hij wilde, is voorts in strijd met de door de verdachte op een later tijdstip opgestelde verklaringen waarin de aangevers (achteraf) toestemming zouden hebben verleend aan de verdachte om de gelden te beleggen. Het hof verwerpt dan ook het verweer."

4.5. Het aannemen van een valse hoedanigheid komt in de bewezenverklaring volgens de steller van het middel terug in het handelen 'als bonafide bemiddelaar in financiële diensten en vertouwenspersoon, die aan hem verstrekt geld tijdelijk als een goed "huisvader" zou beheren.' Volgens het middel kan uit de bewijsmiddelen niet worden afgeleid dat er sprake is geweest van het aannemen van een valse hoedanigheid.

4.6. Als de steller van het middel hier bedoelt te zeggen dat verdachte wel degelijk een bonafide bemiddelaar in financiële diensten was, omdat de aangevers hem als zodanig al jaren kenden, gaat het middel uit van een verkeerde lezing van de tenlastelegging en van een onjuiste uitleg van de aangiftes en andere verklaringen. Uit de laatste valt inderdaad af te leiden dat de verdachte door een jarenlange zakelijke relatie te onderhouden met de slachtoffers hun vertrouwen had gewonnen, maar tevens dat hij, doordat hij ter uitvoering van een vooropgezet plan en daartoe in staat gesteld door het debiteren van onwaarheden eigenmachtig met het geld van anderen op zeer riskante wijze ging beleggen, juist niet aan die hoedanigheid heeft beantwoord. Aldus heeft het hof klaarblijkelijk ook de tenlastelegging uitgelegd en deze uitleg acht ik niet onbegrijpelijk.

4.7. Voorzover de steller van het middel beoogt aan te voeren dat het enkele niet voldoen aan een verwachtingspatroon door verdachte niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid stelt het middel de vraag aan de orde wat in art. 326 Sr moet worden verstaan onder een 'valse hoedanigheid'. De enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide huurder die in staat en voornemens is het gehuurde goed na ommekomst van de overeengekomen huurperiode terug te geven aan de verhuurder, levert bijvoorbeeld niet 'het aannemen van een valse hoedanigheid' op noch een 'listige kunstgreep' in de zin van art. 326 Sr (HR 13 november 2001, NJ 2002, 262). Het vervolgens verkopen van dat goed levert geen oplichting maar verduistering op. In deze zaak was ten laste gelegd en bewezenverklaard dat verdachte gebruik had gemaakt van een valse hoedanigheid en van listige kunstgrepen, maar had het hof volgens de Hoge Raad de tenlastelegging kennelijk aldus uitgelegd dat daarin aan de termen "valse hoedanigheid" en "listige kunstgrepen" geen zelfstandige feitelijke betekenis toekwam. De bewezenverklaring hield immers een aantal gedragingen van verdachte in en concludeerde dat verdachte aldus handelend zich heeft voorgedaan als huurder waardoor de ander tot afgifte werd bewogen.

HR 14 mei 1991, NJ 1991, 750 m.nt. Van Veen verschaft mijns inziens enige helderheid over de bedoelingen van de Hoge Raad waar deze spreekt van "de enkele omstandigheid". In die zaak waren onder 2 en onder 3 oplichtingen ten laste gelegd en bewezenverklaard. Onder 2 was bewezenverklaard dat verdachte de ander door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een listige kunstgreep had bewogen. Verdachte had aan het slachtoffer een ondertekend overschrijvingsformulier van een bank gegeven, daarbij het doende voorkomen dat de rekening gedekt was, in elk geval zich gedragende als rekeninghouder met voldoende saldo. Onder 3 was bewezenverklaard dat verdachte door het aannemen van een valse hoedanigheid van koper van onroerend goed die bereid en in staat was de koopsom te voldoen, het slachtoffer had bewogen. De Hoge Raad overwoog over het tweede middel, dat klaagde over de bewezenverklaring van feit 3, en ambtshalve dat de enkele omstandigheid dat men zich in strijd met de waarheid voordoet als verkoper van onroerend goed die bereid is en in staat is de koopsom te voldoen niet het aannemen van een valse hoedanigheid in de zin van art. 326 Sr oplevert. Ambtshalve vond de Hoge Raad kennelijk in de overwegingen en beslissingen ter zake van het als tweede feit bewezene geen grond tot ingrijpen.

Ook in HR 15 december 1998, NJ 1999, 182 overwoog de Hoge Raad dat de enkele omstandigheid dat iemand zich in strijd met de waarheid voordoet als een bonafide koper niet oplevert het aannemen van een valse hoedanigheid. Ook hier was in de bewezenverklaring telkens als enig oplichtingsmiddel genoemd dat verdachte zich opzettelijk valselijk voorgedaan had als koper. In zijn conclusie schreef mijn voormalig ambtgenoot mr. Van Dorst dat de rechtspraak van de Hoge Raad doet uitkomen dat de enkele leugen niet als toereikend oplichtingsmiddel mag worden gewaardeerd, ook niet als die enkele leugen erin heeft bestaan dat men een valse hoedanigheid heeft aangenomen.

Uit andere zaken blijkt dat de Hoge Raad geen moeite heeft met de valse hoedanigheid, ook al zou zij zich alleen maar voordoen als het zich presenteren met een andere kwaliteit dan die men in werkelijkheid bezit, als deze valse hoedanigheid wordt geflankeerd door andere leugenachtige verhalen of gedragingen. Zie bijvoorbeeld HR 2 oktober 2001, nr. 01909/99, waarin verdachte niet alleen een valse hoedanigheid maar ook een valse naam had aangenomen en zich bovendien had bediend van een samenweefsel van verdichtsels. Idem in HR 23 juli 2002, nr. 00811/02/U, waarin verdachte zich niet alleen presenteerde als chauffeur met een geldig rijbewijs, maar ook aan degene bij wie hij solliciteerde zijn oude rijbewijs toonde, waarvan verdachte wist dat dit door een nieuw, en inmiddels in beslag genomen rijbewijs vervangen was, en met deze ander proefritten heeft gemaakt.

Omdat in het onder 1 primair bewezenverklaarde door het hof telkens is vastgesteld dat verdachte zich niet alleen heeft bediend van een valse hoedanigheid maar ook nog van een samenweefsel van verdichtsels wordt de valse hoedanigheid als het ware uitgebouwd zodat er geen sprake meer is van een enkel leugenachtig gegeven.

Indien de klacht in cassatie over het samenweefsel van verdichtsels in middel 2 geen standhoudt lijkt mij aldus aan de eisen die ik aan de rechtspraak ontleen te zijn voldaan. Maar ook al zou het ontbreken aan een samenweefsel van verdichtsels dan zou in de onderhavige zaak naar mijn oordeel toch oplichting door het aannemen van een valse hoedanigheid kunnen worden aangenomen en wel op grond van het volgende.

4.8. In de rechtspraak tekent zich immers een categorie van gevallen af waarin het zich voordoen in een andere hoedanigheid dan die men in werkelijkheid bekleedt voldoende lijkt voor het aannemen van een valse hoedanigheid, dus ongeacht of die valse hoedanigheid door andere leugenachtigheden wordt ondersteund. Het gaat dan om die gevallen waarin misbruik wordt gemaakt van een zeker gekwalificeerd vertrouwen.(1) Dat is met name het geval wanneer het gaat om een vertrouwen dat wordt ontleend aan een bepaalde beroepsmatigheid, dus als met een voorgewende beroepsmatigheid toezeggingen worden gedaan die niet worden waargemaakt. Mijn ambtgenoot Wortel heeft het in dat verband over een bedrieglijk gebruik van een verwachtingspatroon.(2)

4.9. In onderhavige zaak is evident dat de verdachte onzorgvuldig heeft gehandeld, maar dat enkele feit is niet voldoende voor het aannemen van oplichting. Hij heeft zich echter voorgedaan als iemand die beroepsmatig de afspraken maakte zoals hij die met de aangevers heeft gemaakt. Als makelaar of als tussenpersoon in verzekeringen was hij voor geen van de aangevers een willekeurige burger die zomaar aanbood geld in depot te houden. De bedrogen klanten van verdachte zijn naar eigen zeggen afgegaan op het verwachtingspatroon dat de verdachte als financieel tussenpersoon en makelaar in de loop der jaren heeft gevestigd en dat er in wezen op neerkomt dat men zijn financiële belangen aan verdachte kon toevertrouwen, kennelijk zonder dat het nodig was om iedere stap die verdachte beloofde voor zijn klanten te zetten te controleren. Verdachte had beloofd het afgestane geld in een depot bij een bank onder te brengen en de klanten zijn ervan uitgegaan dat het ook gebeurde, juist zoals in het verleden de verdachte ook verzekeringen onderbracht als klanten daarom vroegen.

De omstandigheid dat hij het geld direct op zijn persoonlijke bankrekening stortte, daarmee ook persoonlijke uitgaven deed en de omstandigheid dat hij geen administratie bijhield, wijzen er op dat hij reeds bij het zich presenteren als bemiddelaar de intentie had niet met de gelden om te gaan zoals redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht.(3) Dat hij met de gelden ook is gaan beleggen bevestigt deze intentie alleen maar. Daarom getuigt het oordeel van het hof dat er sprake is van het aannemen van een valse hoedanigheid niet van een onjuiste rechtsopvatting.

4.10. Voorts zou volgens het middel ook 'een samenweefsel van verdichtsels' niet uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het bij een "samenweefsel van verdichtsels" moet gaan ofwel om een opeenstapeling van leugenachtige opgaven die elkaar over en weer een (bedrieglijke) schijn van werkelijkheid verschaffen, ofwel om een leugen die in samenhang met een handeling aan die handeling zodanige schijn verschaft. In HR 8 januari 1974, NJ 1974, 114 heeft de Hoge Raad echter overwogen dat opgaven van een verdachte die elk op zich zelf geheel of gedeeltelijk in strijd met de waarheid zijn en, met elkaar, een samenhangend verhaal vormen, als een samenweefsel van verdichtsels in de zin van art. 326 Sr is te beschouwen en dat daartoe niet vereist is dat de opgaven tevens elkaar wederkerig een schijn van waarheid of waarschijnlijkheid geven.

4.11. Van een samenweefsel van verdichtsels kan dus betrekkelijk snel sprake zijn indien de verdachte door onwaarheden te vertellen anderen beweegt geldbedragen te verstrekken. Alleen één enkele leugen is voor oplichting niet voldoende (zie HR 16 maart 1993, NJ 1993, 718, r.o. 7.3.2). De evidente leugens waren dat hij een hogere rente dan banken kon bieden en dat hij het geld zou bewaren en daar een goede rente over zou ontvangen ten behoeve van de aangevers. In werkelijkheid kon hij helemaal geen hogere rente bieden, stortte hij het geld op zijn eigen rekening en wilde hij kennelijk het geld gaan beleggen en deels aan persoonlijke uitgaven besteden. De aangevers hadden oplettender moeten zijn, maar het bewuste handelen van verdachte kan mede gelet op zijn positie als beroepsmatige tussenpersoon bezwaarlijk voor hun risico komen.(4) In samenhang met de wijze waarop de verdachte zich als beroepsmatige financiële tussenpersoon presenteerde, heeft het hof mijns inziens kunnen aannemen dat hier sprake was van een samenweefsel van verdichtsels.

4.12. Het middel faalt.

5.1. Het derde middel klaagt dat het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde, met name voor zover het betreft de onderdelen 'wederrechtelijk zich heeft toegeëigend' en 'f. 125.000,-' niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid.

5.2. Ten laste van verdachte is onder 1 subsidiair bewezenverklaard dat:

"hij in de periode van 28 november 2001 tot en met 17 augustus 2003 f. 125.000,- (€ 56.722,53) toebehorende aan [benadeelde partij 3], welk geldbedrag verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, opzettelijk wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."

5.3. Doorslaggevend voor de vraag of er sprake is van wederrechtelijk toeëigenen als bedoeld in art. 321 Sr is of de verdachte over het geld als heer en meester is gaan beschikken. Uit de bewijsmiddelen is in de kern af te leiden dat de verdachte het betreffende geldbedrag van aangever heeft geleend in verband met verhuiskosten en de aankoop van een nieuwe woning en daar anders dan volgens aangever de bedoeling was in werkelijkheid mee is gaan beleggen. Verdachte heeft het geld dus voor een ander doel aangewend dan het doel waarvoor het bestemd was en waarvoor het was geleend. Ik herinner aan het arrest Verduisterende verloofde (HR 13 februari 1933, NJ 1933, blz. 580) waarin de wederrechtelijke toe-eigening van een in bewaring gegeven bedrag werd aangenomen toen verdachte het geld ten eigen bate aanwendde en niet voor het doel waarvoor zijn verloofde dit geld bestemd had. Ik geef toe dat de overeenkomst van bewaarneming de oorspronkelijke eigendomsverhoudingen onverlet laat, terwijl gewoonlijk een lening van geld het geleende bedrag in het vermogen van de lener doet vloeien. Maar overheersend lijkt mij dat de bestemming waarmee het geld werd gegeven zowel in de zaak van de verduisterende verloofde als het onderhavige zaak zo duidelijk en bepalend was.

5.4. Door anders dan mondeling is afgesproken het geldbedrag - zonder succes - te gaan beleggen, is verdachte wederrechtelijk, in strijd met de afspraken, over het geld als heer en meester gaan beschikken. Aldus kan het zich wederrechtelijk toeëigenen worden bewezen.(5) Daarbij neem ik mede in aanmerking dat de lening blijkens de voor het bewijs gebezigde verklaring van aangever op verzoek van verdachte twee keer is verlengd en uiteindelijk van het geldbedrag niets over is gebeleven.

5.5. Ten aanzien van het onderdeel "f. 125.000,- (56.722,53 euro)" betoogt de steller van het middel dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed nu uit de verklaringen van verdachte en aangever weliswaar is af te leiden dat aangever aan verdachte genoemd geldbedrag heeft geleend, maar dat uit voor het bewijs gebruikte kopiëen van een overeenkomst en een bankafschrift blijkt van een bedrag van f. 100.000,-. Het middel spitst zich toe op de tegenstrijdigheid die hierin zou schuilen.

5.6. Die tegenstrijdigheid zie ik niet. Dat in het contract wordt vermeld dat een bedrag van f. 100.000 wordt geleend aan verdachte, sluit niet uit dat op enigerlei wijze in aanvulling daarop nog een bedrag van f. 25.000,- is geleend, zoals uit de overige bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Dat het hof daar geen nadere bewijsoverweging aan heeft gewijd ziet de steller van het middel als een motiveringsgebrek, maar mijns inziens maakt het ontbreken van die bewijsoverweging de beslissing van het hof in samenhang met de bewijsmotivering niet onbegrijpelijk.

5.7. Het middel faalt.

6.1. Het vierde middel klaagt dat het hof de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten door de tenlastegelegde verduistering bewezen te verklaren en aldus te kwalificeren, onder vrijspraak van het wezenlijke onderdeel 'en welk(e) geldbedrag(en) verdachte (telkens) tegen geldelijke vergoeding en/of als makelaar en/of bemiddelaar in onroerend goed onder zich had'.

6.2. De kern van de klacht houdt in dat door vrij te spreken van het bovenvermelde onderdeel in de bewezenverklaring slechts is overgebleven dat de verdachte het geldbedrag 'anders dan door misdrijf' onder zich heeft gekregen'. Volgens de steller van het middel hebben de woorden 'anders dan door misdrijf' onvoldoende feitelijke betekenis, zodat het hof de strafrechtelijke betekenis van het tenlastegelegde wezenlijk heeft aangetast en daarmee de grondslag van de tenlastelegging heeft verlaten.

6.3. De steller van het middel beroept zich op HR 13 januari 1987, NJ 1987, 864. Daarin heeft de Hoge Raad in een enigszins vergelijkbare zaak uitgemaakt dat de beslissing dat het bewezenverklaarde strafbaar is onvoldoende is gemotiveerd, doordat het hof verdachte vrij sprak van "welke jas(sen) en/althans mantel(s) hij, verdachte, ter reparatie en/althans ter vermaking onder zich had" en slechts bewezen verklaarde dat de verdachte de voorwerpen 'anders dan door misdrijf' onder zich had. Die laatste woorden behelsden immers een onvoldoende feitelijke omschrijving van het strafbare feit.

6.4. De opvatting die aan het middel ten grondslag ligt vindt echter geen steun in het recht, omdat de Hoge Raad inmiddels is teruggekomen van deze rechtspraak (HR 12 mei 1998, nr. 107.307, r.o. 7, het ongepubliceerde deel van HR 12 mei 1998, NJ 1998, 695; vgl. ook HR 22 januari 1991, NJ 1991, 383 en HR 9 februari 1999, NJ 1999, 328).

6.5. Het middel faalt.

7.1. Het vijfde middel klaagt dat in het onder 2 bewezenverklaarde 'valselijk heeft opgemaakt' onvoldoende feitelijk is omschreven zodat de dagvaarding nietig had moeten worden verklaard.

7.2. De inleidende dagvaarding hield ten laste van verdachte in dit verband in dat:

"hij in of omstreeks de periode van 1 mei 1997 tot en met 30 november 2002, althans 3 juli 2003, te Heerhugowaard en/of te Wieringerwerf en/of te Alkmaar en/of te Zelhem en/of te Lambertschaag, althans in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) (een) verklaring(en), - (elk) zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt of vervalst,

Hebbende verdachte (telkens) valselijk en in strijd met de waarheid

(volgen vijf verklaringen die verdachte heeft opgemaakt en waarvan de inhoud wordt geciteerd)

zulks (telkens) met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken."

7.3. Volgens de toelichting op het middel is in deze dagvaarding onvoldoende feitelijk omschreven op welke wijze deze verklaringen valselijk zijn opgemaakt. Daarom had het hof de inleidende dagvaarding nietig moeten verklaren. Blijkens de stukken heeft de verdediging in hoger beroep niet aangevoerd dat de inleidende dagvaarding nietig moet worden verklaard, terwijl zij daartoe wel de gelegenheid heeft gehad. De gestelde onduidelijkheid omtrent de wijze waarop de betreffende verklaringen valselijk zijn opgemaakt belemmerde dus kennelijk niet een effectieve verdediging. Er kan onder deze omstandigheden niet voor het eerst in cassatie worden geklaagd over de nietigheid van de inleidende dagvaarding en het nalaten door het hof om dienovereenkomstig te beslissen.

Overigens ben ik van oordeel dat het feit in ieder geval voldoende duidelijk is omschreven in de bewezenverklaring in het arrest, omdat daar het hof heeft vastgesteld dat verdachte telkens de aangewezen geschriften valselijk en in strijd met de waarheid heeft opgemaakt. Duidelijk hier is dat bedoeld is dat de inhoud van het geschrift dat verdachte opmaakte telkens in strijd met de waarheid was. Nu verdachte van de rest van de tenlastelegging telkens is vrijgesproken heeft hij met zijn klachten voorzover die betrekking hebben op andere onderdelen van de tenlastelegging geen belang.

7.4. Het middel faalt.

8.1. Het zesde middel klaagt dat de gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor de onder 2 bewezenverklaarde valsheid in geschrifte.

8.2. In de toelichting op het middel wordt eerst ingegaan op de bewezenverklaarde valsheid in geschrifte ten aanzien van aangever [betrokkene 1]. Het middel komt er in zoverre op neer dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring bedoelde verklaring valselijk is voorzien van het handschrift van aangever, omdat uit de bewijsmiddelen enerzijds volgt dat de aangever zijn handtekening op niet meer dan twee blanco formulieren heeft geplaatst, terwijl bij de doorzoeking twee blanco formulieren met de handtekening van aangever zijn aangetroffen. De steller van het middel gaat er aan voorbij dat uit bewijsmiddelen 9 en 11 volgt dat de bewuste verklaring een kopie betreft. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof aangenomen dat het valselijk opmaken heeft bestaan in het kopiëeren van de handtekening van aangever [betrokkene 1] op de bewuste verklaring.

8.3. Ten aanzien van aangever [benadeelde partij 1] is het valselijk opnemen van de handtekening van hem en zijn echtgenote in de schriftelijke verklaring dat aangever van de beleggingen weet, gebaseerd op slechts die verklaring in kopievorm en de verklaring van aangever dat hij en zijn echtgenote de bewuste schriftelijke verklaring zeker niet hebben ondertekend. Ten aanzien van aangevers [betrokkene 4] en [benadeelde partij 2] is het valselijk opnemen op dezelfde wijze gemotiveerd. De klacht houdt ten aanzien van deze aangevers in de kern in dat dit onvoldoende wettig bewijs is.

8.4. Volgens vaste rechtspraak kan het tenlastegelegde echter worden bewezen indien twee verschillende bewijsmiddelen elkaar niet inhoudelijk bevestigen maar ieder op hun beurt kunnen dienen tot het bewijs van een onderdeel van de tenlastelegging.(6) De stelling in de toelichting dat de eigenlijke verklaringen als voor het bewijs gebezigd geschrift geen enkel onderdeel van de tenlastelegging ondersteunen, mist naar mijn inschatting feitelijke grondslag, omdat zij dienen tot het bewijs van het bestaan van die verklaringen en de bestemming ervan. Mijns inziens is dus steeds voldoende wettig bewijs voorhanden.(7)

8.5. Het middel faalt.

9.1. Het zevende middel klaagt dat het hof het verzoek om de getuigen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] als getuigen te horen onvoldoende gemotiveerd heeft afgewezen.

9.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 29 augustus 2005 houdt - voor zover hier relevant - het volgende in:

"Voorts zijn ter terechtzitting verschenen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 1], die verklaren zich als benadeelde partij in het geding te voegen (..)

(..)

De voorzitter maakt melding van de volgende binnengekomen stukken;

(..)

3) een brief van verdachte van 15 augustus 2005 gericht aan de voorzitter.

(..)

De raadsman deelt ten aanzien van de onder 3) genoemde brief mede dat verdachte een verklaring wil afleggen naar aanleiding van de verklaringen van de aangevers [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3], nu verdachte die verklaringen als kennelijk leugenachtig beschouwt.

De raadsman verzoekt, gelet op voorgaande, om aanhouding van de behandeling van de zaak, teneinde [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 3] (..) als getuigen ter terechtzitting te horen naar aanleiding van de verklaringen die zij hebben afgelegd in hun aangiftes en ter terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2005. De raadsman merkt op voornoemde personen vragen te willen stellen op grond van aantekeningen die hij heeft gemaakt in het dossier, maar dat hij die aantekeningen thans niet bij zich heeft."

9.3. Het hof heeft het verzoek vervolgens als volgt afgewezen:

"Na beraad deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat (..) het verzoek van de raadsman tot het horen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 1] wordt afgewezen, nu de noodzaak daarvan niet is gebleken"

9.4. Het hof heeft de juiste maatstaf toegepast. Het middel komt erop neer dat de afwijzing onvoldoende is gemotiveerd. De raadsman die het bedoelde verzoek heeft gedaan was echter dezelfde raadsman die ter terechtzitting van 13 juni 2005 de verdachte bijstond. Daar had hij de verklaringen van de betreffende personen ook al kunnen betwisten. Voorts zijn de verklaringen van de benadeelde partijen op de terechtzitting van 13 juni 2005 zelf beperkt tot de mededeling van de omvang van hun vorderingen. Niet duidelijk wordt welke verklaringen nu precies worden betwist. De raadsman had ter terechtzitting op 13 juni 2005 op dit punt dus verweer kunnen voeren en had kunnen verzoeken de daar aanwezige benadeelde partijen als getuigen te horen.

9.5. Pas na het interlocutoir arrest, waarbij het hof het onderzoek ter terechtzitting heropent teneinde nader te worden ingelicht over de persoon van verdachte, schrijft de verdachte een brief aan de voorzitter waarin hij kort samengevat zegt op 13 juni 2005 onvoldoende in de gelegenheid te zijn gesteld om de verklaringen van benadeelde partijen te bestrijden en dat hij op de volgende zitting graag het waarheidsgehalte ervan ter discussie wil stellen. In dat verband verzoekt hij overigens niet om de betreffende getuigen/benadeelde partijen als getuigen op te roepen en te doen ondervragen. Het komt dan niet erg sterk over als twee weken later op de zitting een dergelijk verzoek voor het eerst wordt gedaan, nota bene met het verzoek - terwijl de twee getuigen aanwezig zijn - de zaak daartoe aan te houden omdat de raadsman het dossier met daarin zijn aantekeningen is vergeten. Bij de beantwoording van de vraag of aanhouding van het onderzoek ter terechtzitting nog nodig is om getuigen te horen kan het hof acht slaan op het belang van afdoening binnen een redelijke termijn, op de fase van het onderzoek waarin het verzoek is gedaan, op de belangen van benadeelde partijen et cetera.

Tegen deze achtergrond is de afwijzing van het verzoek ook zonder nadere motivering niet onbegrijpelijk.(8)

9.6. Het middel faalt.

10.1. Het achtste middel klaagt dat het hof de verdachte heeft veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zonder dat het ingevolge art. 359 lid 6 Sv de bijzondere redenen heeft opgegeven die tot de keuze voor het opleggen van een vrijheidsbenemende straf hebben geleid.

10.2. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 juni 2005 heeft de raadsman van verdachte aldaar het volgende opgemerkt:

"Indien de verdachte toch wordt veroordeeld prefereert hij een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf boven een vrijheidsbenemende straf."

10.3. Het hof heeft de opgelegde straf als volgt gemotiveerd:

"De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en voorts dat verdachte wordt ontzet van het recht het beroep van bemiddelaar in financiële diensten en makelaar van onroerende goederen en assurantiepersoon uit te oefenen voor de duur van 5 jaren. Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de advocaat-generaal gevorderd dat deze op dezelfde wijze zullen worden afgedaan als de rechtbank heeft gedaan.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte.

Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

Verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan oplichting en valsheid in geschrift. Verdachte deed zich voor als bonafide bemiddelaar in financiële diensten en sloot in die hoedanigheid overeenkomsten met de gedupeerden, inhoudende dat die hem - aanzienlijke - geldbedragen in depot zouden geven in ruil voor een hogere rente dan de toen geldende rente bij banken.

Verdachte hield de aan hem verstrekte geldbedragen echter niet conform de gesloten overeenkomsten in depot maar kocht er - vrijwel onmiddellijk nadat hij het geld ontvangen had - buiten medeweten van de gedupeerden om, opties voor, waarvan de resultaten nihil zijn gebleken. Om aan zijn verplichtingen te kunnen blijven voldoen, ging verdachte weer nieuwe geldleningen aan, die hij, naast de afbetaling van persoonlijke schulden en uitgaven voor levensonderhoud, tevens besteedde aan de aankoop van opties in de hoop dat het beleggingsklimaat op enig moment zou verbeteren. Het risico dat de aan hem verstrekte gelden hierdoor zouden verdampen en verdachte de aan hem geleende bedragen niet op de afgesproken datum zou kunnen terugbetalen nam verdachte voor lief.

Naast genoemde overeenkomsten maakte verdachte - in een aantal gevallen met behulp van op verzoek van verdachte door gedupeerden ondertekende blanco vellen papier - valse overeenkomsten op, waarin stond dat die gedupeerden ervan op de hoogte waren dat de door hen aan verdachte verstrekte gelden zouden worden gebruikt voor beleggingen. Kennelijk wilde verdachte daarmee zijn handelen in strijd met de oorspronkelijke overeenkomst afdekken en zijn aansprakelijkheid uit hoofde van genoemde overeenkomst verdoezelen.

Inmiddels is verdachte failliet verklaard en zijn, naar zijn zeggen, de door de gedupeerden aan hem verstrekte gelden verloren gegaan met de handel in opties. Het hof rekent het verdachte zeer aan dat hij op voornoemde wijze is omgegaan met het geld dat aan anderen toebehoorde en dat hij bij dit handelen misbruik heeft gemaakt van zijn positie als vertrouwenspersoon, die hij in een aantal gevallen reeds jarenlang uit hoofde van assurantiebemiddelaar dan wel makelaar in onroerende goederen had. De gedupeerden hebben verdachte vanuit het vertrouwen dat zij in hem stelden, grote geldbedragen verstrekt, die in de meeste gevallen voortkwamen uit de overwaarde/verkoop van een koophuis en bedoeld waren als oudedagsvoorziening dan wel als startkapitaal voor een nieuw te kopen woning. Verdachte heeft dit vertrouwen op ernstige wijze beschaamd en de gedupeerden financieel geruineerd achtergelaten.

Daarnaast heeft verdachte geld verduisterd van [benadeelde partij 3] doordat hij het geld dat hij van die [benadeelde partij 3] onder zijn beheer had, zonder toestemming zich heeft toegeeigend door met dat geld te gaan handelen in opties, waardoor hij al dat geld naar zijn zeggen verloren heeft en niet meer in staat bleek het geld aan die [benadeelde partij 3] terug te geven,

Het hof heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 25 augustus 2005, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld.

Vanwege de ernst van de feiten en de rampzalige gevolgen daarvan voor de gedupeerden is het hof van oordeel dat de straf, zoals die door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden is.

Daarnaast zal bet hof, gelet op het feit dat verdachte van plan is nog een aantal jaren te gaan werken, verdachte ontzetten van de uitoefening van het beroep waarin hij de misdrijven heeft begaan, teneinde daarmede te voorkomen dat verdachte vanuit dit beroep soortgelijke feiten zal kunnen begaan."

10.4. Vooropgesteld moet worden dat de rechter ingevolge art. 359 lid 6 Sv in het bijzonder de redenen moet opgeven die hebben geleid tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf. Hij kan niet volstaan met de standaardoverweging dat de strafoplegging in overeenstemming is met de aard en ernst van het bewezenverklaarde feit, de omstandigheden waaronder dat is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.(9) Het hof heeft dat in onderhavige zaak ook bepaald niet gedaan, maar heeft daarentegen uitvoerig toegelicht wat het verwijt is dat verdachte wordt gemaakt en dat de hoogte van de straf heeft bepaald.

10.5. Door bovendien te overwegen dat het vanwege de ernst van de feiten en de rampzalige gevolgen daarvan voor de gedupeerden van oordeel is dat de straf, zoals die door de advocaat-generaal is gevorderd, passend en geboden is, heeft het hof mijns inziens voldoende tot uitdrukking gebracht waarom het gemeend heeft een vrijheidsbenemende straf te moeten opleggen. Daarmee heeft het hof ook voldoende tot uitdrukking gebracht waarom een taakstraf als een te lichte straf moet worden aangemerkt, daargelaten de door het middel opgeworpen vraag of hetgeen de raadsman heeft opgemerkt moet worden aangemerkt als een aanbod tot een taakstraf waarop uitdrukkelijk moet worden beslist.

10.6. In de toelichting op het middel wordt er ook over geklaagd dat in de strafmotivering niet wordt ingegaan op de persoonlijke omstandigheden van verdachte ondanks het voorhanden zijn van een voorlichtingsrapportage daaromtrent. De steller van het middel miskent daarmee dat de rechter die over de feiten oordeelt vrij is in de waardering der strafbepalende factoren en niet verplicht is in zijn uitspraak expliciet rekenschap te geven van de inhoud van die rapportage.(10) Het hof heeft de persoonlijke omstandigheden van verdachte in zijn beschouwingen betrokken door te overwegen dat het heeft gelet op de persoon en de draagkracht van de verdachte en op diens justitiële documentatie. Tot meer was het hof niet gehouden.

Voorts ziet de steller van het middel er kennelijk aan voorbij dat art. 359 lid 8 Sv bij Wet van 7 september 2000 (Stb. 365) is afgeschaft.

10.7. Het middel faalt.

11.1. Het negende middel klaagt dat het hof de beslissing tot (gedeeltelijke) toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen onvoldoende met redenen heeft omkleed.

11.2. Het hof heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 3] gedeeltelijke toegewezen tot bedragen van respectievelijk € 45.378,02, € 172.436,48 en € 53.822,53, steeds omdat is vast komen te staan dat de benadeelde partijen als gevolg van het onder 1 primair of subsidiair bewezen geachte rechtstreeks schade hebben geleden. Tot deze bedragen waren de vorderingen reeds in eerste aanleg door de rechtbank toegewezen en daarbij heeft de rechtbank overigens wel gemotiveerd hoe zij tot de bedragen kwam.

11.3. De bewezenverklaring van het onder 1 primair en subsidiair laste gelegde noemt bedragen die verdachte door oplichting en verduistering aan de benadeelde partijen afhandig heeft gemaakt.

Daarbij komt dat uit de bewijsmiddelen en hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep door de verdachte is verklaard, volgt dat meer dan de toegewezen bedragen op de bankrekening van verdachte zijn gestort en dat al het geld door zijn toedoen verloren is gegaan. Voorts heeft de raadsman de vorderingen niet anders betwist dan door te betogen dat verdachte het tenlastegelegde niet heeft begaan en dat de vorderingen niet eenvoudig van aard zijn. Ook in het middel wordt niet toegelicht waarom de vordering te complex zijn en waarin de beslissingen van het hof onjuist zijn. Het oordeel over de ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering is feitelijk en kan in cassatie slechts op zijn begrijpelijkheid worden getoetst.(11) Tegen deze achtergrond acht ik de bestreden beslissingen toereikend gemotiveerd.

11.4. Het middel faalt.

12.1. Het tiende middel klaagt dat het hof ten onrechte het verzoek heeft afgewezen om nieuwe bescheiden te overleggen.

12.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep op 13 juni 2005 vermeldt het volgende:

"Aan de verdachte en de raadsman wordt het recht gelaten het laatst te spreken. De verdachte verzoekt het hof of hij in dat kader een aantal steunbetuigingen van overige schuldeisers, die geen aangifte tegen hem hebben gedaan, over mag leggen."

12.3. Ten aanzien van de beslissing van het hof op dit verzoek vermeldt hetzelfde proces-verbaal het volgende:

"Na beraad in raadkamer wijst het hof het verzoek van de verdachte af, nu de inhoudelijke behandeling reeds is afgesloten, de verdachte alle gelegenheid heeft gehad om al hetgeen hij in het belang van zijn verdediging noodzakelijk achtte naar voren te brengen en voorts niet aannemelijk is geworden dat de inhoud van de steunbetuigingen in rechtstreeks verband staat tot de berechting, maar stelt de verdachte in de gelegenheid uit de brieven te citeren dan wel deze kort samen te vatten.

De verdachte leest vervolgens een aantal passages voor uit een zevental brieven van - niet bij deze strafzaak betrokken - schuldeisers, die hem hebben bericht nog steeds vertrouwen in hem te hebben"

12.4. Vervolgens heeft het hof na het interlocutoire arrest van 27 juni 2005 op de terechtzitting van 29 augustus 2005 de verdachte nogmaals in de gelegenheid gesteld het laatste woord te voeren. Hij heeft daar blijkens het desbetreffende proces-verbaal gebruik van gemaakt door een schriftelijk stuk voor te dragen dat door hem aan het hof is overgelegd en in het dossier is gevoegd.

12.5. Vooropgesteld moet worden dat de verdediging in hoger beroep op basis van art. 414 lid 1 Sv bescheiden kan overleggen waarvan zij meent dat die voor de beantwoording van de vragen van artt. 348 Sv en 350 Sv relevant zijn. In beginsel kan dat gedurende de gehele terechtzitting.(12) Door te overwegen dat de inhoudelijke behandeling reeds is afgesloten heeft het hof miskend dat ook het laatste woord tot die inhoudelijke behandeling behoort. Dat dient immers niet uitsluitend als een soort uitlaatklep. Dit behoeft echter niet tot cassatie te leiden.

12.6. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de bescheiden met name een beeld moesten opwerpen dat verdachte tegenover anderen dan de aangevers integer heeft gehandeld en dat zij dus hooguit voor de strafoplegging informatief konden zijn. Gelet op deze aard van het verzoek en het late stadium waarin het verzoek tot overleggen ervan is gedaan, is aan dat verzoek mijns inziens voldoende tegemoet gekomen door verdachte in de gelegenheid te stellen de inhoud van die brieven mondeling toe te lichten. Overigens heeft de verdachte op de terechtzitting van 29 augustus 2005 nogmaals ruimschoots de gelegenheid gekregen het woord te voeren, in welk verband hij een uitvoerig schriftelijk stuk heeft overgelegd.

12.7. Het middel faalt.

13. Het eerste middel slaagt. De overige middelen falen en kunnen, met uitzondering van het tweede middel, met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoort te leiden.

14. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor zover het betreft de strafoplegging en tot vermindering daarvan, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Zie daarover echter kritisch mijn ambtgenoot Knigge in zijn conclusie bij HR4 april 2006, NJ 2006, 398.

2 Zie HR 7 maart 2000, NJ 2000, 383, in het bijzonder de conclusie van mijn ambtgenoot Wortel met verdere verwijzingen, o.m. naar HR 10 februari 1998, NJ 1898, 497 m.nt. De Hullu (eetpiraat).

3 In de toelichting wordt verwezen naar HR 4 april 2006, NJ 2006, 398 ter onderbouwing van de stelling dat van een valse hoedanigheid in onderhavige zaak geen sprake is. Die zaak is echter niet goed vergelijkbaar met de onderhavige. In die zaak had de verdachte met anderen als klusjesman oudere gemakkelijk te overreden mensen ervan overtuigd dat door hem aan huis werkzaamheden moesten worden verricht, om daar vervolgens veel te hoge prijzen voor te vragen. De Hoge Raad oordeelde dat listige kunstgrepen aangenomen konden worden. Voorts was bewezenverklaard dat de verdachte een valse naam had aangenomen. In lijn met het middel oordeelde de Hoge Raad dat dat laatste uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid. Voor het aannemen van een valse hoedanigheid was de verdachte echter niet veroordeeld.

4 Vgl. de conclusie van mijn ambtgenoot Knigge bij HR 4 april 2006, NJ 2006, 398.

5 HR 12 mei 1998, NJ 1998, 695; r.o. 22 van de conclusie van A-G Jörg onder HR 19 december 2000, LJN AA9068; vgl. ook HR 3 december 2002, NJ 2003, 622.

6 Corstens 2005, p. 663; Van Dorst 2005, p. 196; HR 7 april 1981, NJ 1981, 399.

7 Overigens merk ik op dat het voor het bewijs gebezigde geschrift is aan te merken als een ander geschrift in de zin van art. 344 lid 1 sub 5, dat slechts in verband met andere bewijsmiddelen tot het bewijs kan dienen. Dat verband wordt in cassatie niet uitdrukkelijk bestreden en is er mijns inziens ook voldoende (vgl. Corstens 2005, p. 670)

8 Bijv. HR 7 september 2004, LJN AP0191.

9 HR 29 augustus 2006, LJN AX6411 en HR 19 december 2006, LJN AZ1665.

10 HR 26 juni 1984, NJ 1985, 138; HR 10 september 1991, NJ 1991, 839; HR 21 november 2006, LJN AY7805.

11 HR 21 maart 2006, nr. 00338/05.

12 HR 12 december 1995, NJ 1996, 275.