Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7651

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
25-09-2007
Datum publicatie
25-09-2007
Zaaknummer
01778/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7651
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Strafmotivering. De aan de HR gezonden brief van het Hof maakt dat de strafoplegging ontoereikend is gemotiveerd. CAG over invorderen, inhouden en ongeldig verklaren van het rijbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 596
RvdW 2007, 823
NJB 2007, 1976

Conclusie

Nr. 01778/06

Mr Machielse

Zitting 12 juni 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft op 25 april 2006 het vonnis van de politierechter te 's-Hertogenbosch van 27 oktober 2005, waarbij de verdachte voor 1: "Overtreding van artikel 8, tweede lid aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994" en 2: "Overtreding van artikel 7, eerste lid aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994" is veroordeeld, bevestigd, met uitzondering van de opgelegde straffen. Het hof heeft de verdachte vervolgens veroordeeld tot het verrichten van 240 uren werkstraf, subsidiair 120 dagen hechtenis. Voorts is haar de rijbevoegdheid ontzegd voor de duur van twaalf maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk voor het eerste feit, en voor zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, ten aanzien van het tweede feit.

2. Mr. R. van 't Land, advocaat te Breda, heeft tijdig beroep in cassatie ingesteld en heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3.1. Het middel klaagt erover dat het hof de opgelegde straf niet naar de eisen der wet met redenen heeft omkleed en valt uiteen in twee klachten. Allereerst wordt gesteld dat het hof is uitgegaan van een verkeerd gegeven, te weten dat verdachtes rijbewijs al één jaar was ingevorderd. Een tweede te distilleren klacht is dat het hof is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging ten aanzien van de op te leggen straf, althans dat de strafoplegging onvoldoende is gemotiveerd.

3.2. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt onder andere het volgende in:

(De verdachte:)

"Mijn rijbewijs is nog steeds ingevorderd. In eerste instantie heb ik het teruggekregen maar het CBR heeft het daarna alsnog ingevorderd."

"De raadsman deelt desgevraagd mede dat het rijbewijs van verdachte op 14 maart 2006 door het CBR ongeldig is verklaard."

Voorts deelt de raadsman nog mede:

"De beslissing van het CBR luidt dat verdachte haar rijbewijs gedurende één jaar kwijt is. Vervolgens zou de onvoorwaardelijke rijontzegging gaan lopen. Daar zal ze veel hinder van ondervinden. Ze zal zich in allerlei bochten moeten wringen. Indien ze het rijbewijs na verloop van een jaar weer terug krijgt en de rijontzegging is geheel voorwaardelijk opgelegd, dan zal ze zich nog wel bedenken voordat ze weer met alcohol op achter het stuur gaat zitten."

3.3. De raadsman heeft, nadat hij het proces-verbaal van de terechtzitting onder ogen heeft gekregen, de griffier en de voorzitter schriftelijk verzocht het proces-verbaal op twee punten aan te passen, nu het proces-verbaal naar zijn mening twee omissies kent.

De raadsman heeft in zijn schrijven, d.d. 29 augustus 2006, allereerst opgemerkt dat de weergave van zijn opmerking "De beslissing van het CBR luidt dat verdachte haar rijbewijs gedurende één jaar kwijt is" in zoverre onjuist is, nu hij gezegd zou hebben: "de beslissing van het CBR luidt dat de verdachte haar rijbewijs voor tenminste één jaar kwijt is".

De griffier van het hof heeft de Hoge Raad bij schrijven van 30 oktober 2006 bericht dat deze eerste door de raadsman geplaatste opmerking niet strookt met de herinnering van de griffier en de voorzitter. Nu de lezing van de raadsman niet door de griffier en de voorzitter wordt ondersteund, moet het ervoor worden gehouden dat de raadsman heeft medegedeeld dat de verdachte haar rijbewijs gedurende één jaar kwijt is.

Gelet op het proces-verbaal van de terechtzitting is het rijbewijs van de verdachte ingevorderd geweest. Nadat het aan de verdachte is teruggegeven, heeft het CBR haar rijbewijs kennelijk op 14 maart 2006 ongeldig verklaard. De verdachte werd op dat punt gecorrigeerd door haar raadsman, toen ze verklaarde dat haar rijbewijs (na teruggave) nog steeds was ingevorderd. De verdachte kent, en dat is niet vreemd, het verschil tussen de begrippen invorderen, inhouden, schorsen van de geldigheid en ongeldig verklaren van het rijbewijs niet.

Afgaand op hetgeen de verdachte daarna ter zitting verklaard heeft, heeft het CBR op een gegeven moment kennelijk besloten een onderzoek te doen naar haar rijvaardigheid of haar rijgeschiktheid als bedoeld in art. 131 WVW 1994. Omdat dat onderzoek misliep, is haar rijbewijs uiteindelijk, op 14 maart 2006, overeenkomstig art. 132 WVW 1994 ongeldig verklaard. Of de verdachte vóór die datum al haar rijbewijs bij het CBR heeft ingeleverd, of dat de geldigheid van dat rijbewijs hangende het onderzoek is geschorst, is mij niet duidelijk geworden.

Vreemd is wel dat een blik over de papieren muur leert dat in de onderhavige zaak er geen melding door de politie is gedaan aan het CBR. Wellicht heeft de ongeldigverklaring en het daaraan voorafgaande onderzoek betrekking op iets anders dan de onderhavige feiten.

Het ongeldig verklaren van een rijbewijs is niet gelieerd aan een bepaalde tijd (met dien verstande dat deze ongeldigheid loopt tot het moment het rijbewijs verloopt, want dan is het rijbewijs op een andere grond ongeldig) en moet los worden gezien van een rijontzegging. De tijd dat de geldigheid van een rijbewijs is geschorst wordt bijvoorbeeld niet afgetrokken van de duur van de rijontzegging. In art. 179, zesde lid, WVW 1994 wordt dit immers niet genoemd. Daarnaast wordt in art. 180 WVW 1994 de ongeldigverklaring van het rijbewijs niet genoemd als een omstandigheid die de duur van de rijontzegging kan verlengen, dit in tegenstelling tot het niet inleveren van het rijbewijs of de tijd dat iemand gedetineerd is.

Een ongeldigverklaring van het rijbewijs schort de rijontzegging niet op; zij lopen naast elkaar. De raadsman gaat er van uit dat de rijontzegging pas ingaat nadat het rijbewijs weer geldig is en dat het rijbewijs "automatisch" weer geldig wordt na een jaar. Het lijkt wel alsof de raadsman heeft bedoeld te zeggen dat de geldigheid van het rijbewijs een jaar is geschorst.

Een ongeldig rijbewijs blijft ongeldig, tenzij daartegen met succes bezwaar of beroep wordt ingesteld. De verdachte zal een nieuw rijbewijs moeten zien te halen, zie art. 125 WVW 1994. Een ontzegging van de rijbevoegdheid heeft daarbij wel consequenties, omdat men tijdens een ontzegging ook geen autolessen kan volgen, zie art. 9, tweede lid, WVW 1994 en het derde lid voor de uitzondering. Ook mag men tijdens de ontzegging geen andere motorvoertuigen besturen, zoals een brommer.

Mij ontgaat dan ook het belang dat de raadsman ziet in het aanpassen van de zin in het proces-verbaal omtrent de ongeldigverklaring. Het dossier bevat geen stuk dat de opmerking van het CBR dat de verdachte haar rijbewijs (tenminste) een jaar kwijt is, in een juiste context kan plaatsen. In het kader van de strafzaak, de duur van de ontzegging en de eventuele aftrek is de beslissing van het CBR om het rijbewijs ongeldig te verklaren ook niet van belang.

3.4. Wel geven de griffier en de voorzitter de raadsman gelijk op het volgende punt. De voorzitter zou ter zitting opgemerkt hebben dat (in totaal) twaalf maanden onvoorwaardelijke rijontzegging geen echt nadeel meer zou opleveren, aangezien haar rijbewijs op 21 mei 2005 en, ten tijde van het wijzen van het arrest dus al elf maanden, zou zijn ingevorderd.

Een rijbewijs kan niet meer dan tien dagen worden ingevorderd. Is er op de tiende dag nog geen beslissing door de officier van justitie genomen, dan moet het ervoor worden gehouden dat het rijbewijs is teruggegeven. Wel kan de officier dus binnen die tien dagen beslissen om het rijbewijs in te houden.

Uit de stukken blijkt dat het rijbewijs op 21 mei 2005 is ingevorderd. Volgens de steller van het middel is het op 6 juni 2005 weer teruggegeven aan de verdachte. Of de officier op die dag die beslissing heeft genomen en dat het dus niet anders kan dat het rijbewijs tevens een tijdje ingehouden is geweest, of dat de beslissing van de officier dat het rijbewijs kan worden teruggegeven binnen tien dagen na 21 mei 2005 reeds is genomen en dat de verdachte het pas op 6 juni 2005 heeft opgehaald of heeft teruggekregen, kan ik niet uit de stukken afleiden. Daaromtrent is door het hof ook niets vastgesteld. Wel spreekt het hof in het dictum alleen over de tijd dat het rijbewijs ingehouden is geweest. Dit kan op een misslag berusten en zou door Uw Raad nog wel verbeterd gelezen kunnen worden(1), nu uit het dossier wel blijkt van een invordering, maar niet van een eventuele inhouding. In het lichaam van het arrest staat het overigens wel goed aangegeven: ingevorderd of ingehouden geweest.

Gelet op de door de griffier en de voorzitter niet weersproken correctie op het proces-verbaal, komt het mij voor dat het hof heeft bedoeld bij de strafoplegging aan te sluiten bij het pleidooi van de raadsman. Dit houdt in: een langere werkstraf, maar een gedeeltelijk onvoorwaardelijke rijontzegging, waarbij het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd dat het rijbewijs is ingevorderd/ingehouden is geweest.

Op dit punt acht ik de strafoplegging, gelet op de correspondentie, in combinatie waarmee het proces-verbaal van de terechtzitting moet worden gelezen, dan onbegrijpelijk. De strafoplegging houdt in feite iets anders in dan het hof heeft bedoeld, nu het hof kennelijk heeft bedoeld het onvoorwaardelijke gedeelte van de rijontzegging gelijk te stellen met de tijd dat het rijbewijs ingevorderd en/of ingehouden is geweest.

De brief van 30 oktober 2006, waarin de voorzitter en de griffier de steller van het middel gelijk geven op het tweede punt, geeft aanleiding tot deze gedachte. Zonder de brief zou de strafoplegging op dit punt niet onbegrijpelijk zijn, nu het hof ook nog expliciet motiveert waarom een (dan nog te ondergane) onvoorwaardelijke rijontzegging noodzakelijk wordt geacht. Al met al is de bedoeling van het hof nu zo onduidelijk geworden, dat de strafoplegging onbegrijpelijk wordt.

De klacht slaagt.

3.5. De tweede klacht houdt in dat het hof niet bijzonder heeft gemotiveerd waarom het bij de strafoplegging is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de advocaat-generaal en de verdediging.

Voor zover de steller van het middel meent dat hetgeen door de verdediging is aangedragen moet gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, faalt het. De in het kader van de strafmaat aangevoerde omstandigheden(2) kunnen niet als een "door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie onderbouwd standpunt" worden beschouwd.(3)

Voor zover de steller van het middel zich beroept op het afwijken van een uitdrukkelijk standpunt van de advocaat-generaal, moet de klacht, nog afgezien van het feit dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de advocaat-generaal als bedoeld in art. 359, tweede lid, Sv, falen wegens gebrek aan belang. De verdachte kan in cassatie in de regel niet met vrucht klagen over de nadere motivering van de afwijking van dat standpunt van het openbaar ministerie dan wel over het ontbreken van die nadere motivering. De verdachte mist immers in het algemeen een rechtens te respecteren belang bij zo een klacht.(4)

Vóór 1 januari 2005 diende het arrest, op basis van art. 359, zevende lid, juncto art. 415 Sv een bijzondere overweging te bevatten in het geval de op te leggen straf hoger uitviel dan door de advocaat-generaal gevorderd. Ná 1 januari 2005 is deze zelfstandige eis vervallen. Mede door hetgeen per 1 januari 2005 in art. 359, eerste lid, Sv wordt verlangd, te weten dat in het arrest de eis van de advocaat-generaal moet worden opgenomen, zal het aan het hof duidelijk zijn wanneer het hoger straft dan door de advocaat-generaal geëist. Deze gevallen leiden bij een motiveringsklacht niet per definitie tot cassatie, maar het geval kan zich voordoen dat de door de rechter opgelegde straf in die mate afwijkt van de door het openbaar ministerie gevorderde straf dat de strafoplegging zonder opgave van de redenen die tot die afwijking hebben geleid, onbegrijpelijk zou zijn.(5)

In het onderhavige geval is dit naar mijn idee niet zo. De advocaat-generaal had bevestiging van het vonnis geëist. Qua strafoplegging zou dit neerkomen op een werkstraf voor de duur van 54 uren en een onvoorwaardelijke rijontzegging van in totaal achttien maanden.

Het hof heeft de verdachte een hogere werkstraf opgelegd en de rijontzegging deels voorwaardelijk opgelegd. Deze afwijking is kennelijk ingegeven door de wens van het hof de verdachte terwille te zijn. Als deze wens werkelijkheid was geworden was de strafoplegging nog wel begrijpelijk geweest, temeer nu de verdediging een aanvaardbare taakstraf niet heeft gelimiteerd. In zovere faalt het middel. Maar nu de veronderstellingen waarvan het hof bij de straftoemeting is uitgegaan onjuist blijken te zijn wordt de strafoplegging, zoals ik eerder aangaf, alsnog onbegrijpelijk.

4. Het eerste onderdeel van het middel lijkt mij terecht voorgesteld.

5. Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad het bestreden arrest zal vernietigen voor zover het betreft de strafoplegging en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde opnieuw over de straftoemeting te beslissen.

Ambtshalve heb ik geen andere gronden voor vernietiging aangetroffen.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Zie bijvoorbeeld HR 6 februari 2007, LJN AZ4755.

2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

"Het gaat hier om een strafmaatappel. Over de feiten bestaat geen discussie. Mijn cliënt beseft dat de gevolgen erger hadden kunnen uitpakken. Er was sprake van een hoge mate van alcoholgebruik. Ze had als het ware geen keuzemogelijkheid meer en is in de auto gestapt. Mijn cliënt was niet op de hoogte van het door haar veroorzaakte ongeval. Ze heeft hiervan geen melding gedaan omdat ze het niet wist. Het feit wordt, net als het eerste feit, niet betwist. Mijn cliënt is bereid om een zwaardere werkstraf te accepteren mits de rijontzegging geheel voorwaardelijk wordt opgelegd. Ze realiseert zich de gevolgen. Mijn cliënt moet regelmatig haar kinderen bezoeken die in detentie zitten. Tevens moet ze met twee andere kinderen regelmatig naar het ziekenhuis. Ze staat er alleen voor. De beslissing van het CBR luidt dat verdachte haar rijbewijs gedurende één jaar kwijt is. Vervolgens zou de onvoorwaardelijke rijontzegging gaan lopen. Daar zal ze veel hinder van ondervinden. Ze zal zich in allerlei bochten moeten wringen. Indien ze het rijbewijs na verloop van een jaar weer terug krijgt en de rijontzegging is geheel voorwaardelijk opgelegd, dan zal ze zich nog wel bedenken voordat ze weer met alcohol op achter het stuur gaat zitten."

3 Vgl. voor een beroep art. 359, tweede lid, Sv in het kader van de strafmaat bijv. HR 6 juni 2006, LJN AW2430.

4 Ontleend aan HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 549.

5 Eveneens ontleend aan HR 3 oktober 2006, NJ 2006, 549.