Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7644

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
R06/165HR
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2006:AY7519
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7644
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. geschil tussen voormalige echtelieden bij verdeling van de huwelijksgemeenschap over kostenverrekening volgens huwelijkse voorwaarden (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 697
RvdW 2007, 884
RFR 2007, 136
NJB 2007, 2150
JWB 2007/351
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. : R06/165HR

Mr. J. Wuisman

Parket: 15 juni 2007

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

verzoekster tot cassatie,

advocaat: Mr. C.A.J. van der Meulen,

tegen

[De man],

verweerder in cassatie,

advocaat: Mr. R.K. van der Brugge.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In de onderhavige zaak, die op de afwikkeling van de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding tussen partijen betrekking heeft, kan van de volgende feiten((1)) worden uitgegaan:

(i) De man, geboren in 1950, en de vrouw, geboren in 1949, zijn op 12 oktober 1974 onder huwelijkse voorwaarden((2)) met elkaar gehuwd.

(ii) Krachtens artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden zal er generlei gemeenschap van goederen in welke vorm dan ook bestaan. In artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden is verder bepaald:

"De kosten van de huishouding komen ten laste van de man, zodat het aandeel van de vrouw in die kosten nihil bedraagt. De kosten der huishouding zullen in ruime zin moeten worden opgevat, zodat onder meer daaronder zullen zijn begrepen de premiën van normale gezinsverzekeringen, met uitzondering echter van premiën en koopsommen verschuldigd en/of betaald wegens overeenkomsten van levens- en ongevallenverzekering, welke premiën komen ten laste van en zijn verschuldigd door de begunstigde echtgenoot/echtgenote.

Onder de kosten der huishouding zullen met name niet zijn begrepen belastingen terzake van het inkomen verschuldigd, de belastingen, die het karakter van kapitaalsheffingen hebben en de belastingen, die betrekking hebben op een bepaalde zaak van een der echtgenoten."

(iii) Uit het huwelijk zijn twee, inmiddels meerderjarig geworden kinderen geboren.

(iv) De samenleving tussen partijen is feitelijk per 31 december 2002 geëindigd. Het huwelijk is ontbonden geraakt door inschrijving op 16 juni 2005 van de echtscheidingsbeschikking d.d. 15 december 2004 in de registers van de burgerlijke stand.

(v) In 1971 is de man een ongeval overkomen, waaraan hij een vrij ernstige handicap heeft overgehouden. Ondanks die handicap heeft hij tijdens het huwelijk - tot ongeveer 1994 fulltime - gewerkt, eerst in loondienst en later in een eigen bedrijf. Ten tijde van de echtscheidingsprocedure had hij nog een klein bedrijfje.

(vi) De vrouw heeft grotendeels voor de kinderen gezorgd en ook voor de man. Daarnaast heeft zij deeltijdbaantjes gehad en ook in het bedrijf van de man gewerkt.

1.2 In de door de man geëntameerde echtscheidingsprocedure bij de rechtbank Utrecht heeft de vrouw bij wege van zelfstandig verzoek de rechtbank verzocht, behalve om de man te veroordelen tot betaling van alimentatie ten behoeve van haar((3)), ook om te bepalen dat de man aan haar een bedrag van € 156.927,- dient te betalen. Aan dit laatste verzoek legt zij, kort samengevat, het volgende ten grondslag: gedurende het huwelijk heeft zij inkomsten genoten voor een bedrag van in totaal € 168.521,- ((4)); per 1 januari 2003 had zij aan spaartegoed een bedrag van € 11.594,-; het verschil tussen beide genoemde bedragen heeft zij besteed aan kosten voor de huishouding, welke kosten ingevolge artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden door de man gedragen dienen te worden; wat de huwelijkse voorwaarden inhielden, wist zij gedurende het huwelijk niet.

1.3 De man heeft het verzoek van de vrouw met betrekking tot de vergoeding van de huishoudkosten bestreden. Zijn verweer komt, kort samengevat, op het volgende neer:

- primair: de kosten van de huishouding zijn geheel door de man gedragen, zodat hij ter zake niets aan de vrouw verschuldigd is; hij stelde aan de vrouw maandelijks een vast bedrag beschikbaar ten behoeve van de kosten van de huishouding; daarnaast voldeed hij ook die kosten van de huishouding, waarvoor de vrouw apart opgave deed door middel van 'onkostennota's', en nam hij ook alle overige kosten voor zijn rekening zoals die betreffende gas, water, elektriciteit, onderhoud en reparaties van het huis, verzekeringen, vakanties, eten buiten huis, autokosten van de vrouw etc.; de uitgaven van de vrouw uit haar eigen inkomsten betroffen niet te zijnen laste komende kosten van de huishouding, maar hadden betrekking op persoonlijke zaken((5)).

- subsidiair: de vrouw kan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen onderlinge afrekening over de periode van 12 oktober 1974 tot 1 januari 2003 verlangen; de man beschikt uiteraard niet meer over bankafschriften e.d. uit de eerste decennia van het huwelijk; in dit verband verwijst de man ook naar HR 29 april 1994, NJ 1995, 561, m.nt. WMK((6)).

1.4 Bij beschikking d.d. 5 oktober 2005 heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw als vergoeding voor door haar betaalde kosten van de huishouding een bedrag van € 50.149,50 dient te voldoen. Zij overweegt daartoe, kort samengevat, onder meer:

a. het is aannemelijk dat de vrouw uit haar inkomsten dingen heeft betaald wanneer zij aan het huishoudgeld tekort kwam, en dat zij nimmer de moeite heeft genomen haar eigen inkomsten apart te houden omdat zij zich er niet van bewust was dat zij niet in de kosten van de huishouding hoefde bij te dragen; de man heeft niet gesteld dat de vrouw zich evenals hij bewust was van de inhoud van de huwelijkse voorwaarden (rov. 3.7).

b. de man heeft erkend dat de vrouw kosten van de huishouding heeft betaald, die hij best zou hebben willen dragen (rov. 3.7).

c. de hoogte van het bedrag dat de vrouw aan kosten van de huishouding heeft besteed, staat niet vast; er is geen administratie met betrekking tot de gehele huwelijksperiode bewaard; het is niet uitgesloten dat de vrouw privé-uitgaven heeft gedaan, zoals door de man gesteld (rov. 3.8).

d. de besparingen aan zijn kant heeft de man mede kunnen opbouwen door de bijdragen van de vrouw in de kosten van de huishouding; de man dient haar een bedrag van € 50.149,50,- te voldoen (rov. 3.10).

1.5 De man stelt bij het hof Amsterdam principaal hoger beroep in. Met negen grieven bestrijdt hij de gronden waarop de rechtbank de beslissing baseert dat hij aan de vrouw een vergoeding heeft te betalen voor bijdragen harerzijds in de kosten van de huishouding. Hij wijst er opnieuw op dat hij alle kosten van de huishouding heeft gedragen, en dat de uitgaven van de vrouw een privékarakter hadden. Verder voert hij aan, dat de vrouw zich terdege bewust is geweest van het feit dat zij niet in de kosten van de huishouding hoefde bij te dragen. Hij wijst in dat verband op de door haar bij hem ingediende kostennota's.

1.6 De vrouw bestrijdt de grieven van de man en stelt harerzijds incidenteel hoger beroep in. In dat kader voert zij als eerste grief aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de mede tot het vermogen van de man behorende voormalige echtelijke woning. Niet alleen was het destijds de bedoeling dat de echtelijke woning van partijen op haar naam zou worden gesteld, maar ook heeft de man rente en aflossingen kunnen betalen door haar uitgaven ten behoeve van de kosten van de huishouding. Uitgaande van het gehele vermogen van de man per 1 januari 2003 (de besparingen en de woning) heeft zij recht op een bedrag van € 395.149,50. De tweede grief, die de vrouw aanvoert, bevat de klacht dat, gelet op de door de vrouw in het geding gebrachte bewijsstukken betreffende haar inkomsten en uitgaven, de rechtbank ten onrechte het in prima verzochte bedrag van € 156.927,- niet in zijn geheel heeft toegewezen.

De man voert verweer tegen de twee grieven van de vrouw. Hij wijst in verband met de eerste grief er onder meer op dat de eerste woning, waarin partijen hebben samengewoond, door hem bij het huwelijk is ingebracht en dat de per 1 januari 2003 aan de man toebehorende woning is gefinancierd, behalve met de opbrengst van deze en een volgende woning, met aflossingsvrije hypothecaire leningen. De waardevermeerdering van de huidige woning is geheel aan de waardestijgingen op de onroerend goed markt toe te schrijven. De vrouw is bewust bij elke verwerving van een woning betrokken. Zij heeft nimmer er bezwaar tegen gemaakt dat de woningen op naam van de man werden gesteld. Naar aanleiding van de tweede grief betwist de man alsnog nadrukkelijk dat de vrouw inkomsten heeft genoten voor een totaal bedrag als door haar gesteld (€ 178.671,-).

1.7 Na een mondelinge behandeling op 26 april 2006 geeft het hof een beschikking, die op 24 augustus 2006 in het openbaar is uitgesproken. Het hof acht het verzoek van de vrouw om te bepalen dat de man op basis van de huwelijkse voorwaarden aan haar enig bedrag moet betalen niet toewijsbaar en vernietigt daarom de beschikking d.d. 5 oktober 2005 van de rechtbank voor zover van belang.

Het verzoek van de vrouw, voor zover het betrekking heeft op een vergoeding voor de door haar gedragen kosten van de huishouding, is naar het - in de eerste alinea van rov. 4.3 vervatte - oordeel van het hof naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, want:

- het ligt voor de hand aan te nemen dat ter zake van kosten van de huishouding periodiek, te weten na het verstrijken van ieder kalenderjaar, afrekening dient plaats te vinden;

- onbetwist is komen vast te staan dat de vrouw tijdens het huwelijk gedetailleerde nota's heeft opgemaakt en aan de man heeft overhandigd voor uitgaven die hij voor zijn rekening diende te nemen en ook heeft genomen;

- hieruit volgt dat de vrouw er mee bekend was dat de man op basis van de huwelijkse voorwaarden de kosten van de huishouding diende te dragen en dat zij bewust bepaalde kosten niet in rekening bracht;

- bij voormelde omstandigheden hoefde de man er geen rekening mee te houden dat de vrouw bij het einde van het huwelijk de door haar gemaakte kosten alsnog ter verrekening zou gaan opvoeren.

Voor zover het verzoek van de vrouw om een vergoeding verband houdt met de voormalige echtelijke woning, acht het hof het verzoek niet toewijsbaar omdat onder de in de tweede alinea van rov. 4.3 vermelde omstandigheden er geen grond bestaat voor verrekening van enig gedeelte van de huidige waarde van de voormalige echtelijke woning.

1.8 De vrouw is in cassatie gekomen met een verzoekschrift dat op 24 november 2006 bij de griffie van de Hoge Raad is binnengekomen. Het cassatieberoep is, gelet op de in artikel 426, lid 1 Rv genoemde termijn van drie maanden, dus tijdig ingesteld. De man heeft op 8 februari 2007 een verweerschrift bij de Hoge Raad ingediend.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het verzoekschrift in cassatie bevat één cassatiemiddel, dat 12 bladzijden beslaat maar geen duidelijk gestructureerde opbouw heeft. Op een aantal plaatsen moet er naar worden gegist of dan wel waarover en/of waarom wordt geklaagd.

Naar het voorkomt, worden in het cassatiemiddel drie vraagpunten aangesneden:

1. moet voor de afrekening ter zake van de door de vrouw voldane kosten van de huishouding worden uitgegaan van een periodieke verrekening of van een finale verrekening (blz. 1 en 2)?

2. heeft het hof kunnen concluderen dat de vrouw haar recht op een vergoeding voor de door haar voldane kosten van de huishouding heeft verwerkt (blz. 3 t/m 10, eerste volle alinea)?

3. heeft het hof, voor zover het de voormalige echtelijke woning in zijn beschouwingen betrekt, het verzoek van de vrouw om een vergoeding wel vanuit de juiste grondslag beoordeeld of, in het bevestigende geval, wel op de juiste gronden afgewezen (blz. 10 t/m 12)?

De bespreking hierna van het cassatiemiddel zal op basis van deze drie vraagpunten geschieden.

periodieke of finale verrekening/afrekening?

2.2 In de eerste zin van rov. 4.3 stelt het hof voorop dat in een geval, waarin de kosten van de huishouding ten laste zijn gekomen van het inkomen van de echtgeno(o)t(e) die niet in die kosten behoefde bij te dragen, er aanleiding bestaat tot het betalen van een vergoeding daarvoor door de andere echtgeno(o)t(e). Daarop laat het hof volgen:

"Tegen afrekening bij het einde van huwelijk bestaat echter het praktische bezwaar dat de voor de berekening van de over en weer verschuldigde bedragen benodigde gegevens veelal niet meer aanwezig zullen zijn. Het ligt daarom voor de hand aan te nemen dat de onderlinge afrekening periodiek dient plaats te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar."

2.3 Op blz. 2 van het cassatierekest wordt hiertegen aangevoerd dat niet periodieke verrekening maar een finale verrekening tot uitgangspunt moet worden genomen((7)). Met finale verrekening (lees: afrekening) wordt, zo mag wel worden aangenomen, bedoeld een afrekenen aan het einde van het huwelijk. Voor het nemen van finale afrekening als uitgangspunt wordt het volgende aangevoerd. In de huwelijkse voorwaarden is geen periodieke verrekening opgenomen en ook geen vervalbeding. Verder zullen partijen zich veelal niet bewust zijn van de gevolgen van het achterwege laten van een jaarlijkse afrekening - (waarbij hier waarschijnlijk op het gevolg van rechtsverwerking zal worden gedoeld) - en dat betekent dat het aanvaarden van een jaarlijkse afrekening als uitgangspunt tot gevolg zal hebben dat in belangrijke mate de werking aan artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden wordt ontnomen. Er wordt tot slot verwezen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het Amsterdamse verrekenbeding. Met die verwijzing zal wel zijn beoogd om aan te geven dat het resultaat van die jurisprudentie in de onderhavige zaak overeenkomstige toepassing dient te krijgen. Het Amsterdamse verrekenbeding gaat uit van een periodiek (jaarlijks) verrekenen van gespaarde netto-inkomsten en bevat het beding dat het recht op verrekenen na een zekere periode na het einde van het betreffende kalenderjaar vervalt. In de jurisprudentie met betrekking tot het Amsterdamse verrekenbeding is de mogelijkheid om met succes een beroep op het vervalbeding te doen sterk beperkt en is zo ruimte geschapen voor een verrekening aan het einde van het huwelijk, (zij het dan van het verschil tussen de aanwas van het vermogen aan weerszijden).

2.4 Het hof heeft voor zijn beoordeling van het onderhavige vraagpunt onmiskenbaar aansluiting gezocht bij HR 29 april 1994, NJ 1995, 561, m.nt. WMK, het arrest van de Hoge Raad waarop de man een beroep heeft gedaan in het kader van zijn subsidiaire verweer tegen het verzoek van de vrouw om een vergoeding voor de door haar betaalde kosten van de huishouding.

Dit arrest van de Hoge Raad heeft eveneens betrekking op een geval waarin de vrouw na het einde van het huwelijk afrekening van de uit haar inkomen betaalde kosten van de huishouding verlangt van de man, die krachtens de huwelijkse voorwaarden deze kosten diende te dragen. In de huwelijkse voorwaarden komt geen regeling van de wijze van afrekening voor. In rov. 3.3 stelt de Hoge Raad voorop:

"(...) dat in een geval waarin de kosten van de huishouding ten laste zijn gekomen van het inkomen van een echtgenoot die niet in die kosten behoefde bij te dragen, (.......), aanleiding bestaat tot vergoeding door de andere echtgenoot. Afrekening ter zake zal in het algemeen niet plaatsvinden na iedere uitgave afzonderlijk. Tegen afrekening bij het einde van het huwelijk bestaat echter het praktische bezwaar dat de voor berekening van de over en weer verschuldigde bedragen benodigde gegevens veelal niet meer aanwezig zullen zijn. Het ligt daarom voor de hand aan te nemen dat de onderlinge afrekening periodiek plaats dient te vinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar."

2.5 Door voor wat betreft het tijdstip van het afrekenen van kosten van de huishouding met de echtgenoot die deze kosten dient te dragen - afrekening na het einde van ieder kalenderjaar - de Hoge Raad te volgen, geeft het hof geen met de huwelijkse voorwaarden strijdig oordeel. De huwelijkse voorwaarden bevatten op dit punt geen regeling, (althans voor zover uit de in noot 2 genoemde productie valt af te leiden). Er is derhalve op dit punt sprake van een leemte die tussen partijen op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden opgevuld.

2.6 De aard van de kosten van de huishouding - veelsoortig en vaak bestaande uit relatief geringe bedragen - én het ervaringsfeit dat veelal geen boek van deze kosten wordt gehouden, maken het, ter vermijding van (bewijs)complicaties bij een afrekening lang nadat de kosten zijn gemaakt, op zichzelf wenselijk en ook nodig dat de afrekening periodiek geschiedt, bijvoorbeeld zoals door de Hoge Raad aangegeven na het einde van ieder kalenderjaar. Tegen deze achtergrond bezien, is het niet vreemd dat het hof bij het opvullen van de hierboven genoemde leemte op de voet van de redelijkheid en billijkheid aansluiting zoekt bij het oordeel van de Hoge Raad dat afrekening per kalenderjaar dient te geschieden.

2.7 De keuze voor periodiek afrekenen heeft niet zonder meer tot gevolg dat het recht op afrekenen telkenmale enige tijd na de periodieke afrekendatum vervalt en het dus niet tot een afrekenen aan het einde van het huwelijk kan komen. Het hof beslist niet dat aan het periodiek afrekenen rechtens tevens een vervalbeding is verbonden. Reeds om deze reden kan het beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het Amsterdamse verrekenbeding niet baten. Ingevolge artikel 3:321, lid 1, aanhef en onder a BW zal de mogelijkheid om het recht op afrekening uit te oefenen niet gedurende de huwelijksperiode als gevolg van verjaring verloren gaan. Wel kan het recht verwerkt worden, maar of daarvan sprake is zal telkenmale op basis van de omstandigheden van het concrete geval moeten worden beoordeeld. Om de hieronder in 2.10 te vermelden redenen zal de jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het Amsterdamse verrekenbeding niet met succes tegen de aanvaarding van de mogelijkheid van rechtsverwerking in stelling kunnen worden gebracht.

2.8 Kortom, de keuze van het hof voor de periodieke afrekening leidt op zichzelf niet er toe dat in belangrijke mate de werking aan het bepaalde in artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden wordt ontnomen. Op het voorgaande stuiten, naar het voorkomt de klachten af, die in verband met het vraagpunt periodieke of finale afrekening worden opgeworpen.

rechtsverwerking

2.9 Het oordeel van het hof in de eerste alinea van rov. 4.3 dat de vordering achteraf van de vrouw naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, komt, gelet op de gronden waarop dit oordeel rust, hierop neer dat naar het oordeel van het hof de vrouw haar recht jegens de man op een vergoeding voor de door haar betaalde kosten van de huishouding heeft verwerkt. Rechtsverwerking ziet op het geval dat de houding of gedragingen van de rechthebbende jegens de wederpartij het uitoefenen van diens recht onaanvaardbaar maken((8)). Zo'n geval acht het hof hier aanwezig. De gedragingen van de vrouw - (het tijdens het huwelijk enerzijds gedetailleerde nota's bij de man indienen van kosten, die man voor zijn rekening diende te nemen en ook nam, en anderzijds bewust bepaalde kosten niet in rekening brengen) -, maken het te samen met de overige omstandigheden - (de vrouw was er kennelijk mee bekend dat de man ingevolge de huwelijkse voorwaarden de kosten van de huishouding diende te dragen en de man hoefde er dan ook geen rekening meer mee te houden dat de vrouw bij het einde van het huwelijk alsnog vergoeding van de door haar gemaakte kosten zou verlangen) - naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de vrouw haar recht op vergoeding ter zake van de kosten van de huishouding jegens de man nu bij het einde van het huwelijk nog uitoefent.

2.10 Dat het rechtens tot de mogelijkheden behoort dat een recht van de ene echtgenoot op vergoeding van kosten van de huishouding jegens de andere echtgenoot als gevolg van rechtsverwerking verloren kan gaan, vindt bevestiging in HR 22 mei 1987, NJ 1988, 231, m.nt. EAAL en HR 29 april 1994, NJ 1995, 561, m.nt. WMK. Dat deze jurisprudentie van de Hoge Raad, zoals op blz. 6 van het cassatierekest wordt betoogd, door de op blz. 2 van het cassatierekest genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad inzake het Amsterdamse verrekenbeding achterhaald is, valt niet in te zien. In laatstgenoemde jurisprudentie is de vraag van rechtsverwerking niet aan de orde. Bovendien blijkt uit HR 15 september 2006, NJ 2007, 217, m.nt. WMK, dat de Hoge Raad een beroep op een vervalbeding ten aanzien van het recht op afrekenen van kosten van de huishouding, anders dan bij het recht op het verrekenen van gespaarde netto-inkomsten, in beginsel niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht; zie de tweede alinea van rov. 3.4. Dan bestaat er zeker geen aanleiding om het aanvaarden van de mogelijkheid van rechtsverwerking bezwaarlijk te achten.

2.11 Op blz. 8 van het cassatierekest wordt in de tweede alinea eerst opgemerkt dat het hof concludeert tot rechtsverwerking. Daarna volgt in een tussenzin de opmerking: "de man heeft hierop geen beroep gedaan en in die zin kan gesproken worden van een verrassingsbeslissing." Gaat het hier slechts om een opmerking of ook om een klacht dat het hof geen toepassing aan rechtsverwerking had mogen geven? In de schriftelijke toelichting van de zijde van de man wordt op dit punt niet ingegaan, wat er op wijst dat van die zijde in de opmerking geen klacht is gelezen. Mede hierin wordt aanleiding gevonden om in de opmerking niet tevens een klacht opgesloten te achten. Daar komt nog bij dat de man in het kader van zijn subsidiaire verweer wel een beroep op rechtsverwerking heeft gedaan ((9)).

2.12 Op blz. 3, tweede alinea, van het cassatierekest wordt de algemene klacht geformuleerd dat het hof door te oordelen dat de vrouw te dezen haar recht om ter zake van de door haar gedragen kosten van de huishouding met de man af te rekenen heeft verwerkt, blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn arrest op dit punt niet naar behoren heeft gemotiveerd. Die klacht wordt op de volgende bladzijden van het verzoekschrift nader uitgewerkt.

2.13 In de vierde alinea op blz. 3 van het cassatierekest wordt er over geklaagd, dat het hof miskend heeft dat er tussen partijen een verplichting tot het doen van rekening en verantwoording bestaat.

Deze klacht faalt. Niet alleen is in de vorige instanties dit punt geen voorwerp van debat geweest, ook valt niet in te zien dat uit de aanvaarding van rechtsverwerking volgt dat het hof, zo genoemde verplichting zou bestaan, dat heeft miskend.

2.14 Vanaf blz. 3, onderaan, tot en met in ieder geval blz. 6, eerste alinea, wordt een opsomming gegeven van wat de vrouw met betrekking tot haar inkomsten en de besteding daarvan aan kosten van de huishouding heeft gesteld en met documenten onderbouwd en wat de man daartegen heeft aangevoerd. Daaraan wordt op blz. 7, laatste alinea, en blz. 8, eerste alinea, toegevoegd, dat de man geen enkel bewijs heeft geleverd van zijn stelling dat hij de kosten van de huishouding aan de vrouw heeft vergoed en dat het hof dit ten onrechte in het midden heeft gelaten. Dat mondt op blz. 7, tweede alinea, van het cassatierekest uit in de stelling dat de vrouw minst genomen aannemelijk heeft gemaakt dat er door haar gedurende het huwelijk kosten van de huishouding zijn betaald die niet door de man zijn vergoed. Aan dit alles wordt in de eerste alinea van blz. 7 de klacht verbonden, dat het hof heeft miskend dat de hoofdregel is dat er tussen partijen verrekend dient te worden, indien vaststaat dat de vrouw kosten van de huishouding heeft betaald zonder dat de man deze aan haar heeft vergoed.

Het hof heeft de gestelde hoofdregel, voor zover die inhoudt dat er tussen partijen verrekend dient te worden indien vaststaat dat de vrouw kosten van de huishouding heeft betaald zonder dat de man deze aan haar heeft vergoed, op zichzelf niet miskend. Tot rechtsverwerking heeft het hof immers niet kunnen concluderen dan na eerst - zij het, naar het voorkomt, veronderstellenderwijs - aan te nemen dat de vrouw kosten van de huishouding heeft betaald en zij ter zake in eerste instantie ook een recht op vergoeding jegens de man had. Alleen met betrekking tot een recht, waarvan het bestaan - al dan niet veronderstellenderwijs - wordt aangenomen, kan geoordeeld worden dat het verwerkt is en daardoor niet meer kan worden uitgeoefend.

2.15 De tweede alinea op blz. 8 van het cassatierekest bevat de klacht dat het hof niet met alle bijzonderheden van het geval rekening heeft gehouden. Aan welke bijzonderheden van het geval het hof is voorbijgegaan, wordt echter niet uit de doeken gedaan. Daarop strandt de klacht.

2.16 In de derde en vierde alinea op blz. 8 van het cassatierekest wordt er vervolgens over geklaagd, dat het hof heeft miskend dat voor het aannemen van rechtsverwerking is vereist dat bij de schuldenaar het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken of dat de positie van de schuldenaar onredelijk wordt benadeeld.

Hier wordt uit het oog verloren dat het hof beide aspecten bij zijn oordeel inzake rechtsverwerking in aanmerking heeft genomen. In de eerste alinea van rov. 4.3 laat het hof meewegen zowel dat aan afrekening bij het einde van het huwelijk het - ook voor de schuldenaar, in casu de man, geldende - praktische bezwaar kleeft dat de voor berekening van de over en weer verschuldigde bedragen benodigde gegevens veelal niet meer aanwezig zullen zijn, als dat de man er geen rekening meer mee behoefde te houden dat de vrouw bij het einde van het huwelijk de door haar gemaakte kosten alsnog ter verrekening zou gaan opvoeren. De hier aan de orde zijnde klacht treft derhalve geen doel wegens gemis aan feitelijke grondslag.

2.17 In de vijfde alinea op blz. 8 t/m de tweede alinea op blz. 10 van het cassatierekest wordt de deugdelijkheid bestreden van de feitelijke grondslag, waarop het hof zijn oordeel inzake rechtsverwerking heeft gebaseerd.

2.17.1 In de eerste alinea van rov. 4.3 neemt het hof als onweersproken onder meer aan dat de vrouw tijdens het huwelijk gedetailleerde nota's heeft opgemaakt welke door de man zijn betaald. Naar aanleiding hiervan worden in de vierde alinea op blz. 8 van het cassatierekest enkele vragen met betrekking tot die nota's opgeworpen. Het zijn vragen van puur feitelijke aard, die niet eerder zijn gesteld en in cassatie niet voor het eerst aan de orde kunnen worden gesteld. Van het oordeel van het hof kan derhalve in cassatie onverkort worden uitgegaan.

2.17.2 Uit het gedurende het huwelijk indienen door de vrouw van kostennota's bij de man en het voldoen van die nota's door de man leidt het hof af, dat de vrouw er kennelijk wel mee bekend was dat de man op basis van de huwelijkse voorwaarden de kosten van de huishouding diende te dragen en dat zij bepaalde kosten bewust niet in rekening heeft gebracht. Aan dit alles verbindt het hof het gevolg dat de man in deze situatie er geen rekening mee hoefde te houden dat de vrouw bij het einde van het huwelijk de door haar gemaakte kosten alsnog ter verrekening zou gaan opvoeren. Het gaat hier om een reeks van feitelijke oordelen, die in cassatie alleen op begrijpelijkheid kunnen worden beoordeeld.

Blijkens de eerste volle alinea van blz. 10 van het cassatierekest klaagt de vrouw - behalve over onjuistheid van de hiervoor vermelde oordelen, waarvoor echter vanwege het feitelijke karakter van de oordelen geen ruimte is - ook over onbegrijpelijkheid van die oordelen. In verband daarmee geeft zij op blz. 9 van het cassatierekest eerst weer wat de man over haar wetenschap van het niet hoeven dragen van de kosten van de huishouding en de door haar ingediende nota's heeft gesteld (tweede alinea) en vervolgens wat zij daartegen heeft ingebracht (derde alinea). Zij wijst er op dat zij heeft gesteld niet bekend te zijn geweest met de inhoud van de huwelijkse voorwaarden en dat zij zich niet er van bewust was dat de man op grond van de huwelijkse voorwaarden gehouden was alle kosten van de huishouding te betalen. Ook geeft zij aan dat en waarom zij uit haar eigen inkomsten kosten van de huishouding is gaan betalen en waarop die kosten betrekking hadden. Met dit alles maakt de vrouw echter de onbegrijpelijkheid van de oordelen van het hof, die een verwerping van het door de vrouw ingenomen standpunt inhouden, niet duidelijk.

2.18 In de eerste volle alinea op blz. 10 wordt ook nog opgemerkt: "Van een onaanvaardbaar zijn op grond van de redelijkheid en billijkheid zoals door het Hof hier overwogen is geen sprake." Daaraan wordt als redengeving toegevoegd: "De man heeft voor de juistheid van zijn stelling geen enkel bewijs bijgebracht noch aangeboden en zijn stelling is door de vrouw betwist. Hij is het die in deze de bewijslast heeft zoals hiervoor reeds opgemerkt."

Indien het hier gaat om een klacht, faalt deze. Het oordeel dat het verzoek achteraf van de vrouw naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, stoelt op onweersproken stellingen en daaruit afgeleide feiten. Onder deze omstandigheden bestond er geen noodzaak en aanleiding meer om van de man bewijs te verlangen.

2.19 De beschouwingen hierboven in 2.9 t/m 2.18 voeren tot de slotsom dat het oordeel van het hof dat de vrouw haar recht op een vergoeding voor de door haar betaalde kosten van de huishouding heeft verwerkt, tevergeefs wordt bestreden.

de vergoeding in samenhang met de echtelijke woning

2.20 Voor zover de vrouw bij het verzoek om een vergoeding de echtelijke woning betrekt, die partijen eind 2002 nog samen bewoonden, heeft het hof dat verzoek in de tweede alinea van rov. 4.3 niet opgevat als een verzoek om de man te veroordelen aan de vrouw een bedrag te betalen ter compensatie van hetgeen zij uit haar eigen inkomsten aan kosten van de huishouding heeft voldaan, maar als een verzoek om de man te veroordelen aan de vrouw een bedrag te betalen gelijk aan de helft van de waarde van de woning omdat zij meent tot de helft van die waarde gerechtigd te zijn.

2.21 Op blz. 10, laatste alinea, van het cassatierekest wordt gesteld dat het hof in de tweede alinea van rov. 4.3 uitgaat van een onjuiste lezing van hetgeen de vrouw in incidenteel beroep heeft gevraagd. Met wat in die laatste alinea van blz. 10 en verder in de eerste alinea van blz. 11 van het cassatierekest ter toelichting op deze klacht wordt opgemerkt, wordt niet, althans niet voldoende, duidelijk gemaakt waarin de onjuistheid van de lezing van het hof steekt en evenmin in welk opzicht de vrouw nadeel van 's hofs lezing heeft en dus belang bij de klacht heeft. Hierop strandt de klacht.

2.22 In de tweede alinea van blz. 11 van het cassatierekest wordt verondersteld dat het hof voor de afwijzing van het verzoek om een vergoeding in samenhang met de voormalige echtelijke woning voortborduurt op het oordeel inzake rechtsverwerking in de eerste alinea van rov. 4.3. Dat is niet het geval. De klacht in de tweede alinea van blz. 11 mist derhalve feitelijke grond en kan daarom geen doel treffen.

2.23 In de derde en vierde alinea van blz. 11 en de eerste alinea van blz. 12 van het cassatierekest wordt de hiervoor in 2.20 vermelde lezing van het verzoek van de vrouw om een vergoeding in samenhang met de voormalige echtelijke woning tot uitgangspunt genomen. Betoogd wordt dat dat wat het hof in de tweede alinea van rov. 4.3 overweegt, onjuist dan wel onvoldoende gemotiveerd is.

2.23.1 Bij de uitwerking van de klacht in de vierde alinea van blz. 11 van het cassatierekest lijkt onder meer de - aan de jurisprudentie met betrekking tot het Amsterdamse verrekenbeding ontleende - lijn te worden gevolgd, dat de man de voormalige echtelijke woning heeft kunnen verwerven en behouden met inkomen dat periodiek verrekend had moeten worden, en dat, nu die periodieke verrekening achterwege is gebleven, er finaal afgerekend dient te worden overeenkomstig de 'beleggingsleer'. Hier wordt uit het oog verloren dat de huwelijkse voorwaarden, die tussen partijen hebben gegolden, niet voorzien in een verplichting van de man om inkomsten met de vrouw te verrekenen. De klacht mist in zoverre feitelijke grondslag.

2.23.2 In de tweede alinea van rov. 4.3 overweegt het hof onder meer: "De man heeft onweersproken gesteld dat partijen toen zij in het huwelijk traden in een door de man aangeschafte woning zijn gaan wonen en dat bij verhuizing de overwaarde consequent werd ingebracht in de nieuwe woning. Voorts is onweersproken gesteld dat de woningen steeds zijn gefinancierd met aflossingsvrije hypothecaire leningen en er derhalve niets uit de huishoudpot is aangewend voor vermogensopbouw door afbetaling op de aan de woning verbonden schuld."

In de eerste alinea van blz. 12 wordt onder verwijzing naar enige vindplaatsen in het verweerschrift in appel tevens incidenteel beroep van de vrouw beweerd dat het hof ten onrechte spreekt van onweersproken stellingen. Deze bewering is echter niet juist. Op de aangegeven plaatsen worden de door het hof genoemde stellingen niet weersproken.

Op blz. 11, onderaan, van het cassatierekest wordt nog aangevoerd dat, doordat de vrouw een deel van de kosten van de huishouding voor haar rekening nam, de man de kosten van de financiering (waaronder rente) van de woningen heeft kunnen betalen, hij zo deze woningen in zijn bezit heeft kunnen verkrijgen en behouden en aldus heeft kunnen profiteren van de waardestijgingen daarvan, en dat zij zo in feite, zij het indirect, de woning van de man heeft meegefinancierd en er dus wel gelden uit de 'huishoudpot' voor de financiering van de woning van de man zijn aangewend. Dit betoog strekt ertoe, zo schijnt het toe, dat het hof heeft miskend dat het meefinancieren door de vrouw van de woning haar recht geeft op delen in de waarde van de voormalige woning. Van een meefinancieren van de woning door de vrouw is echter geen sprake. Het voor haar rekening nemen van kosten van de huishouding vormt geen meefinancieren van de woning, ook niet indien dat voor haar rekening nemen van kosten van de huishouding de man in staat zou hebben gesteld de kosten van de financiering van de woningen te betalen. Verder volgt uit artikel 4 van de huwelijkse voorwaarden dat het feit dat de vrouw kosten van de huishouding voor haar rekening heeft genomen, de vrouw op niet meer recht geeft dan een vergoeding daarvoor.

2.24 Het voorgaande komt er op neer dat de klachten, die betrekking hebben op de vergoeding in samenhang met de voormalige echtelijke woning, geen doel treffen.

4. Conclusie

Daar het voorgedragen cassatiemiddel geen doel treft, strekt de conclusie tot verwerping van het cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Zie in dit verband de beschikking d.d. 24 augustus 2006, onder 2, van het gerechtshof Amsterdam en de beschikking d.d. 5 oktober 2005, onder 3.3, van de rechtbank Utrecht.

2. Er is niet een integrale tekst van de huwelijkse voorwaarden in het geding gebracht, wel een kopie van blz. 1 van de notariële akte; zie de productie bij het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek van de vrouw in eerste aanleg.

3. Omtrent dit verzoek heeft de rechtbank bij beschikking van 15 december 2004 beslist dat de man aan de vrouw een bedrag van € 1.730 per maand dient te betalen.

4. In een later stadium van de procedure bij de rechtbank is dit bedrag verhoogd naar € 178.671 (zie de brief d.d. 5 februari 2005 van Mr. Kneepkens aan de Griffie van de rechtbank Utrecht, sector familierecht), maar daarin is geen aanleiding gevonden om het bedrag te verhogen dat de man aan de vrouw zou dienen te betalen (zie de brief d.d. 5 april 2005 van Mr. Kneepkens aan de Griffier van de Rechtbank Utrecht, sector familie en jeugd).

5. Zie in dit verband onder meer het verweerschrift tegen zelfstandig verzoek, blz. 4 en 5

6. Dit subsidiaire verweer voert de man op blz. 2 van de brief d.d. 11 maart 2005 van zijn raadsman (Mr. Van Schieveen) aan de Griffier van de rechtbank Utrecht, sector handels- en familierecht.

7. Omdat de vrouw beoogt een vergoeding te verkrijgen voor kosten die zij heeft betaald maar door de man moeten worden gedragen, moet, zoals in het cassatierekest gebeurt, niet gesproken worden van 'verrekenen' of 'verrekening' maar van 'afrekenen' of 'afrekening'.

8. Zie Asser-Hartkamp, 4-II, 2005, nr. 320.

9. Dat subsidiaire verweer is in eerste aanleg gevoerd, maar in appel niet expliciet weer ter sprake gebracht. Aan de vraag in hoeverre die omstandigheid een beletsel vormt om in appel toepassing aan rechtsverwerking te geven, wordt hier voorbij gegaan, nu een op die vraag afgestemde klacht ontbreekt.