Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7643

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
R06/154HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7643
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Geschil tussen voormalig samenwonende partners over de vaststelling van een omgangsregeling tussen de vader en zijn minderjarig kind (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 642
RvdW 2007, 838
NJB 2007, 2032
JWB 2007/322
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr. R06/154HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Parket, 15 juni 2007

Conclusie inzake:

[De moeder]

tegen

[De vader]

Het gaat in deze zaak om de vraag of het hof - zonder nader onderzoek te gelasten - op goede gronden een (onbegeleide) omgangsregeling tussen vader en kind heeft kunnen vaststellen.

1. Feiten(1) en procesverloop(2)

1.1 Verzoekster tot cassatie, de vrouw, en verweerder in cassatie, de man, hebben gedurende enige tijd een (affectieve) relatie gehad, uit welke relatie op [geboortedatum] 2003 [het kind] is geboren.

[het kind] verblijft bij de vrouw te [woonplaats].

De man woont in de Verenigde Staten van Amerika en heeft (in ieder geval) de Amerikaanse nationaliteit.

1.2 Bij inleidend verzoekschrift, ter griffie ingediend op 21 januari 2004 bij de rechtbank te Groningen, heeft de man - zakelijk weergegeven - verzocht om hem, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen tot erkenning van [het kind], een omgangsregeling tussen haar en hem vast te stellen als voorgesteld in het petitum van het verzoekschrift, alsmede vast te stellen dat hij recht heeft op informatie en raadpleging omtrent het welzijn van [het kind] doordat de vrouw in ieder geval eenmaal per drie maanden aan hem schriftelijke informatie over [het kind] en foto's van het kind verstrekt.

1.3 Aan deze verzoeken heeft de man ten grondslag gelegd dat het steeds de bedoeling van partijen is geweest dat zij tezamen (in de VS) het kind zouden opvoeden, maar dat de relatie is verbroken en dat hij deel wil uitmaken van het leven van het kind.

1.4 De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de verzoeken van de man. Kern van het verweer is het vermoeden van de vrouw dat de man de relatie louter heeft gebruikt om een kind te krijgen en dat zij bang is dat de man het kind naar Kameroen zal (laten) ontvoeren. Daarnaast heeft zij gesteld dat er geen sprake is van family life tussen de man en het kind, dat zij een nieuwe partner heeft met wie zij voornemens is in het huwelijk te treden en dat deze partner als vader voor het kind optreedt zodat een omgangsregeling tussen de biologische vader en het kind niet in het belang van het kind is.

1.5 Bij beschikking van 22 januari 2004 heeft de rechtbank mr. M.C. van Linde, advocaat en procureur te Groningen, benoemd tot bijzonder curator over [het kind].

1.6 De rechtbank heeft de zaak behandeld ter zitting van 2 maart 2004 in aanwezigheid van de vrouw en haar advocaat, de advocaat van de man en de bijzonder curator(3).

Na een tussenbeschikking van 20 april 2004 heeft de rechtbank bij beschikking van 21 september 2004 onder meer, uitvoerbaar bij voorraad, aan de man vervangende toestemming verleend om [het kind] te erkennen(4). Ten aanzien van de omgangsregeling en de informatie in de zin van de artikelen 1:377a en 1:377b BW heeft de rechtbank de beslissing aangehouden, teneinde partijen de gelegenheid te bieden dienaangaande afspraken te maken(5).

1.7 Na verdere briefwisseling heeft de rechtbank de zaak wederom behandeld ter zitting van 1 maart 2005 in aanwezigheid van partijen(6), en vervolgens bij beschikking van 8 maart 2005 mevrouw B. van Dam aangewezen om tussen partijen te bemiddelen, met het verzoek om de rechtbank binnen vijf maanden na 8 maart 2005 hieromtrent schriftelijk te berichten. Voorts heeft de rechtbank de Stichting Humanitas te Groningen verzocht om de omgang tussen [het kind] en de man op te starten en te doen begeleiden, waarbij de frequentie en de duur van de contacten onder regie van de begeleidende instelling en in nauw overleg met partijen dienen te worden uitgebreid. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.

1.8 Uit de op 3 oktober 2005 ter griffie van de rechtbank ontvangen brief van de mediator blijkt onder meer dat de met partijen gevoerde gesprekken er uiteindelijk niet toe hebben geleid dat partijen weer samen zijn gaan overleggen. Er is geen omgangsregeling en geen mediation tot stand gekomen(7).

1.9 Daarop heeft de rechtbank de zaak ter zitting van 1 november 2005 opnieuw behandeld. Daarbij zijn partijen verschenen en gehoord. Tijdens die behandeling heeft de man zijn verzoek aangevuld met het verzoek de vrouw te veroordelen tot betaling van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft de omgangsregeling na te komen(8).

1.10 Bij beschikking van 29 november 2005 heeft de rechtbank een omgangsregeling - als in het dictum weergegeven - vastgesteld tussen de man en [het kind] en de vrouw veroordeeld tot betaling aan de man van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat zij niet meewerkt aan de omgangsregeling. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw de man één keer per kwartaal op de hoogte stelt van de ontwikkelingen van [het kind] op het gebied van haar gezondheid en haar vorderingen op school en tevens, dat zij de man één keer per half jaar een recente en goed gelijkende foto van [het kind] doet toekomen. De rechtbank heeft deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.11 De vrouw is van deze beschikking, onder aanvoering van vier grieven, in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te Leeuwarden. Zij heeft het hof verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en de omgang tussen de man en [het kind] af te wijzen dan wel subsidiair deze omgang voorlopig niet te laten plaatsvinden en eerst opdracht te geven tot een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming dan wel door andere deskundigen, die kunnen adviseren over de wenselijkheid van een omgangsregeling en de invulling daarvan in deze specifieke situatie en meer subsidiair de omgang te laten plaatsvinden onder begeleiding van een neutraal deskundig iemand die wel het vertrouwen van het kind geniet, in een veilige omgeving. Daarnaast heeft de vrouw het hof verzocht de schorsing van de werking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de bestreden beschikking te bevelen conform artikel 360 lid 2 Rv. Voorts heeft de vrouw verzocht de door de rechtbank opgelegde dwangsommen af te wijzen dan wel deze te verminderen en deze aan een maximum te binden.

1.12 De man heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar hoger beroep dan wel tot ongegrondverklaring van het hoger beroep en bekrachtiging van de bestreden beschikking.

1.13 Het hof heeft het hoger beroep ter zitting van 4 juli 2006 behandeld. Blijkens het proces-verbaal waren partijen hierbij aanwezig, hun beider advocaten, een tolk voor de man alsmede een vertegenwoordiger van de Raad voor de Kinderbescherming.

1.14 Het hof heeft bij beschikking van 11 augustus 2006 de bestreden beschikking - om doelmatigheidsredenen geheel - vernietigd en een, in het dictum van de beschikking omschreven, omgangsregeling vastgesteld tussen de man en [het kind] voor (de resterende maanden van) de jaren 2006 en 2007. Tevens heeft het hof de vrouw bevolen medewerking te verlenen aan de omgangsregeling op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat de vrouw weigert de minderjarige in het kader van de naleving van de vastgestelde omgangsregeling met de man mee te laten gaan, met dien verstande dat boven € 15.000,- geen dwangsom meer wordt verbeurd. Daarnaast heeft het hof bepaald dat de vrouw de man één keer per kwartaal op de hoogte stelt van de ontwikkelingen van [het kind] op het gebied van haar gezondheid en haar vorderingen op school en tevens dat zij de vader één keer per half jaar een recente en goed gelijkende foto van [het kind] doet toekomen. Het hof heeft deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte afgewezen.

1.15 De vrouw heeft tegen deze beschikking tijdig(9) beroep in cassatie ingesteld.

Op 3 januari 2007 is ter griffie van de Hoge Raad per fax een aanvullend verzoekschrift van de vrouw ingekomen met daaraan gehecht het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep van 4 juli 2006 alsmede de door beide partijen bij die gelegenheid overgelegde pleitnotities.

De man heeft verweer gevoerd.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1 Het cassatiemiddel bestaat uit vier onderdelen(10).

Onderdeel 1(11) is gericht tegen rechtsoverweging 2, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"Het hof leest in de grieven en in de daarop gegeven toelichting van de moeder ten aanzien van het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling tussen hem en [het kind] geen andere feiten of omstandigheden dan die welke reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Het hof onderschrijft hetgeen de rechtbank ter motivering van haar beslissing ten aanzien van voornoemd verzoek van de vader heeft overwogen en neemt die motivering over. Ter toelichting voegt het hof daar nog het volgende aan toe."

2.2 Het onderdeel betoogt dat deze overweging niet voldoet aan de minimumeisen die aan de motivering van een rechterlijke uitspraak worden gesteld, nu het hof de grieven tezamen behandelt en op geen enkele wijze uitlegt ten aanzien van welke grief het hof welke motivering voor welk argument van de rechtbank overneemt. Uit hetgeen het hof aan zijn oordeel toevoegt in de daarop volgende rechtsoverwegingen en het dictum valt volgens het onderdeel ook niet af te leiden hoe het hof de grieven heeft begrepen en waarom die grieven in de visie van het hof niet opgaan. Weliswaar behoeft de appelrechter niet alle grieven afzonderlijk te behandelen, doch uit de motivering moet in elk geval afdoende blijken waarom de in hoger beroep in het kader van die grieven naar voren gebrachte argumenten niet opgaan. Het hof heeft dit hetzij miskend, hetzij geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang op dit punt. In elk geval is de beschikking onvoldoende gemotiveerd, aldus het onderdeel.

2.3 Anders dan het onderdeel veronderstelt, heeft het hof de grieven van de vrouw wel degelijk afzonderlijk behandeld:

- de grieven 1 en (gedeeltelijk) 3 richtten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat van zwaarwegende belangen van het kind tegen omgang met haar vader niet is gebleken.

- grief 2 klaagde over het oordeel van de rechtbank dat er geen grond is om een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te laten instellen. Het hof is hierop ingegaan in rechtsoverweging 1.

- het schorsingsverzoek van de vrouw van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de bestreden beschikking (grief 3, slot) alsmede de klacht over (het ontbreken van een maximum aan) de dwangsombepaling (grief 4) heeft het hof achtereenvolgens behandeld in de rechtsoverwegingen 6 en 7.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

2.4 Daarnaast staat het de appelrechter naar vaste rechtspraak vrij op welke wijze en in welke volgorde hij de grieven behandelt, zo lang hij een grief maar niet onbesproken laat(12), en behoeft de rechter niet in te gaan op alle stellingen van partijen.

2.5 Gelet op de inhoud van de grieven is het volstrekt duidelijk dat het hof in de door het onderdeel bestreden rechtsoverweging 2 de grieven op het oog had die betrekking hebben op het verzoek van de man met betrekking tot vaststelling van een omgangsregeling, te weten: de (toelichting op de) grieven 1 en (gedeeltelijk) 3.

Naar het oordeel van het hof in die rechtsoverweging heeft de vrouw aan deze grieven geen andere feiten of omstandigheden ten grondslag gelegd dan die welke reeds in eerste aanleg waren aangevoerd en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen.

2.6 Deze uitleg van de grieven, die is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt, is, gelet op de inhoud van de grieven, niet onbegrijpelijk. De vrouw wees immers ter onderbouwing van haar stelling dat wel sprake is van zwaarwegende belangen van het kind tegen omgang met de man wederom op haar vrees voor ontvoering door de man van het kind (grief 1) alsmede op de omstandigheid dat het een jong kind betreft dat de man niet of nauwelijks kent noch verstaat (grief 3).

In de gevallen waarin geen nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd, kan de appelrechter volstaan met het onderschrijven van het oordeel van de rechtbank op dat punt en met het overnemen van de motivering daarvan(13).

2.7 Het onderdeel geeft ten slotte niet aan waarom dat oordeel onbegrijpelijk zou zijn.

2.8 Slotsom is mitsdien dat onderdeel 1 faalt.

2.9 Onderdeel 2(14) is (met name) gericht tegen rechtsoverweging 3, waarin het hof als volgt heeft geoordeeld:

"Het feit dat de vader meerdere malen - zowel in de periode voor de datum van de beschikking waarvan beroep als in de periode daarna - heeft meegewerkt aan begeleide contacten tussen hem en [het kind] brengt niet mee dat onbegeleide omgang niet tot de mogelijkheden behoort. Hierbij merkt het hof op dat de moeder de door haar in het kader van de omgang eigenmachtig gestelde voorwaarde van begeleiding niet had mogen stellen, zeker niet in de periode na de datum van de beschikking waarvan beroep, waarin immers een dergelijke voorwaarde door de rechtbank niet is vastgesteld. Het hof acht onvoldoende onderbouwd en ziet ook overigens geen reden te oordelen dat omgang tussen de man en [het kind] slechts onder begeleiding zou dienen plaats te vinden."

2.10 Het onderdeel klaagt dat deze overwegingen van het hof rechtens onjuist althans, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk zijn. Daartoe wordt - samengevat - erop gewezen dat het hof niet is ingegaan op een aantal essentiële stellingen(15) van de vrouw in hoger beroep, uit welke stellingen volgens het onderdeel twee steekhoudende argumenten kunnen worden afgeleid waarom - indien het tot een omgangsregeling komt - omgang wel onder begeleiding zou moeten geschieden:

- dit is uit pedagogische overwegingen noodzakelijk ter voorkoming van ernstige schade aan [het kind];

- er bestaat een reële kans dat de man een onbegeleide omgangsregeling zal aangrijpen om het kind te ontvoeren naar een land dat niet is aangesloten bij het Haags Kinderontvoeringsverdrag.

2.11 Zoals hierboven reeds is uiteengezet, is het feitelijke oordeel van het hof dat de vrouw in haar grieven met betrekking tot de door de man verzochte omgangsregeling geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht dan die welke reeds in eerste aanleg waren aangevoerd, niet onbegrijpelijk, en kon het hof voor wat betreft zijn motivering volstaan met een verwijzing naar het oordeel van de rechtbank daaromtrent.

2.12 Met betrekking tot de door de vrouw geuite bezwaren tegen omgang tussen de man en het kind heeft de rechtbank het volgende overwogen(16):

"De vrouw heeft zich steeds verzet tegen omgang van [het kind] met de man. Zij heeft zich daarbij van begin af aan beroepen op haar angst voor ontvoering door de man van [het kind] naar Kameroen. Deze angst en ook de overige door haar gebezigde argumenten, zijn door de vrouw naar het oordeel van de rechtbank echter op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.

Integendeel, de man heeft door zijn coöperatieve houding duidelijk gemaakt er echt alle belang bij te hebben om op een goede wijze invulling te geven aan omgang met [het kind] en het opbouwen van een vader-dochter-relatie met het kind. Uit zijn gedragingen kan op geen enkele wijze worden afgeleid, dat hij de intenties heeft zoals door de vrouw steeds opnieuw wordt gesteld."

2.13 Dit door het hof overgenomen oordeel van de rechtbank is voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk, waarbij nogmaals zij opgemerkt dat de feitenrechter niet is gehouden alle stellingen van partijen afzonderlijk in zijn motivering te betrekken.

Het hof heeft daaraan nog toegevoegd dat het de door de raad ter zitting in hoger beroep naar voren gebrachte algemene stelling onderschrijft dat het in het belang van het kind is dat het contact heeft met de niet-verzorgende ouder alsmede dat het in het belang van [het kind] is dat zij haar vader leert kennen en op regelmatige basis omgang met hem heeft(17).

Het onderdeel faalt dan ook.

2.14 Onderdeel 3(18) is (met name) gericht tegen de rechtsoverwegingen 1, 3 (slot) en 4, waarin het hof als volgt oordeelde:

"1. Het hof stelt voorop zich op grond van de stukken en de behandeling ter zitting voldoende voorgelicht te achten om een beslissing te kunnen nemen, zodat er geen noodzaak bestaat om een nader onderzoek door de raad voor de kinderbescherming (hierna: de raad) dan wel door enige andere instelling (of deskundige) te gelasten.

2. (...)

3. (...) Het hof acht onvoldoende onderbouwd en ziet ook overigens geen reden te oordelen dat omgang tussen de man en [het kind] slechts onder begeleiding zou dienen plaats te vinden.

4. Het hof onderschrijft de door de raad ter zitting in hoger beroep naar voren gebrachte algemene stelling dat het in het belang van een kind is dat het contact heeft met de niet verzorgende ouder. Het hof overweegt dat het in het belang van [het kind] is dat zij haar vader leert kennen en op regelmatige basis omgang met hem heeft. Dat de raad ter zitting in hoger beroep heeft gesteld dat het voor [het kind] goed zou zijn om tweemaandelijks met haar vader contact te hebben, maakt niet dat een driemaandelijks contact niet goed is voor [het kind]. Het is vooral van belang regelmaat te behouden, waarin het hof een taak voor de moeder ziet deze regelmaat in het belang van [het kind] te respecteren."

2.15 Geklaagd wordt dat het hof ten onrechte de door de vrouw overgelegde brief van psycholoog [betrokkene 1] van 6 januari 2006(19) buiten beschouwing heeft gelaten, in welke brief de psycholoog in reactie op informatie van de vrouw het volgende heeft gesteld:

"Het is zeer riskant en dus onverantwoord om een kind van deze leeftijd "zomaar" mee te geven aan een voor haar vrijwel onbekende man, die zelfs haar taal niet spreekt. Veiligheidsgevoelens kunnen ernstig beschadigd worden. Zoiets slechts 4x per jaar doen beperkt de mogelijkheid om hem te leren kennen, en dus enig gevoel van continuïteit tot het minimale.

Dit alles geldt in nog extremere mate wanneer e.e.a. onder dwang en in conflictueuze sfeer moet plaatsvinden. Dergelijke voorvallen kunnen traumatische gevolgen hebben voor de ontwikkeling van een zó jong kind.

Ik zou, op basis van mijn ervaringen met bezoekregelingen, adviseren evt. contacten in de toekomst te laten plaatsvinden onder begeleiding van een neutraal (deskundig) iemand, die wel het vertrouwen van het kind geniet."

2.16 Volgens het onderdeel is het oordeel van het hof rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk indien dat oordeel aldus moet worden begrepen dat de vrouw ondanks bovengenoemde verklaring en haar toelichting daarop bij pleidooi desalniettemin onvoldoende heeft gesteld waarom omgang slechts onder begeleiding dient plaats te vinden(20).

Daarnaast klaagt het onderdeel dat rechtens onjuist althans, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat het hof - in weerwil van een zo duidelijke verklaring van de psycholoog - zonder nader onderzoek noodzakelijk te achten, contrair aan dat advies heeft beslist. In dit verband wordt er nog op gewezen dat niet alleen de psycholoog zegt dat een driemaandelijks contact schadelijk is voor [het kind], maar dat óók de raad aangeeft dat het contact tussen de man en [het kind] tweemaandelijks zou moeten zijn(21).

2.17 Beide klachten falen.

Uitgangspunt is dat de feitenrechter vrij is in de waardering van verklaringen als de onderhavige door de vrouw in het geding gebrachte verklaring van een psycholoog (zie art. 152 lid 2 Rv.).

Tegenover deze verklaring staat het oordeel van de raad dat er geen contra-indicaties zijn voor omgang tussen de vader en [het kind]. Uit het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting in hoger beroep op 4 juli 2006 blijkt dat de raad dienaangaande het volgende heeft verklaard:

"(...) Het is van belang dat de vader in de gelegenheid wordt gesteld om dingen te ondernemen met [het kind] om het contact tussen de vader en [het kind] te verbeteren. Er bestaan geen contra-indicaties voor omgang tussen de vader en [het kind]. (...) De raad is bereid onderzoek te verrichten. Er zijn echter geen contra-indicaties voor omgang tussen de vader en [het kind]. Het gaat om de persoonlijke problemen van de moeder met betrekking tot de omgang tussen de vader en [het kind]. (...)."

2.18 In het licht van de rapportage van de raad en het verhandelde ter terechtzitting alsmede gelet op de omstandigheid dat de psycholoog haar oordeel uitsluitend heeft gebaseerd op informatie van de moeder, is het oordeel van het hof dat de vrouw haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd en dat er onvoldoende aanwijzingen zijn om te oordelen dat omgang tussen de man en [het kind] slechts onder begeleiding zou dienen plaats te vinden, m.i. niet onbegrijpelijk. Het hof was onder deze omstandigheden evenmin gehouden tot het gelasten van een nader onderzoek.

2.19 Onderdeel 4 ten slotte bouwt voort op bovenstaande klachten en behoeft, nu de onderdelen 1 tot en met 3 vergeefs zijn voorgesteld, geen behandeling meer.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Noch door de rechtbank Groningen noch door het hof Leeuwarden zijn feiten vastgesteld.

2 Voorzover thans van belang. In cassatie gaat het uitsluitend nog om de omgang tussen de man en het kind.

3 Zie de beschikking van de rechtbank Groningen van 20 april 2004, p. 2. Daarin wordt niet vermeld dat de man aanwezig was, wel dat te zijnen behoeve een tolk is opgetreden, hetgeen doet veronderstellen dat de man wel in persoon is gehoord.

4 Blijkens een op 10 januari 2005 door de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Groningen opgemaakte akte heeft de man [het kind] op diezelfde datum erkend (zie de beschikking van de rechtbank van 8 maart 2005, p. 1 onderaan).

5 De rechtbank heeft vervolgens ambtshalve geconstateerd dat de beschikking van 21 september 2004 een verbetering behoeft - genoemde beschikking bevatte in het dictum niet de geboortedatum- en plaats van [het kind] - en heeft zulks gedaan bij verbeterbeschikking van 5 oktober 2004.

6 Zie de beschikking van de rechtbank van 8 maart 2005, p. 1.

7 Zie de beschikking van de rechtbank van 29 november 2005, p. 2.

8 Zie de beschikking van de rechtbank van 29 november 2005, p. 1.

9 Het verzoekschrift tot cassatie is op 9 november 2006 ter civiele griffie van de Hoge Raad ingekomen.

10 Het aanvullend verzoekschrift bevat uitsluitend enige aanvullende opmerkingen naar aanleiding van het proces-verbaal van de zitting in hoger beroep.

11 Verzoekschrift tot cassatie onder 2.1.1.

12 Zie bijv. Snijders/Wendels, Civiel appel, 2003, nr. 218.

13 Ook het EHRM gaat hiervan uit. In de zaak van Polman tegen Nederland EHRM 9 juli 2002, nr. 48 334/99, overwoog het Hof: "The Court has even accepted that in dismissing an appeal an appellate court may, in principle, simply endorse the reasons in the lower court's decision." Zie ook EHRM 19 april 1994, NJ 1995, 462 (par. 61), m.nt. EAA (Van de Hurk/Nederland), welke beslissing is herhaald in EHRM 27 september 2001, EHRC 2001, 77 (par. 30-33).

14 Cassatieverzoekschrift onder 2.1.2.

15 Deze stellingen zijn opgesomd in het cassatieverzoekschift op p. 4 onder a t/m g (met vermelding van de vindplaats).

16 Zie bedoelde beschikking van de rechtbank op p. 4 (onderaan).

17 Zie rechtsoverweging 4, eerste twee volzinnen.

18 Cassatieverzoekschrift onder 2.1.3.

19 Overgelegd als prod. 7 bij appelschrift.

20 Zie het cassatieverzoekschrift, p. 6.

21 Zie het cassatieverzoekschrift, p. 7.