Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7628

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
19-10-2007
Datum publicatie
19-10-2007
Zaaknummer
C06/163HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7628
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen. Geschil tussen automobilist en waarborgfonds over de toedracht van zijn ongeval (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 687
RvdW 2007, 888
NJB 2007, 2147
JWB 2007/345
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnr. C06/163HR

Mr L. Strikwerda

Zt. 15 juni 2007

conclusie inzake

[Eiser]

tegen

Stichting Waarborgfonds Motorverkeer

Edelhoogachtbaar College,

1. Op 10 augustus 1997 omstreeks 13.00 uur is thans eiser tot cassatie, hierna: [eiser], met zijn auto, een Nissan met kenteken [AA-00-BB], een ongeval overkomen op de A10, ter hoogte van de afslag Bos en Lommer, te Amsterdam. [Eiser] is de macht over het stuur verloren en is met zijn auto tegen de vangrail op de middenberm gereden. De zoon van [eiser], [betrokkene 1], was inzittende van de auto van [eiser].

2. [Eiser] heeft bij exploot van 15 augustus 2001 thans verweerster in cassatie, hierna: het Waarborgfonds, gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam en op grond van art. 25 lid 1, aanhef en onder a, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) gevorderd een verklaring voor recht dat het Waarborgfonds aan [eiser] de door deze ten gevolge van het ongeval van 10 augustus 1997 geleden en nog te lijden schade dient te vergoeden. [Eiser] heeft daartoe aangevoerd dat het ongeval het gevolg is van minimaal onvoorzichtig, zo niet volstrekt onverantwoord verkeersgedrag van een of meer onbekend gebleven, doorgereden motorrijders die door hun rijgedrag [eiser] zozeer hebben doen schrikken dat hij met zijn auto eerst rechts van de weg tegen een betonnen muur van het viaduct Bos en Lommer kort voor de afslag Bos en Lommer is aangereden en vervolgens, omdat hij de macht over zijn stuur was kwijtgeraakt, tegen de vangrail op de middenberm is aangeschoten.

3. Het Waarborgfonds heeft verweer gevoerd tegen de vordering. Het heeft betwist dat voor het ongeval één of meer onbekend gebleven motorrijders aansprakelijk zijn.

4. Bij tussenvonnis van 18 december 2002 heeft de rechtbank [eiser] toegelaten tot het bewijs van zijn stellingen omtrent de toedracht van het ongeval.

5. Nadat getuigenverhoren hadden plaatsgevonden, waarbij [eiser] zichzelf, zijn zoon en [getuige 1] als getuigen heeft voorgebracht en het Waarborgfonds in contra-ênquete als getuigen heeft doen horen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5], [getuige 6] en [getuige 7], heeft de rechtbank bij eindvonnis van 25 augustus 2004 geoordeeld dat [eiser] niet in zijn bewijsopdracht is geslaagd en het gevorderde afgewezen.

6. [Eiser] is van het eindvonnis van de rechtbank met één grief, gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank, in hoger beroep gegaan bij het gerechtshof te Amsterdam, doch tevergeefs: bij arrest van 2 maart 2006 heeft het hof de grief verworpen en het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

7. [Eiser] is tegen het arrest van het hof (tijdig) in cassatie gekomen met een uit twee onderdelen opgebouwd middel. Het Waarborgfonds is in cassatie niet verschenen. Tegen hem is verstek verleend.

8. Het middel komt in zijn beide onderdelen met motiveringsklachten op tegen de bewijswaardering door het hof.

9. Het hof heeft wat de bewijswaardering betreft - samengevat - het volgende overwogen.

(a) [Eiser] heeft met betrekking tot het ongeval op verschillende momenten in de tijd verklaringen afgelegd die van elkaar verschillen. Als partijgetuige heeft hij verklaard dat er opeens een motor vanaf de linkerrijbaan voor hem langs via de middelste rijbaan naar de rechterrijbaan is gereden en dat hij, om de motorrijder te ontwijken, naar rechts heeft gestuurd. Op 27 oktober 1997 heeft [eiser] bij de politie verklaard dat hij opeens een motorrijder voor zich zag rijden, dat hij niet wist waar deze vandaan kwam, dat deze motorrijder bijna omviel en erg slingerde, en dat hij als gevolg daarvan zijn auto scherp naar links heeft gestuurd (r.o. 3.4).

(b) De verklaring van [eiser] als partijgetuige wordt slechts gedeeltelijk ondersteund door de verklaringen van zijn zoon en de getuige [getuige 1] (passagier op de achterbank van de auto die achter de auto van [eiser] reed), die beiden melding maakten van twee motoren die op de linkerrijbaan reden en dat deze motoren de auto van [eiser] afsneden. In een verklaring, die [getuige 1] op schrift heeft gesteld op 8 januari 2000, meldt zij echter dat zij niet heeft gezien dat de auto van [eiser] is afgesneden. Het hof acht het, evenals de rechtbank, niet goed verklaarbaar hoe [getuige 1] zich zes jaar later meer weet te herinneren van het ongeval dan ten tijde van haar verklaring in 2000 (r.o. 3.3). (c) Tegenover deze verklaringen staan de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 3] (het hof spreekt kennelijk abusievelijk van [getuige 4]), [getuige 6] en [getuige 7]. [Getuige 7] (een motorrijder die op de middenbaan reed voor de auto van [eiser] en na het ongeval is teruggereden naar de plaats van het ongeval waar hij door de politie als getuige is gehoord) heeft verklaard dat hij in een flits de auto van [eiser] over de linkerstrook voorbij zag komen, voor hem langs schoot en eerst tegen de rechtervangrail en vervolgens de linkervangrail schoot. [Getuige 6] (passagier in de auto die achter de auto van [eiser] reed) heeft verklaard dat hij in een ooghoek de auto van [eiser] voorbij zag flitsen van rechts naar links. [Getuige 2] (bestuurder van de auto die achter de auto van [eiser] reed) heeft verklaard dat hij zich niet meer kan herinneren wat er ten tijde van het ongeval precies gebeurde. Op 27 november 1997 heeft [getuige 2] schriftelijk verklaard dat de rijbaan voor [eiser] vrij was en er geen reden was om plotseling uit te wijken. [Getuige 3] (passagier in de auto die achter de auto van [eiser] reed) heeft verklaard dat zij opeens een auto over de weg zag schieten en dat zij zich niet kan herinneren of zij kort voor het ongeval motorrijders voor, naast of achter de auto waarin zij zat, heeft gezien. Op 3 september 1999 heeft [getuige 3] schriftelijk verklaard dat [eiser] van links naar rechts en weer terug over de weg schoot en dat zij geen motorrijders vóór het ongeval heeft gezien (r.o. 3.4).

(d) [Getuige 4] (politieagent) heeft verklaard dat hij van de ter plaatse gehoorde getuigen, waaronder in ieder geval de zoon van [eiser], [getuige 2] en [getuige 7], niets heeft vernomen over snijdende motorrijders. [Getuige 5] (politieagent) heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat er ter plaatse iets is verklaard over een motorrijder die zou hebben afgesneden (r.o. 3.5).

(e) Bij de waardering van de getuigenverklaringen weegt voor het hof zwaar de verklaring van [getuige 7], die het ongeval rechtstreeks en bewust heeft kunnen waarnemen en daarover ter plaatse een verklaring heeft afgelegd bij [getuige 4] en [getuige 5]. Laatstgenoemden hebben op basis van de verklaringen van in ieder geval [getuige 7], de zoon van [eiser] en [getuige 2] besloten om geen proces-verbaal op te maken omdat zij er op grond van hun waarnemingen ter plaatse van zijn uitgegaan dat het om een eenzijdig ongeval ging (r.o. 3.7).

10. Onderdeel 1 van het middel bevat, als ik het goed zie, drie klachten. In de eerste plaats behelst het de klacht dat onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, is de overweging van het hof - in r.o. 3.4, eerste zin - dat tegenover de verklaringen van [eiser], de zoon van [eiser] en [getuige 1] de verklaringen staan van de getuigen [getuige 2], [getuige 4] (lees: [getuige 3]), [getuige 6] en [getuige 7]. Het hof zou daarmee ten onrechte hebben aangenomen als zouden de verklaringen van laatstgenoemde groep getuigen de lezing over de toedracht van het ongeval van de eerstgenoemde groep getuigen uitsluiten dan wel tegenspreken, hetgeen volgens het onderdeel niet het geval is (onder 1.2). Bovendien zou het hof hebben miskend dat de laatstbedoelde groep van getuigen slechts verklaren over hetgeen zij kort na het ongeval hebben waargenomen doch niets verklaren over het ontstaan van het ongeval (onder 1.4). Ten slotte voert het onderdeel als klacht aan dat onbegrijpelijk is de overweging van het hof - in r.o. 3.7 - dat de getuige [getuige 7] het ongeval rechtstreeks en bewust heeft kunnen waarnemen, nu [getuige 7] blijkens zijn verklaring voor de auto van [eiser] reed op het moment dat de oorzaak van het ongeval zich voordeed.

11. De eerste klacht faalt. Het hof heeft met de gewraakte overweging kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat de verklaringen van [eiser], de zoon van [eiser] en [getuige 1] enerzijds en de verklaringen van de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 6] en [getuige 7] anderzijds ten aanzien van de centrale thema van de aan [eiser] verleende bewijsopdracht, te weten of het ongeval het gevolg is geweest van minimaal onvoorzichtig, zo niet volstrekt onverantwoord verkeersgedrag van een of meer onbekend gebleven, doorgereden motorrijders, een tegengesteld beeld laten zien. Dat is niet onbegrijpelijk. In de verklaringen van [eiser], de zoon van [eiser] en [getuige 1] wordt melding gemaakt van één of twee motorrijders die [eiser] zouden hebben afgesneden, doch de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 6] en [getuige 7] hebben niets kunnen verklaren over één of meer motorrijders die [eiser] zouden hebben afgesneden of hebben verklaard vóór het ongeval geen motorrijders te hebben gezien. De verklaringen van de twee groepen getuigen staan in zoverre tegenover elkaar.

12. Ook de tweede klacht kan geen doel treffen. Het hof heeft kennelijk op grond van de omstandigheid dat de getuigen [getuige 2], [getuige 3], [getuige 6] en [getuige 7] zich blijkens hun verklaringen op het moment dat de auto van [eiser] uit koers raakte en van rechts naar links over de weg schoot, achter de auto van [eiser] bevonden, aangenomen dat deze getuigen, indien een of meer motorrijders [eiser] zouden hebben afgesneden, in ieder geval in de positie verkeerden om dit te hebben kunnen waarnemen. Tegen deze achtergrond is niet onbegrijpelijk dat het hof, nu deze getuigen niets hebben kunnen verklaren over één of meer motorrijders die [eiser] zouden hebben afgesneden of hebben verklaard vóór het ongeval geen motorrijders te hebben gezien, deze verklaringen van belang heeft geoordeeld voor de beantwoording van vraag of [eiser] in het bewijs is geslaagd.

13. De derde klacht moet eveneens falen. Het oordeel van het hof dat [getuige 7] het ongeval rechtstreeks en bewust heeft waargenomen is niet onbegrijpelijk, nu [getuige 7] heeft verklaard dat de auto van [eiser] naar zijn indruk nog niet in een slip was geraakt toen deze met grote snelheid links langs hem reed en dat de slingerbewegingen pas plaatsvonden toen de auto van [eiser] vóór hem reed.

14. Onderdeel 2 van het middel acht onbegrijpelijk de overweging van het hof dat de getuige [getuige 1] zich zes jaar later, in haar verklaring als getuige voor de rechtbank, meer weet te herinneren van het ongeval dan ten tijde van haar verklaring in 2000.

15. Het onderdeel is tevergeefs voorgesteld. Het hof heeft kennelijk en geenszins onbegrijpelijk aangenomen dat [getuige 1], toen zij in de schriftelijke verklaring sprak van afsnijden van de auto en in haar verklaring als getuige sprak van heel kort voor de auto langsrijden, hetzelfde bedoelde. Hiervan uitgaande is niet onbegrijpelijk dat het hof heeft vastgesteld dat [getuige 1] als getuige voor de rechtbank, waar zij verklaarde dat zij heeft gezien dat twee motoren heel kort voor de auto van [eiser] langsreden, meer weet te herinneren van het ongeval dan ten tijde van haar verklaring in 2000, waarin wordt gemeld dat zij niet heeft gezien dat de auto van [eiser] is afgesneden.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden