Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7554

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
01817/06 J
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7554
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Overschrijding redelijke termijn bij PIJ-maatregel. Verdachte, die zich in voorlopige hechtenis bevindt, heeft op 3-1-2006 beroep in cassatie ingesteld. De HR doet uitspraak nadat meer dan 16 mnd zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn a.b.i. art. 6.1 EVRM is overschreden. Deze termijnoverschrijding zal evenwel niet tot strafvermindering kunnen leiden aangezien het Hof geen straf heeft opgelegd. De door het Hof opgelegde maatregel, de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, leent zich naar zijn aard niet voor vermindering, reeds omdat de duur daarvan niet vooraf is bepaald. De HR komt daarom tot het oordeel dat moet worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2007, 511
JOL 2007, 584
RvdW 2007, 798

Conclusie

Nr. 01817/06 J

Mr. Fokkens

Zitting: 05 juni 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Bij arrest van 28 december 2005 heeft het gerechtshof te 's-Hertogenbosch de verdachte wegens - kort gezegd - zware mishandeling, diefstal met braak en het rijden zonder rijbewijs, veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

2. Namens de verdachte heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, drie middelen van cassatie voorgesteld.

3. Het eerste middel klaagt dat het Hof niet heeft gereageerd op het verweer dat de verklaring van het slachtoffer niet betrouwbaar is.

4. De klacht heeft betrekking op de volgende passage uit de pleitnota:

"Blijkens het p-v van aangifte op blz 33, laatste alinea van het dossier herkende het slachtoffer aanvankelijk de dader niet, mede omdat deze een gebreide muts op had en dus een belangrijk deel van zijn gezicht bedekt was. Daarnaast keek de dader kennelijk bij nadering van het slachtoffer naar beneden, zodat het slachtoffer hem niet kon herkennen. Ook stelt het slachtoffer dat het allemaal snel ging en dat het bovendien donker was. Het is dan ook opmerkelijk, dat [slachtoffer 1] stelt zeker te weten dat [verdachte] hem heeft gestoken, maar dat hij over alle andere details, zoals de aard van het voorwerp waarmee hij werd gestoken, wat voor kleding de dader droeg, hoegenaamd niets kan verklaren, omdat het zo donker was en alles zo snel ging. Alleen al om die reden is de stelling van het slachtoffer, dat hij [verdachte] herkend zou hebben, onwaarschijnlijk en diens verklaring mitsdien als onbetrouwbaar aan te merken."

5. De verklaring waarop dit betoog betrekking heeft, is in de bewijsvoering opgenomen en luidt:

"Enkele maanden geleden heb ik verkering gehad met [betrokkene 1]. Dit is uitgegaan omdat de broers van [betrokkene 1] dit niet goed vonden.

Op maandag 22 november 2004 omstreeks 21.30 uur ben ik te 's-Hertogenbosch van de BP pomp aan de Rompert in de richting van mijn woning gelopen.

Er kwam mij toen een motor tegemoet gereden met daarop twee mannen. Ik herkende toen één van die mannen als [betrokkene 2] (hof leest [betrokkene 2]) [achternaam betrokkene 2]. Die motor reed in eerste instantie door maar ik merkte dat die motor keerde en mij achterna kwam. Ik zag toen ook dat [verdachte] (hof begrijpt verdachte) op die motor zat. [Verdachte] (hof begrijpt verdachte) stapte van die motor af.

Op dat moment ging alles heel snel, ik merkte dat [verdachte] (hof begrijpt verdachte) met een scherp voorwerp over mijn gezicht uithaalde. Ik voelde een scherp voorwerp over mijn linkerwang gaan. Ik voelde aan mijn wang en merkte dat er gewoon een gat in zat. Ik had ook gelijk veel bloed overal.

Na het uithalen merkte ik dat [betrokkene 2] (hof leest [betrokkene 2]) toch wel wat in paniek raakte. Ik hoorde dat hij riep: "Wat heb je gedaan [verdachte] (hof begrijpt verdachte) en [betrokkene 2] (hof leest [betrokkene 2]) zijn toen weer op die motor gestapt en zijn weggereden.

Een arts heeft mijn linkerwang gehecht met 9 hechtingen.

Ik herkende [verdachte] (hof begrijpt verdachte), hij zat vroeger bij mij op school."

6. De hierboven weergegeven opmerkingen over de onbetrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer zijn een onderdeel van het betoog van de raadsman dat verdachte van de tenlastegelegde zware mishandeling moet worden vrijgesproken. Verdachte heeft niet alleen het feit ontkend, maar heeft zich ook beroepen op een alibi dat door enkele getuigen wordt bevestigd. Daartegenover staat slechts de op bovengenoemde gronden als onbetrouwbaar gekenschetste verklaring van het slachtoffer, nu [betrokkene 3] zijn bij de politie afgelegde voor verdachte belastende verklaring bij de rechter-commissaris heeft ingetrokken en daar heeft verklaard dat een hem onbekende derde het slachtoffer heeft gestoken. De conclusie van dit alles is dat er sprake is van zodanige twijfel aan het daderschap van verdachte dat deze moet worden vrijgesproken, aldus de raadsman in zijn pleitnota.

7. Het Hof heeft in een uitgebreide overweging dit verweer verworpen, waarbij het Hof onder meer uiteen heeft gezet waarom de intrekking door [betrokkene 3] van diens eerste verklaring niet geloofwaardig is. Het Hof is daarbij niet afzonderlijk ingegaan op de betwisting van de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer. De klacht daarover kan echter niet slagen. Het Hof heeft het verweer van de raadsman kunnen opvatten als een op een aantal argumenten berustende betwisting van de betrouwbaarheid van het bewijsmateriaal in zijn totaliteit en het heeft dat verweer op toereikende en niet onbegrijpelijke gronden weerlegd, waarbij de argumenten tegen de betrouwbaarheid van de verklaring van het slachtoffer niet zodanig waren dat die afzonderlijke bespreking behoefden. De verklaring van het slachtoffer wordt immers volledig bevestigd door de verklaring van [betrokkene 3] en het is bovendien niet onbegrijpelijk dat het slachtoffer wel zijn aanvaller herkende maar zich allerlei andere omstandigheden niet meer precies kon herinneren.

8. Het middel faalt.

9. Het tweede middel klaagt erover dat het Hof het opleggen van de PIJ-maatregel ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat uit de door het Hof gebezigde rapportages en overwegingen niet zou blijken dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel eist.

10. Het Hof heeft de oplegging van de maatregel als volgt gemotiveerd:

Parketnummer 01/053114-04 primair en parketnummer 01/044536-04 feit I primair:

Bij de bepaling van de op te leggen maatregel is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

In het algemeen overweegt het hof daarbij dat ten bezware van de verdachte rekening wordt gehouden met de ernst van de door verdachte gepleegde strafbare feiten in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals tot uitdrukking komt in het wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd. Daarnaast houdt het hof ten bezware van de verdachte rekening met het gewelddadig karakter van het door verdachte onder 01/053114-04 ten laste gelegde gepleegde strafbare feit, waarbij verdachte er niet voor is teruggeschrokken om geweld te gebruiken tegen het slachtoffer waarvan het slachtoffer nog dagelijks de gevolgen ondervindt. Daarbij heeft verdachte zich op geen enkel moment bekommerd om het lot van het slachtoffer.

Blijkens het de verdachte betreffende uittreksel uit het justitiële documentatie werd verdachte voor een feit, soortgelijk aan het gepleegde feit onder I primair van parketnummer 01/044536- 04, veroordeeld en wel in 2003.

Het hof zal aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een jeugdinrichting opleggen en overweegt daarbij in het bijzonder nog het navolgende.

Op 4 mei 2005 heeft de klinisch psycholoog drs.J.F.G.M. van Nunen een rapport omtrent verdachte uitgebracht. Verdachte weigerde zijn medewerking. Rapporteur heeft eenmaal met verdachte gesproken en ook met de groepsleider van "Het Poortje" waar verdachte destijds was gedetineerd. Voorts heeft hij zijn rapportage gebaseerd op rapporten van onder andere de jeugdreclassering en van de Raad van de Kinderbescherming en een observatierapport opgemaakt in "Het Poortje". De voorlopige conclusie in dat rapport luidt:

"Op grond van de gegevens, die door de onderzoeker bij zijn onderzoek van 9-13 maart 2005 verzameld zijn en die welke nu in het geciteerde op vorige bladzijden naar voren komen kan volgend beeld verondersteld worden:

achter het cover van een sociaal wenselijke en quasi aangepaste opstelling gaat een afwerende en gesloten jongen schuil, die eerder delicten heeft gepleegd, die geneigd is te extrenaliseren, eventuele schuld aan zijn omgeving of aan anderen te delegeren en verantwoordelijkheid ervoor te ontgaan. Het is een berekenende en manipulerende jongen, die snel in zijn ego is aangetast en dan dreigend, heftig en agressief naar buiten toe kan afreageren, er is gebrek aan impulscontrole.

Er zijn aanwijzingen voor een dreigende ontwikkeling van een persoonlijkheidsstoornis met narcistische, paranoïde en antisociale kenmerken. Indien het aan betrokkene ten laste gelegde bewezen kan worden dan dient gezien het wederom in aanraking komen met justitie, de ernst van het huidige misdrijf en het harde ontkennen ervan voor recidive van soortgelijke of andere strafbare feiten gevreesd te worden en zal om de kans op recidive te voorkomen behandeling overwogen dienen te worden."

Op 23 februari 2005 heeft de psychiater G.A.H. Bonroy middels een brief kenbaar gemaakt dat hij niet in staat is geweest een rapport omtrent de verdachte uit te brengen. Verdachte was namelijk niet bereid om enige medewerking te verlenen en wilde de psychiater niet te woord staan.

Op 18 mel 2005 heeft de raad voor de kinderbescherming, in de persoon van Spape, raadsonderzoekster, een rapport uitgebracht waarin de uitkomsten staan vermeld van het basisonderzoek en strafadvies. Kort en zakelijk weergegeven bevat dit rapport de volgende conclusie:

"Verdachte is al meerdere keren met de politie in aanraking geweest, maar wil niet uitkomen voor delicten die hij heeft gepleegd. Hij weigert om met allerlei instanties te spreken en als hij wel met hen spreekt laat hij een sociaal wenselijke houding zien. Echter, achter deze houding schuilt een jongen die heel goed weet waar hij mee bezig is en daardoor een gevaar voor de maatschappij is. De Raad voor de Kinderbescherming is van mening dat [verdachte] geen reëel beeld heeft van de maatschappij waarin wij leven en denkt zaken op te lossen via geweld en bedreiging. De raad van de kinderbescherming acht de kans op herhaling erg groot. Bovendien is de Raad van mening dat behandeling in een gesloten setting noodzakelijk is. Mogelijk dat er in de houding en gedrag van verdachte nog het een en ander te behandelen is.

Er is weliswaar tot nu toe geen gedegen persoonlijkheidsonderzoek gedaan (omdat verdachte zijn medewerking weigert), maar er zijn evidente belastende feiten en een vermoeden van een zorgelijke persoonlijkheidsontwikkeling.

Als hij voor de verdenking niet kan worden veroordeeld, blijft deze zorg bestaan. Als zijn betrokkenheid wel kan worden bewezen cq aannemelijk is en hij wordt veroordeeld, is de ernst van zijn gedrag (ontkennen, tegenwerken, wraakzucht etc.) kwadratisch groter.

In beide gevallen acht de Raad voor de Kinderbescherming plaatsing in een gesloten setting in het kader van een PIJ-maatregel noodzakelijk."

Ter terechtzitting in hoger beroep op 14 december 2005 heeft de raadsonderzoekster Spape als getuige-deskundige gehoord onder meer verklaard nog volledig te staan achter de inhoud van voornoemd rapport en de hiervoor weergegeven conclusie. Zij benadrukte dat er bij verdachte een steeds terugkerend patroon aanwezig is, waarbij verdachte sociaal-wenselijk gedrag laat zien, een berekenende opstelling inneemt en ... zijn eigen gang gaat. Voorts achtte de raadsonderzoekster de kans op herhaling erg groot omdat de verdachte herhaaldelijk heeft aangegeven dat wanneer hij vrij komt, hij wraak zal nemen.

Het hof neemt vorenstaande conclusies en adviezen en de gronden waarop zij berusten over en maakt deze tot de zijne.

Mede gezien het advies van voornoemde deskundigen en mede gehoord de raadsonderzoekster Spape ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede gelet op de indruk die het hof zich ter terechtzitting heeft gevormd omtrent de persoon van de verdachte, acht het hof onvoorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen passend en noodzakelijk.

Het onder parketnummer 01/053114-041 en onder parketnummer 01/044536-04 feit I primair bewezenverklaarde betreffen feiten waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.

De veiligheid van anderen eist het opleggen van de maatregel en de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte.

11. Het Hof is aan het slot van deze overweging tot de conclusie gekomen dat de veiligheid van anderen de oplegging van de PIJ-maatregel eist, waarmee het Hof de juiste maatstaf heeft gehanteerd. Die conclusie heeft het Hof kunnen trekken uit de weergegeven inhoud van de uitgebrachte rapporten en de verklaring van de raadsonderzoekster Spape, zodat het middel faalt.

12. Het derde middel klaagt erover dat het Hof niet gemotiveerd heeft beslist op het verweer van de raadsman dat de Raad voor de Kinderbescherming wegens het ontbreken van gespecialiseerde deskundigheid niet de conclusie kan trekken dat een PIJ-maatregel noodzakelijk is.

13. Het Hof is niet ingegaan op de niet nader geadstrueerde stelling van de raadsman dat bij de Raad voor de Kinderbescherming gespecialiseerde deskundigheid ontbreekt. Hiertoe was het Hof ook niet gehouden. Het Hof heeft de opgelegde maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen naar de eisen van de wet met redenen omkleed. Geen rechtsregel verplichtte het Hof om hetgeen door de raadsman van de verdachte is aangevoerd met zoveel woorden bij zijn motivering te betrekken, terwijl het door hem aangevoerde het Hof ook overigens niet tot een nadere motivering noopte.(1)

14. Het middel faalt.

15. Ambtshalve merk ik op dat de verdachte, te wiens aanzien het strafrecht voor jeugdigen is toegepast, op 3 januari 2006 beroep in cassatie heeft ingesteld. De zaak is ter terechtzitting van de Hoge Raad van 27 maart 2007 voor de eerste maal behandeld, hetgeen ertoe leidt dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan 16 maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Deze termijnoverschrijding zal evenwel niet tot strafvermindering kunnen leiden aangezien het Hof geen straf heeft opgelegd. De door het Hof opgelegde maatregel, de plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, leent zich naar zijn aard niet voor vermindering, reeds omdat de duur daarvan niet vooraf is bepaald. De Hoge Raad zal daarom tot het oordeel komen dat - mede in aanmerking genomen dat het Hof onder meer heeft vastgesteld dat de veiligheid van anderen het opleggen van de maatregel eist - moet worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden(2).

16. De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Hoge Raad 25-09-2001, NJ 2002, 125, LJN: AD4300

2 HR 6 november 2001, NJ 2002/131 en vgl. voorts HR 4 juli 2000, NJ 2000/558 en HR 3 oktober 2000, NJ 2000/721, rov 3.6.b