Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7260

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-09-2007
Datum publicatie
18-09-2007
Zaaknummer
02396/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7260
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Conclusie AG (o.m.): (i) de verwerping van het beroep op rechtsdwaling tav feit 2 is onjuist, noch onbegrijpelijk. HR: 81RO

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 585
RvdW 2007, 800

Conclusie

Nr. 02396/06

Mr. Bleichrodt

Zitting 5 juni 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te Leeuwarden heeft de verdachte op 21 oktober 2005 ter zake van "medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd", "medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 82, eerste lid, van de Wet toezicht kredietwezen 1992, meermalen gepleegd" en "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden. Voorts zijn er beslissingen genomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen als nader in het arrest omschreven en heeft het Hof een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.

De zaak hangt samen met zaaknummer 02397/06 waarin ik vandaag ook concludeer.

2. Mr. L.S. Slinkman, advocaat te Hoogezand, heeft cassatie ingesteld en een schriftuur ingezonden, houdende vier middelen van cassatie.

3.1. Het eerste middel bevat de klacht dat er door het tijdsverloop tot aan de uitspraak in hoger beroep sprake is van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM.

3.2. Een desbetreffend verweer is gelet op de pleitnota en het proces-verbaal van de terechtzitting van het Hof in hoger beroep niet gevoerd. Hetgeen door de verdachte en haar raadsman ter terechtzitting naar voren is gebracht, zoals in de toelichting op het middel weergegeven, hoefde het Hof niet op te vatten als een beroep op overschrijding van de redelijke termijn.

In cassatie kan niet voor het eerst, met een beroep op feiten die het Hof niet heeft vastgesteld, de stelling worden betrokken dat van zodanige overschrijding in feitelijke aanleg sprake is geweest.

Het Hof was bij gebreke van een daartoe strekkend verweer niet gehouden te doen blijken van zijn onderzoek naar de naleving van art. 6, eerste lid, EVRM in dit opzicht.

's Hofs in de bestreden uitspraak besloten liggende oordeel dat de redelijke termijn als hiervoor bedoeld niet is overschreden, geeft verder in het licht van de stukken van het geding geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk.

3.3. Het middel faalt.

4.1. Het tweede middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase is overschreden.

4.2 Het cassatieberoep is op 1 november 2005 ingesteld, terwijl de stukken pas op 30 augustus 2006 op de griffie van de Hoge Raad zijn binnengekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als hiervoor bedoeld in cassatie is overschreden. Het middel is dus gegrond. Dat moet leiden tot strafvermindering.

5.1. Het derde middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op een ter terechtzitting onder het hoofd "Hypotheekfraude" ten aanzien van feit 1 primair gevoerd verweer. Het middel stelt dat het gaat om een verweer dat ertoe strekt dat verdachte ten aanzien van dat feit heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedragingen door af te gaan op kort gezegd een deugdelijk advies van een gezaghebbende persoon of instantie, op de deugdelijk van welk advies verdachte in redelijkheid mocht vertrouwen.

Dat komt dus neer op een beroep op rechtsdwaling.

5.2. Blijkens de ter terechtzitting in hoger beroep overgelegde pleitnotitie, heeft de raadsman het volgende verweer gevoerd:

"13. Mijn cliënt werd in eerste aanleg verweten in zaken van zowel [betrokkene 17] als van [betrokkene 1] valsheid in geschrifte te hebben gepleegd. De rechtbank heeft dit slechts bewezen geacht voor wat betreft [betrokkene 17]. Hiertegen richt zich dan ook het beroep. In het geval van de hypotheek van [betrokkene 17] zijn er ten behoeve van een hypotheekaanvraag een werkgeversverklaring en salarisspecificatie(s) opgesteld, waarin ten onrechte wordt opgegeven dat [betrokkene 17] in dienst was bij [A] B.V. en waarin een onjuist salaris staat vermeld.

14. Allereerst een korte opmerking over de tenlastelegging (...). (1)

15. In het proces-verbaal wordt in de samenvatting vermeld dat mijn cliënte ter zake de hypotheek van [betrokkene 17] zou hebben erkend dat zij zich in dit geval daadwerkelijk schuldig zou hebben gemaakt aan hypotheekfraude. Mijn cliënte betwist dit. Mijn cliënte heeft in het verhoor nadrukkelijk aangegeven dat zij zich op dat moment niet meer de exacte gang van zaken kon herinneren. Als de verklaringen van mijn cliënte in de juiste context worden geplaatst, zodat zij bij de rechtbank heeft toegelicht, dan kan slechts worden vastgesteld dat mijn cliënte heeft erkend dat de gegevens zoals die haar zijn voorgehouden met betrekking tot de hypotheekaanvraag van [betrokkene 17] niet kloppen en dat zij gedeeltelijk bij het opstellen van deze gegevens betrokken is geweest. Ongeacht haar bewoordingen heeft mijn cliënte nooit erkend deze gegevens opzettelijk verkeerd te hebben opgesteld, dan wel te hebben laten opstellen en te gebruiken. Nu niet wordt ontkend dat de gegevens op zich niet kloppen is een nadere toelichting op het handelen van mijn cliënte op zijn plaats.

16. In het dossier bevinden zich verklaringen van zowel [betrokkene 17] zelf, als zijn toenmalige partner [verdachte], zus van mijn cliënte. Uit deze verklaringen blijkt dat de hypotheek van [betrokkene 17] via mijn cliënte zou worden geregeld. Beiden geven aan dat wat betreft de werkgeversverklaring van [betrokkene 17] en bijbehorende salarisspecificaties, deze onjuist zijn, nu [betrokkene 17] nooit bij [A] heeft gewerkt. Samen met de notities van mijn cliënte aan [betrokkene 2] en haar eigen verklaring heeft de rechtbank voldoende bewijs aanwezig geacht om mijn cliënt te veroordelen.

17. Mijn cliënte ontkent op de hoogte te zijn geweest van de onjuistheid van de gegevens. In tegenstelling tot wat blijkt uit de verklaringen van zowel [betrokkene 17] als [verdachte] is er in de periode voorafgaand aan de hypotheekaanvraag wel degelijk sprake van geweest dat [betrokkene 17] als buitendienstmedewerker bij [A] zou komen werken. Mijn cliënte heeft bij het eerste contact met [betrokkene 17] direct aan de directie, te weten [medeverdachte 1], te kennen gegeven dat zij, gezien de familiebanden niet betrokken wilde worden bij een eventuele aanstelling van [betrokkene 17]. Er is daar dan ook niet verder met cliënte over gesproken. Bij de rechtbank heeft [medeverdachte 1] al verklaard dat [betrokkene 17] wel degelijk in dienst is geweest bij [B]. Mijn cliënte heeft dit ook zo van [medeverdachte 1] begrepen. Gelijk haar zus, die gezien haar latere verklaring, door mij overlegd aan de rechtbank, ook van mening is dat er afspraken met [betrokkene 17] waren gemaakt.

18. Voor zover bewezen wordt verklaard dat mijn cliënte kennelijk onjuiste gegevens heeft verschaft over [betrokkene 17] moet dit dus worden verklaard vanuit de, achteraf onjuist gebleken, doch voor de hand liggende gedachte dat [medeverdachte 1] nadere afspraken met [betrokkene 17] over een aanstelling als buitendienstmedewerker (accountmanager) had gemaakt. Een en ander is haar zoals gezegd ook als zodanig bevestigd door [medeverdachte 1].

19. Wat betreft de rechtvaardiging van de veronderstelling van mijn cliënte wijs ik u nog op de volgende feiten en omstandigheden. Allereerst is er het feit dat [betrokkene 17] in de betreffende periode veelvuldig op het kantoorpand aanwezig was. Daarnaast is de werkgeversverklaring door [medeverdachte 1] zelf ondertekend en geeft hem op als contactpersoon.

20. Ook verwijs ik naar de verklaring van [betrokkene 2]. Deze verklaart immers dat hij valselijk voor verschillende personen, onder wie [betrokkene 17], salarisstroken heeft opgemaakt. Deze personen waren volgens [betrokkene 2] personen waarvan door [medeverdachte 1] en [betrokkene 3] werd gezegd dat deze toekomstige werknemers waren. [Betrokkene 2] heeft zelf, ook ter zitting, verklaard dat hij alles met [medeverdachte 1] besprak. Over mijn cliënte wordt in die zin met geen woord gerept. Voor de volledigheid kan nog worden opgemerkt dat de inkomensgegevens, vermeld op de werkgeversverklaring, overeenstemmen met wat men in deze functie bij [B] kon verdienen. Ook op dit punt dus geen reden voor mijn cliënte om te twijfelen aan de juistheid van haar handelen. Mijn cliënte wist simpelweg niet beter dan dat [betrokkene 17] in dienst was.

21. Mijn cliënte is in de kwestie [betrokkene 17] in een situatie terechtgekomen waarbij zij op het eerste oog wellicht de schijn tegen heeft. Naar mijn mening heeft de rechtbank zich door deze schijn laten misleiden om vervolgens tot een veroordeling te komen. Ik leid dit in eerste instantie af uit de bewezenverklaring. De rechtbank acht bewezen dat mijn cliënte zelfstandig de gegevens heeft opgemaakt terwijl uit het dossier toch duidelijk naar voren komt dat het niet mijn cliënte zelf is geweest die de opmaak heeft verzorgd, echter dat zij gegevens heeft aangeleverd. In geval van een veroordeling had het doen laten opmaken bewezen moeten worden verklaard.

22. De rechtbank heeft kennelijk geen enkel gewicht willen toekennen aan alle zojuist genoemde feiten en omstandigheden die erop wijzen dat mijn cliënte in goed vertrouwen heeft gehandeld. Dit terwijl naar mijn mening op grond van de genoemde feiten en omstandigheden niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dat mijn cliënte het oogmerk had de betreffende bescheiden als echt en onvervalst te gebruiken. Ik kan gezien de verklaringen die er liggen ook niet inzien welk belang mijn cliënte bij haar handelen zou moeten hebben gehad.

23. Ik verzoek u dan ook primair mijn cliënte van dit feit vrij te spreken, subsidiair haar te ontslaan van alle rechtsvervolging. Dit op basis van het vertrouwen waarin zij heeft gehandeld."

5.3. Ik kan in dit verweer niet een beroep op rechtsdwaling zien. In elk geval is het begrijpelijk dat het Hof het aangevoerde niet als een zodanig verweer heeft opgevat. Het middel kan dus bij gebrek aan feitelijke grondslag niet tot cassatie leiden.

Ten overvloede merk ik nog het volgende op. Het verweer was, lijkt mij, gericht tegen de tenlastelegging en strekt er in het bijzonder toe het tenlastegelegde opzet te betwisten. De bewijsmiddelen houden onder meer in een verklaring van de verdachte waarin zij het feit tegenover de politie erkent, verklaringen van [betrokkene 17] en diens toenmalige partner (de zuster van verdachte), dat verdachte alles heeft geregeld met betrekking tot de hypotheek en dat [betrokkene 17] niet heeft gewerkt voor [A] (waar ook verdachte werkte) en dat hij nimmer loon van dat bedrijf heeft ontvangen zoals op de desbetreffende salarisspecificaties is vermeld. Een en ander vindt ook nog steun in de verklaring van [betrokkene 4].

Mede in aanmerking genomen de aan de feitenrechter toekomende vrijheid van selectie en waardering van het bewijsmateriaal, was het Hof, dat het nadere standpunt van verdachte zoals verwoord in het verweer kennelijk en niet onbegrijpelijk onaannemelijk heeft geacht, niet gehouden de bewijsbeslissing nader te motiveren.

5.4. Het middel kan niet tot cassatie leiden.

6.1. Het vierde middel behelst de klacht dat het Hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het het verweer dat verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedraging niet heeft gehonoreerd en is afgeweken van het standpunt van de verdachte.

Hierbij verdient opmerking dat het middel dat verweer (mede), doch mijns inziens ten onrechte, kenschetst als een verweer ten aanzien van het bewijs en tot de slotsom komt dat de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed.

6.2. Ten laste van de verdachte heeft het Hof onder 2 primair bewezen verklaard dat:

"verdachte op verschillende tijdstippen, gelegen in de periode van juni 1998 tot en met 27 november 2000 te Westerbork, in respectievelijk de gemeente Middenveld of Midden-Drenthe, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk bedrijfsmatig na te noemen al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het hierna te noemen publiek heeft aangetrokken en ter beschikking heeft verkregen en ter beschikking heeft gehad, dan wel in enigerlei vorm heeft bemiddeld terzake van het bedrijfsmatig van het hierna te noemen publiek aantrekken of ter beschikking verkrijgen van hierna te noemen al dan niet op termijn opvorderbare gelden, hebbende zij, verdachte en verdachtes mededaders, toen en daar opzettelijk met na te noemen publiek vermogensbeheerovereenkomsten gesloten telkens strekkende tot het beheren van de hierna te noemen hoeveelheden geld van dat publiek, voor een vooraf vastgestelde vaste vergoedingsperiode (van 8 jaar) en/of voor een vooraf vastgesteld vast vergoedingstarief en waarbij tussentijdse opnames onbeperkt mogelijk waren met een vooraf vastgestelde opzegtermijn van 2 maanden, waarbij of waarna na te noemen publiek vervolgens de na te noemen hoeveelheden geld aan verdachte en verdachtes mededaders ter hand heeft gesteld of heeft afgegeven en heeft gestort op een bank- of girorekening van [C] B.V. of [D] B.V.:

publiek:gelden:

[betrokkene 5] fl. 900.000,--

[betrokkene 6] fl. 30.000,--

(volgen nog 30 personen die gelden ter beschikking hebben gesteld C.B.).

6.3.1 Het gaat voor wat betreft dit feit, gelet op de gebezigde bewijsmiddelen, kort gezegd om het volgende.

[C] sloot met een bepaalde persoon een " Vermogensbeheer overeenkomst" met de volgende inhoud:

" Middels ondertekening van deze overeenkomst geeft ( volgt de naam van de cliënt) opdracht aan [C] om het kapitaal, ad (...) te beheren tegen een rente van 5,4% voor een rentevast periode van 08 jaar.

Deze overeenkomst is onder de volgende voorwaarden tot stand gekomen:

- De rentevast periode bedraagt 08 jaar tegen een vast rentetarief van 5,4 %.

- Tussentijdse opnames zijn onbeperkt mogelijk, waarbij een opzegtermijn van 02 maanden wordt gehanteerd.

Deze overeenkomst is opgemaakt onder de voorwaarde dat de storting binnen 08 dagen na dagtekening wordt gestort t.n.v. [C] B.V. te [vestigingsplaats].

Aldus akkoord bevonden en ondertekend (...) "

6.3.2 Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat potentiële klanten werd voorgespiegeld dat de ingelegde gelden werden "gestald" bij de bank Labouche`re, waarbij 5,6 % rente werd gegeven, waarvan 5,4 % werd uitbetaald aan de cliënt (bewijsmiddelen 72, 73, 75, 76 en 77), terwijl het geld werd gebruikt voor de dagelijkse bedrijfsvoering ( salarissen en wagenpark ) ( bewijsmiddelen 74 en 76).

Van vermogensbeheer kan gelet op het voorgaande mijns inziens niet worden gesproken.(2) Het gaat hier om het aantrekken van gelden tegen een bepaalde rentevergoeding. Ik merk dit hier reeds op in verband met het beroep dat in het kader van het verweer is gedaan op contacten met de Stichting Toezicht Effectenverkeer (STE), die echter met deze materie mijns inziens niets te maken heeft. Een beroep dat overigens voor wat betreft de aard van die contacten niet of nauwelijks is gespecificeerd,(3) waarbij in het bijzonder de vraag rijst of STE is geïnformeerd over de aard van de werkwijze van [C] B.V. en de inhoud van de met cliënten gesloten overeenkomsten.

6.4. Uit de pleitnota blijkt dat ter terechtzitting kort samengevat is aangevoerd dat verdachte in goed vertrouwen gehandeld heeft. Gesteld is dat verdachte ervan uitging dat [B] aan de vergunningsvereisten voldeed. In de eerste plaats - zo wordt gesteld - was verdachte niet betrokken bij de oprichting van de afdeling vermogensbeheer. Zij is er pas gaan werken na de oprichting daarvan. Ook is aangevoerd dat externe partijen een belangrijke rol hebben gespeeld. Zo heeft [B] bij de oprichting van het vermogensbeheer de assistentie ingeroepen van Notariaat Zuidlaren, was een van de betrokkenen na een lang dienstverband bij [E] bij de oprichting betrokken en daarna als directeur bij de afdeling vermogensbeheer werkzaam. Daarnaast is namens de verdachte naar voren gebracht dat zij in goed vertrouwen handelde omdat ook [E] van het bestaan van het vermogensbeheer op de hoogte zou zijn (wat overigens door [E] is betwist).Tevens heeft de verdediging gesteld dat ook de STE pas in oktober 2000 contact met de politie heeft opgenomen.

6.5. Het Hof heeft het verweer als volgt samengevat en verworpen:

"De raadsman heeft betoogd dat verdachte ten aanzien van feit 2 dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Het kan verdachte niet worden verweten dat zij wist, althans had moeten weten, dat in strijd met de Wet toezicht kredietwezen 1992 werd gehandeld. De betrokkenheid van verdachte voor wat betreft de criminele organisatie dient - in ieder geval - beperkt te blijven tot het vermogensbeheer. Aangezien hiervoor ontslag van alle rechtsvervolging is bepleit, dient zij ook voor wat betreft de criminele organisatie te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, aldus de raadsman.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende. Het hof vat het verweer van de verdediging op als een beroep op afwezigheid van alle schuld, meer in het bijzonder als een beroep op rechtsdwaling. Niet is gesteld of gebleken dat verdachte, die lid was van het managementteam van het bedrijf, zich met betrekking tot haar bezigheden rond (wat werd genoemd:) vermogensbeheer op daartoe door haar gestelde vragen of verzoeken inzake juridische vereisten heeft laten informeren door een persoon of instantie aan wie een zodanig gezag valt toe te kennen dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid daarvan mocht vertrouwen. Verdachte had een dermate grote actieve betrokkenheid bij het vermogensbeheer dat zij - mede gelet op haar opleiding en kennis op het gebied van de financiële dienstverlening in ruime zin - zich ervan had moeten vergewissen dat aan alle (juridische) vereisten voor het uitoefenen van vermogensbeheer was voldaan en dat er volgens de regels werd gewerkt.

Dit klemt te meer aangezien er door particulieren zeer grote bedragen werden toevertrouwd aan [B] in het kader van dat vermogensbeheer. In zoverre is verdachte in de op haar rustende onderzoeksplicht tekortgeschoten en komt haar geen beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling toe. Het hof verwerpt derhalve het beroep.

Ten overvloede zij hier nog opgemerkt dat verdachte bovendien 'op haar vingers had kunnen natellen' dat er voor de activiteiten een vergunning/ontheffing vereist was. In het financiële verkeer gelden - naar algemeen bekend is - strenge regels voor o.a. banken en andere (krediet)instellingen, waarmee de wetgever (onder meer) heeft willen bewerkstelligen consumenten zo veel mogelijk te beschermen. "

6.6. Overtreding van art. 82, eerste lid (oud) Wet toezicht kredietwezen 1992 (verder ook: "de Wet") was ten tijde van de bewezenverklaarde feiten een economisch delict, dat ingeval het opzettelijk was begaan een misdrijf opleverde (art. 1 onder 2° (oud) in verbinding met art. 2 WED).

Art. 82, eerste lid, (oud) van de Wet verbood kort gezegd onder meer om bedrijfsmatig al dan niet op termijn opvorderbare gelden van het publiek aan te trekken. Ingevolge het derde lid van die bepaling gold het verbod niet indien de Minister van Financiën, vrijstelling, of op verzoek en de Nederlandse Bank gehoord, ontheffing heeft verleend van de in het eerste lid genoemde verboden in het geval dat de belangen die de wet beoogt te beschermen, naar zijn oordeel anderszins voldoende worden beschermd.

6.7. Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad behoeft bij strafbaarstellingen als de onderhavige het opzet geen betrekking te hebben op de omstandigheid dat de desbetreffende gedraging wettelijk verboden is.(4) In deze zaak hoeft dus niet bewezen te worden dat het opzet van verdachte was gericht op het vereiste van een ontheffing en het ontbreken daarvan. Mede gelet daarop is het begrijpelijk dat het Hof het gevoerde verweer heeft opgevat als een beroep op rechtsdwaling. Ook het middel sluit zich blijkbaar bij deze kwalificatie van het verweer aan.

Ter zijde merk ik nog op dat voor zover is betoogd dat verdachte een ondergeschikte positie in de organisatie had en ervan mocht uitgaan dat haar superieuren over de vereiste papieren beschikten en in overeenstemming met de wet handelden, eigenlijk wordt opgekomen tegen de haar verweten rol als medepleger. Van iemand met een slechts administratieve, ondersteunende functie, bijvoorbeeld met betrekking tot het contact met cliënten en het redigeren van de overeenkomsten, kan immers moeilijk worden gezegd dat zij samen met haar directeur gelden van het publiek aantrekt. Maar bedoeld betoog vindt zijn weerlegging in de gebezigde bewijsmiddelen, waaruit volgt dat de verdachte binnen de organisatie een belangrijke rol vervulde, ook op het terrein van het "vermogensbeheer" en van de gang van zaken op de hoogte was. Aan dit aspect heeft het Hof overigens bij zijn verwerping van het verweer ook nog aandacht besteed waar het gewag maakt van de positie van de verdachte in het managementteam en haar grote actieve betrokkenheid bij het vermogensbeheer,

6.8. Voor het slagen van een beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling ten aanzien van de wederrechtelijkheid van het bewezenverklaarde feit, is vereist dat aannemelijk is geworden dat een verdachte heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de hem verweten gedraging.(5) Daarvan kan sprake zijn indien de verdachte is afgegaan op het advies van een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid van het advies mocht vertrouwen.(6) Bij de beoordeling van een daartoe strekkend verweer kunnen verschillende aspecten van belang zijn:

- de positie van de verdachte binnen het bedrijf;

- de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de adviseur;

- de specifieke deskundigheid van de adviseur;

- de complexiteit van de materie waarover advies wordt ingewonnen;

- de manier waarop en de omstandigheden waaronder het advies is ingewonnen en gegeven.(7)

6.9. Het Hof heeft zijn oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in een verontschuldigbare onbewustheid ten aanzien van de ongeoorloofdheid van de haar verweten gedraging hierop gegrond dat niet is gesteld of gebleken dat verdachte zich met betrekking tot haar bezigheden met betrekking tot (wat werd genoemd:) vermogensbeheer op daartoe door haar gestelde vragen of verzoeken inzake juridische vereisten heeft laten informeren door een persoon of instantie aan wie een zodanig gezag valt toe te kennen dat verdachte in redelijkheid op de deugdelijkheid daarvan mocht vertrouwen en dat verdachte een zo grote actieve betrokkenheid bij het vermogensbeheer had dat zij zich ervan had moeten vergewissen dat aan alle juridische vereisten voor het uitoefenen van vermogensbeheer was voldaan en dat er volgens de regels werd gewerkt. Naar het oordeel van het Hof is de verdachte tekortgeschoten in de op haar rustende onderzoeksplicht en komt de verdachte geen beroep op verontschuldigbare rechtsdwaling toe. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. De vraag rest of in het licht van hetgeen namens de verdachte in dit verband is aangevoerd, dat oordeel toereikend is gemotiveerd.

6.10. Uit wat namens de verdachte ter terechtzitting is aangevoerd blijkt niet dat verdachte enig advies heeft gevraagd, laat staan dat dat zou zijn geschied bij een persoon of instantie aan wie of waaraan zodanig gezag valt toe te kennen dat de betrokkene in redelijkheid op de deugdelijkheid van een eventueel advies had mogen vertrouwen. Het verweer komt daarop neer dat de verdachte bovenbedoelde activiteiten, die behoudens vrijstelling of ontheffing verboden zijn, heeft verricht en dat niemand van degenen met wie zij daarbij in aanraking is gekomen, ook niemand van de externe relaties, haar heeft gevraagd of zij deze wel mocht verrichten. Het behoeft geen betoog dat de eigen verantwoordelijkheid voor verdachtes handelen niet op deze wijze kan worden afgeschoven op anderen. De omstandigheid dat die anderen niet in de aangegeven zin reageerden op haar bedrijfsactiviteiten, brengt niet mee dat verdachte wegens rechtsdwaling vrijuit zou behoren te gaan. Ik teken daarbij nog aan dat het maar de vraag is of die zakenpartners zicht hadden op wat het zogenaamde vermogensbeheer precies inhield en dat dezen in beginsel ervan uit zullen en kunnen zijn gegaan dat de B.V. en de verdachte haar zaakjes goed voor elkaar hadden.

Verdachte had zich ten aanzien van haar bezigheden op het gebied van "vermogensbeheer" actiever moeten opstellen en zelf dienen te onderzoeken aan welke voorwaarden de B.V., waarin zij een belangrijke positie bekleedde, moest voldoen.

6.11. Het middel kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden.

7. Middel 2 is terecht voorgesteld. De overige middelen falen en kunnen in ieder geval ten aanzien van het eerste en het derde middel met de aan art. 81 RO te ontlenen korte motivering worden afgedaan.

8. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoort te geven.

9. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, doch uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging, tot vermindering van de straf in de mate als de Hoge Raad gepast voorkomt en tot verwerping van het beroep voor het overige.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 Het gaat hier om thans niet relevante subsidiaire tenlastelegging (C.B.).

2 In elk geval ook niet van vermogensbeheer in de zin van de Wet toezicht effectenverkeer 1995 (Vgl. C.M. Grundmann- van de Krol, Koersen door het effectenrecht, 6e blz. 278). Niet zonder meer duidelijk is daarom hoe contacten met de STE hier relevant zouden kunnen zijn.

3 Dat de B.V. op enig moment in een register van de STE zou zijn opgenomen, zegt op zichzelf niets, nu niet is aangegeven op grond van welke informatie en in welk register dat is geschied. Heeft de B.V. zich misschien als cliëntenremisier gepresenteerd? Zie C.M. Grundmann- van de Krol t.a.p. blz. 290 t.a.v. kennisgeving aan (thans) de AFM.

4 HR NJ 1952, 314 en recent HR 24 april 2007, LJN AZ8783.

5 Vgl. HR 23 mei 1995, NJ 1995, 631.

6 Vgl. HR 13 december 1960, NJ 1961, 416; HR 18 maart 2003, NJ 2004, 491. Zie verder De Hullu, Materieel Strafrecht, 3e druk, p. 345-348.

7 HR 4 april 2006, LJN AU4664.