Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7239

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
18-12-2007
Datum publicatie
18-12-2007
Zaaknummer
01603/06
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7239
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Rechtsmiddelen. Het Hof verklaart het OM n-o in het hoger beroep, waartegen verdachte cassatieberoep instelt. HR: Noch uit het middel noch uit de overige gedingstukken blijkt dat verdachte een rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van beroep in cassatie tegen het bestreden arrest. De HR verklaart verdachte n-o in het beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 879
RvdW 2008, 83
NJB 2008, 241
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01603/06

Mr. Bleichrodt

Zitting 30 oktober 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch heeft het Openbaar Ministerie bij arrest van 9 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank Roermond van 2 april 2004, waarbij verdachte is vrijgesproken van het hem onder 4. tenlastegelegde en voorts in de zaak met parketnummer 04/1610175-03 ter zake van 1., 2. en 3. telkens opleverende "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder B van de Opiumwet gegeven verbod" en 5. "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", in de zaak met parketnummer 041050926-03 ter zake van "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", in de zaak met parketnummer 04/1070046-03 ter zake van 1. "in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzetteIijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking" en in de zaak met parketnummer 04/1070048-03 ter zake van 2. primair "oplichting" is veroordeeld tot 24 maanden gevangenisstraf waarvan 8 maanden voorwaardelijk met 2 jaren proeftijd, met verbeurdverklaring als in het arrest omschreven. Daarnaast had de Rechtbank in die zaak de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2.1 De verdachte heeft zelf cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

Het Hof heeft op 9 februari 2006 arrest gewezen. Blijkens de akte uitreiking is de oproeping van verdachte voor de nadere terechtzitting in hoger beroep van diezelfde datum, op welke terechtzitting verdachte en zijn raadsman niet zijn verschenen, in persoon betekend. Gelet op die betekening in persoon had op grond van art. 432, eerste lid aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep binnen veertien dagen na het arrest moeten worden ingesteld. Het rechtsmiddel is echter pas op 6 maart 2006 aangewend. Het voorgaande gaf mij aanleiding om op 5 juni 2007 te concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep.

2.2 Op 13 juni 2007 heeft mr. Baumgardt op deze conclusie gereageerd. In zijn reactie stelt hij dat verdachte op 15 februari 2006 (na de terechtzitting in hoger beroep betreffende een andere bij het Hof te 's-Hertogenbosch aanhangige strafzaak) bij de griffie cassatieberoep wilde instellen tegen het bestreden arrest, maar dat een baliemedewerker hem bij die gelegenheid zou hebben medegedeeld dat in de strafzaak tegen verdachte pas uitspraak zou worden gedaan op 23 februari 2006.

2.3 Op een door de griffie van de Hoge Raad namens de strafkamer gedaan verzoek om inlichtingen over de in genoemde brief van de raadsman gestelde gang van zaken, is een brief van 21 september 2007 van [betrokkene 1], waarnemend hoofd administratie van de strafsector van het Hof, ingekomen, inhoudende onder meer:

"Cassatieaktes worden opgemaakt bij de Centrale Info Balie van het Paleis van Justitie, wat ook in het onderhavige geval is gebeurd.

Daarom heb ik daar geïnformeerd hoe het een en ander in deze kwestie is gelopen. Daar werd mij medegedeeld dat het inderdaad mogelijk is geweest dat de baliemedewerker op de dag van de terechtzitting in hoger beroep tegen de veroordeelde heeft gezegd dat hij pas na veertien dagen beroep in cassatie kon instellen. De baliemedewerker is er daarbij waarschijnlijk van uit gegaan dat normaliter de uitspraak veertien dagen na de zitting plaatsvindt. In dit geval is echter ter terechtzitting van 9 februari 2006 direct uitspraak gedaan en had veroordeelde inderdaad het rechtsmiddel van cassatieberoep op die datum of binnen veertien daarna kunnen aanwenden.

Naar het zich laat aanzien is in dit geval ten onrechte door de Centrale Info Balie aan de veroordeelde medegedeeld dat hij pas na 23 februari cassatieberoep kon instellen."

2.4 De inhoud van genoemde brief geeft mij aanleiding - nu de verdachte kennelijk is afgegaan op de onjuiste mededeling van een griffiemedewerker over de uitspraakdatum van het bestreden arrest en er daarom van uitgegaan moet worden dat de verdachte in zijn cassatieberoep wel ontvankelijk is - aanvullend te concluderen en het voorgestelde middel alsnog te bespreken.

3.1 In het middel wordt aangevoerd dat het Hof heeft nagelaten een beslissing te geven naar aanleiding van het door verdachte ingestelde hoger beroep en dat het Hof ten onrechte het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.

3.2 Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 9 februari 2006, waar noch de verdachte noch een raadsman was verschenen, volgt onder meer dat de Advocaat-Generaal daar heeft gevorderd dat het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep.

3.3 Het bestreden arrest houdt, voorzover hier van belang, de volgende beslissing van het Hof in:

"Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het van de zijde van de verdachte ingestelde hoger beroep alsmede het van de zijde van het openbaar ministerie ingestelde beroep is telkens ingetrokken nadat de terechtzitting in hoger beroep is aangevangen maar voordat het hof aan een onderzoek van de feiten is toegekomen.

Nu geen rechtens te beschermen belang gediend is met een behandeling van het hoger beroep, zal het hof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep.

Beslissing

Het hof: Verklaart het openbaar ministerie niet-ontvankelijk in het hoger beroep."

3.4 Bij de stukken bevindt zich een akte rechtsmiddel d.d. 8 februari 2006, opgemaakt ter griffie van de Rechtbank Roermond, inhoudende kort gezegd dat de Officier van Justitie A.J.M. Clarijs aldaar is verschenen en heeft verklaard het ingestelde beroep tegen het eindvonnis van de Rechtbank Roermond van 2 april 2004 in de zaak tegen verdachte in te trekken.

3.5 Een akte houdende de intrekking van het in deze strafzaak door verdachte op 16 april 2004 vanuit detentie op de voet van art. 451, eerste lid Sv ingestelde hoger beroep bevat het dossier echter niet. Bij de stukken bevindt zich daarentegen wél een door verdachte al op 2 april 2004 ondertekende volmacht om namens hem afstand te doen van het recht op hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Roermond van diezelfde datum. Deze volmacht is door de Penitentiaire Inrichting Roermond, waar verdachte op dat moment was gedetineerd, op 2 april 2004 gefaxt naar de griffie van de Rechtbank Roermond.(1) Namens verdachte is daar blijkens de opgemaakte akte door (de griffiemedewerker) [betrokkene 2] op diezelfde dag afstand gedaan van de bevoegdheid tot het instellen van een rechtsmiddel tegen het desbetreffende vonnis van de Rechtbank. Het door verdachte ondertekende stuk is dus - naar mijn mening terecht - ter griffie aangemerkt als een bijzondere volmacht (tot het doen van afstand) als bedoeld in art. 450, eerste lid onder b, Sv, welke bepaling ingevolge art. 454, derde lid, Sv van overeenkomstige toepassing is op de intrekking van een ingesteld hoger beroep en op de afstand van de bevoegdheid om dat rechtsmiddel aan te wenden. Een en ander wijst erop dat op rechtsgeldige wijze afstand is gedaan van het recht om hoger beroep in te stellen tegen het onder 1 genoemde rechtbankvonnis.(2)

Afstand van de bevoegdheid om een rechtsmiddel aan te wenden is in beginsel onherroepelijk; op een dergelijke beslissing kan niet worden teruggekomen, bijvoorbeeld door alsnog beroep in te stellen, zoals in casu is gebeurd. Dit is slechts anders indien bijzondere omstandigheden aanleiding geven tot het oordeel dat de gedane afstand niet kan gelden als afstand in de zin van art. 453, derde lid, Sv. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien aannemelijk is dat de verdachte verschoonbaar heeft gedwaald omtrent de inhoud van het vonnis of de betekenis van zijn verklaring.(3) Wat dat betreft is op de terechtzitting van het Hof echter niets aangevoerd.(4)

3.6 In het licht van het voorgaande berust de motivering van 's Hofs beslissing voor zover inhoudende dat (ook) verdachte het tegen het vonnis van de Rechtbank Roermond van 2 april 2004 ingestelde rechtsmiddel zou hebben ingetrokken, op een kennelijke vergissing en heeft het Hof klaarblijkelijk het oog gehad op de al vóór het instellen van hoger beroep door de verdachte gedane afstand van het recht om te appelleren. Dat neemt niet weg dat het Hof mijns inziens uitdrukkelijk op het beroep van de verdachte had moeten beslissen, maar nu die beslissing - gelet op 's Hofs verbeterd gelezen motivering - in de gegeven situatie slechts had kunnen luiden dat de verdachte niet-ontvankelijk was in het ingestelde hoger beroep, behoeft de gegrondheid van de hiervoor onder 3.1 vermelde eerste klacht van het middel niet tot cassatie te leiden.(5)

3.7 Ook de tweede klacht, die daarop neer komt dat gegeven de stand van de behandeling van de zaak het Openbaar Ministerie zijn beroep niet meer kon intrekken, faalt. De zaak was in hoger beroep tegen de terechtzitting van 20 december 2005 aangebracht. Toen is niets meer gebeurd dan dat de behandeling naar aanleiding van een schriftelijk verzoek van de verdediging is aangehouden, en wel tot de terechtzitting van 9 februari 2006. Zoals opgemerkt heeft de Officier van Justitie alsnog op 8 februari 2006 zijn hoger beroep ingetrokken en is op de terechtzitting van 9 februari 2006 noch de verdachte noch de raadsvrouwe verschenen. Gelet op een en ander geeft 's Hofs oordeel dat geen rechtens te beschermen belang gediend is met een inhoudelijke behandeling van het hoger beroep, geen blijk van een verkeerde rechtsopvatting terwijl het evenmin onbegrijpelijk is. Deze situatie kan mijns inziens op één lijn worden gesteld met die waarin de Officier van Justitie vóór het uitroepen van de zaak op 20 december 2005 het hoger beroep zou hebben ingetrokken.(6) Ik realiseer mij dat de verdachte na zijn afstandsverklaring afhankelijk was van het beleid van het Openbaar Ministerie voor wat betreft de vraag of een hernieuwde - kennelijk door verdachte alsnog gewenste - inhoudelijke behandeling van de zaak zou volgen. Maar dat is geen reden om de grens voor wat betreft het tijdstip waarop de intrekking door de Officier van Justitie uiterlijk kon plaatsvinden, hier nauwer te trekken.(7) De enkele omstandigheid dat de verdachte na gedane afstand alsnog een inhoudelijke behandeling wenst en daarbij zijns inziens dus belang heeft, brengt niet mee dat sprake is van een rechtens te respecteren belang in die zin dat, waar de Officier van Justitie (net als een verdachte) in de regel bevoegd is zijn rechtsmiddel in te trekken nadat de zaak is uitgeroepen mits het nog maar niet tot een inhoudelijke behandeling is gekomen, zulks in een geval als het onderhavige niet mogelijk zou zijn.

3.8 Voor de goede orde merk ik nog op dat het beroep dat in de toelichting wordt gedaan op wat geldt in de cassatieprocedure en in het bijzonder op HR NJ 1999, 208 (waaruit een latere, strenge(re) benadering door de Hoge Raad zou volgen), niet opgaat. Gesteld wordt dat uit een en ander volgt dat een cassatieberoep niet meer kan worden ingetrokken na een eerste behandeling ter terechtzitting van de Hoge Raad, welke behandeling inhoudelijk niet veel hoeft te betekenen.

Nog afgezien van het bijzondere karakter van de cassatieprocedure wordt miskend dat daar thans bepalend is HR 6 augustus 2002, LJN AE6175. In die uitspraak wordt ook als criterium gehanteerd wanneer voor het eerst enig onderzoek ten gronde ter terechtzitting wordt gedaan en worden vier in aanmerking komende momenten genoemd. De vroegst mogelijke daarvan is het tijdstip waarop de raadsman zijn middelen mondeling toelicht of het cassatieberoep van het Openbaar Ministerie weerspreekt. Niet bepalend is dus meer wanneer de zaak voor het eerst ter terechtzitting wordt uitgeroepen. In genoemde zaak was de zaak op de zitting aangebracht en ook al een datum voor conclusie bepaald, doch was het cassatieberoep vóór de terechtzitting waarop de conclusie zou worden genomen, ingetrokken. In dat geval, waarin niet was gepleit, is die intrekking geaccepteerd en heeft de Enkelvoudige Kamer de zaak van de rol gevoerd.(8)

3.9 Uit het voorgaande volgt dat het middel tevergeefs is voorgesteld.

4. Ambtshalve heb ik geen grond gevonden die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.

5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

1 De originele volmacht is blijkens het daarop geplaatste stempel op 5 april 2004 op de griffie van de Rechtbank Roermond ontvangen.

2 Alle het rechtsmiddel van hoger beroep betreffende stukken - zowel van het Openbaar Ministerie als van verdachte - vermelden overigens enkel het parketnummer 04/610175-03. De zaak onder dat parketnummer is op de zitting van de Rechtbank van 19 maart 2004 gevoegd met twee andere zaken. De akten hebben dus betrekking op de drie bij het eindvonnis van 2 april 2004 gevoegd afgedane zaken.

3 Zie in dit kader bijv. HR NJ 1983, 220 en t.a.v. art. 381, eerste lid, Sv bijv. HR NJ 1998, 663 en HR NJ 2001, 695.

4 En evenmin trouwens in de toelichting op het middel. Als een zodanige bijzondere omstandigheid kan niet worden aangemerkt wat door de steller van het middel is aangevoerd over verdachtes veronderstelling dat het niet instellen van hoger beroep een (gunstige) invloed zou hebben op het op hem van toepassing zijnde detentieregime en de datum van de voorlopige invrijheidstelling betreffende een andere te ondergane vrijheidsstraf. Vgl. HR 17 januari 2006, LJN AU6775, nr. 00617/05.

5 In het in de schriftuur genoemde arrest NJ 1999, 720 had het Hof een van de ingestelde beroepen geheel over het hoofd gezien. Hier is dat blijkens 's Hofs motivering niet het geval, al spreekt het Hof bij vergissing van een intrekking van het beroep door de verdachte en niet van een voorafgaande afstandsverklaring.

6 Vgl HR, NJ 94,69. Melai (H.K. Elzings en J. de Hullu) aant. 3 bij art. 453 Sv.

7 Een eerdere intrekking had vermoedelijk inderdaad de gestelde nadelige (penitentiaire) gevolgen van het hangende hoger beroep voor de verdachte kunnen voorkomen, maar het is maar de vraag wanneer de officier van justitie en de raadsvrouwe op de hoogte zijn gekomen van de door de verdachte gedane afstand, zodat de eerste zich in het licht daarvan op een eerder tijdstip had kunnen beraden over een (eerdere) intrekking van het beroep.

8 In het in het middel genoemde HR NJ 2004, 26 daarentegen was de conclusie al genomen. Toen kon het beroep niet meer worden ingetrokken, wat in overeenstemming is met de in HR 6 augustus 2002, LJN AE6175 neergelegde regels.

Nr. 01603/06

Mr Bleichrodt

Zitting 5 juni 2007

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Het Gerechtshof te 's Hertogenbosch heeft de verdachte op 9 februari 2006 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de Rechtbank te Roermond van 2 april 2004 waarbij de verdachte ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel s, onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd", "overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994", "overtreding van artikel 9, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994", en "in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander en terwijl hij weet dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn recht op een verstrekking" en "oplichting" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, met verbeurdverklaring zoals in het vonnis omschreven. Voorts heeft de Rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

De zaak hangt samen met zaaknummer 01604/06 P waarin ik vandaag ook concludeer.

2. De verdachte heeft zelf cassatie ingesteld. Mr. R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, heeft een schriftuur ingezonden, houdende één middel van cassatie.

3. De aan de Hoge Raad toegezonden stukken houden het volgende in. Het Hof heeft op 9 februari 2006 arrest gewezen. Blijkens de akte van uitreiking is de oproeping van verdachte voor de nadere terechtzitting in hoger beroep van 9 februari 2006 in persoon betekend. Gelet daarop had op grond van art. 432, eerste lid aanhef en onder a, Sv het cassatieberoep binnen veertien dagen na het arrest van het Hof moeten worden ingesteld. Nu dat rechtsmiddel pas op 6 maart 2006 is aangewend, kan de verdachte in het beroep in cassatie niet worden ontvangen. Ik kom dus aan een bespreking van het middel niet toe.

4. Op het grond van het bovenstaande concludeer ik tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden