Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA7027

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
05-10-2007
Datum publicatie
05-10-2007
Zaaknummer
R05/167HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA7027
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Familierecht. Ontbonden huwelijk met algehele uitsluiting van gemeenschap; geschil tussen voormalige echtelieden over de verrekening van de kosten van gemeenschappelijke huishouding. Procesrecht; eisvermeerdering in hoger beroep, ambtshalve toetsing maatstaf van art. 130 lid 1 Rv., ontvankelijkheid cassatieberoep.

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 130
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 640
RvdW 2007, 836
RFR 2007, 133
NJB 2007, 2024
JWB 2007/318
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rekestnr: R05/167HR

Mr. J. Wuisman

Parket, 8 juni 2007

CONCLUSIE inzake:

[De vrouw],

verzoekster tot cassatie,

incidenteel verweerster in cassatie,

advocaat: mr. J.H. van Gelderen,

tegen

[De man],

verweerder in cassatie,

incidenteel verzoeker tot cassatie,

advocaat: mr. W.P. den Hartog.

1. Feiten en procesverloop

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan((1)):

(i) Partijen, hierna: de vrouw en de man, zijn op 30 november 1973 op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd.

(ii) Het huwelijk van partijen is op 22 augustus 2002 geëindigd door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op die dag van de echtscheidingsbeschikking d.d. 14 mei 2002 van de rechtbank te Assen.

(iii) In de huwelijkse voorwaarden is, onder meer, het volgende bepaald:

"ARTIKEL 1.

Tussen de echtgenoten zal geen enkele gemeenschap van goederen bestaan, zodat zowel de wettelijke algehele gemeenschap van goederen, als de gemeenschap van winst en verlies en iedere andere beperkte gemeenschap van goederen zijn uitgesloten.

Hetgeen ieder der echtgenoten ten huwelijk aanbrengt of in het vervolg door hem of haar door aankoop, erfenis, making, schenking of op enige andere wijze wordt verkregen, zal alzo ieders bijzonder eigendom zijn en blijven.

ARTIKEL 5.

De kosten van de gezamenlijke huishouding, daaronder begrepen die van de verzorging en opvoeding der kinderen die uit het huwelijk geboren mochten worden - adoptief- en pleegkinderen daaronder begrepen -, zullen worden gedragen door de man.

ARTIKEL 6.

Verrekening van hetgeen door de vrouw in de in artikel 5 bedoelde kosten in enig kalenderjaar mocht zijn bijgedragen, kan niet meer gevorderd worden, wanneer twee jaren verstreken zijn na afloop van het kalenderjaar, waarin deze kosten zijn betaald."

1.2 In het kader van de afwikkeling van hun vermogensrechtelijke verhouding zijn tussen partijen de volgende twee, in cassatie nog van belang zijnde geschilpunten ontstaan:

(1) Staande het huwelijk is een woning (oude boerderij) gekocht, die aan de vrouw is geleverd. Er is aan de woning een verbouwing uitgevoerd: een deel van de woning is tot atelier verbouwd. In die verbouwing heeft de man een bedrag van € 8.718,48 geïnvesteerd((2)). De man maakt in verband hiermee aanspraak op een evenredig deel van de overwaarde van de woning (door hem gesteld op een bedrag van € 20.420,11), althans op een vergoeding van ten minste het door hem in de verbouwing geïnvesteerde bedrag((3)). De vrouw bestrijdt de aanspraak.

(2) De kosten van de gezamenlijke huishouding zijn door de vrouw gedragen. De vrouw verlangt een vergoeding hiervoor van de man, aangezien deze kosten krachtens artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden voor zijn rekening komen((4)). De man betwist tot een vergoeding gehouden te zijn.

1.3 In haar beschikking van 29 januari 2003 wijst de rechtbank Assen het verzoek van zowel de man als de vrouw af (zie blz. 2/3, resp. blz. 4 van de beschikking). Tegen deze beschikking stelt de man principaal en de vrouw incidenteel beroep in.

1.4 Omtrent het verzoek van de man oordeelt en beslist het hof in zijn tussenbeschikking van 3 augustus 2004 als volgt:

"17. Wanneer een echtgenoot die met uitsluiting van elke gemeenschap is gehuwd geheel of gedeeltelijk de tegenprestatie voldoet voor een verbouwing/verbetering van een onroerende zaak die op naam van de andere echtgenoot staat, heeft eerstgenoemde in beginsel jegens de andere recht op vergoeding van het nominale bedrag van de aldus verstrekte/ geïnvesteerde gelden.

18. Dit kan anders zijn wanneer tussen de echtgenoten anders is overeengekomen of wanneer een en ander is geschied om te voldoen aan een natuurlijke verbintenis van de ene echtgenoot tot verzorging van de andere, terwijl ook niet uitgesloten is dat uit redelijkheid en billijkheid, in verband met de omstandigheden van het geval, anders voortvloeit.

19. Nu geen feiten en/of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit voortvloeit dat zich in het onderhavige geval één of meer van deze uitzonderingen voordoet/voordoen, heeft de man ten minste recht op vergoeding van het nominale bedrag van de door hem aldus verstrekte/geïnvesteerde gelden.

20. Onder zeer bijzondere omstandigheden kunnen eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat niet alleen het aldus geïnvesteerde geld nominaal wordt vergoed, maar ook (een deel van) de meer-/overwaarde welke daarmee c.q. daardoor is gerealiseerd.

21. Aangezien zodanige zeer bijzondere omstandigheden zijn gesteld noch gebleken, stuit de stelling van de man dat hem een deel van de overwaarde van de echtelijke woning toekomt reeds hierop af.

22. Het subsidiaire verzoek van de man tot vergoeding van het nominale bedrag ligt derhalve thans voor toewijzing gereed."

1.5 Wat het verzoek van de vrouw betreft, deze heeft zij bij het instellen van het inci-denteel appel beperkt tot kosten van de gezamenlijke huishouding in de jaren 2001 en 2002. Zij verzoekt op dat moment om een vergoeding op te maken bij staat; zie haar Verweerschrift tevens incidenteel beroep, blz. 7. Ter gelegenheid van de behandeling van de zaak op een daartoe op 26 augustus 2003 gehouden zitting heeft de vrouw een overzicht van de gestelde kosten in het geding gebracht. Daarin wordt een totaalbedrag van € 17.320,- vermeld. Hieruit leidt het hof in zijn tussenbeschikking van 3 augustus 2004 af dat de vrouw haar verzoek in die zin heeft gewijzigd dat zij nog slechts een vergoeding tot genoemd bedrag vraagt (rov. 27 en 28). Het hof stelt vervolgens vast dat de man niet betwist dat de kosten op de gezamenlijke huishouding betrekking hebben, maar wel dat zij door de vrouw zijn gedragen (rov. 29). Hierin ziet het hof aanleiding om de vrouw in de gelegenheid te stellen om bescheiden in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij de kosten heeft voldaan (rov. 35 en dictum). Bij brief d.d. 13 september 2004 legt de vrouw bij het hof een overzicht over van de kosten van de gezamenlijke huishouding tezamen met bescheiden ter staving van haar stelling dat zij die kosten heeft voldaan. Het overzicht laat nu een totaalbedrag van € 33.308,93 zien. Anders gezegd, de vrouw vermeerdert haar verzoek. Bij brief van 13 oktober 2004 reageert de man op het overzicht. Tegen de vermeerdering van het verzoek zelf maakt hij in de brief geen bezwaar. In zijn eindbeschikking van 21 september 2005 oordeelt het hof in rov. 5 dat bij gebreke van gemotiveerde betwisting vaststaat dat de vrouw de in het tweede overzicht genoemde bedragen heeft voldaan, en in rov. 6 dat het tweede overzicht van de kosten een beduidend hoger bedrag, te weten € 33.308,93, vermeldt dan het eerste overzicht. In verband met dit laatste overweegt het hof:

"1. In zijn tussenbeschikking van 3 augustus 2004 heeft het hof in rechtsoverweging 28 overwogen dat hij uit het door de vrouw ter zitting overgelegde overzicht (hierna: het eerste overzicht) afleidt dat de vrouw haar verzoek heeft gewijzigd in die zin dat zij nog uitsluitend vergoeding vraagt van de door haar in het betreffende overzicht genoemde bedrag van € 17.320,- en geen veroordeling (meer) tot betaling van kosten op te maken bijstaat.

2. Voorts heeft het hof in die zelfde tussenbeschikking in rechtsoverweging 35 overwogen dat het de vrouw in de gelegenheid zal stellen alsnog bescheiden in het geding te brengen waaruit blijkt dat zij de door haar in het door haar overgelegde overzicht opgenomen rekeningen heeft voldaan en heeft het hof vervolgens ook dienovereenkomstig beslist.

7. Mede in het licht van hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 1 en 2 is overwogen, zal het hof deze vermeerdering van het verzoek buiten beschouwing laten op grond van strijd met de eisen van een goede procesorde.

8. Het hof zal derhalve uitsluitend de rekeningen/posten genoemd in het eerste overzicht in zijn oordeel betrekken en zulks tot ten hoogste het bedrag waarvoor zij in dat overzicht zijn opgenomen. (..)"

Het bedrag dat de man aan de vrouw terzake de door haar gedragen kosten van de gezamenlijke huishouding dient te voldoen, stelt het hof uiteindelijk vast op € 10.333,- (rov. 47). Dat bedrag verrekent het hof met het bedrag dat de vrouw aan de man heeft te vergoeden (€ 8.718,48), waarna nog een bedrag van € 1.614,32 resteert voor voldoening door de man aan de vrouw (rov. 51). Daartoe veroordeelt het hof de man vervolgens ook.

1.6 De vrouw stelt tijdig principaal cassatieberoep in tegen de eindbeschikking van het hof van 21 september 2005. De man voert verweer in het principaal beroep en komt tevens incidenteel in cassatie van de tussenbeschikking van 3 augustus 2004. Met een incidenteel verweerschrift bestrijdt de vrouw het incidenteel beroep.

2. Bespreking van het principaal beroep

2.1 Met het voorgedragen principaal cassatiemiddel komt de vrouw alleen, zij het vanuit verschillende invalshoeken, op tegen het niet toestaan door het hof wegens strijd met de eisen van een goede procesorde van de vermeerdering van het verzoek, die opgesloten ligt in het bij brief van 13 september 2004 bij het hof overgelegde 'tweede overzicht' van de door de vrouw in 2001 en 2002 gedragen kosten van de gezamenlijke huishouding.

2.2 Gezien voormelde strekking van het voorgedragen cassatiemiddel, rijst met betrekking tot het principaal beroep de vraag of de vrouw wel in dat beroep kan worden ontvangen.

Artikel 283 Rv. dat betrekking heeft op vermindering, vermeerdering of verandering van een verzoek en ingevolge artikel 362 Rv. ook in appèl van toepassing is, verklaart voor de vermeerdering of verandering van een verzoek artikel 130 Rv. van overeenkomstige toepassing. In lid 1 van dit laatste artikel is aan de rechter de bevoegdheid gegeven om een verandering of vermeerdering van een eis ambtshalve wegens strijd met de eisen van een goede procesorde buiten beschouwing te laten. In lid 2 van hetzelfde artikel is bepaald dat tegen beslissingen van de rechter, bedoeld in lid 1, geen hogere voorziening openstaat. In rov. 3.3.2 uit HR 12 mei 2006, NJ 2006, 293 en JBPr 2006, 82, m.nt. E.L. Schaafsma-Beversluis vindt bevestiging dat een hogere voorziening ook niet openstaat in het geval de rechter (in casu de rechter na verwijzing in cassatie) een vermeerdering van het verzoek, waartegen geen bezwaar was gemaakt, ambtshalve op strijd met de eisen van een goede procesorde toetst. Verder heeft de Hoge Raad in verband met het rechtsmiddelverbod in rov. 3.4 van HR 28 mei 1999, NJ 2000, 220, m.nt. JBMV onder meer overwogen: "De vraag of niettemin, in het licht van de rechtsontwikkeling sedert het totstandkomen van art. 134 Rv., tegen de beslissing waarbij de rolrechter verzet tegen een wijziging van een eis gegrond heeft bevonden, hogere voorziening moet worden toegelaten voor geval deze bepaling ten onrechte dan wel met verzuim van essentiële vormen is toegepast, of ten onrechte buiten toepassing is gelaten, moet ontkennend worden beantwoord."((5)) Uit een en ander volgt dat in lid 2 van artikel 130 Rv. de deur voor het aanwenden van een rechtsmiddel goed op slot is gedaan.

2.3 Het voorgaande voert tot de slotsom dat het principaal beroep niet-ontvankelijk is. Voor een inhoudelijke bespreking van het aangevoerde cassatiemiddel bestaat geen aanleiding.

3. Bespreking van het incidenteel beroep

3.1 Het door de man voorgedragen incidenteel cassatiemiddel keert zich tegen rov. 20 (en ook rov. 21; A-G) van de tussenbeschikking d.d. 3 augustus 2004, waarin het hof oordeelt, kort samengevat, dat niet zodanige bijzondere omstandigheden zijn gesteld of gebleken dat eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat niet alleen het door de man in de verbouwing geïnvesteerde geld nominaal wordt vergoed, maar ook (een deel van) de meer-/overwaarde welke daarmee c.q. daardoor is gerealiseerd. Dit oordeel is, zo wordt betoogd, onterecht althans onvoldoende gemotiveerd omdat (a) de man genoegzaam heeft aangetoond dat hij ten koste van zijn eigen onderneming en zijn eigen verdiensten veel tijd en kosten in de verbouwing van de echtelijke woning heeft gestoken en (b) de vrouw in haar Verweerschrift tevens incidenteel appel onder punt 6, sub c.i en ii vermeldt dat zij de deur heeft willen openhouden voor een eventueel compromis in de vorm van een vergoeding op basis van redelijkheid en billijkheid voor feitelijk door de man gedane duurzame investeringen in de echtelijke woning en daarmee impliciet een toezegging heeft gedaan.

3.2 Vooropgesteld zij dat het oordeel van het hof in rov. 20 dat onder zeer bijzondere omstandigheden eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat niet alleen het geïnvesteerde bedrag nominaal vergoed wordt maar ook (een deel van) de meer-/overwaarde welke daarmee c.q. daardoor is gerealiseerd, op zichzelf niet wordt bestreden.

3.3 Wat het betoog onder a betreft, nagelaten wordt te vermelden waar de man heeft aangetoond dat hij ten koste van zijn eigen onderneming en zijn eigen verdiensten veel tijd en kosten in de verbouwing van de echtelijke woning heeft gestoken. Wellicht is beoogd te refereren aan de brief van 2 augustus 2002 van Mr. Dumont aan de rechtbank Assen. Daarin worden onder 10 beweringen gedaan als dat 'de man (..), achteraf bezien, zijn tijd beter (had) kunnen besteden aan meer acquisitie ten eigen behoeve van zijn schilderkunst dan dat hij zijn tijd besteedde aan de boerderij van zijn echtgenote', 'dat de man (..) een eigen onderneming had die dus een vertraging in de groei heeft ondervonden door de vele verbouwingen van de boerderij' en 'dat hij zijn tijd wel degelijk productief elders had kunnen besteden'. In haar eindbeschikking d.d. 29 januari 2003 oordeelt de rechtbank naar aanleiding hiervan op blz. 3, bovenaan: "Niet (voldoende) onderbouwd is gesteld of anderszins komen vast te staan dat [de man] zonder zijn fysieke inspanningen ten behoeve van de verbouwing meer inkomsten zou hebben genoten als schilder (vgl. ook Hof Leeuwarden 27 maart 2002, NJ 2002, nr. 575)." Tegen dit oordeel formuleert de man in appel geen grief, ook niet in die zin dat hij in appel alsnog de hoger genoemde beweringen concretiseert of onderbouwt. Dit betekent dat in appel en daarmee ook in cassatie niet tot uitgangspunt kan worden genomen dat de tijd die de man in de verbouwing heeft gestoken, ten koste van zijn onderneming en/of zijn eigen verdiensten is gegaan.

3.4 Wat het betoog onder b betreft, daarbij wordt uitgegaan van een 'impliciete toezegging van de vrouw'. Dat een uitlating van de vrouw in de zin van 'dat zij de deur heeft willen openhouden voor een eventueel compromis', een impliciete toezegging van de vrouw tot het uitbetalen op basis van redelijkheid en billijkheid van een vergoeding voor investeringen van de man vormt, is in de vorige instanties niet gesteld en ook niet vastgesteld. In cassatie kan dit punt vanwege de feitelijke aard daarvan niet voor het eerst aan de orde worden gesteld. In cassatie kan derhalve evenmin van een impliciete toezegging van de vrouw worden uitgegaan.

3.5 Uit wat hiervoor onder 3.3. en 3.4 is opgemerkt, volgt dat het incidentele middel feitelijke grondslag mist. Om die reden kan het middel geen doel treffen.

4. Conclusie

Geconcludeerd wordt tot verwerping van zowel het principaal als het incidenteel cassatieberoep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

1. Zie rov. 1 van de tussenbeschikking d.d. 3 augustus 2004 van het hof Leeuwarden.

2. Dit feit heeft het hof in rov. 16 van zijn beschikking d.d. 3 augustus 2004 vastgesteld. Deze vaststelling is in cassatie niet bestreden.

3. Zie het Verweerschrift tevens zelfstandige verzoeken van de man in eerste aanleg, sub 7

4. Bij de rechtbank voert de vrouw aan dat de man nimmer de kosten van de gezamenlijke huishouding heeft gedragen. Zij vordert voorwaardelijk, nl. in afwachting van nadere gegevens, vaststelling van hetgeen de man gehouden is aan haar te voldoen in het kader van zijn verplichting om de kosten van de gezamenlijke huishouding te dragen. Zie het Verweerschrift tevens voorwaardelijk verzoek tot een eindafrekening, blz. 2/3 en blz. 12.

5. Hieraan verbindt Vranken in zijn NJ-annotatie (onder 10) bij het arrest - contra coeur - de conclusie: "Ieder appèl of cassatie(beroep, A-G) van een art. 134 Rv-beslissing is zonder nader onderzoek niet-ontvankelijk".