Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA6569

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
30-10-2007
Datum publicatie
02-11-2007
Zaaknummer
02797/06
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHARN:2006:AV3536
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA6569
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor moord op zijn echtgenoot – een sciencefictionschrijver met pseudoniem Paul Harland - met wie hij een ‘meester-slaaf-verhouding’ had. Het stoffelijk overschot van het slachtoffer is – met een plastic zak vastgebonden om zijn hoofd - gevonden in de woning van het verdachte en het s.o. terwijl in het bloed van het s.o. een aanzienlijke concentratie van een slaapmiddel is aangetroffen. Voorts zijn aangetroffen een afscheidsbrief van het s.o. gericht aan verdachte en 2 e-mailberichten gericht aan het s.o. en aan diens werkgever en inhoudend dat het s.o. met HIV is besmet. Het Hof heeft geoordeeld dat verdachte het s.o. van het leven heeft beroofd en heeft willen doen voorkomen dat het s.o. zelfmoord heeft gepleegd. Conclusie AG: alle 9 middelen, o.m. inhoudend bewijsklachten, klachten tav de verwerping van verweren en een beroep op HR LJN AF7985 (rechter die zich op niet in de bewijsmiddelen vermelde gegevens beroept, dient met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging die feiten en omstandigheden aan te duiden en het wettige bewijsmiddel aan te geven waaraan die f&o zijn ontleend) falen en kunnen worden afgedaan met 81RO. HR: 81RO.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 02797/06

Mr. Vellinga

Zitting: 29 mei 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

[verdachte]

1. Verdachte is door het Gerechtshof te Arnhem wegens "moord" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Voorts heeft het Hof de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering.

2. Namens verdachte heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, negen middelen van cassatie voorgesteld.

3. Ten laste van de verdachte is door het Hof bewezenverklaard dat:

"hij op of omstreeks 17 juni 2003 te Tiel opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, hierin bestaande dat verdachte opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg, deze [slachtoffer] een hoeveelheid (slaap)middelen, onder meer bevattende nitrazepam, heeft toegediend en vervolgens een plastic zak over het hoofd (tot aan de schouders) van deze [slachtoffer] heeft gedaan en deze plastic zak rond de hals van deze [slachtoffer] heeft dichtgemaakt en vastgeknoopt met een stuk touw, tengevolge waarvan voornoemde persoon is overleden."

4. De aanvulling op het verkorte arrest bevat de navolgende bewijsmiddelen:

"Voor zover hieronder wordt verwezen naar het hoofdproces-verbaal, wordt daarmee bedoeld het proces-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hem gesloten en getekend op 15 maart 2004.

De volgorde van de door het hof gebezigde bewijsmiddelen is zoveel mogelijk in overeenstemming met de volgorde van de bewijsredenering zoals in het arrest weergegeven. Louter ten behoeve van de leesbaarheid is de aanvulling nog voorzien van enkele tussenkopjes.

Door het hof gebezigde bewijsmiddelen:

Algemeen

1. het proces-verbaal van de in deze zaak gehouden terechtzitting van dit gerechtshof, van 16 maart 2005, voor zover inhoudende als verklaring van verdachte:

Rond 15.00 uur d.d. 16 juni 2003 ben ik begonnen met het maken van goulash. [Slachtoffer] was de hele dag in de woning. Rond 18.00 uur heb ik [slachtoffer] geroepen voor het eten en we gingen samen eten. Hij at niet veel. Hij zei toen rond 19.00 uur dat hij moe was en dat hij wat slaapmiddelen zou nemen. [slachtoffer] had rond 19.00 uur gezegd dat hij zou gaan slapen en dat ik hem de volgende ochtend wakker moest maken. U vraagt mij naar de indeling van de woning. Boven zijn er twee slaapkamers en twee werkkamers. Ik heb niet gezien of [slachtoffer] toen in zijn slaapkamer of in zijn werkkamer was en ik kon dat ook niet horen.

Ik denk dat ik rond 21.30 uur ben vertrokken. Ik ben toen weer teruggegaan naar [woonplaats] omdat ik iets vergeten was en daar kwam ik rond 22.00 uur aan. Uiteindelijk ben ik die dag rond 22.30 uur vertrokken en ben ik naar de gay-cruising gegaan. Op de ontmoetingsplaats heb ik seks gehad met meerdere personen. Rond 01.30 uur ben ik vertrokken naar huis. Toen ik thuis kwam, heb ik gecontroleerd of de ramen waren afgesloten. Daarna ben ik naar bed gegaan.

De volgende ochtend, op 17 juni 2003, kwam [slachtoffer] niet opdagen voor het ontbijt en toen ben ik gaan kijken. Toen zag ik hem op het bed liggen. Toen ik 112 belde, heb ik nog even gekeken of er inbraaksporen waren, maar ik heb niets bijzonders gezien.

Toen ik met de politie in de werkkamer van [slachtoffer] kwam, heb ik de monitor aangezet. Ik gaf een stapeltje papieren aan de politie. De politieagent zei tegen mij dat het om een afscheidsbrief ging. Voordat de politie het af nam, had ik de brief enkele seconden in handen. Ik heb de brief toen niet in detail kunnen lezen.

Ik had een meester-slaaf verhouding met [slachtoffer]. Er bestond ook een meester-slaaf contract tussen ons, wat in 2002 was gemaakt en op het moment dat [slachtoffer] overleed ook nog steeds bestond. Ik was de meester en [slachtoffer] was de slaaf. Het contract had betrekking op [slachtoffer] en mij, binnen ons huis en vierentwintig uur per dag. Het klopt dat ik de slaaf kon dwingen tot het gebruik van drugs. Daar bestond wel dwang.

2. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL0843/03-090094 (dossierpagina 12, ordner 3), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], respectievelijk inspecteur en hoofdagent van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hen gesloten en getekend op 17 juni 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [verdachte], gehoord als getuige:

U vraagt mij naar de naam [pseudoniem slachtoffer]. Dat is het pseudoniem van [slachtoffer]. Hij schrijft zijn SF-boeken onder deze naam.

3. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL082R/03-090094 (dossierpagina 713 e.v.), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden hoofdagent van politie in het politiedistrict Tweestromenland/Wijchen, door hen gesloten op 11 december 2003, voor zover -zakelijk weergegeven, inhoudende als verklaring van verdachte:

U vraagt mij naar 16 juni 2003. Toen ik die dag om 12:30 uur thuis kwam en totdat ik die avond naar het Ginkelse Zand ging, hebben [slachtoffer] en ik geen bezoek gehad en is buiten [slachtoffer] en mij niemand in de woning geweest tussen die tijdstippen.

4. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL083A/03-090094 (dossierpagina 63), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3] en [verbalisant 6], respectievelijk hoofdagent en agent van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hen gesloten en getekend op 17 juni 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten, althans één hunner:

Op 17 juni omstreeks 07.19 uur kregen wij verbalisanten het verzoek om te gaan naar het perceel [a-straat 1] in [woonplaats]. Een buitenlandse man had de meldkamer gebeld en gezegd dat zijn vriend mogelijk een zelfmoordpoging had ondernomen. Hij wist niet of zijn vriend nog leefde. Wij gingen terstond ter plaatse. Buiten voor de deur van [a-straat 1] troffen wij een man aan. Hij verklaarde dat hij de melder was. Hij praatte in de Engelse taal. De man verklaarde [verdachte] te zijn. Hij ging voor ons de woning in. In de woning volgden wij de man naar de bovenverdieping. Hij ging ons voor naar de eerste kamer rechts van de trap. Wij zagen een manspersoon voorover op zijn buik liggen, op een matras dat op de grond lag. De man was gekleed in een broek, overhemd en sokken. Wij zagen dat de man een groene plastic tas over zijn hoofd had. Wij zagen dat de man roerloos lag. Ik, [verbalisant 3], voelde geen polsslag.

In de woning verklaarde [verdachte] het volgende. Het slachtoffer heette [slachtoffer]. De volledige personalia van hem luidden [slachtoffer] (roepnaam [slachtoffer]), geboren [geboortedatum] 1960 te [geboorteplaats], gewoond hebbende te [woonplaats], [a-straat 1].

In de werkkamer van [slachtoffer] werd nabij de computer een afscheidsbrief van [slachtoffer] gericht aan [verdachte] aangetroffen. Tevens lagen er bij deze brief een tweetal e-mails. Wij zagen dat [verdachte] deze papieren met een armgebaar opzij schoof op het moment van ontdekking. Hij keek daarbij in onze richting en niet naar de bewuste papieren.

Op 17 juni 2003 om 08.45 uur werd door GGD-arts L. Hamming de dood geconstateerd van [slachtoffer].

Door hulpofficier A. Koekkoek werd het stoffelijk overschot van het slachtoffer in beslag genomen ten behoeve van het onderzoek. Het lichaam van [slachtoffer] is overgebracht naar het mortuarium van het Rivierenland Ziekenhuis te Tiel.

5. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL083B/03-090094 (dossierpagina 67), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 7] en [verbalisant 8], beiden hoofdagent van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hen gesloten en getekend op 17 juni 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten, althans één hunner:

Op 17 juni 2003 waren wij verbalisanten met getuigen [getuige 1] (zus van de overledene) en [getuige 2] (zwager van de overledene) in het Rivierenland Ziekenhuis te Tiel. Wij, verbalisanten, toonden aan deze getuigen het stoffelijk overschot. Zowel getuige [getuige 1] als getuige [getuige 2] herkenden dit lichaam als zijnde het stoffelijk overschot van [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, wonende [a[a-straat 1] te [woonplaats].

6. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde geschrift (dossierpagina 68), inhoudende de akte van overlijden van [slachtoffer].

7. het hoofdproces-verbaal (dossierpagina 14), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als proces-verbaal van bevindingen:

Het slachtoffer [slachtoffer] werd voorover liggend op een matras, op de grond van een der kamers aangetroffen. Hij was geheel gekleed. Over het hoofd zat een groene plastic tas, welke met een touw rond de hals was vastgebonden.

8. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal, gevoegde proces-verbaal, genummerd 03-090094 (dossierpagina 215), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 9] en [verbalisant 10], beiden brigadier van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hen gesloten en getekend op 13 januari 2004, voor zover, zakelijk weergegeven, inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten, althans één hunner:

Het slachtoffer werd op 18 juni 2003 onder begeleiding van [verbalisant 9] en [verbalisant 10] overgebracht naar Rijswijk, alwaar op 18 juni 2003 in het Nederlands Forensisch Instituut door patholoog-anatoom dr. R. Visser sectie werd verricht op het stoffelijk overschot van [slachtoffer].

9. het sectieverslag van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 9 maart 2004, opgemaakt door dr. R. Visser, patholoog en vast gerechtelijk deskundige, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als bevindingen van voornoemde deskundige:

Op 18 juni 2003 heeft ondergetekende, dr. Visser, de uit- en inwendige schouw verricht van het lijk van [slachtoffer], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1960, woonachtig te [woonplaats] en op 17 juni 2003 dood aangetroffen te [woonplaats]. Het lijk van [slachtoffer] voornoemd werd mij, deskundige, aangewezen en overhandigd door [verbalisant 9], brigadier van de regiopolitie Gelderland-Zuid.

Bij het onderzoek van het lijk van [slachtoffer] is het navolgende gebleken. De sectiebevindingen zijn verenigbaar met verstikking als gevolg van een of andere vorm van ademhalingbelemmering. Bij toxicologisch onderzoek werd een hoge concentratie (omzettingsproducten van) Nitrazepam aangetoond, waardoor [slachtoffer] in een toestand van onmacht kon geraken.

10. het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 22 augustus 2003, opgemaakt door K.J. Lusthof, apotheker-toxicoloog, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als bevindingen van voornoemde deskundige:

Ontvangen materiaal: divers lichaamsmateriaal van [slachtoffer].

Onderzoeksresultaten.

Onderzochte en aangetoond stoffen

Stof

Categorie

Concentratie/ Materiaal

Nitrazepam

Benzodiazepines

0,01 mg/l in femoraal bloed

Nitrazepam

Benzodiazepines

233 mg/l in maaginhoud

Aceetamidonitrazepam

Benzodiazepines

0,01 mg/l in femoraal bloed

Aminonitrazepam

Benzodiazepines

0,30 mg/l in femoraal bloed

Nitrazepam, aceetamidonitrazepam, aminonitrazepam zijn benzodiazepines. Benzodiazepines zijn stoffen met een kalmerende, slaapverwekkende en spierverslappende werking. Aceetamidonitrazepam en aminonitrazepam ontstaan in het lichaam door omzetting van Nitrazepam. De in het bloed van [slachtoffer] aangetroffen concentratie van aminonitrazepam is zeer hoog. Vermoedelijk heeft er na het overlijden omzetting van Nitrazepam in aminonitrazepam plaatsgevonden. In de maaginhoud werd een grote hoeveelheid Nitrazepam gevonden. Tabletten met Nitrazepam bevatten 5 mg nitrazepam per tablet. De maaginhoud (het uiterlijk hiervan was als goulashsoep) had een volume van ongeveer 180 milliliter (=0,18 liter). Hierin is volgens berekening 0,18 * 233 = 42 mg nitrazepam aanwezig. Dit komt overeen met ten minste 8 à 9 tabletten nitrazepam. Een gebruikelijke dosis als slaapmiddel is 1 à 2 tabletten voor de nacht. Een aanzienlijk gedeelte van de ingenomen of toegediende dosis zal ten tijde van het overlijden reeds uit de maag zijn verwijderd.

Conclusie

In het bloed van [slachtoffer] werden benzodiazepines aangetoond, met name (omzettingsproducten van) nitrazepam. Uit de bloedconcentraties blijkt dat er een grote hoeveelheid nitrazepam is ingenomen of toegediend. De toediening of inname van nitrazepam heeft [slachtoffer] hoogstwaarschijnlijk in een toestand van onmacht gebracht. Het is mogelijk dat het lichaam in een dergelijke toestand niet adequaat reageert op een verstikking, zoals door een zak over het hoofd.

Aantreffen afscheidsbrief en e-mails

11. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL083A/03-090094 (dossierpagina 127), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 3], hoofdagent van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hem gesloten en getekend op 16 oktober 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

Door mij wordt in aanvulling op het proces-verbaal van bevindingen van 17 juni 2003 het volgende verklaard. Uit de werkkamer van [slachtoffer] werd door mij, verbalisant, een afscheidsbrief en twee e-mails meegenomen naar het bureau van politie te Tiel. Ik nam deze bescheiden in beslag.

12. de als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde geschriften (dossierpagina's 128, 130 en 131), behelzend de in bewijsmiddel 9 genoemde schriftelijke bescheiden, gehecht aan deze aanvulling.

13. de als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde bijlage 1 bij het proces-verbaal, genummerd 03-090094 (dossierpagina 218), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 9], beiden brigadier van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hen gesloten en getekend op 13 januari 2004, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisanten:

Wij kwamen in een kamer, waar een computer stond. Volgens [verdachte] was dit de computerkamer van het slachtoffer. Wij zagen dat er een brief lag in de Engelse taal. Dit bleek een afscheidsbrief te zijn. Deze is voor tekstvergelijkend onderzoek overgebracht naar het NFI te Rijswijk.

14. de als bijlage bij het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd 03-090094 (dossierpagina 248), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 10] en [verbalisant 9], beiden brigadier van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hen gesloten en getekend op 13 januari 2004, gevoegde lijst met stukken van overtuiging voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als lijst met stukken van overtuiging:

No.

Omschrijving

Ingenomen

101

afscheidsbrief

17 juni

15. het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 3 oktober 2003, opgemaakt door A.P.A. Broeders, gerechtelijk deskundige, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als bevindingen van voornoemde deskundige:

Onderzoeksmateriaal

SVO-nrOmschrijving stukken van overtuiging

101een geprinte brief met aanhef "Dear [verdachte], I recieved this message today" en ondertekend "Your [slachtoffer]";

De tekst van de brief SVO-nummer 101, wordt hieronder ook wel aangeduid als de afscheidsbrief of B1.

Conclusies

De betwiste afscheidsbrief (B1) komt in taalkundig opzicht op een groot aantal punten overeen met het vergelijkingsmateriaal voor [verdachte].

Het onderzoek naar [...]

16. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL083B-03-090094 (dossierpagina 132), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 11], inspecteur van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hem gesloten en getekend op 6 oktober 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 17 juni 2003 werd door verbalisant op het adres [a-straat 1] te [woonplaats] de navolgende goederen in beslag genomen:

7: merkloze PC minitower, serienummer [001].

17. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd 03-674/1 (dossierpagina 136), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 12], brigadier van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hem gesloten en getekend op 4 februari 2004, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 17 juni 2003 verleende ik assistentie aan het team Zuid. Door het team werd op 17 juni 2003, bij een onderzoek in het perceel [a-straat 1] te [woonplaats], diverse goederen in beslag genomen. Na deze inbeslagneming heb ik de computers ter plaatse veilig gesteld. Tijdens het onderzoek werden de hierna te noemen goederen aangetroffen:

Goednummer: [002]

omschrijving: Minitower

serienummer: [001].

Dit goed bevatte een harde schijf voor de opslag van gegevens. Deze harde schijf is apart opgevoerd als goed [003]. Onderzoek wees uit dat de systeemdatum en -tijd gelijk waren met de werkelijke datum en tijd.

Goednummer: [003]

omschrijving: harddisk.

merk: IBM Deskstar

serienummer: [004]

Dit goed betreft de harde schijf uit goed [002].

Ik zag dat de computer beschreven onder nummer [002] was voorzien van een netwerkkaart. Een netwerkkaart draagt zorg voor de communicatie tussen een computer en andere computers middels een netwerk. Ik zag dat deze netwerkkaart middels een zogeheten UTP bekabeling was aangesloten op een internetaansluiting in deze woning. Ook zag ik dat een andere computer in de kamer naast waar goed 7 stond, op dezelfde internetaansluiting was aangesloten. [verdachte] verklaarde mij dat beide computers middels een zogeheten workgroup aan elkaar waren gekoppeld en samen een internetaansluiting deelden. Ten slotte verklaarde hij mij dat de computer als omschreven onder goed 7, van het slachtoffer [slachtoffer] was en dat de andere computer van hem was.

18. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL083A/03-090094 (dossierpagina 133), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 13], inspecteur van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hem gesloten en getekend op 2 oktober 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 15 juli 2003 heb ik gesproken met [verdachte]. In verband met het onderzoek heb ik heb aangegeven dat wij de computer die hij in gebruik had, wilden onderzoeken en dat wij deze computer derhalve in beslag zouden nemen. Ik ben met collega [verbalisant 12] gegaan naar de woning van [verdachte] te [woonplaats], [a[a-straat 1]. Op genoemd adres heeft [verdachte] ons de computer aangewezen en vervolgens heeft [verbalisant 12] de computer ontkoppeld. Ik heb deze computer in beslag genomen. Het betrof een naamloze computer, door ons voorzien van het merk *CE FPC.

19. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd 03-674/6 (dossierpagina 147), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 12], brigadier van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hem gesloten en getekend op 4 februari 2004, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 15 juli 2003 verleende ik assistentie aan het team Zuid. Door het team werd op 15 juli 2003, bij een onderzoek in het perceel [a-straat 1] te [woonplaats], de computer van [verdachte] in beslag genomen. Na deze inbeslagneming heb ik die computer ter plaatse veilig gesteld.

Goednummer: 03-674/11

soort: Personal Computer

omschrijving: Miditower

Het goed bevatte een harde schijf voor opslag van gegevens met het merk Maxtor, model Fireball 3, serienummer [005]. De systeemdatum en -tijd van dit goed was gelijk aan de werkelijke datum en tijd.

20. het hoofdproces-verbaal (dossierpagina 019), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

Op 3 oktober 2003 werd bij [bedrijf A] engineering uit handen van [betrokkene 1] de werkcomputer van de verdachte [verdachte] in beslag genomen. Dit betrof: miditower van het merk TIMCO.

21. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd 03-090094 (dossierpagina 134), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 14], brigadier van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hem gesloten en getekend op 22 oktober 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

Op 3 oktober 2003 heb ik, verbalisant, van [betrokkene 1], mede directeur van [bedrijf A] engineering, een computer van het merk TIMCO in beslag genomen voor nader onderzoek.

22. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd [002] (dossierpagina 149), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 12], brigadier van politie in de politieregio Gelderland-Zuid, door hem gesloten en getekend op 4 februari 2004, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als relaas van voornoemde verbalisant:

In oktober 2003 verleende ik assistentie aan het team Zuid.

Goednummer: [006]

soort: Personal Computer

omschrijving: Miditower

merk: TIMCO

Het goed bevatte een harde schijf voor opslag van gegevens met het merk Quantum, model fireball LC15A011, serienummer [006]. De systeemdatum en -tijd van dit goed was gelijk aan de werkelijke datum en tijd.

23. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde geschrift (dossierpagina 373), inhoudende -zakelijk weergegeven- als faxbericht van [betrokkene 2], werkzaam bij Tiscali, gedateerd 4 februari 2004:

In navolging op de vordering verstrekking persoonsgegevens bericht ik u als volgt:

1. Het IP nummer [007] betreft een vast IP-adres;

2. Het IP-adres is gekoppeld aan:[slachtoffer]

[a-straat 1]

[woonplaats]

3. Het IP adres is gekoppeld aan een Tiscali ADSL Basis abonnement via KPN; Het abonnement is op 8 januari 2003 in werking getreden.

24. het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 17 juni 2004, opgemaakt door Dr. R.A.F. Bhoedjang, vast gerechtelijk deskundige, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als bevindingen van voornoemde deskundige:

Onderzoeksmateriaal

SVO-nummeromschrijving

8.005 bewijsbestanden 010.E01 t/m 010.E38, bevattende een één-op-één kopie van een harde schijf met serienummer [008] afkomstig uit een computer met serienummer [001].

8.006 bewijsbestanden 011.E01 t/m 011.E10, bevattende een één-op-één kopie van de harde schijf afkomstig uit de thuiscomputer van [verdachte].

8.009 bewijsbestanden goed0012.E01 t/m goed012.E02, bevattende een één-op-één kopie van de harde schijf afkomstig uit de computer van het merk "TIMCO".

NADERE OMSCHRIJVING VAN SVO'S

1. [SVO 8.005] is het bewijsbestand van een computer van [slachtoffer].

2. [SVO 8.006] is het bewijsbestand van de computer van [verdachte]. Deze werd in beslag genomen in het huis van [slachtoffer].

3. [SVO8.009] is het bewijsbestand van de computer bij het bedrijf [bedrijf A] waar [verdachte] werkzaam was.

Toedracht

Op 17 juni 2003 werd [slachtoffer] dood aangetroffen in het huis dat hij deelde met [verdachte]. Er worden twee documenten gevonden: een afdruk van een e-mail en een afdruk van een (afscheids-)brief. De documenten worden hieronder nader beschreven.

De e-mail is geadresseerd aan [e-mailadres 1], een e-mailadres van [slachtoffer].

Het e-mailbericht is volgens de kop op 16 juni 2003 verstuurd door "[...]" vanaf het e-mailadres [e-mailadres 2]. De auteur van de e-mail schrijft dat hij uit wraak een (ander) e-mailbericht heeft gestuurd naar [bedrijf B] en [bedrijf A], de werkgevers van [slachtoffer].

Het e-mailbericht van [e-mailadres 2] aan [e-mailadres 1] bevat als e-mailbijlage een tweede e-mailbericht. Dit tweede bericht is overeenkomstig de boodschap van "[...]" gericht aan de werkgevers van [slachtoffer]. Het bericht heeft als afzender ook [e-mailadres 2] en is geadresseerd aan de e-mailadressen [e-mailadres 3], [e-mailadres 4] en [e-mailadres 5]. Volgens de kop is dit bericht ook op 16 juni 2003 verstuurd.

De afscheidsbrief is ook in digitale vorm aangetroffen op [SVO8.005] in een tekstverwerkersbestand met de naam 'Dear [verdachte].doc'.

Registraties in het bestandssysteem geven aan dat de met [SVO8.006] corresponderende thuiscomputer van [verdachte] op 16 juni 2003 is gebruikt om 05:42:22 uur en daarna regelmatig vanaf 13:19:44 tot en met 22:27:32 uur.

[Slachtoffer] en [verdachte] hadden thuis een eenvoudig computernetwerk dat verschillende computers met elkaar verbond en toegang gaf tot het internet. Internet service provider Tiscali had volgens opgave van de politie het IP-adres [007] toegekend aan het modem van het thuisnetwerk.

Er is onderzocht of [SVO8.005] en [SVO8.006] sporen van hacking vertonen. Er zijn geen sporen van bekende hackingtools gevonden.

Resultaten

De aan [slachtoffer] gerichte e-mail is tezamen met de bijgevoegde e-mail, gericht aan de werkgevers, gevonden op [SVO 8.005]. Bijlage 1 bevat een afdruk van de e-mail (A) die aan [slachtoffer] is gericht. Bijlage 2 bevat een afdruk van de e-mail (B) die aan de werkgevers is gericht en die als e-mailbijlage bij e-mail A is opgenomen.

De e-mailheader van e-mail A geeft aan dat e-mail A (inclusief de bijgevoegde e-mail B) is verstuurd naar [e-mailadres 1]. Volgens de e-mailheader van e-mail B is deze eerder verstuurd naar [e-mailadres 3], [e-mailadres 4] en naar [e-mailadres 5]. Volgens de e-mailheaders zijn e-mail A en e-mail B beide verstuurd vanaf IP-adres [007]. Dit is het IP-adres dat Internet Service Provider Tiscali heeft toegekend aan het modem van [slachtoffer] en [verdachte].

Het bestandssysteem op [SVO8.005] bevat de afscheidsbrief. Bestand C:\Documents and Settings\[slachtoffer]\Mijn Documenten\Dear [verdachte].doc bevat de inhoud van de brief zoals die in afgedrukte vorm is aangetroffen.

Acht seconden na de laatste wijziging aan het document C:\Documents and Settings\[slachtoffer]\Mijn Documenten\Dear [verdachte].doc zijn spool bestanden aangemaakt. De bestanden C:\WINDOWS\SYSTEM32\SPOOL\PRINTERS\_P000002.SHD en C:\WINDOWS\SYSTEM32\SPOOL\PRINTERS\_P000002.SPL zijn beide aangemaakt op 16-6-2003 19:40:12 en zijn beide voor het laatst gewijzigd op 16-6-2003 19:51:14. Het kleine interval tussen de datum en tijd van het aanmaken van de "spool" bestanden vormen een aanwijzing dat met de afdrukopdracht mogelijk het document Dear [verdachte].doc afgedrukt is.

[SVO8.006] bevat sporen, onder andere in de vorm van een e-mailbericht, van het aanmaken van het gebruikersaccount "[profiel]" bij gaydar.nl door de gebruiker van het e-mailaccount [e-mailadres 2].

Op [SVO8.009] komt de term "[...]" voor in restanten van webpagina's die, volgens hun inhoud, afkomstig zijn van Yahoo mail. Het betreft:

-een pagina die aangeeft dat [e-mailadres 2] is ingelogd bij Yahoo mail.

-pagina's die aangeven dat er e-mails verzonden zijn aan [e-mailadres 2].

[SVO8.006] bevat sporen die aangeven dat het wachtwoord "[wachtwoord]" is gebruikt om in te loggen op het e-mailaccount [e-mailadres 2]. Bij Yahoo mail is het mogelijk om een alternatief e-mailadres te laten registreren. Volgens de afgedrukte webpagina in bijlage 4 is dit (het hof begrijpt: is dit met betrekking tot het e-mailadres [e-mailadres 2]) ingesteld op [e-mailadres 8].

25. een geschrift van [bedrijf C], opgemaakt door B. van Erck, forensisch onderzoeker en gedateerd 1 december 2005, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als bevindingen van deze persoon:

Op SVO 8.006 komt de volledige term '[...]' 111 maal voor als rechtstreeks leesbare tekst.

26. het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 9 september 2004, opgemaakt door Dr. R.A.F. Bhoedjang, vast gerechtelijk deskundige, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als bevindingen van voornoemde deskundige:

De term "[...]" is vier maal aangetroffen op [SVO 8.009] en wel in de slack space van vier verschillende bestanden. Slack space is de niet-gebruikte schijfruimte die zich direct achter een bestand bevindt. De vier aangetroffen voorkomens bevinden zich alle in fragmenten van HTML-documenten. Alle fragmenten bevatten inhoud die typerend is voor het gebruik van Yahoo Mail. Alle fragmenten hebben betrekking op de 'inbox' van het e-mailaccount [e-mailadres 2]. Deze inbox bevat berichten die bij Yahoo zijn binnengekomen voor het e-mailaccount [e-mailadres 2].

Fragment 2 toont de inhoud van een e-mailbericht dat is ontvangen door [e-mailadres 2]. Volgens de getoonde informatie zijn drie van deze vijf berichten verstuurd door [e-mailadres 6]. Bericht 2 is ondertekend met '[verdachte]'. De in het overzicht genoemde berichten zijn volgens de kolom 'Date' verstuurd op of rond 3 maart 2003.

27. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL082R/03-090094 (dossierpagina 709), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 5], beiden hoofdagent van politie in het politiedistrict Tweestromenland/Wijchen, door hen gesloten en getekend op 10 december 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van verdachte:

U vraagt mij naar mijn e-mailadressen.

[e-mailadres 6]

[e-mailadres 7]

[e-mailadres 8]

[e-mailadres 9]

[e-mailadres 10]

Voor al mijn e-mailadressen gebruik ik het password: "[wachtwoord]".

28. het proces-verbaal van getuigenverhoor van 31 januari 2006, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Arnhem en de griffier, door hen opgemaakt en ondertekend op 31 januari 2006 voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]:

(op de vraag van de raadsman of zij in 2003 werkzaam was bij [bedrijf A]:)

Ja.

(op de vraag van de raadsman wat haar functie was:)

Assistent groepsleider. Ik denk in 2003 senior operator.

(op de vraag van de raadsman op welk werkstation [verdachte] gezeten zou hebben als de boekhouder op 3 maart 2003 op het werkstation van [verdachte] zat:)

Volgens mij zat [verdachte] niet op andere stations. Ik heb dat nooit gezien. Niemand wilde achter zijn computer zitten omdat hij heel vies was.

29. het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 december 2005, opgemaakt door Dr. R.A.F. Bhoedjang, vast gerechtelijk deskundige, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als bevindingen van voornoemde deskundige:

Onderzoeksmateriaal

NFI-nummerOmschrijving

8.009 Bewijsbestanden goed012.E01 t/m goed012.E02, bevattende een kopie van een harde schijf van (een computer van) het bedrijf [bedrijf A] engineering)

Het besturingssysteem op de kopie [8.009] van de harde schijf is Windows 2000 Professional. Uit de bestanden SysEvent.evt en AppEvent.evt blijkt dat de computer is opgestart op 3 maart 2003 rond 07:25 uur en is uitgezet op 3 maart 2003 om 14:53 uur. De bewijsbestanden [8.009] bevatten sporen die wijzen op computergebruik op 3 maart 2003. Het zoeken naar (varianten van) de datum 3 maart 2003 heeft enkele tientallen fragmenten van webpagina's opgeleverd. Op één uitzondering na bevatten deze fragmenten alle de datum 3 maart 2003. Alle fragmenten zijn volgens hun inhoud afkomstig van een Yahoo! webserver en laten zien dat via een webbrowser (Yahoo!) e-mail gelezen en mogelijk ook verstuurd wordt. Verschillende fragmenten geven aan dat het webmailaccount behorende bij het emailadres [e-mailadres 6] benaderd wordt. Eén fragment geeft aan dat het webmailaccount behorende bij het emailadres [e-mailadres 2] benaderd wordt. De in bijlage 3 getoonde fragmenten bevatten ook persoonlijke informatie (e-mail) die mogelijk van belang is. Deze informatie is, voor zover wij kunnen nagaan, gegenereerd op de gevraagde dag (3 maart 2003).

30. de als bijlage 3 bij het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 december 2005, opgemaakt door Dr. R.A.F. Bhoedjang, vast gerechtelijk deskundige, gevoegde afdrukken van (fragmenten van) webpagina's, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende de inhoud van:

- een Yahoo! webmail van 3 maart 2003, 10:27:36 uur, bevattende een e-mailbericht gericht aan het e-mailadres [e-mailadres 6] en afkomstig van het e-mailadres [e-mailadres 11];

31. de als bijlage 2 bij het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 13 december 2005, opgemaakt door Dr. R.A.F. Bhoedjang, vast gerechtelijk deskundige, gevoegde tijdlijn voor 3 maart 2003 over SVO 8.009, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende:

Tijdstip

Volledig pad naar bestand

omschrijving

12:50:01

text_hit44.htm

e-mailpagina van Yahoo!, account [e-mailadres 6].

13:3x:xx

text_hit22.htm

tijd is half weggevallen. Deze pagina is onderdeel van het Yahoo! e-mailaccount [e-mailadres 2].

13:38:04

text_hit23.htm

e-mailpagina van Yahoo!, account [e-mailadres 6].

32. een aanvullend proces-verbaal, genummerd 03-090094, in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 1], brigadier van politie in het politiedistrict De Waarden/Tiel, door hem gesloten en getekend op 12 januari 2006, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 3]:

Ik heb een eigen boekhoudkantoor vanaf 1999. Ik werd door het bedrijf [bedrijf A] engineering ingehuurd om hun boekhouding te verzorgen. Ik ben de enige boekhouder die door het bedrijf werd ingehuurd. Op 3 maart 2003 ben ik niet op het bedrijf [bedrijf A] geweest. Ik heb bij het bedrijf [bedrijf A] nooit op het internet gesurft.

Tijdstip van overlijden

33. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal, gevoegde geschrift (dossierpagina 612), voor zover inhoudende als weergave van een e-mailbericht verzonden op 9 juli 2003 vanaf het e-mailadres [e-mailadres 7] en verzonden naar '[vrienden van verdachte en slachtoffer]:

Hello friends,

I remembered to ask to see the doctor from GGD who came here with police during investigation. Although it was not possible to determine exact time of [slachtoffers] death, he thinks it was around midnight - at the time when I was not at home.

[verdachte].

34. het proces-verbaal van verhoor van de getuige Hamming, d.d. 22 augustus 2005, opgemaakt door de rechter-commissaris belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Arnhem en de griffier, voor zover inhoudende als verklaring van Hamming:

Het klopt dat ik na de schouw contact heb gehad met de partner van [slachtoffer]. Dat was bij hem thuis. U vraagt mij of de partner van [slachtoffer] aan mij gevraagd heeft op welk tijdstip [slachtoffer] overleden was. Voor zover ik mij herinner heeft hij dat thuis niet gevraagd. Later wel een keer toen hij op de GGD was. Dat was denk ik ongeveer 1 à 2 weken na de schouw. Ik heb toen geen tijdstip genoemd. Ik had na het onderzoek geen idee van het juiste moment van overlijden. Bovendien was het een lopend onderzoek en het betrof een medisch gegeven. Deze kon ik hem niet geven.

35. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL081D/03-090094 (dossierpagina 531 e.v.), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 15] en [verbalisant 14], respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie in het politiedistrict Stad Nijmegen/Nijmegen, door hen gesloten op 1 oktober 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 4]:

Ik weet niet precies wanneer, maar [verdachte] heeft mij verteld dat het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] rond 24:00 uur was geweest. Hij was daar blij om, want hij was toen niet thuis en hij had er niets aan kunnen doen.

36. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde geschrift (dossierpagina 588), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als weergave van een e-mailbericht d.d. 8 juni 2003, van [pseudoniem slachtoffer] aan [betrokkene 5]:

Snel nadat ik met [verdachte] trouwde, werd duidelijk wat hij werkelijk was. Hij dacht duidelijk: "nu zit ik goed en hoef ik aan die hele relatie niks meer te doen". Enfin, ik ben nu een maagzweer rijker en een heleboel goede gevoelens armer. Hij vertrekt, als alles goed gaat, eind deze week.

37. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL083A/03-090094 (dossierpagina 666), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 16] en [verbalisant 14], respectievelijk agent en brigadier van politie in het politiedistrict De Waarden/Tiel, door hen gesloten en getekend op 11 december 2003 voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 6]:

Een tijdje voordat [slachtoffer] overleed, heb ik van [verdachte] gehoord dat hij en [slachtoffer] uit elkaar zouden gaan. [verdachte] heeft mij verteld dat dit op Gaydar stond vermeld. De relatie tussen [verdachte] en [slachtoffer] was de laatste weken voor de dood van [slachtoffer] niet erg goed.

38. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde geschrift (dossierpagina 595), voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als weergave van een e-mailbericht d.d. 8 juni 2003, van [pseudoniem slachtoffer] aan [betrokkene 7]:

Je bent denkelijk de eerste die officieel weet dat ik binnenkort weer vrij man zal zijn. Over de maanden heen werd [verdachte] steeds meer onhandelbaar. Gelukkig hebben we er nu een punt achter gezet; hij maakt zich op om te vertrekken.

Einde relatie

39. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde geschrift (dossierpagina 731), voor zover inhoudende als inhoud van een e-mailbericht van 12 juni 2003, afkomstig van het e-mailadres [e-mailadres 1] en gericht aan het e-mailadres [e-mailadres 7]:

Hello [verdachte],

Today for the third time in a row, you went to work with the bike. You obviously forget that we are still married. You have neither drivers license nor insurance. If you make an accident, it will cost me my house, my life, my everything. Since you are obviously not willing tot consider this, we will begin the process of divorce immediately and you can find further happiness in whatever country they deport you to. I will get the necessary papers tomorrow.

[slachtoffer].

40. het als bijlage bij het hoofdproces-verbaal gevoegde proces-verbaal, genummerd PL083A/03-090094 (dossierpagina 280 e.v.), in de wettelijke vorm opgemaakt door [verbalisant 16] en [verbalisant 14], respectievelijk agent en brigadier van politie in het politiedistrict De Waarden/Tiel, door hen gesloten en getekend op 11 december 2003, voor zover -zakelijk weergegeven- inhoudende als verklaring van [betrokkene 8]:

Ik ontdekte na de dood van [slachtoffer] dat [verdachte] zijn profiel op Gaydar had aangepast. Ik ging er van uit dat [verdachte] dat dus had gedaan voor de dood van [slachtoffer]. Dit bemerkte ik dinsdag de 17de juni 2003, toen ik bij [verdachte] thuis was. Hierin stond vermeld dat hij op zoek was naar een open relatie of iemand om mee te trouwen.

Het oordeel dat de verklaringen van verdachte leugenachtig zijn, waar het zijn relatie tot '[...]' betreft, is gebaseerd op de tegenstelling tussen enerzijds zijn verklaringen ter zitting:

- dat hij met [...] niets te maken heeft;

- dat hij eerst heeft gezegd dat hij op 3 maart 2003 niet op het werk was, omdat hij de dag daarvoor een feestje had en meestal de dag daarna ziek was;

- dat hij vervolgens heeft beweerd dat hij op 3 maart 2003 misschien wel op het werk is geweest, maar dat niet hij, maar de boekhouder op zijn pc heeft gewerkt;

- dat het dan niet de boekhouder, maar een accountant moet zijn geweest;

en, anderzijds, dat [...] op diverse plekken wel degelijk aan verdachte gerelateerd wordt:

- op zijn thuispc (SVO 8.006, zie bewijsmiddel 25);

- op zijn werkpc (SVO 8.009) op 3 maart 2003;

- zijn surfgedrag op zijn pc op het werk (bewijsmiddelen 26, 27, 29, 30 en 31);

- de verklaring van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 32);

- de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 28)."

5. Aan de aanvulling op het verkorte arrest zijn uitdraaien van de afscheidsbrief (bewijsmiddel ) en de daarbij behorende emailberichten (bewijsmiddelen) gehecht. Deze luiden als volgt:

Afscheidsbrief:

"Dear [verdachte],

I received this message today... I didn't believed this guy will do something like that, at the time we played I really didn't suspected I am HIV+. We both discovered it only when we went for check-up in Munich...

I hope you will forgive me for leaving you alone in this difficult moment. Specially after today discovery that I am practically financially broken, I have no other option left. I was not taking care for last few months, I was spending too much. I hope you will find happiness with better guy than I was. Or go back home to your parents, I know you were not happy here in Netherlands. I probably made mistake by bringing you here, before you ever came to see how it really looks.

Please take good care of cats - they were my only company before I met you. Please also forgive me for all the troubles this will cause to you. And please take good care of yourself, if you need anything talk with [vrienden]. Also to arrange for my funeral - you know my wish was to be cremated. I am sure my and your colleagues form [bedrijf A] and [bedrijf B] will also help you to arrange things. I hope you will not have too many problems with my mother and sister, they didn't knew about you.

Please forgive me...

Your [slachtoffer]"

6. Emailbericht 1:

"[pseudoniem slachtoffer]

Van: "[...]" <[e-mailadres 2]>

Aan: <[e-mailadres 3]

CC: <[e-mailadres 4]>; <[e-mailadres 5]>

Verzonden: maandag 16 juni 2003 17:30

Since one of your employees managed to infect me with HIV telling me lies that he was HIV negative - while he already knew for long time that he was HIV+, I decided to have a revenge. His name is [slachtoffer] - you can have a look at his web page

[...] to see some of his favourite "activities". And of his Bosnian boyfriend - Master, with whose permission he fisted me without gloves and infected me... [...] Now I can die in few months in peace

[verdachte alias 1]"

7. Emailbericht 2:

[pseudoniem slachtoffer]

Van: "[...]" <[e-mailadres 2]>

Aan: <[e-mailadres 1]>

Verzonden: maandag 16 juni 2003 18:13

Bijlage: ATTOOI47.eml

Onderwerp: Fwd:

I just wanted that I sent this to your employers. For what you did to me, this is small revenge. But at least I have some satisfaction."

8. De bewijsoverwegingen waar het Hof naar verwijst zijn opgenomen in het verkorte arrest en houden in:

"Bewezenverklaring

Overwegingen

In de vroege ochtend van 17 juni 2003 wordt bij de politie melding gemaakt van een mogelijke zelfdoding in een woning te [woonplaats]. Ter plaatse wordt door de politie in diens slaapkamer het levenloze lichaam aangetroffen van [slachtoffer] (hierna te noemen [slachtoffer]). [Slachtoffer] is aangetroffen voorover liggend op een bed met een dichtgebonden plastic zak om het hoofd. Bij latere sectie op het lichaam blijkt dat zich in de maag van [slachtoffer] onder meer een grote hoeveelheid 'nitrazepam' bevindt. Bij de computer van het slachtoffer werden een afscheidsbrief en twee e-mails aangetroffen. Op grond van deze feiten en omstandigheden wordt aangenomen dat [slachtoffer] een niet-natuurlijke dood is gestorven.

Nadat [slachtoffer] was gecremeerd zag de politie redenen tot nader onderzoek naar de oorzaak van de dood van [slachtoffer] en de omstandigheden waaronder hij was overleden. Dit leidde ertoe dat in december 2003 de partner van het slachtoffer als verdacht van betrokkenheid bij deze onnatuurlijke dood werd aangemerkt. Verdachte en [slachtoffer] waren sinds 14 februari 2003 met elkaar gehuwd. Verdachte is door de rechtbank te Arnhem op 28 september 2004 veroordeeld voor moord op [slachtoffer] tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Door verdachte en de officier van justitie is hoger beroep ingesteld.

Het hof heeft op grond van de processtukken en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting de volgende gegevens, voor zover voor de beoordeling van het tenlastegelegde feit van belang, als vaststaande feiten aangenomen:

1. [Slachtoffer] was op 16 juni 2003 om 17.30 uur thuis en hij was nog in leven.

2. [Slachtoffer] heeft op 16 juni 2003 onder meer goulash gegeten.

3. Op 17 juni 2003, om 07.19 uur, is bij het alarmnummer 112 door verdachte gemeld dat zijn vriend een zelfmoordpoging had gedaan. [slachtoffer] is vervolgens aangetroffen, gelegen op zijn bed, met een met touw dichtgeknoopte plastic zak om zijn hoofd. De dood is geconstateerd op 17 juni 2003 om 8.45 uur.

4. In het bloed van [slachtoffer] werden benzodiazepines aangetoond, met name (omzettingsproducten van) nitrazepam. Uit de bloedconcentratie blijkt, dat er een grote hoeveelheid nitrazepam is ingenomen of toegediend. In zijn maaginhoud werd een grote hoeveelheid nitrazepam aangetoond, overeenkomend met 8 à 9 tabletten.

5. Als doodsoorzaak wordt in de rapportage van het NFI het volgende vermeld. De toediening of inname van nitrazepam heeft [slachtoffer] hoogst waarschijnlijk in een toestand van onmacht gebracht. Het is mogelijk, dat het lichaam in een dergelijke toestand niet adequaat reageert op een verstikking, zoals door een zak over het hoofd. De sectiebevindingen waren verenigbaar met verstikking als oorzaak van het intreden van de dood.

6. Het exacte tijdstip van overlijden is destijds niet vastgesteld en is uit later onderzoek ook niet bekend geworden.

7. Bij de computer op de werkkamer van [slachtoffer] is een afscheidsbrief aangetroffen; uit onderzoek van het NFI is gebleken dat deze brief is vervaardigd op de computer van het slachtoffer en dat deze op 16 juni 2003 tussen 19.40 en 19.51 uur is afgedrukt.

8. Tevens zijn bij deze computer aangetroffen prints van twee e-mailberichten, afkomstig van [e-mailadres 2], één gericht aan verdachte en één gericht en verzonden aan de werkgever van verdachte. Uit onderzoek door het NFI is komen vast te staan dat deze e-mails zijn verzonden vanaf het IP-adres gekoppeld aan het modem van het thuisnetwerk van verdachte en het slachtoffer.

9. Verdachte is op de avond van 16 juni 2003 en in de nacht van 16 op 17 juni 2003 op verschillende tijdstippen thuis geweest en met zijn pinpasje is op 17 juni 2003 om 01.51 uur betaald bij een tankstation in Tiel. Verdachte heeft nadien de nacht thuis doorgebracht.

Het hof sluit, net als de rechtbank, het openbaar ministerie en de verdediging, uit dat een derde (iemand anders dan verdachte of het slachtoffer) voor de dood van [slachtoffer] verantwoordelijk is, gezien het feit dat concrete sporen voor de aanwezigheid van een derde persoon ontbreken, gelet op de verklaringen van verdachte daaromtrent en gelet op de aangetroffen e-mails en afscheidsbrief.

Bij de beoordeling van de feiten en mede gelet op het verweer van de verdachte ziet het hof drie mogelijke scenario's voor zich:

1). [Slachtoffer] heeft zichzelf van het leven beroofd.

2). [Slachtoffer] heeft zichzelf van het leven beroofd, maar hij heeft het op een moord door verdachte willen laten lijken.

3). Verdachte heeft [slachtoffer] van het leven beroofd, maar verdachte heeft het willen doen voorkomen als een zelfmoord door [slachtoffer].

Bij de beoordeling van deze drie mogelijkheden speelt een belangrijke rol dat [slachtoffer], die zich daarbij bediende van het pseudoniem [pseudoniem slachtoffer], een auteur was van sciencefictionverhalen en volgens de verdediging in staat was en redenen had om een scenario zoals scenario 2 te kunnen verzinnen en uit te voeren. Daarbij is met name gewezen op gelijkenissen in het boek "[titel boek]", geschreven door [pseudoniem slachtoffer].

Verdachte heeft ontkend [slachtoffer] van het leven te hebben beroofd.

Het hof heeft op grond van de stukken en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting de bewijsmiddelen beschouwd en daaruit evenwel de overtuiging bekomen dat verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en dat er dus géén sprake is geweest van een zelfmoord of een zelfmoord die moest lijken op een moord. Het hof is tot dit oordeel gekomen op grond van de navolgende met elkaar in onderling verband te beschouwen overwegingen.

Doodsoorzaak

[Slachtoffer] is een onnatuurlijke dood gestorven. In zijn lichaam bevond zich een aanzienlijke hoeveelheid nitrazepam en zijn overlijden past bij een dood door verstikking (plastic zak over het hoofd). Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en hij omstreeks 18.00 uur een warme maaltijd hebben gebruikt, waarbij onder meer goulash is gegeten. [Slachtoffer] was moe en hij zou rond 19.00 uur naar bed zijn gegaan, met een slaapmiddel. Verdachte en [slachtoffer] hadden boven allebei een aparte werkkamer en een aparte slaapkamer. Verdachte heeft verklaard dat hij [slachtoffer] die avond niet meer heeft gezien of gehoord en dat hij hem pas de volgende ochtend weer zag, liggend op zijn bed onder de omstandigheden zoals hiervoor beschreven.

Veel aandacht is besteed aan het gegeven dat nitrazepam in de hoeveelheid waar het om gaat niet of vrijwel niet ongemerkt kan zijn toegediend, vanwege de bittere smaak en vanwege het verlammende effect van dit middel op de tong.

Het hof gaat er van uit dat het middel door verdachte is toegediend aan [slachtoffer], ofwel vermengd met de goulash, grapefruitsap of soep, ofwel (minstens zo belangrijk) op andere wijze. De vraag of [slachtoffer] zulks heeft moeten merken is daarbij zonder belang waar verdachte ook de mogelijkheid had om [slachtoffer] te dwingen om dat middel in te nemen. Tussen partijen was immers een contract (slaaf-meester) gesloten dat verdachte (de meester) de mogelijkheid gaf om [slachtoffer] (de slaaf) te dwingen om alcohol of drugs in te nemen.

Aantreffen e-mails en afscheidsbrief

Volgens de verklaringen van diverse vrienden en kennissen van het slachtoffer past de afscheidsbrief die is aangetroffen niet bij de persoon van [slachtoffer], niet qua stijl (gebrekkig Engels), niet qua vorm (op de pc gemaakt) en niet qua ondertekening (de voor [slachtoffer] karakteristieke ondertekening ontbreekt). De brief lijkt te zijn gemaakt door iemand die het Engels beperkt beheerst. Opvallend is dat het NFI enige overeenkomsten noemt met de stijl van schrijven van verdachte.

De afscheidsbrief blijkt na onderzoek door het NFI te zijn vervaardigd op de computer op de werkkamer van [slachtoffer]. Het document is aangemaakt op 16 juni 2003 om 19.22 uur en is afgesloten om 19.51 uur. De afscheidsbrief is de volgende dag door de politie aangetroffen, in een andere kamer dan waar [slachtoffer] werd gevonden, namelijk in diens werkkamer, naast de computer.

In deze brief wordt verwezen naar de e-mails van [verdachte alias 1], waarvan een afdruk samen met de afscheidsbrief naast de computer van [slachtoffer] is aangetroffen.

Verdachte heeft de afscheidsbrief en de twee geprinte e-mails zelf aan de politie overhandigd. Toen de politie vertelde dat het om een afscheidsbrief ging, toonde verdachte geen enkele interesse. Het gedrag van verdachte bij de vondst van de afscheidsbrief en in het bijzonder verdachtes gebrek aan belangstelling voor de inhoud daarvan dat daaruit spreekt, is naar het oordeel van het hof op zijn zachtst gezegd merkwaardig.

Het voorkomen van [...]

De e-mailberichten die als afzender vermelden '[verdachte alias 1]', blijken niet van een [persoon] uit het Verenigd Koninkrijk afkomstig. Uit digitaal onderzoek is komen vast te staan dat de e-mails zijn verzonden vanaf het IP-adres van het modem van het thuisnetwerk van verdachte en het slachtoffer, via het account [e-mailadres 2]. Dat bracht het onderzoek op de vraag tot wie dat account / e-mailadres was te herleiden.

Bij digitaal onderzoek in de door verdachte en [slachtoffer] gebruikte computers thuis en ook op het werk, zijn diverse sporen aangetroffen die duiden op eerder gebruik van voornoemd account.

In de thuiscomputer van verdachte zijn volgens Fox-IT 111 sporen aangetroffen, verspreid over 58 bestanden. Op de pc van [slachtoffer] zijn eveneens documenten aangetroffen waarin '[...]' voorkomt, maar dan slechts gerelateerd aan de hierboven genoemde, op 16 juni 2003 op die computer binnengekomen e-mails. Op de werkcomputer van verdachte bij zijn werkgever [bedrijf A] komt een file voor dat de term '[...]' bevat, en wel temidden van een serie op de computer uitgevoerde activiteiten die kennelijk te maken hebben met bezoek aan homosites en homoseksuele contacten, gedateerd op 3 maart 2003. Op die dag blijkt gemeld adres vanaf de computer (het werkstation) dat verdachte normaliter gebruikte op zijn werk te zijn bezocht, wat wijst op een actieve benadering van het account '[...]'

Verdachte heeft één en andermaal aangegeven dat hij niets van doen heeft met het e-mailadres [e-mailadres 2]. Die bewering is naar het oordeel van het hof onjuist en leugenachtig. Hoewel uit het gebruik van een e-mailaccount de identiteit van de fysieke gebruiker daarvan niet met zekerheid kan worden afgeleid, acht het hof niet twijfelachtig dat het verdachte is geweest die op 3 maart 2003 op zijn werkcomputer dat spoor heeft achtergelaten.

[...] op 3 maart 2003

In hoger beroep is op verzoek van de verdediging en tegen de achtergrond van meergenoemde ontkenning van verdachte nog uitgebreid onderzoek gedaan naar de vraag of het verdachte is geweest die op 3 maart 2003 op de computer van [bedrijf A] heeft ingelogd op [e-mailadres 2].

Verdachte heeft over zijn werkzaamheden op 3 maart 2003 verschillende verklaringen afgelegd. Zo heeft hij eerst gezegd dat hij op 3 maart niet op het werk was, omdat hij de dag daarvoor een feestje had en hij meestal de dag daarna ziek was. Vervolgens heeft hij beweerd dat hij die dag misschien wel op zijn werk geweest is, maar dat niet hij, maar de boekhouder op zijn pc heeft gewerkt, omdat die altijd op zijn pc werkte als hij in het begin of aan het eind van de maand de boekhouding moest doen. In het door de advocaat-generaal geïnitieerde verhoor van de boekhouder heeft de boekhouder evenwel verklaard dat hij op 3 maart 2003 niet bij [bedrijf A] is geweest en dat, als hij als boekhouder bij [bedrijf A] werkte, hij niet op de pc van verdachte maar op een andere pc werkte. Vervolgens heeft verdachte, met deze uitkomst van het verhoor geconfronteerd, op de laatste zitting desgevraagd gezegd dat het dan niet -zoals hij steeds had gesteld- de boekhouder moet zijn geweest, maar een accountant die op zijn pc heeft gewerkt.

Voor de veronderstelling dat iemand anders dan verdachte op 3 maart 2003 achter de computer (SVO 8.009) van verdachte werkzaam is geweest voor boekhoudkundige werkzaamheden, waarvoor verdachtes werkstation gebruikt zou zijn, is naar het oordeel van het hof geen enkel aanknopingspunt te vinden. Bovendien is gebleken, dat op die 3 maart 2003 met diezelfde PC (die dus op verdachtes werkplek stond, in een open kantoorruimte) gedurende opvallend lange tijd is gesurfd naar allerlei homosites via [e-mailadres 6], hetgeen beslist niet werkgerelateerd kan zijn geweest, maar wel overeenkwam met verdachtes gewoontes, zoals die door een getuige zijn beschreven. Verdachte heeft verklaard dat [e-mailadres 6] een van zijn mailadressen is.

De verdediging heeft aangevoerd dat ook [slachtoffer] toegang had tot de werkplek van verdachte en op 3 maart 2003 achter diens computer bij [bedrijf A] in Utrecht moet of kan hebben gewerkt (pleitnota, p. 100). Uit het in opdracht van de verdediging opgemaakte rapport van Fox-IT blijkt dat de thuiscomputers van [slachtoffer] (SVO 8.005) en verdachte (SVO 8.006) op 3 maart 2003 's middags vrijwel gelijktijdig zijn opgestart, terwijl uit een bankafschrift blijkt dat ten laste van verdachtes bankrekening acht minuten daarvoor is gepind bij een tankstation. Daaruit moet volgens de verdediging worden afgeleid dat [slachtoffer] op de motorfiets van verdachte is meegereden van [bedrijf A] naar huis en -zo vult het hof aan- die dag dus ook werkzaam moet zijn geweest op het kantoor van [bedrijf A] en dat [slachtoffer] blijkbaar, zo impliceert het verweer, op het werkstation van verdachte heeft gewerkt of kunnen werken.

Het hof stelt vast, dat deze redenering teveel speculaties bevat om dat aannemelijk te maken.

Naar het oordeel van het hof is het dan ook niet twijfelachtig, dat het verdachte is geweest, die op 3 maart 2003 met die computer in de weer is geweest, en het account [e-mailadres 2] heeft benaderd.

[...] op 20 april 2003

De verdediging heeft naar voren gebracht, dat verdachte op 20 april 2003 niet in [woonplaats] kan zijn geweest; nu blijkens onderzoek op die dag het account subfisteeuk is benaderd vanaf het IP-adres van het modem van het thuisnetwerk van [slachtoffer] en verdachte, moet [slachtoffer] degene zijn geweest die dit account heeft gebezigd. Het hof deelt die zekerheid bepaald niet. Op die dag zou verdachte niet in [woonplaats] zijn geweest, hetgeen zijn bevestiging zou vinden in de op 7 februari 2006 afgelegde verklaring van getuige [getuige 4]. De verklaring van [getuige 4], in het bijzonder door diens vaagheden over zijn redenen van wetenschap en de overige omstandigheden in het betreffende weekeinde, maakt naar het oordeel van het hof niet aannemelijk dat de herinnering van die getuige aan 20 april 2003 een zodanig secure is, dat is komen vast te staan dat verdachte niet degene kan zijn geweest die die dag het account '[...]' vanaf het huisadres in [woonplaats] heeft benaderd.

Onware bewering inzake een mededeling over het tijdstip van overlijden

Verdachte heeft verklaard dat de GGD-arts Hamming hem heeft gezegd dat het tijdstip van overlijden moet zijn geweest op 16 juni 2003 omstreeks 24.00 uur, dus op een moment waarop verdachte niet thuis was. Verdachte heeft verklaard omstreeks die tijd op het Ginkelse Zand te zijn geweest.

Deze getuige is over dit punt diverse malen gehoord en hij heeft op 22 augustus 2005 bij de rechter-commissaris aangegeven dat hij nimmer een tijdstip van overlijden aan verdachte heeft genoemd. Volgens getuige [betrokkene 4] heeft verdachte hem verteld dat [slachtoffer] om 24.00 uur was overleden en dat verdachte blij was dat hij er toen niet was.

Het hof kan hieruit slechts afleiden, dat verdachte het heeft willen doen voorkomen, dat gebleken was, dat [slachtoffer] om het leven was gekomen op een tijdstip, dat hij niet thuis was. Hij heeft dus met een onwaarheid getracht verdenking af te wentelen.

Was [slachtoffer] suïcidaal?

Namens de verdachte is gesteld dat [slachtoffer] suïcidaal moet zijn geweest, omdat hij HIV besmet was en omdat hij verdrietig was over het feit dat verdachte van hem zou gaan scheiden. Dat is evenwel in tegenspraak met de verklaringen van diverse vrienden en kennissen van het slachtoffer, die melden dat [slachtoffer] juist verheugd was dat het einde van zijn relatie met verdachte nabij was. Ook bevinden zich diverse e-mailberichten van [slachtoffer] met deze strekking bij de stukken. Evenmin is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat [slachtoffer] HIV-besmet was, nu hierover door verschillende getuigen verschillend is verklaard.

De verdediging heeft onder verwijzing naar de rapportage van Fox-IT betoogd, dat [slachtoffer] enkele dagen vóór zijn dood op de site van erowid.com heeft gezocht naar nitrazepam (pleitnota, p.103 en p. 54). Het hof constateert, dat de hier bedoelde rapportage door de verdediging niet juist wordt gelezen. Het rapport bevat op dit punt de passage: "Uit onderzoek wordt aannemelijk dat op 14 juni 2003 omtrent 10.45 uur op het werkstation van [slachtoffer] een website bezocht wordt, waarbij geneesmiddelen en hun werkzame stoffen beschreven worden. Het betreft de website www.erowid.com. Hierop is onder meer de geneesmiddelengroep nitrazepam omschreven".

Strikt grammaticaal is dat niet onwaar, maar deze informatie is gebrekkig: immers, de site erowid.com bevat inderdaad enige informatie over het middel nitrazepam, maar de site is in feite een bibliotheek met niet minder dan veertigduizend documenten over diverse psychoactieve planten en chemicaliën.

Naar het oordeel van het hof kan uit het digitale onderzoek in het geheel niet worden afgeleid dat op de computer van [slachtoffer] is gezocht naar informatie over juist nitrazepam. In dit verband is het door de verdediging op dit punt gevoerde alibi-verweer (verdachte was op 14 juni 2003 niet in [woonplaats] en hij kan deze site toen dus niet hebben bezocht) naar het oordeel van het hof dan ook niet relevant.

Zelfmoord door [slachtoffer], geënsceneerd als moord door verdachte

Namens verdachte is gesteld dat de zelfmoord van [slachtoffer] tegen de achtergrond van zijn werk als SF-auteur als zeer waarschijnlijk wordt beschouwd (p. 24). De verdediging heeft een aanzienlijk deel van het pleidooi gewijd aan de bespreking van de mogelijkheid dat [slachtoffer], geïnteresseerd als hij zou zijn geweest in literatuur met het thema zelfmoord, zijn eigen dood -met en passant wraakneming op verdachte door zijn dood op een moord te doen lijken- heeft geënsceneerd. Ter adstructie van het verweer heeft de raadsman gewezen op diverse overeenkomsten tussen het leven van [slachtoffer] en het leven van de personages die door hem beschreven worden in het sciencefiction-boek "[titel boek]", van de hand van [pseudoniem slachtoffer], het pseudoniem van [slachtoffer].

Bij de beoordeling van dit verweer is in de eerste plaats van belang dat verdachte naar eigen zeggen het manuscript van dat boek ("[titel boek]") had gelezen en dus even zo goed in de lijn van dat boek heeft kunnen opereren. In de tweede plaats blijkt, zoals hiervoor al aan de orde kwam, uit de verschillende contacten van [slachtoffer] met vrienden dat hij in een zekere berusting uitzag naar het einde van zijn relatie met verdachte en dat hij positief gestemd was over de nabije toekomst. Ook dat pleit tegen de rigoureuze stap die [slachtoffer] met een zelfmoord zou hebben gezet. In de derde plaats is er de vaststelling dat verdachte op enkele, maar zeer essentiële punten waar het de feiten betreft, aanwijsbaar onwaarheid heeft gesproken. Op grond van dit alles gaat het hof voorbij aan scenario 2, de mogelijkheid dat [slachtoffer] zelfmoord heeft gepleegd, en daarbij op vernuftige wijze het valse beeld van een moord door verdachte in het leven heeft geroepen.

Afrondende beschouwingen over het bewijs

Hetgeen hiervoor over de verschillende door het hof onderscheiden aspecten van deze zaak werd overwogen vindt bevestiging in het navolgende:

Uit verklaringen van diverse bekenden van [slachtoffer] volgt dat de verhouding tussen [slachtoffer] en verdachte in juni 2003 allesbehalve rooskleurig was en zelfs een dieptepunt bereikt had: [slachtoffer] wilde scheiden. Dat staat in schril contrast met de mededelingen van verdachte ter terechtzitting van het hof van 16 december 2005, waarbij hij heeft verklaard dat zijn relatie met [slachtoffer] in de periode tussen 10 juni 2003 en 16 juni 2003 zich niet in een crisis bevond. Het hof acht -anders dan de verdachte heeft aangevoerd- wèl aannemelijk dat tussen [slachtoffer] en verdachte in de dagen voor [slachtoffer]s dood een zodanige verwijdering heeft bestaan, dat dit [slachtoffer] tot de mededeling heeft gebracht dat hij van verdachte zou gaan scheiden. Het hof leidt uit een e-mailbericht van 12 juni 2003 van [slachtoffer] aan verdachte af dat verdachte van deze plannen op de hoogte moet zijn geweest. Dit laatste blijkt ook uit de omstandigheid dat verdachte al voordat [slachtoffer] was overleden, op internet heeft aangegeven dat hij zoekend was naar een nieuwe partner omdat hij binnenkort vrij man zou zijn. In die omstandigheid (de naderende scheiding) en de daaruit mogelijk voortvloeiende consequenties voor verdachtes verblijfsvergunning kan naar 's hofs oordeel een belangrijk motief worden gevonden voor de moord op [slachtoffer]. Daarbij komt het voor de hand liggende aanzienlijke financiële voordeel (vergeleken bij een scheiding) voor verdachte bij overlijden van [slachtoffer].

Gelet op de voorgaande feiten en omstandigheden bestempelt het hof verdachtes volgehouden ontkenning dat hij met [e-mailadres 2] ooit van doen heeft gehad als leugenachtig. Die leugenachtigheid kan geen ander doel en ook geen andere strekking hebben dan om de verbinding tussen hem, verdachte, en de aan de werkgever van [slachtoffer] gezonden en in de afscheidsbrief van [slachtoffer] vermelde e-mail te verhullen. Het hof komt dan ook tot het oordeel dat de e-mail van [verdachte alias 1] en de afscheidsbrief zijn opgesteld door verdachte.

Verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] en verdachte over en weer wel op elkaars thuiscomputers hebben gewerkt en dat ze elkaars wachtwoorden kenden. Het hof heeft in dat licht daarom ook onder ogen gezien de mogelijkheid dat [slachtoffer] op 16 juni 2003 zich wellicht van vorengenoemd [e-mailadres 2]-account heeft bediend. Er is echter uit het onderzoek, zoals hiervoor al geschetst, naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat niet [slachtoffer], maar verdachte deze e-mail en de afscheidsbrief heeft vervaardigd.

De zelfmoordscenario's (scenario 1 en 2) worden door het hof als ongeloofwaardig terzijde gesteld en het hof acht op grond van het vorenstaande bewezen dat verdachte [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten raad van het leven heeft beroofd."

9. De middelen hebben betrekking op verschillende onderdelen van de bewijsvoering. Ter voorbereiding van de bespreking van de middelen bespreek ik eerst de hoofdlijnen van de door het Hof gevolgde bewijsvoering.

10. De door het Hof gebezigde bewijsconstructie komt op het volgende neer. Er is geen enkele aanwijzing dat een derde (iemand anders dan het slachtoffer of de verdachte) met de dood van [slachtoffer] te maken heeft gehad. Dit betekent dat er drie scenario's denkbaar zijn:

1). [slachtoffer] heeft zichzelf van het leven beroofd.

2). [slachtoffer] heeft zichzelf van het leven beroofd, maar hij heeft het op een moord door verdachte willen laten lijken.

3). Verdachte heeft [slachtoffer] van het leven beroofd, maar verdachte heeft het willen doen voorkomen als een zelfmoord door [slachtoffer].

Het Hof acht het laatste scenario bewezen en wel in die zin dat de verdachte aan [slachtoffer] een hoeveelheid slaapmiddelen heeft toegediend en hem een plastic zak over zijn hoofd heeft gedaan en deze om zijn hals heeft dichtgebonden. Dit oordeel berust enerzijds op een samenstel van feiten en overwegingen waarin het Hof de scenario's 1 en 2 terzijde stelt en anderzijds op een samenstel van feiten en overwegingen die naar het oordeel van het Hof bewijs opleveren voor scenario 3.

11. Deze feiten en overwegingen kunnen aan de hand van de inhoud van de bewijsmiddelen en de bewijsoverwegingen van het Hof als volgt worden samengevat:

a. [slachtoffer] was op 16 juni 2003 om 17.30 uur nog in leven; de avond van 16 juni 2003 heeft de verdachte goulash gemaakt; rond 18.00 uur hebben de verdachte en [slachtoffer] samen gegeten; in de maaginhoud van [slachtoffer] zijn goulash en de omzettingsproducten van nitrazepam aangetroffen overeenkomend met 8 à 9 tabletten;

b. op 17 juni 2003 omstreeks 7.19 uur belt de verdachte de politie met de mededeling dat zijn vriend mogelijk een zelfmoordpoging heeft gedaan;

c. verbalisanten treffen [slachtoffer] aan liggend op zijn buik op een matras op de grond met een groene plastic tas over zijn hoofd, die met een touw rond de hals was vastgebonden; hij geeft geen teken van leven meer;

d. het overlijden van [slachtoffer] heeft zich waarschijnlijk aldus toegedragen dat de nitrazepam hem in een toestand van onmacht heeft gebracht waardoor hij mogelijk niet meer adequaat heeft gereageerd op verstikking door de plastic zak en hij vervolgens, zoals met de bevindingen van de sectie niet onverenigbaar is, door verstikking om het leven is gekomen;

e. de verdachte is op de avond van 16 juni 2003 en de nacht van 16 op 17 juni 2003 op verschillende tijdstippen thuis geweest;

f. op de werkkamer van [slachtoffer] zijn bij de computer een afscheidsbrief en twee emails aangetroffen;

g. de afscheidsbrief is vervaardigd op de computer van [slachtoffer] en is op 16 juni 2003 tussen 19.40 en 19.51 afgedrukt;

h. de emails, waarnaar in de afscheidsbrief wordt verwezen, zijn door [slachtoffer] ontvangen op 16 juni 2003 om 18.13 uur;deze emails houden in dat een zekere [verdachte alias 1] de werkgevers van [slachtoffer] er uit wraak van op de hoogte stelt dat [slachtoffer], hoewel hij wist dat hij HIV-positief was met [verdachte alias 1] seksueel verkeer heeft gehad en deze daarbij heeft besmet met HIV; deze emails zijn niet verzonden vanuit Liverpool maar van het IP-adres van het thuisnetwerk van de verdachte en [slachtoffer] en van een adres [e-mailadres 2] dat de verdachte in het verleden heeft gebruikt, [slachtoffer] niet;

i. de thuiscomputer van de verdachte is op 16 juni 2003 regelmatig gebruikt van 13:19:44 tot en met 22:27:32 uur;

j. de verdachte heeft gelogen dat de GGD-arts hem een tijdstip van overlijden van [slachtoffer] heeft genoemd; verdachte heeft een tijdstip van overlijden genoemd, 24.00 uur, waarop de verdachte niet thuis was, kennelijk erop gericht om te voorkomen dat zich op hem enige verdenking zou richten;

k. blijkens door [slachtoffer] verstuurde emailberichten was deze verheugd dat hij van de verdachte zou gaan scheiden; er zijn daarom geen aanwijzingen dat [slachtoffer] suïcidaal was; deze aanwijzingen zijn ook niet te ontlenen aan het raadplegen door [slachtoffer] van de website erowid.com omdat deze een bibliotheek is met niet minder dan veertigduizend documenten over diverse psychoactieve planten en chemicaliën; voorts zijn daarvoor aan de overeenkomsten van de wijze waarop [slachtoffer] om het leven is gekomen met de wijze waarop een persoon in een door [slachtoffer] geschreven boek stierf evenmin aanwijzingen te ontlenen omdat de verdachte dat boek gelezen heeft, daarvan dus op de hoogte was en evenzeer in de lijn van dit boek heeft kunnen opereren als [slachtoffer];

l. de verdachte was van het voornemen van [slachtoffer] van de verdachte te gaan scheiden op de hoogte; dat blijkt ook uit het feit dat hij reeds voor [slachtoffer]s dood op internet had aangekondigd een nieuwe partner te zoeken;

m. in de gevolgen van de scheiding voor verdachtes verblijfsvergunning ligt een belangrijk motief voor de verdachte om [slachtoffer] te vermoorden; daar komt nog bij dat beëindiging van de relatie met [slachtoffer] door diens overlijden voor de verdachte financieel voordeliger was dan door scheiding

n. de eerste twee scenario's moeten bij gebreke van aanwijzingen daarvoor ter zijde worden gesteld;

o. verdachte heeft over het gebruik van het email-adres vanwaar de emails zijn verstuurd, gelogen; dat kan hij met geen ander doel hebben gedaan dan om zijn relatie met die emails te verhullen;

p. een en ander leidt tot de conclusie dat de verdachte de afscheidsbrief en de emails heeft vervaardigd;

q. er moet (dus) van worden uitgegaan dat de nitrazepam door verdachte is toegediend aan [slachtoffer], ofwel vermengd met de goulash, grapefruitsap of soep, ofwel (minstens zo belangrijk) op andere wijze; daarbij oordeelt het Hof niet van belang dat nitrazepam vanwege de smaak niet of vrijwel niet ongemerkt kan worden toegediend omdat de verdachte meester was van de slaaf [slachtoffer], zoals de verdachte en [slachtoffer] waren overeengekomen;

r. gelet op verdachtes pogingen zijn betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] te verhullen door te liegen over de vervaardiging van de afscheidsbrief en de emails en het tijdstip van overlijden, kan het niet anders of de verdachte heeft [slachtoffer] opzettelijk van het leven beroofd door hem een grote dosis nitrazepam toe te dienen en de plastic zak over zijn hoofd om zijn hals vast te binden.

12. Op de keper beschouwd is er maar één feit dat de rechtstreekse betrokkenheid van de verdachte bij de dood van [slachtoffer] aantoont: verdachte heeft de afscheidsbrief en de emails geschreven. Dit feit wordt niet van zijn betekenis ontdaan omdat de verdachte niet in de gelegenheid zou zijn geweest [slachtoffer] te vermoorden. Hij was immers de bewuste avond samen met [slachtoffer] thuis. De betekenis van eerstgenoemd feit wordt versterkt door het feit dat de verdachte over de vervaardiging van de afscheidsbrief en de emails heeft gelogen: hij had kennelijk iets te verbergen. Dat geldt ook voor het feit dat de verdachte vanwege de op handen zijnde scheiding een in zijn verblijfsstatus en ook wel een in financiële belangen gelegen motief had de huwelijksverbintenis met [slachtoffer] door de dood van [slachtoffer] te doen eindigen.

13. Het Hof noemt ook dat ervan moet worden uitgegaan dat de nitrazepam door verdachte is toegediend aan [slachtoffer]. Waarom dat zo is laat het Hof in het midden. Het is kennelijk een gevolgtrekking uit de conclusie van het Hof dat de dood van [slachtoffer] zich volgens scenario 3 heeft toegedragen. Deze door het Hof kennelijk als vaststaand feit aangemerkte conclusie kan dus niet bijdragen aan het oordeel dat het bewijs geleverd is dat de verdachte [slachtoffer] heeft vermoord maar is een gevolgtrekking uit dat oordeel. Hetgeen het Hof verder overweegt ten aanzien van deze als vaststaand feit aangemerkte conclusie gaat niet verder dan dat de bittere smaak van nitrazepam en de verlammende werking daarvan op de tong er niet aan in de weg behoeven te hebben gestaan dat de verdachte de nitrazepam aan [slachtoffer] heeft toegediend. Dat de verdachte dat daadwerkelijk heeft gedaan volgt daaruit niet.

14. Het Hof overweegt ook dat het overlijden van [slachtoffer] zich waarschijnlijk aldus heeft toegedragen dat de nitrazepam hem in een toestand van onmacht heeft gebracht waardoor hij mogelijk niet meer adequaat heeft gereageerd op verstikking door de plastic zak en hij vervolgens, zoals met de bevindingen van de sectie niet onverenigbaar is, door verstikking om het leven is gekomen. De betekenis hiervan is eveneens niet meer dan dat de bevindingen bij sectie niet aan scenario 3 in de weg staan. Met name ligt hierin niet besloten dat [slachtoffer] de nitrazepam toegediend heeft gekregen en hem door een ander een plastic zak over het hoofd is gedaan. Zoals het Hof immers tot uitgangspunt neemt kan iemand ook zelfmoord plegen door een grote hoeveelheid nitrazepam in te nemen en een plastic zak over het hoofd te trekken en vast te binden.

15. In de grond van de zaak komt de redenering van het Hof er dus op neer dat uit verdachtes betrokkenheid bij de afscheidsbrief en de emails gepaard aan de omstandigheid dat hij die betrokkenheid heeft ontkend en daarover dus heeft gelogen moet worden afgeleid dat de verdachte heeft vermoord als bewezenverklaard omdat er - afgezien van de toestand waarin [slachtoffer] is aangetroffen die zowel op moord als op zelfmoord kan wijzen - geen aanwijzingen zijn dat [slachtoffer] zichzelf van het leven heeft willen beroven. Daarbij heeft het Hof een aantal mogelijkheden die aan deze redenering in de weg staan - het was niet mogelijk nitrazepam in zo'n grote hoeveelheid aan [slachtoffer] toe te dienen, alleen [slachtoffer] kon scenario 2 verzinnen en uitvoeren omdat hij deze beschreven had - gemotiveerd ter zijde gesteld.

16. In zijn algemeenheid kan de door het Hof gevolgde wijze van redeneren de toets in cassatie doorstaan.(1) Onbegrijpelijk is deze immers niet. In zijn algemeenheid gesproken mag de kans dat iemand die wordt aangetroffen in een toestand als [slachtoffer] is vermoord, klein worden geacht, daar staat tegenover dat die kans juist groot wordt wanneer blijkt dat iemand, die in de gelegenheid was de verdachte om het leven te brengen, voor deze een afscheidsbrief heeft geschreven en heeft gezorgd voor stukken die de in de afscheidsbrief gegeven verklaring voor het besluit tot levensbeëindiging onderbouwen. Het Hof heeft daarom kennelijk en niet onbegrijpelijk de kans dat [slachtoffer] vermoord was vele malen groter geacht dan de kans dat dit niet het geval was en vervolgens - in aanmerking genomen dat voor de aanwezigheid van derden in de woning van [slachtoffer] en verdachte ten tijde van de moord iedere aanwijzing ontbreekt - de kans dat de verdachte dit heeft gedaan eveneens vele malen groter geacht dan de kans dat hij dit niet heeft gedaan. In de termen van Wagenaar gesproken heeft het Hof dus aan het feit dat de verdachte de afscheidsbrief en de daarbij behorende emails heeft geschreven een grote diagnostische waarde toegekend, zowel voor het feit dat [slachtoffer] is vermoord als voor het feit dat de verdachte dat heeft gedaan.(2) Deze wordt, zoals het Hof kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld, nog versterkt doordat de verdachte over zijn betrokkenheid bij de afscheidsbrief en de emails heeft gelogen en dus deze betrokkenheid kennelijk verborgen heeft willen houden in plaats van te verklaren waarom hij deze geschreven heeft. Vervolgens heeft het Hof onderzocht of er niettemin omstandigheden zijn die meebrengen dat er een niet te verwaarlozen kans is dat de verdachte [slachtoffer] niet heeft vermoord. Het Hof heeft deze niet gevonden: de omstandigheden waaronder [slachtoffer] is aangetroffen sluiten niet uit dat hij is vermoord, de nitrazepam kan hem ondanks de bittere smaak en de verlammende werking op de tong door de verdachte in de goulash van [slachtoffer] zijn gedaan en zo door hem zijn ingenomen of de verdachte heeft hem gedwongen deze tot zich te nemen, niet alleen [slachtoffer] maar ook de verdachte kende een wijze van enscenering van moord als bewezenverklaard, er zijn geen aanwijzingen in de stemming van [slachtoffer] of anderszins dat deze reden had zichzelf van het leven te beroven. Ten slotte heeft het Hof nog onderzocht of de verdachte enige reden zou kunnen hebben om [slachtoffer] te vermoorden. Het Hof heeft deze gezien de aan de verdachte bekende, op handen zijnde scheiding gevonden in verdachtes verblijfsstatus en - tot op zekere hoogte in financiële belangen.

17. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bewijs staat en valt met het bewijs dat de verdachte de afscheidsbrief en de daarbij als "belegstukken" horende emails heeft vervaardigd. Op dat punt dient de bewijsvoering dus uitgesproken kritisch te worden benaderd. Veel ruimte voor een ruimhartige interpretatie van het gebezigde bewijsmateriaal en de daarbij behorende overwegingen is er daarom in mijn ogen niet. Dat geldt dat tot op zekere hoogte ook voor het bewijs van het toedienen van de nitrazepam aan [slachtoffer]. Er zijn immers aanwijzingen dat [slachtoffer] de nitrazepam gelet op de smaak en het verlammende effect van nitrazepam op de tong niet voor hem ongemerkt kan hebben ingenomen. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de kans dat hij de nitrazepam vrijwillig heeft ingenomen ten opzichte van de kans dat dit niet het geval was niet te verwaarlozen valt.

18. Ik kom nu aan de bespreking van de middelen.

19. Het eerste middel bevat de klacht dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een plastic zak om het hoofd van het slachtoffer heeft dichtgemaakt en vastgeknoopt.

20. In aanmerking genomen dat, zoals ik hiervoor heb uiteengezet, uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de verdachte [slachtoffer] om het leven heeft willen brengen door hem een overdosis nitrazepam toe te dienen waardoor [slachtoffer] in onmacht kon geraken en [slachtoffer] is aangetroffen met een plastic zak over zijn hoofd die was vastgebonden om zijn hals, kan uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat de verdachte die zak om de hals van [slachtoffer] heeft dichtgemaakt en vastgeknoopt.

21. Het middel faalt.

22. Het tweede middel richt zich met twee klachten tegen het oordeel van het Hof dat de verdachte [slachtoffer] op slinkse wijze nitrazepam heeft toegediend dan wel hem heeft gedwongen nitrazepam tot zich te nemen. Dit oordeel zou niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid terwijl het Hof voorts de hiermee gegeven afwijking van een ter zake uitdrukkelijk onderbouwd standpunt niet voldoende heeft gemotiveerd.

23. Zoals ik hiervoor heb uiteengezet bestaat het aangevochten oordeel van het Hof in de conclusie die het Hof heeft getrokken uit - kort gezegd - de omstandigheid dat de verdachte de middag en de avond van 16 juni 2003 samen met [slachtoffer] thuis is geweest, er niet anderen in de woning van [slachtoffer] en de verdachte aanwezig zijn geweest, de verdachte de afscheidsbrief en de daarbij behorende emails heeft 'verzorgd" en over deze betrokkenheid bij de dood van [slachtoffer] heeft gelogen zonder dat hij voor een en ander enige verklaring heeft gegeven, en eveneens heeft gelogen over het tijdstip van overlijden van [slachtoffer] kennelijk om te voorkomen dat jegens hem enige verdenking zou rijzen. Hiervoor heb ik uiteengezet dat deze conclusie niet onbegrijpelijk is.

24. Gesteld voor de vraag of de smaak van nitrazepam en/of de verlammende werking van nitrazepam op de tong er in de weg stond aan de op voormelde gronden getrokken conclusie dat de verdachte de nitrazepam aan [slachtoffer] heeft toegediend hetzij door de nitrazepam te vermengen met soep, grapefruitsap en/of goulash hetzij op andere wijze, heeft het Hof geoordeeld dat niet van belang is of [slachtoffer] heeft moeten merken dat hem iets werd toegediend omdat de verdachte als meester in staat was [slachtoffer] te dwingen alcohol of drugs in te nemen.

25. In de toelichting op het middel wordt voor alles betoogd dat het Hof eraan is voorbijgegaan dat in geval van bewezenverklaring van alternatieve omstandigheden al die alternatieven uit de gebezigde bewijsmiddelen moeten blijken. Deze klacht miskent dat de bewezenverklaring spreekt van het toedienen van een hoeveelheid (slaap)middelen en de wijze van toediening, anders dan kennelijk aan het middel ten grondslag ligt, niet nader specificeert.

26. Vervolgens wordt gesteld dat genoemd oordeel van het Hof onbegrijpelijk is omdat het gaat om twee elkaar uitsluitende alternatieven: toediening op slinkse wijze door toevoeging aan etenswaren of toediening onder dwang. Waarop wordt gebaseerd dat het Hof is uitgegaan van twee elkaar uitsluitende alternatieven is mij niet duidelijk. Het Hof heeft geoordeeld dat de smaak van nitrazepam en/of de verlammende werking op de tong niet aan toediening aan [slachtoffer] door de verdachte in de weg hebben behoeven te staan omdat, zo begrijp ik de overweging van het Hof, ook in geval [slachtoffer] de smaak en/of de verdovende werking op de tong zou hebben ervaren, de verdachte als meester in een zodanige verhouding tot [slachtoffer] als slaaf stond dat hij eventuele weigering van [slachtoffer] om de door de verdachte voor hem bereide spijs met nitrazepam in te nemen kon doorbreken dan wel hem rechtstreeks kon dwingen tabletten nitrazepam in te nemen.

27. Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld heeft het Hof hiermee op toereikend gemotiveerde wijze verworpen hetgeen is aangevoerd over de smaak en de werking op de tong van nitrazepam. Het Hof heeft immers tot uitdrukking gebracht dat het een en ander wel wil aannemen doch dat dit vanwege de mogelijkheid voor de verdachte [slachtoffer] te dwingen tot het innemen van drugs niet in de weg staat aan toedienen van nitrazepam door de verdachte aan [slachtoffer].

28. Zoals in de toelichting op het middel wordt gesteld is in hoger beroep ook aangevoerd dat er geen sporen van geweld zijn aangetroffen en [slachtoffer] zelf informatie over nitrazepam heeft gezocht, welk een en ander het heel onwaarschijnlijk maakt dat de verdachte dwang heeft toegepast om [slachtoffer] de nitrazepam te doen innemen. Het Hof heeft echter onder het hoofd Was [slachtoffer] suïcidaal ? gemotiveerd aangegeven waarom er geen aanwijzingen zijn dat [slachtoffer] naar nitrazepam heeft gezocht. Voorts in aanmerking genomen dat dwang niet met geweld gepaard hoeft te gaan vergt het bepaalde in art. 359 lid 2 Sv niet dat het Hof nader op dit uitdrukkelijk onderbouwde standpunt moest ingaan. Dat geldt ook voor zover erop wordt gewezen dat [slachtoffer] met zijn computer op 16 juni 2003 om 21.43 nog een [profiel]profiel heeft bekeken. Zoals de bewijsmiddelen laten zien kon de verdachte beschikken over de computer van [slachtoffer] en is dat profiel aangemaakt door de gebruiker van het emailadres [e-mailadres 2], een door de verdachte gebezigd emailadres. Daarmee is dit standpunt voldoende gemotiveerd weerlegd.

29. Ten slotte wordt nog betoogd dat het Hof hetgeen de verdachte heeft verklaard over het bestaan van een meester-slaaf-verhouding onjuist heeft uitgelegd door deze verhouding zo op te vatten dat ten tijde van het overlijden van [slachtoffer] deze verhouding nog bestond. Aldus zou het Hof de verklaring van de verdachte hebben gedenatureerd.

30. De voor het bewijs gebezigde verklaring van de verdachte luidt - voor zover hier van belang -:

"Ik had een meester-slaaf verhouding met [slachtoffer]. Er bestond ook een meester-slaaf contract tussen ons, wat in 2002 was gemaakt en op het moment dat [slachtoffer] overleed ook nog steeds bestond. Ik was de meester en [slachtoffer] was de slaaf. Het contract had betrekking op [slachtoffer] en mij, binnen ons huis en vierentwintig uur per dag. Het klopt dat ik de slaaf kon dwingen tot het gebruik van drugs. Daar bestond wel dwang."

31. Waarom hier niet uit zou kunnen worden opgemaakt dat de meester-slaaf verhouding ten tijde van het overlijden van [slachtoffer] nog bestond is mij niet duidelijk. De verdachte refereert immers uitdrukkelijk aan het moment van overlijden van [slachtoffer].

32. Voor zover in de toelichting op het middel wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de nitrazepam door de verdachte aan [slachtoffer] is toegediend, miskent het dat het Hof uitgebreid heeft gemotiveerd waarom scenario 1 en scenario 2 niet opgaan en het innemen van een overdosis nitrazepam, die niet als toedienen door de verdachte kan worden aangemerkt, niet verenigbaar is met scenario 3, immers inhoudende dat de verdachte [slachtoffer] van het leven heeft beroofd.

33. Het middel faalt.

34. Het derde middel is gericht tegen de motivering van het oordeel van het Hof dat de verdachte leugenachtige verklaringen heeft afgelegd.

35. Het middel klaagt in hoofdzaak over (de motivering van) het oordeel van het Hof dat de verdachte een leugenachtige verklaring heeft afgelegd over zijn betrokkenheid bij het emailadres [e-mailadres 2]. Het Hof heeft - aldus het middel - aan dat oordeel verklaringen van de verdachte zelf ten grondslag gelegd.

36. De aanvulling van het verkorte arrest bevat over de leugenachtigheid van de verklaringen van de verdachte met betrekking tot zijn betrokkenheid bij het emailadres [e-mailadres 2] de volgende overweging:

"Het oordeel dat de verklaringen van verdachte leugenachtig zijn, waar het zijn relatie tot '[...]' betreft, is gebaseerd op de tegenstelling tussen enerzijds zijn verklaringen ter zitting:

- dat hij met [...] niets te maken heeft;

- dat hij eerst heeft gezegd dat hij op 3 maart 2003 niet op het werk was, omdat hij de dag daarvoor een feestje had en meestal de dag daarna ziek was;

- dat hij vervolgens heeft beweerd dat hij op 3 maart 2003 misschien wel op het werk is geweest, maar dat niet hij, maar de boekhouder op zijn pc heeft gewerkt;

- dat het dan niet de boekhouder, maar een accountant moet zijn geweest;

en, anderzijds, dat [...] op diverse plekken wel degelijk aan verdachte gerelateerd wordt:

- op zijn thuispc (SVO 8.006, zie bewijsmiddel 25);

- op zijn werkpc (SVO 8.009) op 3 maart 2003;

- zijn surfgedrag op zijn pc op het werk (bewijsmiddelen 26, 27, 29, 30 en 31);

- de verklaring van [betrokkene 3] (bewijsmiddel 32);

- de verklaring van [betrokkene 2] (bewijsmiddel 28)."

37. Deze overweging van het Hof dient klaarblijkelijk aldus te worden begrepen dat bedoelde verklaringen ter terechtzitting leugenachtig zijn omdat deze onverenigbaar zijn met de inhoud van de door het Hof genoemde bewijsmiddelen en daarom op grond van die bewijsmiddelen leugenachtig zijn. Genoemde bewijsmiddelen behelzen geen verklaringen van de verdachte. Derhalve mist de klacht dat de leugenachtigheid van verdachtes verklaringen mede is gebaseerd op zijn eigen verklaringen feitelijke grondslag. Dat geldt ook voor zover in de toelichting op het middel onder punt 10 wordt gesteld dat het bewijs van de leugenachtigheid is gebaseerd op hetgeen [betrokkene 6] verklaart over hetgeen de verdachte tegen hem heeft gezegd (bewijsmiddel 37).

38. Het middel bevat in dit verband voorts de klacht dat het Hof hoe dan ook niet tot het oordeel heeft kunnen komen dat verdachtes verklaringen over het emailadres leugenachtig zijn, omdat het Hof tevens heeft vastgesteld dat uit het gebruik van een e-mailaccount de identiteit van de fysieke gebruiker daarvan niet met zekerheid kan worden afgeleid.

39. De bewijsmiddelen die het Hof onder het kopje "Het onderzoek naar [...]" heeft opgenomen, houden kort samengevat het volgende in. De emails die aan het slachtoffer en zijn werkgevers zijn gezonden door de gebruiker van het emailadres [e-mailadres 2] zijn verzonden vanaf het IP-adres dat door de provider Tiscali is toegekend aan het modem dat in de woning van de verdachte en het slachtoffer werd gebruikt voor het thuisnetwerk waar hun beider computers mee verbonden waren.

In de email aan de werkgevers van het slachtoffer wordt onder meer verwezen naar gegevens van het slachtoffer op de internetsite www.gaydar.nl. Op de computer van de verdachte zijn sporen aangetroffen die erop duiden dat op die computer het gebruikersaccount "[profiel]" bij die site is aangemaakt door de gebruiker van het e-mailaccount [e-mailadres 2]. Op de computer van de verdachte is ruim honderd keer de term subfisteeuk aangetroffen. Op de computer die de verdachte in gebruik had op zijn werkplek, is tevens een aantal verwijzingen naar gebruik van het emailadres [e-mailadres 2] aangetroffen. Daarbij gaat het om sporen van vijf emailberichten die aan dit emailadres zijn verzonden, waarvan drie door [e-mailadres 6] verzonden berichten. Een van die berichten is op of rond 3 maart 2003 verzonden en ondertekend met "[verdachte]".

40. De bewijsmiddelen houden voorts in dat uit achtergebleven sporen is gebleken dat het adres [e-mailadres 2] kon worden benaderd met behulp van het wachtwoord "[wachtwoord]", terwijl dat wachtwoord bij de verdachte in gebruik was voor zijn diverse emailadressen, alsmede dat de adressen [e-mailadres 6] en [e-mailadres 8] bij hem in gebruik zijnde emailadressen waren. Verder houden de bewijsmiddelen in dat als aliasadres voor het emailadres van [e-mailadres 2] het adres [e-mailadres 8] was ingesteld.

41. Voorts houden de bewijsmiddelen in dat vanaf de computer die de verdachte op zijn werkplek bij zijn werkgever in gebruik had, op 3 maart 2003 niet alleen genoemde emailaccount van [...] is benaderd, maar tevens, zowel daarvoor als daarna, een emailaccount van de verdachte, [e-mailadres 6], terwijl aan die computer bij zijn werkgever ontleende gegevens voorts laten zien dat het benaderen van die emailaccounts heeft plaats gevonden terwijl langdurig op internet werd gesurft, waarbij vooral homosites werden bezocht en waarvan het Hof vaststelt dat zulks past in het van de verdachte bekende surfgedrag.

42. Hoewel, zoals het Hof met juistheid overweegt, uit voormelde inhoud van de bewijsmiddelen niet met zekerheid kan worden afgeleid dat de verdachte de gebruiker is geweest van het emailaccount [e-mailadres 2], heeft het Hof, zoals het oordeel van het Hof kennelijk moet worden begrepen, "beyond reasonable doubt" uit die bewijsmiddelen afgeleid dat de verdachte de gebruiker van genoemd emailaccount was op 3 maart 2003 en 16 juni 2003. Daarmee verschaft de inhoud van die bewijsmiddelen een toereikende basis voor het oordeel dat de verklaringen van de verdachte waar het zijn relatie tot '[...]' betreft leugenachtig zijn.

43. Ten overvloede voeg ik hier aan toe dat het oordeel van het Hof dat het "beyond reasonable doubt" is dat de verdachte op 3 maart en 16 juni 2003 gebruik heeft gemaakt van het emailadres [e-mailadres 2] niet onbegrijpelijk is. Ik som de kern van de inhoud van de bewijsmiddelen op dit punt nog eens op:

- zowel vanaf verdachtes computer thuis als vanaf die op zijn werk is het emailadres [e-mailadres 2] benaderd;

- op 3 maart 2003 is vanaf verdachtes computer op het werk tussen 12.50 en 13.38 uur niet alleen het emailadres [e-mailadres 2] benaderd maar zowel daarvoor als daarna ook het emailadres van de verdachte [e-mailadres 6] dat alleen toegankelijk was met een wachtwoord;

- geconfronteerd met dat gebruik van het emailadres [e-mailadres 2] vanaf zijn werk heeft de verdachte ontkend van dat emailadres vanaf zijn computer op zijn werk gebruik gemaakt te hebben; voor het feit dat vanaf zijn computer op het werk dat emailadres toch was benaderd heeft hij geen eenduidige verklaring gegeven maar verschillende, waarvan in elk geval de verklaring dat de boekhouder van verdachtes computer op het werk gebruik gemaakt zou hebben aantoonbaar - bewijsmiddel 32 - onjuist is en overigens de verklaring dat dit dan wel een ander moet zijn geweest op gespannen voet staat met de inhoud van bewijsmiddel 28 dat niemand achter verdachtes computer wilde zitten omdat de verdachte heel vies was;

- als alias voor het emailadres [e-mailadres 2] is een door de verdachte gebruikt emailadres ingesteld.

Gelet op het korte tijdsbestek waarin zich op 3 maart 2003 het benaderen van de mailadressen [e-mailadres 6], [e-mailadres 2] en vervolgens [e-mailadres 6] heeft afgespeeld, de omstandigheid dat voor [e-mailadres 6] een wachtwoord nodig was, de verdachte ter verklaring dat een ander dan hij laatstgenoemd mailadres had benaderd verschillende verklaringen heeft afgelegd waaronder niet de voor de hand liggende verklaring dat dit was benaderd door iemand die het wachtwoord van hem had gekregen, die verklaringen hetzij aantoonbaar onjuist hetzij uitgesproken onwaarschijnlijk waren zeker in relatie tot het gegeven dat voor het benaderen van [e-mailadres 6] een wachtwoord nodig was, is geenszins onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat het "beyond reasonable doubt" is dat de verdachte op 3 maart 2003 gebruik heeft gemaakt van het emailadres [e-mailadres 2]. Nu de bewijsmiddelen voorts inhouden dat het emailadres [e-mailadres 2] op 16 juni 2003 is benaderd van verdachtes computer thuis en nimmer is benaderd van de computer van [slachtoffer] heeft het Hof eveneens "beyond reasonable doubt" kunnen oordelen dat de verdachte degene was die op 16 juni 2003 vanaf zijn computer genoemd mailadres heeft benaderd en vanaf dat adres de emailberichten aan [slachtoffer]s werkgevers en aan [slachtoffer] heeft verzonden.

44. Het middel bevat voorts nog de klacht dat het Hof in de nadere bewijsoverwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte op essentiële punten aanwijsbare onwaarheid heeft gesproken, zonder aan te geven welke punten dat betreft.

45. Die klacht berust naar mijn oordeel op een gebrekkige lezing van de overwegingen van het Hof. In de overwegingen die daaraan vooraf zijn gegaan heeft het Hof immers overwogen dat de verdachte op twee punten onware verklaringen heeft afgelegd; namelijk met betrekking tot zijn betrokkenheid bij het emailadres en met betrekking tot de informatie die de verdachte zou hebben gekregen van de arts over het tijdstip waarop de dood van het slachtoffer zou zijn ingetreden.

46. In het middel wordt voorts geklaagd dat het Hof heeft vastgesteld dat het slachtoffer kort voor zijn dood positief gestemd was over zijn nabije toekomst, na beëindiging van de relatie met de verdachte, maar dat zulks niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan blijken.

47. Naar mijn oordeel heeft het Hof uit de bewijsmiddelen 36 en 38 kunnen afleiden dat het slachtoffer opgelucht was over het einde van zijn relatie met de verdachte en daarmee positief gestemd was over zijn toekomst.

Ook deze klacht faalt.

48. De laatste klacht van het middel luidt dat het Hof in de nadere bewijsoverweging gewag maakt van omstandigheden, die niet in de gebezigde bewijsmiddelen zijn terug te vinden, terwijl evenmin met voldoende duidelijkheid is aangegeven aan welke bewijsmiddelen het Hof die gegevens heeft ontleend. In het bijzonder noemt het middel de vaststelling van het Hof dat "uit diverse verklaringen van bekenden van [slachtoffer]" volgt dat de verhouding tussen hem en de verdachte in juni allesbehalve rooskleurig was en zelfs een dieptepunt had bereikt.

49. Deze klacht gaat eraan voorbij dat uit de inhoud van de bewijsmiddelen 36-38, gelezen in onderling verband, kan worden afgeleid dat de verhouding tussen [slachtoffer] en de verdachte in juni allesbehalve rooskleurig was en zelfs een dieptepunt had bereikt. Deze houden immers onder meer in dat [slachtoffer] en verdachte hun relatie gaan verbreken, naar de algemene ervaring leert een uiting van het dieptepunt van een relatie.

50. In het verband van de laatste klacht wordt ook nog geklaagd over de in bewijsmiddel 40 vervatte verklaring van [betrokkene 8], voor zover inhoudende dat hij er vanuit ging dat de verdachte zijn profiel op gaydar reeds voor het overlijden van [slachtoffer] had aangepast aan de omstandigheid dat zijn relatie met [slachtoffer] zou worden verbroken. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het Hof deze conclusie van de getuige tot de zijne gemaakt.(3) Het Hof wijst er immers op dat aan de verdachte reeds op grond van een emailbericht van 12 juni 2003 er mee bekend moet zijn geweest dat [slachtoffer] van hem ging scheiden en een relatie voor hem met het oog op zijn verblijfsstatus van belang was, terwijl volgens de verklaring van [betrokkene 6] dat deze reeds voor het overlijden van [slachtoffer] van de verdachte had gehoord dat op Gaydar stond vermeld dat hij en [slachtoffer] uit elkaar gingen.

51. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

52. Het vierde middel bevat de klacht dat het Hof eigen waarneming tot het bewijs heeft gebezigd, terwijl die niet bij gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is geweest. Daarbij heeft het middel het oog op hetgeen het Hof in het kader van de nadere bewijsoverwegingen heeft vastgesteld met betrekking tot de inhoud van de internetsite erowid.com.

53. Het middel klaagt er blijkens de toelichting eveneens over dat de verwerping van het alibiverweer, waarin het bezoek aan de bedoelde site een belangrijke rol speelt, ontoereikend is gemotiveerd, nu daartoe wordt verwezen naar meerdere emailberichten aan vrienden van het slachtoffer van de strekking dat het slachtoffer verheugd was over het einde van zijn relatie met de verdachte, terwijl slecht één dergelijk bericht tot het bewijs is gebezigd.

54. Het Hof heeft overwogen dat de stelling dat het slachtoffer zelf op een website gericht heeft gezocht naar informatie over nitrazepam, onjuist is. Daarbij is in aanmerking genomen dat, anders dan door de verdediging was geopperd, uit technisch onderzoek niet aannemelijk is geworden dat bij gelegenheid van het bezoek aan die website, dat is geschied vanaf de computer van het slachtoffer, gericht is gezocht met het zoekwoord Nitrazepam. Het Hof heeft voorts overwogen dat de betreffende website bovendien een grote hoeveelheid informatie bevat met betrekking tot diverse stoffen, waaronder nitrazepam en dat - zo begrijp ik - ook daarom geenszins aannemelijk is geworden dat het slachtoffer slechts met het doel informatie over nitrazepam te willen verkrijgen, de site heeft bezocht.

55. Daarmee heeft het Hof zich, anders dan het middel wil doen voorkomen, niet bezondigd aan het gebruik van eigen waarneming als bewijsmiddel, zonder dat die waarneming ter terechtzitting in hoger beroep ter sprake is gekomen. Het betreft immers informatie die van algemene bekendheid is, nu deze zonder meer door een ieder op internet kan worden geraadpleegd. Derhalve behoeft deze informatie geen bewijs (art. 339 lid 2 Sv).

56. Met betrekking tot het betoog dat het slachtoffer suïcidaal zou zijn geweest, heeft het Hof onder meer overwogen dat uit diverse emailberichten die het slachtoffer aan vrienden en kennissen heeft verzonden nu juist kan worden afgeleid dat het slachtoffer zich verheugde op het einde van de relatie met de verdachte. De steller van het middel betoogt dat het Hof echter slechts één zo'n emailbericht heeft opgenomen als bewijsmiddel, namelijk het als bewijsmiddel 38 opgenomen bericht, inhoudende dat het slachtoffer aan [betrokkene 7] bericht dat hij binnenkort weer vrij man zal zijn en dat ze er gelukkig nu een punt achter hebben gezet.

57. Daarnaast heeft het Hof echter ook als bewijsmiddel 36 opgenomen het bericht van het slachtoffer aan [bet[betrokkene 5], inhoudende: "Snel nadat ik met [verdachte] trouwde, werd duidelijk wat hij werkelijk was. Hij dacht duidelijk: "nu zit ik goed en hoef ik aan die hele relatie niks meer te doen". Enfin, ik ben nu een maagzweer rijker en een heleboel goede gevoelens armer. Hij vertrekt, als alles goed gaat, eind deze week."

58. Ook uit dat emailbericht heeft het Hof kunnen afleiden dat het slachtoffer zich verheugde op het einde van zijn relatie met de verdachte.

59. De klacht faalt dan ook bij gebrek aan feitelijke grondslag.

60. Het middel faalt.

61. Het vijfde middel klaagt erover dat in de bewijsoverwegingen van het Hof genoemde verklaringen van enige getuigen niet als bewijsmiddel zijn opgenomen in de aanvulling op het verkorte arrest, terwijl evenmin met voldoende mate van nauwkeurigheid in die overwegingen tot uitdrukking is gebracht op welke wettige bewijsmiddelen de aan die verklaringen ontleende feiten of omstandigheden zijn gebaseerd. Daarbij heeft het middel in het bijzonder het oog op hetgeen het Hof heeft overwogen met betrekking tot de afzender van de afscheidsbrief, namelijk dat volgens diverse verklaringen de afscheidsbrief in verschillende opzichten niet past bij de persoon van het slachtoffer.

62. Het middel bevat tevens de klacht dat het Hof het rapport van het NFI heeft gedenatureerd door daaruit als conclusie slechts op te nemen dat de brief in taalkundig opzicht op een groot aantal punten overeen komt met vergelijkingsmateriaal afkomstig van de verdachte.

63. Daartoe citeert het middel de passage uit het deskundigenrapport waarin ook de door het Hof tot het bewijs gebezigde conclusie voorkomt:

"De bevindingen van de uitgevoerde tekstanalyse geven geen enkele substantiële steun aan de stelling dat de afscheidsbrief (B1) is geschreven door de schrijver van het vergelijkingsmateriaal voor [slachtoffer]. Daarbij zij erop gewezen dat deze bevindingen evenmin (kunnen) uitsluiten dat de betwiste tekst van de schrijver van het vergelijkingsmateriaal voor [slachtoffer] afkomstig is. Immers, de mogelijkheid dat een schrijver met een hoge taalvaardigheid (i.c. in het Engels) zoals [slachtoffer] in staat is een tekst te schrijven die de indruk wekt te zijn geschreven door een persoon met een gebrekkige taalbeheersing is niet geheel uit te sluiten.

De betwiste afscheidsbrief (B1) komt in taalkundig opzicht op een groot aantal punten overeen met zowel het vergelijkingsmateriaal voor [verdachte] als met de betwiste e-mail SVO-nummer 304 van [verdachte alias 1] (B2). De geconstateerde overeenkomsten zijn echter betrekkelijk weinig specifiek en hebben daarom een gering discriminerende waarde. De steun voor de stelling dat de afscheidsbrief (B1) en de e-mail van [verdachte alias 1] (B2) door dezelfde persoon zijn geschreven, te weten de schrijver van het vergelijkingsmateriaal voor [verdachte], is daarom taalkundig gezien noodzakelijkerwijs zeer beperkt."

64. De in het middel vervatte stelling dat het Hof door slechts tot het bewijs te bezigen de zinsnede dat de tekst overeenkomsten vertoont met het van de verdachte afkomstig vergelijkingsmateriaal die conclusie heeft gedenatureerd, gaat naar mijn oordeel niet op. Het Hof noemt de door het NFI onder de bewijsmiddelen opgenomen bevinding van het NFI niet meer dan "opvallend" zonder daar verder enige gevolgtrekking aan te verbinden.

65. Ook aan de door het middel bedoelde verklaringen van vrienden en kennissen van het slachtoffer over stijl, vorm en ondertekening van de afscheidsbrief verbindt het Hof geen enkele gevolgtrekking. Daarom moet worden aangenomen dat hetgeen aan bedoelde verklaringen valt te ontlenen in de ogen van het Hof geen substantieel deel vormt van de bewijsvoering en de door het middel genoemde gebreken niet nopen daaraan in cassatie enig gevolg te verbinden.

66. Het middel faalt.

67. Het zesde middel keert zich tegen de wijze waarop het Hof de mogelijkheid heeft verworpen dat [slachtoffer] degene is geweest die op 3 maart 2003 vanaf verdachtes computer op het werk het emailadres [e-mailadres 2] heeft benaderd.

68. Het Hof heeft te dien aanzien overwogen:

"De verdediging heeft aangevoerd dat ook [slachtoffer] toegang had tot de werkplek van verdachte en op 3 maart 2003 achter diens computer bij [bedrijf A] in Utrecht moet of kan hebben gewerkt (pleitnota, p. 100). Uit het in opdracht van de verdediging opgemaakte rapport van Fox-IT blijkt dat de thuiscomputers van [slachtoffer] (SVO 8.005) en verdachte (SVO 8.006) op 3 maart 2003 's middags vrijwel gelijktijdig zijn opgestart, terwijl uit een bankafschrift blijkt dat ten laste van verdachtes bankrekening acht minuten daarvoor is gepind bij een tankstation. Daaruit moet volgens de verdediging worden afgeleid dat [slachtoffer] op de motorfiets van verdachte is meegereden van [bedrijf A] naar huis en -zo vult het hof aan- die dag dus ook werkzaam moet zijn geweest op het kantoor van [bedrijf A] en dat [slachtoffer] blijkbaar, zo impliceert het verweer, op het werkstation van verdachte heeft gewerkt of kunnen werken.

Het hof stelt vast, dat deze redenering teveel speculaties bevat om dat aannemelijk te maken.

Naar het oordeel van het hof is het dan ook niet twijfelachtig, dat het verdachte is geweest, die op 3 maart 2003 met die computer in de weer is geweest, en het account [e-mailadres 2] heeft benaderd.

[...] op 20 april 2003

De verdediging heeft naar voren gebracht, dat verdachte op 20 april 2003 niet in [woonplaats] kan zijn geweest; nu blijkens onderzoek op die dag het account [...] is benaderd vanaf het IP-adres van het modem van het thuisnetwerk van [slachtoffer] en verdachte, moet [slachtoffer] degene zijn geweest die dit account heeft gebezigd. Het hof deelt die zekerheid bepaald niet. Op die dag zou verdachte niet in [woonplaats] zijn geweest, hetgeen zijn bevestiging zou vinden in de op 7 februari 2006 afgelegde verklaring van getuige [getuige 4]. De verklaring van [getuige 4], in het bijzonder door diens vaagheden over zijn redenen van wetenschap en de overige omstandigheden in het betreffende weekeinde, maakt naar het oordeel van het hof niet aannemelijk dat de herinnering van die getuige aan 20 april 2003 een zodanig secure is, dat is komen vast te staan dat verdachte niet degene kan zijn geweest die die dag het account '[...]' vanaf het huisadres in [woonplaats] heeft benaderd."

69. In het bijzonder klaagt het middel erover dat het Hof ten onrechte de last om een alibi aannemelijk te maken op de schouders van de verdachte heeft gelegd, c.q. dat het Hof het verweer heeft verworpen omdat de verdachte de daartoe aangevoerde omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt.

70. De gewraakte overweging van het Hof voor wat betreft het gebruik van verdachtes computer op 3 maart 2003 moet kennelijk aldus worden verstaan dat de door de verdediging naar voren gebrachte mogelijkheid gelet op de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen alsmede de omstandigheid dat de verdachte [slachtoffer] niet heeft genoemd als een persoon die bij verdachtes afwezigheid diens computer op het werk heeft gebruikt als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde kan worden gesteld. Zo gezien houdt de overweging van het Hof niet in dat de bewijslast voor een alibi op de verdachte is gelegd en mist het middel in zoverre dus feitelijke grondslag.

71. 's Hofs overwegingen met betrekking tot het door de verdediging geopperde gebruik van het emailadres [e-mailadres 2] vanaf de thuiscomputer van de verdachte op 20 april 2003 moeten kennelijk aldus worden begrepen dat de mogelijkheid dat [slachtoffer] op 20 april 2003 het emailadres [e-mailadres 2] vanaf de thuiscomputer van de verdachte heeft gebruikt, in aanmerking genomen dat de getuigenverklaring, waarop ter onderbouwing van dat gebruik een beroep wordt gedaan op de door het Hof genoemde, in cassatie niet bestreden gronden geen geloof verdient, in het licht van de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen als hoogst onwaarschijnlijk ter zijde moet worden gesteld. Zo gezien houdt ook deze overweging van het Hof niet in dat de bewijslast voor een alibi op de verdachte is gelegd en mist het middel in zoverre dus eveneens feitelijke grondslag. Voorts is dit oordeel niet onbegrijpelijk. Het kan, als van feitelijke aard, in cassatie niet verder ten toets komen.

72. Het middel faalt.

73. Het zevende middel bevat de klacht dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het zijdens de verdediging gedane verzoek onderzoek te verrichten naar gegevens op de computer SVO nummer 9.009.

74. De terechtzitting van 7 september 2005 betrof een zogeheten regiezitting. De aan het proces-verbaal gehechte pleitaantekeningen onder 4. van de raadsman houden als verzoek in:

"Tenslotte dient in het kader van de "[...]" kwestie naar het de verdediging voorkomt achterhaald te worden wie achter deze kwalificatie c.q. naam schuil gaat. Cliënt betwist die persoon te zijn. Op 3 maart 2003 heeft "[...]" om 14.30 uur de computer van cliënt op zijn werk bij [bedrijf A] (SVO 8.009) gebruikt. Om in te loggen bij één van de [bedrijf A] computers heeft iedere gebruiker een persoonlijk "profiel" nodig. Cliënt's profiel was "[verdachte]" (zijn initialen). Nader onderzoek is noodzakelijk om uit te vinden met welk profiel op maandag 3 maart tussen 14.00 uur en 14.40 uur werd ingelogd op deze computer. Het is naar het de verdediging voorkomt van belang dit onderzoek te verrichten. Indien immers blijkt dat toen niet met "[verdachte]" maar met een ander profiel is ingelogd dan kan aannemelijk worden gemaakt dat iemand anders dan cliënt als "[...]" heeft ingelogd. In dit verband zij verwezen naar een rapportage van NFI, die een inlogprofiel [initialen betrokkene 1] heeft getraceerd, welk profiel lijkt te verwijzen naar [betrokkene 1], een goede vriend en collega van [slachtoffer], die ook bij [bedrijf A] engineering B.V. werkzaam was. Hij heeft overigens op 17 juni 2003 op het bedrijf de betreffende computer opgestart en een e-mail verwijderd. Al deze informatie is te achterhalen op de server/in de back ups van [bedrijf A]. Mogelijk is op die manier te achterhalen op welk werkstation cliënt wèl was ingelogd ten tijde van de [...]-actie."

75. In aanvulling daarop heeft de verdachte het volgende verklaard:

"Ten aanzien van het onderzoek naar de computers heeft mijn advocaat jammer genoeg niet het rapport gekregen van het onderzoek naar de computers. Ik ken het wel omdat ik van een vriend gehoord heb wat erin staat. Ik hoorde van hem dat vastgesteld was dat er naast mij nog zes andere gebruikers op de PC op het werk hebben ingelogd die dag. Dat was op 3 maart 2003 en toen heeft de boekhouder van [bedrijf A] engineering gebruik gemaakt van deze PC. Dat kan alleen op de PC waar ik normaal gesproken achter werkt, omdat de sofware die hij gebruikt alleen op die computer is geïnstalleerd. De boekhouder kwam eens in de maand. Waarschijnlijk had ik op 3 maart 2003 helemaal geen toegang op die computer. Een vriend van mij heeft bestanden van mij geraadpleegd en daaruit bleek dat ik de dag ervoor een party had. Het was gebruikelijk dat ik mij de dag na zo'n party ziek meldde. Op het bedrijf zou nagevraagd moeten worden of ik die dag aanwezig was en welke werkzaamheden ik heb moeten verrichten. Het onderzoek aan de server zou kunnen aangeven wie ingelogd had op de computer met SVO nummer 9.009. Als ik al op mijn werk was, dan zou bekeken moeten worden of ik tussen 14.00 uur en 14.15 uur, de tijdspanne waarbinnen [...] ingelogd had, op een andere PC heb gewerkt."

76. Het Hof heeft daarop als beslissing medegedeeld dat:

"- het hof begrijpt dat de advocaat-generaal geen bezwaren heeft op verzoek van de raadsman aan het NFI voor te leggen de vraag, wie - in zoverre dat nog is vast te stellen - op 3 maart 2003 tussen 14.00 uur en 14.40 uur heeft ingelogd op de PC met het SVO-nummer 8.009.. Het hof verzoekt de advocaat-generaal daarvoor zorg te dragen en daaromtrent het NFI tevens te laten rapporteren."

77. Kennelijk als gevolg van een misslag is in het proces-verbaal van de terechtzitting in de weergave van de toelichting van de verdachte op het verzoek om onderzoek, de computer waarop dat onderzoek betrekking moest hebben, aangeduid met het nummer SVO 9.009, waar was bedoeld het nummer SVO 8.009. Het middel moet gelet op het voorgaande falen bij gebrek aan feitelijke grondslag, nu het Hof wel heeft beslist op het verzoek aan die laatste computer onderzoek te verrichten.

78. Het achtste middel klaagt dat het Hof tot het bewijs enkele verklaringen heeft gebezigd die een ontoelaatbare conclusie of gissing inhouden.

79. Met betrekking tot de verklaring van [betrokkene 2], heeft het middel het oog op de volgende passage

"Volgens mij zat [verdachte] niet op andere stations. Ik heb dat nooit gezien. Niemand wilde achter zijn computer zitten, omdat hij heel vies was."

80. Het Hof heeft deze verklaring kennelijk aldus verstaan dat deze behelst als eigen waarneming van de getuige dat deze nimmer heeft gezien dat de verdachte "op andere stations" zat. Hetgeen de getuige overigens heeft verklaard zijn daartoe redengevende feiten en omstandigheden die in het geheel van de verklaring voor het bewijs geen zelfstandige betekenis hebben. De klacht faalt.

81. Het middel wijst voorts op het hierna door mij gecursiveerde deel uit de verklaring van [betrokkene 6] (bewijsmiddel 37:

"Een tijdje voordat [slachtoffer] overleed, heb ik van [verdachte] gehoord dat hij en [slachtoffer] uit elkaar zouden gaan. [Verdachte] heeft mij verteld dat dit op Gaydar stond vermeld. De relatie tussen [verdachte] en [slachtoffer] was de laatste weken voor de dood van [slachtoffer] niet erg goed."

82. Anders dan het middel wil heeft de getuige in het licht van hetgeen hij overigens heeft verklaard uit eigen waarneming en ondervinding kunnen verklaren over de relatie tussen [slachtoffer]s en de verdachte.

83. Voor wat betreft de klacht met betrekking tot de verklaring van [betrokkene 9](bewijsmiddel 40) verwijs ik naar de bespreking van het derde middel onder 50.

84. Het middel faalt.

85. Het negende middel klaagt erover dat het Hof in de nadere bewijsoverwegingen tot uitdrukking heeft gebracht dat de verdachte een motief voor zijn daad zou hebben gehad in financiële zin, terwijl de bewijsmiddelen daaromtrent niets inhouden, en ook de bewijsoverweging niet met voldoende nauwkeurigheid aanduidt aan welk wettig bewijsmiddel het Hof het daar overwogene heeft ontleend.

86. In aanmerking genomen dat de verdachte als echtgenoot van [slachtoffer] bij diens overlijden ingevolge art. 4:10 BW tot diens nalatenschap wordt geroepen, na scheiding niet, heeft het Hof er als feit van algemene bekendheid van mogen uitgaan dat overlijden van [slachtoffer] tijdens het huwelijk van [slachtoffer] en de verdachte voor de verdachte in financieel opzicht voordeel meebracht, al was het alleen maar dat de inboedel van de blijkens de inhoud van de bewijsmiddelen door [slachtoffer] en de verdachte tezamen bewoonde woning niet behoefde te worden gescheiden en gedeeld en de mogelijkheid dat de verdachte als gevolg van de scheiding die woning aanzienlijk kleiner zou zijn dan in geval van scheiding.

87. Het middel faalt.

88. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.

89. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

1 Vgl. HR 12 april 2005, NJ 2005, 577, m.nt. PMe.

2 W.A. Wagenaar, De diagnostische waarde van bewijsmiddelen, in Het onzekere bewijs, onder redactie van M.J. Sjerps en J.A. Coster van Voorhout, Kluwer 2005, p. 3-26, in het bijzonder p. 7 e.v.

3 Vgl. HR 12 januari 1999, NJ 1999, 247; HR 7 december 1999, NJB 2000, p. 286, nr. 12; HR 11 juli 2000, NJ 2002, 373.