Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA6269

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
22-06-2007
Datum publicatie
22-06-2007
Zaaknummer
C05/308HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA6269
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Geschil tussen kinderen tevens enig erfgenamen en levenspartner van de erflater over de vraag of het legaat aan zijn levenspartner houdende zakelijk recht van gebruik en bewoning van het door haar bewoonde huis is gemaakt ter voldoening van een natuurlijke verbintenis (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 429
RFR 2007, 107
RvdW 2007, 611
NJB 2007, 1475
JWB 2007/230
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Rolnummer C05/308HR

mr. De Vries Lentsch-Kostense

Zitting 13 april 2007

Conclusie inzake

[Eiseres]

tegen

1. [Verweerder 1]

2. [Verweerder 2]

Inleiding

1. Deze zaak betreft een geschil tussen de kinderen, tevens enig erfgenamen, van de op 30 september 1997 overleden erflater en diens levenspartner, thans eiseres tot cassatie [eiseres], aan wie de erflater het zakelijk recht van gebruik en bewoning van zijn huis waarin hij met haar is gaan samenwonen, heeft gelegateerd. In cassatie gaat het om de vraag of de erflater het legaat, waarmee de legitieme van zijn kinderen wordt aangetast, heeft gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Het hof - dat tot uitgangspunt heeft genomen dat de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis beantwoord dient te worden aan de hand van de algemene maatstaf zoals geformuleerd in art. 6:3 BW - heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het heeft daartoe overwogen dat uit de jurisprudentie van uw Raad volgt dat in een situatie als de onderhavige in het bijzonder acht moet worden geslagen op de wederzijdse welstand en de behoefte van partijen (in casu: van erflater en [eiseres]), doch dat [eiseres] omtrent de financiële situatie van haarzelf niets heeft gesteld, ook niet in hoger beroep, en dat [eiseres] evenmin andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor het aannemen van een dringende morele verplichting van erflater jegens haar in de zin van art. 6:3 BW. 's Hofs oordeel dat de legataris te weinig gegevens heeft aangedragen om een natuurlijke verbintenis te kunnen aannemen, wordt door het middel bestreden met een rechts- en een motiveringsklacht.

2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan (zie rechtsoverweging 3.1 van het vonnis in eerste aanleg en de door het hof in rechtsoverweging 4.2 van het bestreden arrest gegeven samenvatting):

i) Eiseres tot cassatie - hierna: [eiseres] - heeft vanaf medio 1995 samengewoond met [betrokkene 1] (hierna ook: de erflater), tot diens overlijden op 30 september 1997. Verweerders in cassatie - hierna: [verweerder] c.s. of de erven [betrokkene 1] - zijn de twee zoons van de erflater en van diens eerder (op 9 maart 1980) overleden echtgenote [betrokkene 2]. [Betrokkene 2] had een testament gemaakt, waarin zij haar echtgenoot en haar zoons [verweerder] c.s. voor gelijke delen tot haar erfgenamen benoemde en waarin zij aan haar echtgenoot het levenslang vruchtgenot van haar nalatenschap legateerde; de erfdelen van [verweerder] c.s. zijn conform dit testament onder [betrokkene 1] verbleven.

ii) In het tussen de erflater en [eiseres] op 18 augustus 1995 opgemaakte samenlevingsovereenkomst is onder meer bepaald - in art. 8 lid 2 - dat ingeval de samenleving eindigt door overlijden van een van partijen, zij elkander over en weer een recht van overneming verlenen van de hun ten tijde van het overlijden tot gezamenlijk gebruik strekkende goederen die op de dag van overlijden tot het privé-vermogen van één van partijen behoren. Bepaald is voorts op welke wijze de waardering van de goederen zal geschieden, in welk verband is overeengekomen dat de waardering van de onroerende zaken zal geschieden naar de waarde in vrije staat.

iii) Erflater heeft op 21 april 1995 een testament doen opmaken waarin zijn twee zoons als enige erfgenamen worden aangewezen, zulks onder de last van een legaat aan [eiseres], inhoudende de legatering van het zakelijk recht van gebruik en bewoning van het aan erflater in eigendom toebehorende woonhuis [a-straat 1] te [plaats].

iv) Op de woning rustte een hypotheek wegens een door Hooge Huys Hypotheken NV (hierna: Hooge Huys) aan erflater verstrekte geldlening. Omdat na het overlijden van erflater niet meer werd voldaan aan de verplichtingen jegens Hooge Huys ter zake van de hypothecaire geldlening, is Hooge Huys overgegaan tot executoriale verkoop van de woning. [Eiseres] heeft vervolgens de woning moeten ontruimen.

v) Na aftrek van de hypothecaire geldlening en de kosten van verkoop, resteerde een netto opbrengst van circa f. 380.000,-.

3. [Eiseres] heeft bij inleidende dagvaarding van 25 april 2002 gevorderd de erven [betrokkene 1] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 282.450,95 als vergoeding voor de waarde van het aan haar gelegateerde recht van gebruik en bewoning, dat zij door de executoriale verkoop van de woning niet meer kan uitoefenen. Zij heeft daartoe gesteld dat haar aanspraken uit het legaat zijn gefrustreerd doordat de erfgenamen na het overlijden van de erflater hebben nagelaten de maandelijkse hypotheektermijnen te voldoen dan wel maatregelen te nemen om de executoriale verkoop te voorkomen. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat deze handelwijze van de erfgenamen jegens haar onrechtmatig is, in welk verband zij stelde dat het legaat is gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis zodat het legaat als normale nalatenschapschuld geen inbreuk maakt op de legitieme portie van [verweerder] c.s. Tevens heeft zij betoogd dat de erven [betrokkene 1] de nalatenschap, zo niet expliciet dan toch impliciet, zuiver hebben aanvaard, zodat zij jegens hen aanspraak kan maken op volledige betaling, ook wanneer het saldo van de nalatenschap onvoldoende mocht zijn.

4. De erven [betrokkene 1] hebben de vordering gemotiveerd weersproken. Zij hebben betwist dat zij de nalatenschap zuiver hebben aanvaard alsmede dat het legaat strekte tot voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Zij hebben zich beroepen op de voorrangsregel van art. 4:1085 (oud) BW en zij hebben betoogd dat zij niet waren gehouden de hypothecaire lasten te voldoen of de executie te voorkomen, omdat van meet af aan duidelijk was dat de nalatenschap onvoldoende liquide middelen omvatte om hun vorderingen als erfgenamen van hun moeder en als legitimarissen van hun vader te voldoen en [eiseres] ook niet in staat was de woning te kopen, zodat de woning dus diende te worden verkocht.

5. De rechtbank te Breda heeft de vorderingen van [eiseres] bij vonnis d.d. 21 mei 2003 afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de erven [betrokkene 1] als erfgenamen van hun moeder in hun hoedanigheid van nalatenschapscrediteuren voorrang hebben op het recht van een legataris als [eiseres] en voorts dat hetzelfde in beginsel geldt voor [verweerder] c.s. in hun positie als legitimaris, tenzij het legaat zou moeten worden opgevat als het voldoen aan een natuurlijke verbintenis. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat evenwel geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit zou moeten worden afgeleid dat er jegens [eiseres] sprake was van een natuurlijke verbintenis, nog los van het feit dat de redactie van het legaat ook niet de opvatting ondersteunt dat de erflater meende door het maken van dit legaat aan een dergelijke verbintenis te voldoen. Meer in het bijzonder heeft de rechtbank daarbij nog opgemerkt dat gesteld noch gebleken is dat [eiseres] ten gevolge van het overlijden van de erflater behoeftig is geworden, terwijl ook in de duur van de samenwoning geen aanwijzing voor een dergelijke verbintenis kan worden gevonden. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat nu is gebleken dat de legitieme van de erven zou worden aangetast wanneer aan het legaat uitvoering zou worden gegeven, voor de erven niet de verplichting bestond aan dit legaat gevolg te geven en voorts dat bij deze stand van zaken in het midden kan blijven of [verweerder] c.s de nalatenschap al dan niet zuiver hebben aanvaard.

6. [Eiseres] heeft tegen dit vonnis met een tweetal grieven appel ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij de beoordeling van de eerste grief, gericht tegen het oordeel dat het legaat niet is gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis, heeft het hof vooropgesteld dat de vraag of in een situatie als de onderhavige sprake is van een natuurlijke verbintenis, beantwoord dient te worden aan de hand van de algemene maatstaf zoals deze is geformuleerd in artikel 6:3 lid 2 aanhef en onder b en voorts dat de vraag of sprake is van een dringende morele verplichting als in dit artikel bedoeld, naar objectieve maatstaven dient te worden beoordeeld, waarbij de omstandigheden van het geval bepalend zijn. Het hof heeft daarbij verwezen naar HR 15 september 1995 NJ 1996, 616, m.nt. WMK en HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 1, m.nt. WMK. Aansluitend heeft het hof overwogen als volgt.

4.9. Anders dan [eiseres] lijkt te veronderstellen volgt uit de omstandigheid dat zij met erflater een relatie had en met hem is gaan samenwonen in de woning van erflater niet zonder meer dat het legateren van het recht van gebruik en bewoning aan haar als de voldoening aan een natuurlijke verbintenis moet worden aangemerkt.

In het testament zelf is omtrent een dergelijke beweegreden niets vermeld.

Uit de hiervoor vermelde jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat in een situatie als de onderhavige met name acht geslagen moet worden op de wederzijdse welstand en de behoefte van partijen (in dit geval: van erflater en [eiseres]). Omtrent die welstand en behoefte is door [eiseres] echter niets aangevoerd. Weliswaar kan uit de successieaangifte worden opgemaakt wat de financiële situatie van erflater was ten tijde van zijn overlijden, maar omtrent de financiële situatie van haarzelf heeft [eiseres] niets gesteld, ook niet in hoger beroep, hoewel de inhoud van het vonnis van de rechtbank hiertoe alle aanleiding gaf.

Door [eiseres] zijn evenmin andere feiten of omstandigheden aangevoerd die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor het aannemen van een dringende morele verplichting van erflater jegens haar in de zin van artikel 6:3 BW.

4.10. Naar het oordeel van het hof is de opname van het verblijvensbeding in artikel 8 lid 2 van het samenlevingscontract ontoereikend om (ook) ten aanzien van de legatering van het recht van gebruik en bewoning een natuurlijke verbintenis aan te nemen, dit in het licht van hetgeen hiervoor onder 4.9. is overwogen.

Overwegende dat de tweede grief - inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat in het midden kan blijven of [verweerder] c.s. de nalatenschap zuiver hebben aanvaard - niet tot een ander oordeel kan leiden en dus geen behandeling behoeft, heeft het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd.

7. Tegen dit arrest heeft [eiseres] - tijdig - cassatieberoep ingesteld. [Verweerder] c.s. hebben geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben de zaak schriftelijk toegelicht.

Het cassatiemiddel

8. Middelonderdeel 1a strekt ten betoge dat het hof heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting aangaande art. 6:3 lid 2 sub b BW door te oordelen dat op de erflater niet een natuurlijke verbintenis rustte. Hiertoe wordt aangevoerd dat de maatschappelijke opvattingen inhouden dat "het verschil tussen echtelieden en samenwonenden verdwijnt" en dat op de erflater een dringende morele verplichting rustte om [eiseres] na zijn overlijden onderdak te verschaffen.

Middelonderdeel 1b voegt hieraan toe dat, voor zoveel het hof oordeelde dat hem te weinig informatie is voorgelegd, het hof te hoge eisen heeft gesteld omdat aan het hof (uit de gedingstukken) bekend had moeten zijn dat a) [eiseres] op toevoeging procedeerde en derhalve een inkomen en vermogen heeft dat onder de in art. 34 en 35 Wet op de rechtsbijstand genoemde grenzen ligt, b) uit de aangifte IB 1996 blijkt dat erflater op 59-jarige leeftijd een inkomen genoot van f 118.484,- alsmede een woning bezat met daarop een schuld van f 336.000,-, c) [eiseres] geen lening kan krijgen om het huis te kopen, d) [eiseres] is gescheiden en twee kinderen heeft en de maandelijkse hypothecaire last blijkbaar niet zelf kon betalen en e) de erven [betrokkene 1] werkzaam zijn als kwaliteitslaborant onderscheidenlijk logistiek medewerker, zelf woonruimte hebben en in 2002 geld zouden ontvangen uit een lijfrentepolis. Mitsdien, zo klaagt het middel, is zonder nadere toelichting die ontbreekt "onbekend wat nog meer bekend zou moeten zijn om in te zien dat het recht van gebruik en bewoning voor haar bittere noodzaak was".

9. Een natuurlijke verbintenis bestaat - aldus de in art. 6:3 lid 2 aanhef en sub b BW opgenomen omschrijving - wanneer iemand jegens een ander een dringende morele verplichting heeft van zodanige aard dat naleving daarvan, ofschoon rechtens niet afdwingbaar, naar maatschappelijke opvattingen als voldoening van een aan die ander toekomende prestatie moet worden aangemerkt. Zoals het hof voorop heeft gesteld, moet de vraag of in een concreet geval van een natuurlijke verbintenis sprake is, worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval en naar een objectieve maatstaf, en komt daarbij geen beslissende betekenis toe aan het subjectieve inzicht van degene die zich gehouden acht dan wel de prestatie voldoet. (Zie: HR 4 december 1987, NJ 1988, 610, m.nt. EAAL; HR 9 november 1990, NJ 1992, 212, m.nt. WMK; HR 30 januari 1991, NJ 1992, 191, m.nt. EAAL; HR 15 september 1995, NJ 1996, 616, m.nt. WMK; HR 17 oktober 1997, NJ 1998, 692 m.nt. WMK en HR 1 oktober 2004, NJ 2005, 1, m.nt. WMK.)

In de arresten van 15 september 1995 en 17 oktober 1997 is aan de orde gekomen of in geval van een huwelijk waarin de echtgenoten zijn gehuwd met uitsluiting van elke gemeenschap ("koude uitsluiting") op de man een natuurlijke verbintenis rust om te zorgen voor een acceptabele huisvesting van de vrouw na afloop van het huwelijk. Deze vraag rees in het kader van een geschil tussen de ex-echtgenoten over door de man geclaimde vergoedingsrechten ter zake van door hem verstrekte gelden voor de op naam van de vrouw staande woning. Uw Raad overwoog in het arrest van 15 september 1995 dat in het algemeen als een objectieve aanwijzing voor de aanwezigheid van een natuurlijke verbintenis mag worden beschouwd de omstandigheid dat de prestatie bestaat in de verstrekking door de man van gelden voor de aankoop van een geheel of mede op naam van de vrouw te plaatsen gemeenschappelijke of alleen voor de vrouw bestemde woning, nu het voor de hand ligt dat een zodanige prestatie ertoe strekt te waarborgen dat de vrouw ook na het einde van het huwelijk in die woning kan blijven wonen en deze waarborg niet tot zijn recht zou komen, wanneer de vrouw het gevaar loopt deze woning te moeten verkopen om te kunnen voldoen aan een vergoedingsplicht jegens de man of diens erfgenamen. Het verschaffen van een zodanige waarborg zal - aldus uw Raad - veelal naar maatschappelijke opvattingen kunnen worden beschouwd als een prestatie die aan de vrouw op grond van een dringende morele verplichting toekomt, doch daarbij zal mede acht moeten worden geslagen op de omstandigheden van het geval, waaronder de wederzijdse welstand en behoefte van partijen. Zie in dezelfde zin het arrest van 17 oktober 1997, waarin het hof bij zijn door uw Raad gesanctioneerde oordeel dat sprake was van een natuurlijke verbintenis, meer concreet doorslaggevend had geacht dat de vrouw kort na het aangaan van het huwelijk een betaalde werkkring had opgegeven om in het bedrijf van de man te kunnen gaan werken, in welk bedrijf zij gedurende ongeveer veertien jaren circa 40 uren per week zonder beloning had gewerkt, zodat de vrouw ten behoeve van het bedrijf van de man de mogelijkheid had prijsgegeven om in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Uit dat arrest, alsmede uit dat van 1 oktober 2004, blijkt voorts dat voor het antwoord op de vraag of sprake is van een natuurlijke verbintenis, naar het oordeel van uw Raad bepalend is de situatie op het moment van het verrichten van de prestatie, en dat naar het oordeel van uw Raad niet van belang is hoe partijen er later blijken financieel voor te staan. Zie voorts onder meer: W.R. Meijer, Verzorgingsmaatregelen als nakoming van een natuurlijke verbintenis, WPNR 6258/6259, 1997, p. 136-137 en 147-149; B.C.M. Waaijer, in: Handboek nieuw erfrecht, 2002, hoofdstuk X.11.1; Klaassen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht: tweede gedeelte: erfrecht, 1989; Asser-Hartkamp, 4-I, nr. 71 e.v.

10. Aangenomen moet worden dat de hiervoor genoemde "objectieve aanwijzing" ook geldt wanneer de woonvoorziening aan de echtgenoot wordt gerealiseerd door middel van het legateren van een recht van gebruik en bewoning. Voorts kan worden aangenomen dat de hier aan te leggen objectieve maatstaf meebrengt dat aan de vermelding in het testament dat het legaat is gemaakt ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis - als zijnde een uitdrukking van de subjectieve opvattingen van de erflater - geen beslissende betekenis toekomt. Verder sluit de omstandigheid dat in beide arresten de aanwijzing betrekking had op (gewezen) echtgenoten (die in koude uitsluiting waren gehuwd) niet uit dat een vergelijkbare gedachtegang wordt gevolgd wanneer de partners ongehuwd samenwoonden. In de literatuur wordt doorgaans aangenomen dat een verzorgingsverplichting met de status van natuurlijke verbintenis ook kan bestaan tussen ongehuwd samenwonenden, waartoe soms mede een beroep wordt gedaan op HR 27 februari 1980, NJ 1980, 352. Dat strookt met de maatschappelijke opvattingen over de gelijkwaardigheid van samenlevingsvormen. Ingevolge deze maatschappelijke opvattingen zal echter wel - mogelijk anders of meer dan bij (ex)-echtgenoten - mogen worden gelet op de duur van de relatie en de samenwoning. Zie: B. Wessels, Natuurlijke verbintenissen, 1988, p. 327 en de daar genoemde literatuur, waaronder de pre-adviezen van J. Moltmaker, KNB 1977, p. 111 en Van der Burght, NGR 1982, p. 53 alsmede Klaassen-Eggens-Luijten, Huwelijksgoederen- en erfrecht, deel 2 Erfrecht, p. 100; Asser-Perrick, 2002, nr. 238; en B.C.M. Waaijer in: Handboek nieuw erfrecht 2006, hoofdstuk X 11.1.

11. De in middelonderdeel 1a vervatte rechtsklacht ziet naar mijn oordeel eraan voorbij dat uit de hiervoor besproken arresten niet kan worden afgeleid dat een bij legaat getroffen voorziening die erop is gericht dat de partner na echtscheiding of overlijden in de "echtelijke" woning kan blijven wonen (in de beide hiervoor besproken arresten door het verschaffen van geld, in casu door het bij testament legateren van een zakelijk recht van gebruik en bewoning) steeds geacht moet worden te zijn getroffen ter voldoening aan een natuurlijke verbintenis. Integendeel: nog los van de vraag welke rol de in hiervoor besproken arresten in aanmerking genomen omstandigheden hierbij spelen, dienen in elk geval de wederzijdse welstand en behoefte in de beoordeling te worden betrokken. 's Hofs oordeel dat bij gebrek aan gegevens hieromtrent geen natuurlijke verbintenis kan worden aangenomen is derhalve juist. Hierop stuit het onderdeel reeds af. Daarbij zal het - ingevolge de jurisprudentie van uw Raad - gaan om de wederzijdse welstand en behoefte ten tijde van de making.

Volledigheidshalve teken ik aan dat het onderdeel evenzeer ten onrechte ervan uitgaat dat de in de rechtspraak aanvaarde regels zonder meer gelijkelijk gelden voor ongehuwd samenwonenden. Uit 's hofs gewraakte overwegingen blijkt overigens niet dat de ongehuwde status van erflater en [eiseres] voor het hof een (doorslaggevende) rol heeft gespeeld noch ook dat het hof - zoals het zonder schending van enige rechtsregel had kunnen doen - betekenis heeft toegekend aan het gegeven dat partijen elkaar op het moment dat het legaat werd gemaakt nog maar kort kenden en nog niet samenwoonden. Het hof heeft slechts - met juistheid - geoordeeld dat uit de omstandigheid dat [eiseres] met erflater een relatie had en met hem is gaan samenwonen in de woning van erflater, niet zonder meer volgt dat het legateren van het recht van gebruik en bewoning aan haar als voldoening aan een natuurlijke verbintenis moet worden aangemerkt.

Middelonderdeel 1a wordt dan ook vergeefs voorgesteld.

12. Ook de motiveringsklacht van onderdeel 1b kan niet slagen. Vooropgesteld zij dat in de beide feitelijke instanties op geen van de door het middel onder a tot en met e aangevoerde omstandigheden door [eiseres] een beroep is gedaan.

Ook overigens kunnen de door het middelonderdeel genoemde omstandigheden niet afdoen aan 's hofs oordeel dat [eiseres] niets heeft aangevoerd omtrent de wederzijdse welstand en behoefte van de erflater en haarzelf en dat zij evenmin andere feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanknopingspunten zouden kunnen bieden voor het aannemen van een dringende morele verplichting van de erflater jegens haar in de zin van art. 6:3 BW. De onder a genoemde omstandigheid dat "mensen er niet van houden dat hun financiële omstandigheden worden uitgemeten" kan uiteraard niet ertoe leiden dat een partij wordt ontslagen van een op haar rustende stelplicht. Weliswaar kan de rechter binnen de door art. 25 en 149 Rv. getrokken grenzen ook ten processe gebleken gegevens aan zijn oordeel ten grondslag leggen, maar dat betekent niet dat het hof op grond van het feit dat [eiseres] "thans" - dat wil zeggen sedert 2002 - op basis van een toevoeging kosteloos procedeert, had dienen te concluderen dat zij ten tijde van het maken van het legaat in 1995 ten opzichte van de erflater voldoende behoeftig was om van een dringende morele verzorgingsverplichting te kunnen spreken. Hetzelfde geldt voor de stelling van de erven [betrokkene 1] dat na het overlijden van erflater - in 2000 - bleek dat [eiseres] financieel niet in staat was het huis te kopen. Dat uit de omstandigheid dat [eiseres] gescheiden is en twee kinderen heeft niet - zoals sub c wordt gesuggereerd - blijkt dat zij de maandelijkse hypothecaire last niet zelf kon betalen, behoeft geen betoog. De onder e genoemde omstandigheden ten slotte, hebben betrekking op (de financiële positie van) de erven [betrokkene 1] en zijn derhalve zonder betekenis voor de beoordeling van de vraag of in de verhouding tussen erflater en [eiseres] sprake is van (voldoening aan) een natuurlijke verbintenis.

Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden