Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA6239

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
21-09-2007
Zaaknummer
C06/231HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA6239
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Geschil over de vraag of koopovereenkomst tot stand is gekomen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-09-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 595
RvdW 2007, 796
NJB 2007, 1917
JWB 2007/306

Conclusie

C06/231HR

Mr. F.F. Langemeijer

Zitting 1 juni 2007 (bij vervroeging)

Conclusie inzake:

1. V.o.f. Aan de Stegge Roosendaal

2. CNE Bouw B.V.

3. Edo Bouw B.V.

4. Bouwbedrijf Aan de Stegge Roosendaal B.V.

tegen

[Verweerster]

In deze nogal feitelijk gekleurde zaak is de vraag aan de orde of tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen.

1. De feiten en het procesverloop

1.1. In cassatie kan worden uitgegaan van het volgende(1):

1.1.1. Verweerster in cassatie (hierna: [verweerster]) heeft medio 2001 aan [A] Makelaars en aan [B] Makelaars opgedragen drie bouwkavels in de gemeente Nieuw-Ginneken bij inschrijving te koop aan te bieden.

1.1.2. [Verweerster] had door een architect reeds een bouwtekening laten vervaardigen voor de bouw van drie villa's.

1.1.3. Eiseres in cassatie onder 1 (hierna: Aan de Stegge; de eiseressen in cassatie onder 2 - 4 zijn vennoten in deze vennootschap onder firma) heeft op 7 juli 2001 een van [B] Makelaars afkomstig inschrijvingsformulier ingevuld, ondertekend en per fax naar [B] Makelaars gestuurd. Hierbij heeft zij een prijs geboden van f 825,- per m².

1.1.4. Op de voorzijde van het inschrijvingsformulier heeft Aan de Stegge geschreven:

"* Voorbehoud: voorgelegde plan welstand goedgekeurd.

* Bodemonderzoek uit te voeren voor kosten koper

* Grond bestemd en geschikt voor woningbouw.

* Levering in BTW

* Op basis welstandsgoedkeuring voorgelegde plan een onherroepelijke en onvoorwaardelijke bouwvergunning kan worden verkregen.

* Garantie verkopers woningbouw"

1.1.5. Op 9 juli 2001 heeft [betrokkene 1] van [B] Makelaars telefonisch contact opgenomen met [betrokkene 2] van Aan de Stegge en medegedeeld dat na overleg met de eigenaar de bouwkavels werden gegund aan Aan de Stegge en dat de door Aan de Stegge gestelde voorwaarden geen probleem waren.

1.1.6. Bij brief van 24 augustus 2001 heeft de advocaat van [verweerster] Aan de Stegge gesommeerd om binnen 48 uur te laten weten dat zij de met [verweerster] gesloten overeenkomst zal nakomen.

1.1.7. Bij brief van 28 augustus 2001 heeft Aan de Stegge laten weten dat zij afzag van de aankoop.

1.2. Bij inleidende dagvaarding d.d. 30 oktober 2001 resp. 1 november 2001 heeft [verweerster] Aan de Stegge c.s. gedagvaard voor de rechtbank te Breda. Zij heeft - na wijziging van eis - gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat Aan de Stegge c.s. hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die [verweerster] heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van de niet-nakoming van de koopovereenkomst. Daarnaast heeft zij vergoeding gevorderd van deze schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. Aan haar vorderingen heeft zij ten grondslag gelegd dat tussen partijen een koopovereenkomst is gesloten en dat Aan de Stegge heeft geweigerd haar contractuele verplichtingen na te komen. [Verweerster] heeft naar aanleiding daarvan de overeenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

1.3. Aan de Stegge c.s. heeft betwist dat tussen partijen een koopovereenkomst tot stand is gekomen. Subsidiair, voor het geval wel een koopovereenkomst wordt aangenomen, heeft zij als verweer aangevoerd dat de door [verweerster] af te leveren zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt (kort samengevat: er zou niet binnen korte tijd op deze kavels gebouwd mogen worden). Meer subsidiair heeft zij zich beroepen op dwaling. Tot slot heeft zij bestreden dat [verweerster] door de beweerde wanprestatie enigerlei schade heeft geleden: de grond zou inmiddels aan een derde zijn verkocht.

1.4. Bij tussenvonnis van 22 oktober 2002 heeft de rechtbank vooropgesteld dat [verweerster], door het overhandigen van het (toen nog niet ingevulde) inschrijvingsformulier, Aan de Stegge heeft uitgenodigd tot het doen van een aanbod. De vraag of en, zo ja, in hoeverre tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen, kan niet alleen worden beantwoord door hetgeen Aan de Stegge op het geretourneerde formulier heeft geschreven, maar hangt af van de zin die partijen over en weer redelijkerwijs aan het geretourneerde formulier mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien van elkaar mochten verwachten, zulks in het licht van de informatie die partijen over en weer hebben uitgewisseld en hetgeen partijen vóór en na de ontvangst van het ingevulde formulier door [B] Makelaars hebben besproken (rov. 3.4 Rb).

1.5. Tussen partijen heeft aanvankelijk ook geschil bestaan over de vraag of bepaalde voorwaarden die Aan de Stegge op de achterzijde van het inschrijvingsformulier zou hebben geschreven, maar die niet zijn meegekopieerd toen Aan de Stegge het formulier per faxkopie naar [B] Makelaars zond, deel uitmaken van de overeenkomst. Hieromtrent heeft de rechtbank beslist dat alleen de voor [verweerster] kenbare (hiervoor reeds geciteerde) voorwaarden op de voorzijde van het formulier deel uitmaken van de overeenkomst (rov. 3.5 Rb). De rechtbank heeft verder beslist dat de bewijslast ten aanzien van het bestaan en de inhoud van de gestelde overeenkomst op [verweerster] rust. Alvorens verder te beslissen, heeft de rechtbank naar aanleiding van het laatste verweer de zaak naar de rol verwezen om inlichtingen te verkrijgen over de vraag of [verweerster] als gevolg van de gestelde wanprestatie enigerlei schade kan hebben geleden.

1.6. Nadat de gevraagde inlichtingen waren verstrekt heeft de rechtbank het verweer m.b.t. de schade verworpen en bij tussenvonnis van 13 augustus 2003 aan [verweerster] opgedragen feiten en omstandigheden te bewijzen waaruit het bestaan van de door haar gestelde koopovereenkomst blijkt.

1.7. Na wederzijds getuigenverhoor heeft de rechtbank bij vonnis van 6 oktober 2004 het bewijs geleverd geacht. Zij overwoog:

"Uit de door de getuigen afgelegde verklaringen blijkt dat partijen toewerkten naar een koopovereenkomst en dat die overeenkomst zou kunnen luiden zoals in het door [verweerster] ontvangen faxbericht is geformuleerd. Derhalve konden de door Aan de Stegge c.s. in dat faxbericht gestelde voorwaarden geen verrassing voor [verweerster] vormen en mocht zij er op vertrouwen dat tussen partijen een koopovereenkomst met die modaliteiten tot stand was gekomen, hetgeen Aan de Stegge c.s. hadden moeten begrijpen. De omstandigheid dat de door Aan de Stegge c.s. gestelde achterzijde van het faxbericht(2) niet door [verweerster] was ontvangen, is, zoals al eerder is overwogen, immers voor hun risico.

Bovenstaand oordeel sluit ook in dat de aldus tot stand gekomen koopovereenkomst de voorwaarden bevat, die op het ontvangen faxbericht zijn vermeld." (rov. 2.3 - 2.4.1 Rb)

De rechtbank heeft vervolgens het subsidiaire verweer (non-conformiteit) en het meer subsidiaire verweer (dwaling) verworpen en de vordering van [verweerster] toegewezen.

1.8. Aan de Stegge c.s. heeft tegen deze vonnissen hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch. Bij arrest van 18 april 2006 heeft het hof Aan de Stegge c.s. bij gebreke van grieven niet-ontvankelijk verklaard in haar hoger beroep tegen de beide tussenvonnissen. Het hof heeft het eindvonnis van 6 oktober 2004 bekrachtigd.

1.9. Aan de Stegge c.s. hebben - tijdig - beroep in cassatie ingesteld. [verweerster] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. Beide partijen hebben hun standpunten schriftelijk laten toelichten.

2. Bespreking van het cassatiemiddel

2.1. Het middel klaagt over schending van het bepaalde in de artikelen 6:217 - 6:228 BW (over het tot stand komen van overeenkomsten) en het bepaalde in de artikelen 6:21 en 6:22 BW (over voorwaardelijke verbintenissen). Daarnaast wordt geklaagd over de motivering. De klachten zijn helaas niet genummerd.

2.2. De eerste klacht(3) houdt in dat het hof geen helder beeld heeft van het criterium, genoemd in rov. 4.10, alwaar het hof verwijst naar rov. 3.4 van het tussenvonnis van 22 oktober 2002.

2.3. Deze klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. In het geding in eerste aanleg liepen twee vraagstukken dooreen. In de eerste plaats was er de door Aan de Stegge c.s. gestelde discrepantie tussen haar wil en haar verklaring, doordat de achterzijde van het ingevulde inschrijvingsformulier door Aan de Stegge bij de overbrenging per fax niet is meegekopieerd. In de tweede plaats was er geschil over de vraag of een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen en, zo ja, wat daarvan de inhoud is indien alleen de geretourneerde voorzijde van het formulier wordt beschouwd als het aanbod van Aan de Stegge. Tegen het oordeel van de rechtbank in (rov. 3.5 van) het tussenvonnis was geen grief gericht(4). In hoger beroep stond derhalve alleen nog ter discussie of tussen partijen op basis van de voorwaarden, vermeld op de voorzijde van het per fax geretourneerde formulier, overeenstemming is bereikt en, zo ja, wat die overeenstemming precies inhield. Bij de beoordeling van die vraag heeft het hof de juiste maatstaf gehanteerd(5).

2.4. De tweede klacht(6) houdt in dat het hof niet tot de slotsom had mogen dat hier sprake is van een overeenkomst onder ontbindende voorwaarden (vgl. het slot van rov. 4.13). Ter toelichting is in het middel gesteld dat in de voorafgaande besprekingen door [verweerster] aan Aan de Stegge was medegedeeld dat de welstandscommissie het bouwplan (de in alinea 1.1.2 hiervoor bedoelde bouwtekening) had goedgekeurd. Volgens het middel was voor Aan de Stegge c.s. van groot belang dat binnen korte tijd (in het middel gepreciseerd op 13 weken) met de bouw kon worden begonnen. Het hof zou het voorbehoud onjuist hebben begrepen.

2.5. In de klacht wordt kennelijk gedoeld op de hiervoor in alinea 1.1.4 geciteerde bedingen. In het algemeen is juist dat dergelijke bedingen op verschillende wijzen kunnen worden uitgelegd: bijvoorbeeld als vereisten waaraan eerst moet zijn voldaan vóórdat de aspirant-koper zich tot enigerlei koopovereenkomst wil verbinden; als garantie, in die zin dat de verkoper als onderdeel van de overeenkomst aan de koper ervoor instaat dat de welstandscommissie het bouwplan heeft goedgekeurd en dat op basis van dat plan een onherroepelijke en onvoorwaardelijke bouwvergunning kan worden verkregen; of als een ontbindende voorwaarde, in die zin dat de koopovereenkomst zal worden ontbonden indien de bouwvergunning niet blijkt te worden verkregen.

2.6. Het hof is zich van dit onderscheid terdege bewust geweest, hetgeen blijkt uit de verschillende mogelijkheden en stellingen die het hof in de rov. 4.12 - 4.15 bespreekt. Het hof heeft in rov. 4.13 - aan de hand van (a) de getuigenverklaringen, (b) de omstandigheid dat op het inschrijfformulier een onvoorwaardelijke en onherroepelijke aanbieding werd vereist, (c) de inhoud van de op de voorzijde van het formulier vermelde "voorbehouden" en (d) de wijze waarop deze door Aan de Stegge c.s. mondeling in de voorbespreking en vervolgens op het formulier is gepresenteerd - de verklaringen van Aan de Stegge opgevat in die zin dat Aan de Stegge zich jegens [verweerster] wilde verbinden tot een overeenkomst waarin deze bedingen bij wijze van ontbindende voorwaarden zijn opgenomen. In de rov. 4.14.1 en 4.14.2 is het hof nader ingegaan op de gestelde mogelijkheid dat Aan de Stegge deze bedingen heeft bedoeld als opschortende voorwaarden. Mede aan de hand van eigen stellingen van Aan de Stegge c.s. ten processe, heeft het hof die mogelijkheid verworpen.

2.7. Hieruit volgt, dat het hof een bepaalde uitleg heeft gegeven aan het ingevulde formulier, aan de stellingen van partijen daaromtrent en aan de verklaringen van de getuigen. Het gaat om een oordeel van feitelijke aard, dat voorbehouden is aan de rechter die over de feiten oordeelt en waarvan de juistheid in een cassatieprocedure niet kan worden onderzocht. Onbegrijpelijk is het oordeel niet; integendeel, het oordeel is uitgebreid gemotiveerd. Voor zover het middel wil betogen dat het hof meer gewicht had behoren toe te kennen aan de omstandigheid dat de door Aan de Stegge geboden koopprijs samenhing met de zekerheid dat binnen korte tijd met de bouw van de geplande villa's een aanvang kon worden gemaakt, gaat het evenzeer om een argument van feitelijke aard dat in een cassatieprocedure niet met vrucht kan worden aangevoerd.

2.8. De derde klacht(7) is kennelijk gericht tegen de betekenis die het hof in rov. 4.13 heeft toegekend aan de onder (b) genoemde omstandigheid "dat op het inschrijfformulier een onvoorwaardelijke en onherroepelijke aanbieding werd vereist". De klacht houdt in dat dit innerlijk tegenstrijdig is met de constatering (in diezelfde rechtsoverweging) dat het formulier de mogelijkheid bood om een of meer voorbehouden te maken. Het middel acht zulks te meer onbegrijpelijk, nu geen termijn is genoemd waarbinnen de (ontbindende) voorwaarden al dan niet hadden moeten worden vervuld. Een formulier dat de mogelijkheid opent tot het maken van voorbehouden kan volgens het middel nooit resulteren in een onherroepelijk en onvoorwaardelijk aanbod.

2.9. Zoals verweerster op blz. 6 van haar s.t. terecht opmerkt, ziet deze klacht eraan voorbij dat het aanbod om een koopovereenkomst met ontbindende voorwaarden te sluiten zélf heel wel onherroepelijk en onvoorwaardelijk kan zijn. Ook overigens komt de redenering van het hof mij niet innerlijk tegenstrijdig of anderszins onbegrijpelijk voor. Het hof heeft aan de communicatie tussen partijen deze betekenis mogen geven dat voor beide partijen duidelijk was dat Aan de Stegge de beslissing of zij zich contractueel jegens [verweerster] wilde verbinden niet langer voor zich kon uitschuiven en dat zij, door het inschrijvingsformulier in te vullen en aan (de makelaar van) [verweerster] te retourneren, een stellig aanbod deed dat alleen nog maar door [verweerster] aanvaard behoefde te worden om te resulteren in een perfecte koopovereenkomst. Dat het voorgedrukte deel van het inschrijfformulier ruimte bood voor het maken van een of meer voorbehouden (waarbij bijvoorbeeld kan worden gedacht aan een zgn. financieringsvoorbehoud of andere in een koopovereenkomst van onroerende zaken gebruikelijke bedingen) bracht geenszins mee dat het door invulling en terugzending van dat formulier gedane aanbod vrijblijvend was. De omstandigheid dat op het ingevulde formulier geen termijn is genoemd binnen welke de ontbindende voorwaarde kon worden ingeroepen, staat er niet aan in de weg een ontbindende voorwaarde aan te nemen: bij gebreke van een in de overeenkomst bepaalde termijn geldt een redelijke termijn.

2.10. De vierde klacht(8) luidt dat onbegrijpelijk is hoe het hof heeft kunnen denken dat de essentialia, die Aan de Stegge had geformuleerd, moeten worden aangemerkt als ontbindende voorwaarden. Naast het - reeds besproken - argument dat geen termijn is genoemd binnen welke de voorwaarden konden worden ingeroepen, is volgens het middel geen sprake van het afhankelijk stellen van de werking van de overeenkomst van een `toekomstige en onzekere gebeurtenis' als bedoeld in art. 6:21 BW. Juist omdat destijds onzeker was of, en zo ja wanneer, een bouwvergunning zou worden verleend - er was slechts een mededeling van de zijde van [verweerster] over een mondelinge instemming van de welstandscommissie, maar er was nog niets zwart op wit -, heeft Aan de Stegge volgens het middel zich niet jegens [verweerster] willen verbinden.

2.11. De klacht verlangt in wezen een herbeoordeling van de feiten, die de cassatierechter niet kan geven. Onbegrijpelijk is het bestreden oordeel niet: het hof heeft de reden waarop zijn beslissing berust, toegelicht; de motivering kan het oordeel dragen. De toelichting op het middel is in belangrijke mate gericht op de wil die aan de zijde van Aan de Stegge zou hebben bestaan en op de factoren die tot de vorming van die wil hebben bijgedragen. Daarmee is nog niet gezegd dat dit een en ander kenbaar was voor de wederpartij. Het hof heeft in rov. 4.13 uiteengezet dat [verweerster] in redelijkheid ervan mocht uitgaan dat toen Aan de Stegge het aanbod deed, Aan de Stegge bedoelde dat de (op de voorzijde van het formulier vermelde) voorbehouden evenzoveel ontbindende voorwaarden in het contract zouden vormen. Gelet op het bepaalde in art. 3:35 BW, kan Aan de Stegge c.s. niet met vrucht een beroep doen op een van haar verklaring afwijkende wil.

2.12. De vijfde klacht(9) houdt in dat onbegrijpelijk is de overweging "dat de omstandigheid dat er aan dit aanbod voorbehouden zijn gemaakt, met zich mee zou brengen dat het aanbod niet herroepelijk zou zijn".

2.13. Een overweging als hier aangehaald heb ik in het bestreden arrest niet aangetroffen. Voor zover deze motiveringsklacht betrekking heeft op de overweging aan het slot van rov. 4.11, luidende:

"De omstandigheid dat er bij dit aanbod voorbehouden zijn gemaakt, waartoe het inschrijfformulier expliciet de mogelijkheid bood, brengt niet mee dat het aanbod zelf - los van die voorbehouden - herroepelijk is",

treft zij geen doel. Zoals in alinea 2.9 hiervoor reeds ter sprake kwam, is het mogelijk een onherroepelijk aanbod te doen tot het aangaan van een koopovereenkomst waarin bepaalde voorbehouden of voorwaarden zijn opgenomen. Het hof is op begrijpelijke, in het bestreden arrest nader uiteengezette gronden tot het oordeel gekomen dat dit geval zich hier heeft voorgedaan.

2.14. De zesde klacht(10) houdt in dat het hof in rov. 4.14.2 ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een mondelinge goedkeuring door de welstandscommissie, respectievelijk van een mondelinge toestemming tot bouwen. Het middel wijst erop dat aan een mondelinge opmerking van een ambtenaar van de gemeente niet de betekenis mag worden toegekend van een bouwvergunning.

2.15. Het bestreden arrest wijst er niet op dat het hof van oordeel zou zijn dat een mondelinge goedkeuring of een mondelinge opmerking van een ambtenaar reeds voldoende zou zijn. In zoverre mist zij feitelijke grondslag. Het hof stond voor de vraag of de hiervoor in alinea 1.1.4 geciteerde bedingen het karakter hadden van ontbindende voorwaarden (in een onherroepelijk aanbod tot het sluiten van een overeenkomst), zoals [verweerster] had gesteld, dan wel een aanwijzing opleverden dat Aan de Stegge zich nog niet wilde verbinden, zoals Aan de Stegge c.s. had gesteld. In dat verband heeft het hof een onderzoek ingesteld naar hetgeen tussen partijen is besproken in de besprekingen die aan de retournering per fax van het inschrijfformulier vooraf zijn gegaan. In rov. 4.13 heeft het hof geconstateerd dat in die gesprekken aan Hendrickx (de vertegenwoordiger van Aan de Stegge) schetsontwerpen zijn getoond en is medegedeeld dat er een mondelinge toestemming was van de welstandcommissie, maar dat er nog geen bouwvergunning was aangevraagd.

2.16. In rov. 4.14.2 reageert het hof slechts op stellingen die Aan de Stegge c.s. bij pleidooi in hoger beroep naar voren had gebracht. Het hof heeft overwogen dat tussen partijen vaststaat dat het bestemmingsplan in ieder geval de bouw van één woning op het desbetreffende perceel toestond. Het hof bedoelt kennelijk dat, waar op grond van mondelinge uitlatingen van de zijde van de welstandcommissie respectievelijk van de zijde van gemeente bij partijen een zodanig positieve verwachting bestond omtrent de kans van slagen een bouwvergunning te krijgen voor de bouw van drie woningen ter plaatse, het in de rede lag dat de uiteindelijke toestemming (van de welstandcommissie resp. het verkrijgen van de benodigde bouwvergunning) in de vorm van een ontbindende voorwaarde in het contract zou worden opgenomen; in elk geval heeft [verweerster] voldoende bewezen dat zij het voorbehoud van de kant van Aan de Stegge als zodanig mocht opvatten. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is ook niet onbegrijpelijk.

2.17. De zevende klacht(11) is gericht tegen rov. 4.15. De klacht houdt in dat, waar het hof overweegt dat geen termijn was afgesproken, het hof de zaak niet goed heeft begrepen: aan de voorbehouden moest ogenblikkelijk zijn voldaan en daarom is geen termijn afgesproken.

2.18. In rov. 4.15 bouwt het hof voort op zijn eerdere vaststelling dat de door [verweerster] gestelde koopovereenkomst tot stand gekomen is. Het hof bespreekt in rov. 4.15 de vraag of er sprake is van een toerekenbare niet-nakoming door Aan de Stegge. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord en Aan de Stegge c.s. daarom verplicht geacht tot vergoeding van de schade die [verweerster] dientengevolge heeft geleden. In dat verband is het hof nog kort ingegaan op het argument dat toen, eind augustus 2001, nog niet was voldaan aan alle voorbehouden(12). De zevende klacht heeft betrekking op een ander onderwerp, namelijk de vraag óf de door [verweerster] gestelde koopovereenkomst tot stand gekomen is en, zo ja, wat daarvan de inhoud is. Het middel bestrijdt niet het oordeel dat, áls de door [verweerster] gestelde koopovereenkomst bewezen is, Aan de Stegge zich schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie door bij brief van 28 augustus 2001 aan [verweerster] te doen weten dat zij afzag van de aankoop. Om deze reden kan de klacht niet tot cassatie leiden.

2.19. Het middel noopt m.i. niet tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie rov. 4.1 en 4.2 van het bestreden arrest, in verbinding met rov. 3.1 van het tussenvonnis d.d. 22 oktober 2002 in eerste aanleg.

2 Bedoeld is kennelijk de niet-meegecopieerde achterzijde van het formulier, noot A-G.

3 Cassatiedagvaarding blz. 3, tweede volle alinea ("Zulks ten onrechte ...").

4 Vgl. rov. 4.7 van het bestreden arrest.

5 Vgl. HR 13 maart 1981, NJ 1981, 635 m.nt. CJHB; Asser-Hartkamp 4-II, 2005, nrs. 281 - 288; zie ook nr. 150 over de discussie over het zgn. vrijblijvend aanbod.

6 Cassatiedagvaarding blz. 3, derde volle alinea, tot en met blz. 4, tweede alinea.

7 Cassatiedagvaarding blz. 4, derde alinea, tot en met blz. 5, eerste alinea.

8 Cassatiedagvaarding blz. 5, onderste alinea, tot en met blz. 6, eerste alinea.

9 Cassatiedagvaarding blz. 6 onderaan, doorlopend op blz. 7.

10 Cassatiedagvaarding blz. 7, eerste volle alinea.

11 Cassatiedagvaarding blz. 7 onderaan.

12 Ten tijde van het eindvonnis van de rechtbank was inmiddels aan alle gestelde voorwaarden voldaan, zoals het hof in rov. 4.8 nog vermeldde.