Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA6238

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
21-09-2007
Zaaknummer
C06/152HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA6238
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Verbintenissenrecht. Geschil over de vraag of een veilingkoper van onroerend goed zijn beroep op dwaling in hoger beroep heeft doen steunen op de door verkoper geschonden spreekplicht of mede op door hem gedane mededelingen (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-09-21
Wet op de Ruimtelijke Ordening 21, geldigheid: 2007-09-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 594
RvdW 2007, 795
NJB 2007, 1916
JWB 2007/308

Conclusie

C06/152HR

mr. Keus

Zitting 1 juni 2007

Conclusie inzake:

[Eiser]

(hierna: [eiser])

eiser tot cassatie

tegen

[Verweerder]

(hierna: [verweerder])

verweerder in cassatie

Het gaat in deze zaak om de vraag of [eiser] het door hem gedane beroep op dwaling in hoger beroep nog slechts op een schending door [verweerder] van diens spreekplicht, dan wel (mede) op door [verweerder] gedane mededelingen heeft doen steunen.

1. Feiten

1.1 In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan(1).

1.2 [Verweerder] is eigenaar van onder meer de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Oosterwolde, sectie [A], nummers [001] en [002] (hierna: de kavel). In augustus 2003 heeft [verweerder] door tussenkomst van AgriPon Makelaars B.V. (hierna: AgriPon) een deel van zijn onroerende zaken, waaronder de kavel, te koop aangeboden, waarbij verkoop bij inschrijving werd beoogd. In de verkoopbrochure is de kavel als volgt omschreven:

"Kavel 2:Schuur en bouwkavel voor loods (20 x 50 m.) te gebruiken als rijhal;

op ca. 5300 m² eigen grond; kadastraal bekend Oosterwolde [A][002] (ged) en [A] [001] (ged). De loods heeft een afmeting van 16 x 35 m.

(...)"

1.3 Vóór de veiling heeft [eiser] de kavel twee keer bezichtigd en heeft hij beide keren met [verweerder] een gesprek gevoerd. Op 23 augustus 2003 heeft [eiser] voor een bedrag van € 90.000,- op de kavel ingeschreven. [Verweerder] heeft de kavel vervolgens aan hem gegund. Op de tussen partijen gesloten koopovereenkomst zijn bijzondere en algemene voorwaarden van toepassing(2).

1.4 [Eiser] heeft de kavel gekocht met de bedoeling in de bestaande schuur(3) een wormenkwekerij te beginnen. De schuur zou daarvoor moeten worden verbouwd.

1.5 De kavel, althans het gedeelte waar de schuur zich bevindt, heeft op grond van het geldende bestemmingsplan buitengebied een agrarische bestemming, op grond waarvan ook een niet grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een wormenkwekerij is toegestaan.

1.6 Bij brief van 8 september 2004(4) heeft een ambtenaar van de gemeente Ooststellingwerf de raadsvrouwe van [eiser] onder meer het volgende medegedeeld:

" (...)

2. Voorzover het gaat om de mogelijkheid tot vestiging van een wormenkwekerij in de bestaande schuur ligt de situatie formeel gezien iets anders. Op die schuur ligt volgens het geldende bestemmingsplan wel een agrarische bouwbestemming. Zelfs de vestiging van een niet grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een wormenkwekerij is volgens het geldende bestemmingsplan mogelijk.

Maar ... voor het gehele buitengebied gold en geldt een zogenaamd voorbereidingsbesluit ex artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening. Dat betekent dat een aanvraag om bouwvergunning voor de verbouw van de bestaande schuur tot wormenkwekerij ook moet worden getoetst aan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan. Volgens dat plan zou de niet grondgebonden agrarische bestemming vervallen en kon er om die reden geen medewerking worden verleend aan een wormenkwekerij. Daarbij komt dat volgens het beleid zoals vastgelegd in het in voorbereiding zijnde plan, ook geen medewerking zou worden verleend aan een aanpassing van het plan opdat de vestiging van een wormenkwekerij wel mogelijk zou zijn. De gemeente streeft namelijk naar een beperking van nieuwvestiging van niet grondgebonden agrarische bedrijven.

3. Kortom, van de zijde van de gemeente is steeds uitgedragen, dat de vestiging van een wormenkwekerij niet mogelijk was en de informatie is zeker niet beperkt geweest tot de stelling dat het perceel een "agrarische bestemming" heeft.

(...) "(5)

1.7 Bij brief van 22 maart 2004 heeft AgriPon [eiser] in gebreke gesteld en hem gesommeerd binnen acht dagen alsnog aan de levering van de kavel mee te werken. [Eiser] heeft dit geweigerd, omdat ter plaatse geen wormenkwekerij mag worden gevestigd.

2. Procesverloop

2.1 Bij exploot van 13 juli 2004 heeft [verweerder] [eiser] doen dagvaarden voor de rechtbank Leeuwarden. Stellende dat [eiser] ten onrechte zijn verplichtingen uit hoofde van de koopovereenkomst niet nakomt, heeft [verweerder] gevorderd dat de rechtbank [eiser] zal veroordelen (i) tot nakoming van de verplichting tot afname van de kavel, op straffe van verbeurte van een dwangsom, (ii) tot betaling van een bedrag van € 10.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente, ter zake van contractuele boete (iii) tot betaling van een bedrag dat gelijk is aan de wettelijke rente over het bedrag van € 90.000,-, te berekenen over de periode vanaf 1 april 2004 tot de datum waarop het notariële transport van de kavel heeft plaatsgevonden, ter zake van schadevergoeding, (iv) tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en (v) tot betaling van de kosten van het geding(6).

2.2 [Eiser] heeft gemotiveerd verweer gevoerd(7). Hij heeft gesteld dat hij, alvorens op de kavel een bod te doen, bij [verweerder] heeft geïnformeerd of hij in de bestaande schuur een wormenkwekerij zou mogen vestigen. [Verweerder] heeft hem toen verzekerd dat dit geen problemen zou opleveren. Volgens [verweerder] zou de op het perceel rustende agrarische bestemming daarin voorzien. [Verweerder] heeft aldus gegarandeerd dat in de schuur een wormenkwekerij zou mogen worden gevestigd. Als [eiser] had geweten dat hij ter plaatse geen wormenkwekerij zou mogen vestigen, zou hij niet op de kavel hebben ingeschreven. De overeenkomst is dan ook onder invloed van dwaling tot stand gekomen, aldus nog steeds [eiser].

2.3 [Verweerder] heeft betwist dat hij de door [eiser] bedoelde garantie heeft verstrekt. Hij heeft desgevraagd slechts verklaard dat op het perceel een agrarische bestemming rust. Op de vraag of ook een wormenkwekerij daaronder valt, heeft hij iets geantwoord in de trant van "dat lijkt mij wel, maar daarvoor moet je bij de gemeente zijn"(8).

2.4 [Eiser] heeft (na wijziging van eis) in reconventie gevorderd dat de rechtbank (i) voor recht verklaart dat de tussen partijen gesloten koopovereenkomst van 23 augustus 2003 als gevolg van de door [eiser] uitgebrachte buitengerechtelijke verklaring is vernietigd, (ii) [verweerder] tot vergoeding van de schade die [eiser] heeft geleden en mogelijk nog zal lijden, op te maken bij staat, veroordeelt en tot slot (iii) [verweerder] in de kosten van het geding veroordeelt(9).

[Verweerder] heeft verweer gevoerd.

2.5 Bij vonnis van 29 september 2004 heeft de rechtbank een comparitie van partijen voor het geven van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling gelast. De comparitie heeft op 8 november 2004 plaatsgevonden. Van deze comparitie is een proces-verbaal opgemaakt.

2.6 In (rov. 4.1) haar vonnis van 19 januari 2005(10) heeft de rechtbank voorop gesteld dat het antwoord op de vraag of de beweerdelijk door [verweerder] gedane mededelingen als garantie moeten worden aangemerkt, in het midden kan blijven, nu [eiser] zich niet op een tekortkoming in de nakoming van de op [verweerder] rustende verplichtingen, maar op dwaling beroept. Volgens de rechtbank "(is) deze situatie niet aan de orde"; zij heeft daartoe het volgende overwogen:

"4.2 [Eiser] heeft tijdens de comparitie verklaard:

(...) Ik heb toen aan [verweerder] gevraagd of er op het perceel een bijzondere agrarische bestemming zat omdat ik van plan was om er een wormenkwekerij te vestigen. [Verweerder] antwoordde mij daarop dat er op het perceel een bijzondere agrarische bestemming zat en dat de vestiging van een wormenkwekerij mogelijk was. (...) Op de laatste dag van de inschrijving - het perceel zou worden verkocht bij inschrijving - kwam ik met [betrokkene 1 en betrokkene 2] kijken bij het bedrijf. Opnieuw hebben wij gesproken over de bijzondere agrarische bestemming van het perceel. (...)

Als er - geheel veronderstellenderwijs, want [verweerder] heeft de verklaring van [eiser] op dit punt deels betwist - vanuit wordt gegaan dat de verklaring van [eiser] juist is, dan moet worden geoordeeld dat [verweerder] in ieder geval heeft bevestigd dat er een bijzondere agrarische bestemming op het perceel rust. De toevoeging "en dat de vestiging van een wormenkwekerij mogelijk was" draagt naar het oordeel van de rechtbank evenwel het karakter van een conclusie. Zonder bijkomende omstandigheden - die gesteld noch gebleken zijn - kan echter niet al te snel worden aangenomen dat een koper gerechtvaardigd mag afgaan op een dergelijke mededeling. Het antwoord op de vraag of een bepaalde activiteit op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan is toegestaan is immers bij uitstek een kwestie, die aan de gemeentelijke overheid is voorbehouden. Dat geldt met name ook in dit geval, waarbij de vestiging van een wormenkwekerij een nieuwe activiteit op het perceel zou zijn. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [eiser] niet gerechtvaardigd op de mededeling c.q. inlichting van [verweerder] af mocht gaan. Er moet daarom worden geoordeeld dat de dwaling, gelet op de omstandigheden van het geval, voor rekening van [eiser] behoort te blijven."

2.7 De rechtbank heeft de vorderingen van [verweerder] toegewezen, met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten (rov. 5). De reconventionele vordering van [eiser] is afgewezen (rov. 7). [Eiser] is als de (grotendeels) in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding veroordeeld (rov. 8).

2.8 Bij exploot van 31 maart 2005 heeft [eiser] van beide vonnissen van de rechtbank hoger beroep bij het hof Leeuwarden ingesteld. [Verweerder] heeft in hoger beroep verweer gevoerd.

2.9 In zijn arrest van 22 februari 2006 heeft het hof overwogen dat [eiser] in hoger beroep heeft gesteld dat [verweerder] tijdens besprekingen voorafgaande aan zijn schriftelijke bieding tot tweemaal toe heeft bevestigd dat het gedeelte van de kavel waar de schuur zich bevindt een agrarische bestemming had, op grond waarvan ook een niet grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een wormenkwekerij was toegestaan. Voorts heeft het hof gereleveerd dat de mededeling van [verweerder] dat in de schuur een wormenkwekerij kon worden geëxploiteerd, volgens [eiser] feitelijk juist was (rov. 6, eerste en tweede volzin).

Volgens het hof heeft [eiser] [verweerder] in hoger beroep verweten dat deze hem niet heeft medegedeeld dat voor de kavel een voorbereidingsbesluit op grond van art. 21 Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht was, aan welk voorbereidingsbesluit toekomstige aanvragen voor bouwvergunningen zouden worden getoetst. Volgens het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan zou de niet grondgebonden agrarische bestemming vervallen en kon er om die reden geen medewerking aan een toekomstige aanvraag voor een bouwvergunning voor de verbouw van de bestaande schuur tot wormenkwekerij worden verleend (rov. 6, derde en vierde volzin).

2.10 Naar het hof vervolgens heeft gememoreerd, kan volgens [eiser] in het midden blijven in hoeverre [verweerder] van dit laatste op de hoogte was, omdat [verweerder] de verkoop middels een deskundige hulppersoon, AgriPon, heeft geregeld en deze hulppersoon de agrarische bestemming waarmee zij de kavel aanprees in de visie van [eiser] op juistheid had behoren te controleren (rov. 7, eerste volzin). Volgens het hof vindt de stelling van [eiser] dat van de ter zake deskundige hulppersoon van [verweerder], AgriPon, had mogen worden verwacht dat zij met het oog op de belangen van de koper de agrarische bestemming op juistheid zou hebben gecontroleerd en dat de koper, behoudens bijzondere omstandigheden, ervan mag uitgaan dat zulks is geschied, in haar algemeenheid echter geen steun in het recht. Het hof heeft hierbij gewezen op HR 18 april 1986, NJ 1986, 747, m.nt. G. Volgens het hof zijn er geen redenen om op grond van de feiten en omstandigheden in deze zaak tot een ander oordeel te komen (rov. 7, tweede en derde volzin).

2.11 Ook de door [eiser] gestelde omstandigheid dat AgriPon door een medeweker van de gemeente Ooststellingwerf is gewezen op een onjuistheid in de aanbiedingsfolder waarin ook de litigieuze kavel was opgenomen(11), rechtvaardigt naar het oordeel van het hof niet dat op voormeld uitgangspunt een uitzondering wordt gemaakt (rov. 8, eerste volzin). Zie rov. 8, tweede en derde volzin:

"(...) Immers, bedoelde onjuistheid in de aanbiedingsfolder betrof de mededeling dat een nog te bouwen loods (op de door [eiser] gekochte kavel) als manege zou kunnen worden gebruikt, terwijl de gemeente Ooststellingwerf een selectief beleid voert ten aanzien van rijhallen/maneges. Dit enkele gegeven hoefde voor [verweerder] niet noodzakelijkerwijs een aanleiding te zijn tot onderzoek naar het bestaan van een voorbereidingsbesluit in de zin van artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening ten aanzien van de bewuste kavel, daargelaten dat niet is gebleken dat [eiser] ten tijde van de inschrijving van de bewuste feiten op de hoogte was, zodat die voor zijn verwachtingen niet van invloed kunnen zijn geweest."

2.12 Het hof is tot de slotsom gekomen (rov. 9) "dat de gestelde dwaling, gelet op de omstandigheden van het geval, voor rekening van [eiser] behoort te blijven".

Nu [eiser] geen grieven had gericht tegen het tussenvonnis van 29 september 2004, heeft het hof [eiser] in zijn hoger beroep tegen dat vonnis niet-ontvankelijk verklaard (rov. 2). Voorts heeft het hof het vonnis van 19 januari 2005 bekrachtigd en [eiser] in de kosten van het geding in hoger beroep veroordeeld (rov. 12).

2.13 Bij exploot van 22 mei 2006 heeft [eiser] (tijdig) beroep in cassatie tegen het arrest van 22 februari 2006 ingesteld. [Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun respectieve standpunten schriftelijk doen toelichten.

3. Bespreking van het cassatiemiddel

3.1 Het cassatiemiddel omvat naast een inleiding (die geen klachten bevat) een drietal onderdelen.

3.2 Onder verwijzing naar een aantal met vindplaats aangeduide stellingen van [eiser] in de feitelijke instanties betoogt onderdeel 1 dat het hof ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat [eiser] zijn beroep op dwaling in de eerste plaats, althans óók, hierop heeft gebaseerd dat [verweerder] en/of diens makelaar aan [eiser] mededelingen over de gebruiksmogelijkheden van de kavel heeft gedaan, dan wel dat het hof heeft miskend dat het doen van dergelijke mededelingen in beginsel een beroep op dwaling kan rechtvaardigen. Volgens het onderdeel heeft in beginsel te gelden dat een koper mag afgaan op de juistheid van dergelijke door de verkoper gedane mededelingen en dat de verkoper zich, ter afwering van een beroep op dwaling, niet erop kan beroepen dat de koper ten onrechte op de juistheid van de door de verkoper gedane mededelingen heeft vertrouwd. Bijzondere omstandigheden die dit anders zouden (kunnen) maken, heeft het hof in zijn arrest niet vastgesteld. Gelet hierop geeft 's hofs oordeel dat de door [eiser] gestelde dwaling voor zijn rekening dient te blijven, volgens het onderdeel in het licht van de genoemde stellingen van [eiser] van een onjuiste rechtsopvatting blijk.

Bij de behandeling van het onderdeel stel ik voorop dat de uitleg van de grieven aan de appelrechter is voorbehouden en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst(12).

Kennelijk heeft het hof de grieven van [eiser] aldus opgevat dat [eiser] de juistheid van de hem door [verweerder] gedane mededelingen niet (langer) ter discussie stelde. Naar het hof heeft vastgesteld was "(d)e mededeling van [verweerder] dat in de schuur een wormenkwekerij kon worden geëxploiteerd, (...) volgens [eiser] feitelijk juist" (rov. 6, tweede volzin). In de lezing van het hof verweet [eiser] (althans in appel) [verweerder] niet (langer) dat deze hem onjuiste mededelingen had gedaan, maar dat [verweerder] hem relevante informatie (het van kracht zijnde voorbereidingsbesluit) zou hebben onthouden: "In hoger beroep verwijt [eiser] [verweerder] dat hij niet aan [eiser] heeft meegedeeld dat ten aanzien van de kavel een voorbereidingsbesluit ex artikel 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening van kracht was, waaraan toekomstige bouwvergunningen zouden worden getoetst" (rov. 6, derde volzin).

De constatering dat de mededeling van [verweerder] dat in de schuur een wormenkwekerij kon worden geëxploiteerd, volgens [eiser] zelf "feitelijk juist" was, is in cassatie niet bestreden. Overigens vindt die vaststelling haar grond in de eigen stellingen van [eiser], die bij memorie van grieven (op p. 2, op twee na laatste alinea en laatste alinea) heeft betoogd:

"(...) Met [verweerder] is tot tweemaal toe het voornemen besproken van [eiser] om in de loods een wormenkwekerij te beginnen, waarbij tevens is besproken de mogelijkheid in hoeverre het geldende bestemmingsplan de uitoefening van een dergelijke onderneming toestond. [Verweerder] heeft tot tweemaal toe bevestigd dat dit geen probleem zou zijn, althans dat gelet op de bijzondere agrarische bestemming er wel degelijk vestiging van een wormenkwekerij mogelijk was.

(...)

Dat [eiser] (lees: [verweerder]; LK) in eerste aanleg deze door hem gedane mededeling, tot tweemaal toe gedaan, tracht af te zwakken is uiteraard zijn goed recht doch snijdt geen hout. Immers de mededeling van [verweerder] was feitelijk juist. Er mocht ten tijde van het verstrekken van de informatie door [verweerder] in de betreffende loods wel degelijk een wormenkwekerij worden geëxploiteerd. Echter wat [verweerder] niet heeft verteld was dat er door de gemeente inmiddels een voorbereidingsbesluit ex. Art. 21 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening was genomen op grond waarvan een toekomstige aanvraag om een bouwvergunning voor de verbouw van de bestaande schuur tot wormenkwekerij deze aanvraag tevens zou worden getoetst aan het in voorbereiding zijnde bestemmingsplan, en volgens dat in voorbereiding zijnde bestemmingsplan zou de niet grond gebonden agrarische bestemming komen te vervallen. (...)"

Het onderdeel kan naar mijn mening niet tot cassatie leiden. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof de stellingen van [eiser] in hoger beroep kennelijk aldus heeft opgevat dat [eiser] aan zijn beroep op dwaling niet (langer) ten grondslag heeft willen leggen dat de gestelde dwaling hieraan is te wijten dat hij ten onrechte op de juistheid van de (ook volgens hemzelf aan de mogelijkheden van het vigerende bestemmingsplan gerelateerde en feitelijk juiste) mededelingen van [verweerder] is afgegaan. Evenmin heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting van de positie van de koper die in dwaling is gebracht doordat hij (in de woorden van het onderdeel) ten onrechte op de juistheid van de door de verkoper gedane mededelingen heeft vertrouwd. Die positie is immers niet aan de orde, als de aan de koper gedane mededelingen naar diens eigen stellingen juist zijn.

3.3 Volgens onderdeel 2 is het oordeel van hof dat de door [eiser] gestelde dwaling voor zijn rekening dient te blijven onvoldoende gemotiveerd, omdat het hof niet is ingegaan op de vraag of de door [verweerder] gedane mededelingen een beroep van [eiser] op dwaling kunnen rechtvaardigen. Daarbij kiest het onderdeel als uitgangspunt dat de onjuistheid van de door [verweerder] gedane mededelingen in beginsel een beroep op dwaling kan rechtvaardigen en dat daarom, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien dat het beroep van [eiser] op dwaling zonder meer ongegrond zou zijn.

Zoals bij de bespreking van het eerste onderdeel al aan de orde kwam, heeft het hof, niet onbegrijpelijk, geoordeeld dat [eiser] onjuistheid van de hem gedane mededelingen niet (langer) aan zijn beroep op dwaling ten grondslag heeft gelegd. Daarom behoefde het hof niet te beoordelen of onjuistheid van de door [verweerder] gedane mededelingen een beroep van [eiser] op dwaling zou kunnen rechtvaardigen.

3.4 Onderdeel 3 betoogt dat, indien 's hofs oordeel hierop mocht berusten dat het hof de stellingen en/of de grieven van [eiser] aldus heeft uitgelegd dat hij zich niet, althans in hoger beroep niet meer, erop heeft beroepen dat [verweerder] en/of diens makelaar aan [eiser] over de gebruiksmogelijkheden van het perceel onjuiste mededelingen heeft gedaan, welke onjuiste mededelingen in beginsel een beroep van [eiser] op dwaling kunnen rechtvaardigen, het hof een onbegrijpelijke uitleg aan de stellingen en/of de grieven van [eiser] heeft gegeven. Volgens het onderdeel (dat naar vindplaatsen in de processtukken verwijst) heeft [eiser] ter onderbouwing van zijn beroep op dwaling immers zowel in eerste aanleg als in hoger beroep onder meer aangevoerd dat [verweerder] en/of diens makelaar desgevraagd tot tweemaal toe aan hem heeft medegedeeld dat op het perceel een bijzondere agrarische bestemming rustte en dat de vestiging van een wormenkwekerij aldaar mogelijk was.

Nog daargelaten dat het hof (in cassatie onbestreden) de strekking van de volgens [eiser] aan hem gedane mededelingen niet aldus heeft omschreven dat (zoals het onderdeel het verwoordt) "de vestiging van een wormenkwekerij aldaar mogelijk was", maar dat het gedeelte van de kavel waar de schuur zich bevindt een agrarische bestemming had "op grond waarvan ook een niet grondgebonden agrarisch bedrijf in de vorm van een wormenkwekerij was toegestaan" (rov. 6, eerste volzin), ziet ook onderdeel 3 eraan voorbij dat het hof uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat volgens [eiser] zelf die mededelingen feitelijk juist waren. Zoals bij de bespreking van het eerste onderdeel al aan de orde kwam, kan deze vaststelling steun in de stellingen van [eiser] niet worden ontzegd. Ik verwijs naar het hiervoor (onder 3.2) reeds opgenomen citaat uit de memorie van grieven. Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof de grieven c.q. stellingen van [eiser] aldus begrepen, dat voor [eiser] de pijn niet zat in (onjuistheid van) hetgeen hem was medegedeeld, maar in hetgeen hem was verzwegen.

4. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal

1 Zie de rov. 1.1-1.8 van het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 19 januari 2005. De door de rechtbank vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden; zie rov. 3 van het vonnis van het hof Leeuwarden van 22 februari 2006.

2 Zie voor de algemene en bijzondere voorwaarden prod. 1 bij de inleidende dagvaarding.

3 Blijkens prod. 1 bij de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie heeft de gemeente Ooststellingwerf op 10 maart 1994 een bouwvergunning voor de bouw van een loods ten behoeve van de opslag van bolgewassen afgegeven.

4 Prod. 3 bij de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie.

5 In zijn conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie heeft [eiser] onder 6 gesteld dat hij twee weken na de intekening naar het gemeentehuis te Ooststellingwerf is gegaan om een vergunning voor het verbouwen van de bestaande schuur aan te vragen. Aldaar werd hem medegedeeld dat een wormenkwekerij in de bestaande schuur niet mogelijk was.

6 Zie het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 19 januari 2005 onder het kopje "De vordering" en "in conventie", alsook rov. 2.

7 Zie rov. 3.1 van het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 19 januari 2005.

8 Zie rov. 3.2 van het vonnis van de rechtbank Leeuwarden van 19 januari 2005.

9 Zie het vonnis van de rechtbank van 19 januari 2005 onder het kopje "De vordering" en "in reconventie".

10 LJN AS3398.

11 Zie prod. 3 bij de conclusie van antwoord in conventie en conclusie van eis in reconventie onder 1.

12 Ras/Hammerstein, De grenzen van de rechtsstrijd in hoger beroep in burgerlijke zaken (2004), p. 44-45; zie voor een geval waarin met succes tegen de uitleg van de grieven werd opgekomen HR 12 april 1991, NJ 1991, 449, rov. 3.2: "(...) Deze uitleg van het vonnis van de kantonrechter is, gezien diens r.o. 6, onbegrijpelijk. Ditzelfde geldt voor de aan deze vaststelling ten grondslag liggende lezing van de memorie van grieven, want deze memorie laat er geen twijfel over dat mede wordt opgekomen tegen het oordeel van de kantonrechter dat ervan valt uit te gaan dat de opzeggingsbrief is verzonden. Middel I treft dus doel."