Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA6237

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
21-09-2007
Datum publicatie
21-09-2007
Zaaknummer
C06/120HR
Formele relaties
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA6237
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Arbeidsgeschil over achterstallig salaris na ontbinding van arbeidsovereenkomst (81 RO).

Wetsverwijzingen
Wet op de rechterlijke organisatie 81, geldigheid: 2007-09-21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 593
RvdW 2007, 794
NJB 2007, 1915
JWB 2007/300

Conclusie

Rolnr. C06/120HR

mr. E.M. Wesseling-van Gent

Zitting: 1 juni 2007

Conclusie inzake:

[Eiser]

tegen

Art Tower B.V.

1. Feiten(1) en procesverloop

1.1 Eiser tot cassatie, [eiser], is met ingang van 15 augustus 1994 bij verweerster in cassatie, Art Tower, in dienst getreden in de functie van controller.

1.2 Partijen zijn eind 2002 overeengekomen dat [eiser] per 1 januari 2003 een salarisverhoging van € 450,- bruto per maand zal ontvangen. Daarbij hebben zij onder meer afgesproken dat indien per 1 juli 2003 een geconsolideerd resultaat van minder dan € 100.000,- wordt behaald, [eiser] een bedrag van € 2.700,- zal terugbetalen.

1.3 Bij beschikking van 8 juli 2003 heeft de kantonrechter te Breda de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbonden per 16 juli 2003 onder toekenning aan [eiser] van een beëindigingsvergoeding. Art Tower heeft op deze beëindigingsvergoeding een bedrag van € 3.159,- ingehouden, zijnde 6,5 x € 450,- ( = € 2.925,-) plus vakantiegeld ( = € 234,-), omdat het geconsolideerde resultaat minder dan € 100.000,- bedroeg.

1.4 Bij inleidende dagvaarding van 1 september 2003 heeft [eiser] Art Tower gedagvaard voor de rechtbank te Breda, sector kanton, locatie Breda en daarbij - voorzover thans van belang(2) - betaling gevorderd van € 3.159,- bruto, vermeerderd met wettelijke verhoging, wettelijke rente en kosten.

[Eiser] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat Art Tower voormeld bedrag ten onrechte op zijn beëindigingsvergoeding heeft ingehouden.

1.5 Art Tower heeft verweer gevoerd en daarbij een beroep gedaan op verrekening in verband met de terzake van dit geschil tussen partijen bereikte overeenstemming.

Voor het geval de kantonrechter van oordeel zou zijn dat geen dading tegen finale kwijting is aangegaan, heeft Art Tower een reconventionele vordering ingesteld tot terugbetaling van de door haar verrekende bedragen van in totaal € 15.971, 51 met rente en kosten.

1.6 Na een daartoe strekkend tussenvonnis van 1 oktober 2003, heeft op 5 november 2003 een comparitie van partijen plaatsgehad. Aan Art Tower is bij die gelegenheid de mogelijkheid gegeven van schriftelijke toelichting van haar voorwaardelijke reconventionele vordering.

1.7 Bij brief van 23 december 2003 heeft Art Tower deze toelichting gegeven en haar vordering verminderd tot het bedrag van € 3.159,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

1.8 [Eiser] heeft hierop gereageerd bij brief, ingekomen ter griffie van de sector kanton op 27 januari 2004.

1.9 Na verdere brief- en conclusiewisseling heeft de kantonrechter bij vonnis van 12 mei 2004 de vorderingen van [eiser] in conventie afgewezen en in reconventie geoordeeld dat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld, niet in vervulling is gegaan, zodat daarop niet behoeft te worden beslist.

1.10 [Eiser] is, onder aanvoering van vijf grieven, van beide vonnissen in hoger beroep gekomen bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, en heeft geconcludeerd - zakelijk weergegeven - dat het hof de bestreden vonnissen zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de (gewijzigde) vorderingen van [eiser] in conventie alsnog zal toewijzen en Art Tower niet-ontvankelijk zal verklaren in haar vordering in reconventie althans deze vordering zal afwijzen.

1.11 Art Tower heeft de grieven gemotiveerd bestreden.

1.12 Bij arrest van 17 januari 2006 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, bekrachtigd.

1.13 [Eiser] heeft tegen dit arrest tijdig(3) beroep in cassatie ingesteld.

Tegen Art Tower is verstek verleend.

[Eiser] heeft zijn standpunt schriftelijk toegelicht.

2. Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1 Het cassatieberoep bevat twee middelen.

Middel 1 is gericht tegen rechtsoverweging 4.5, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

"(...) Uit de brief van 16 september 2003, zijnde het antwoord in eerste aanleg van Art Tower op de vordering van [eiser], blijkt dat Art Tower een voorwaardelijke reconventionele vordering van € 15.971,51 heeft ingesteld. Blijkens het proces-verbaal van de inlichtingencomparitie heeft de kantonrechter Art Tower vervolgens in de gelegenheid gesteld haar reconventionele vordering schriftelijk toe te lichten, hetgeen Art Tower bij brief van 23 december 2003 heeft gedaan. Art Tower heeft in voornoemde brief aangegeven dat haar vordering van € 15.971,51 op een misverstand berust. Zij heeft haar vordering verminderd naar € 3.159,--, zijnde de aan [eiser] vanaf 1 januari 2003 tot medio juli 2003 toegekende voorwaardelijke loonsverhoging (6,5 x € 450,-- plus vakantiegeld). Daarop heeft [eiser] inhoudelijk gereageerd bij - onjuist gedateerde - brief, ingekomen ter griffie van de sector kanton op 27 januari 2004, waarin [eiser] zich op het standpunt heeft gesteld dat Art Tower dient aan te tonen dat het voorschotsalaris ten onrechte is betaald.

Uit het voorgaande volgt dat Art Tower tijdig haar reconventionele vordering heeft ingediend, dat zij deze nader heeft mogen toelichten en dat [eiser] in de gelegenheid is gesteld daarop te reageren van welke gelegenheid hij gebruik heeft gemaakt. Aldus zijn de artikelen 137 en 19 Rv alsmede het beginsel van fair trial ingevolge artikel 6 EVRM niet geschonden. Evenmin is de kantonrechter buiten de rechtsstrijd van partijen getreden. De grieven 1 en 2 falen derhalve."

2.2 Het middel klaagt dat deze rechtsoverweging onbegrijpelijk is en in strijd met art. 137 Rv. Betoogd wordt dat de eis in reconventie ingevolge art. 137 Rv. dadelijk bij het antwoord moet worden ingesteld, voorts via een behoorlijke toelichting moet eindigen in een duidelijke vordering en ten slotte op de voet van art. 111 lid 3 Rv. - waarnaar art. 137 Rv. verwijst - melding moet maken van de eerder tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor en van de bewijsmiddelen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis in reconventie(4). Volgens het middel voldoet het gestelde in punt 13 van de conclusie van antwoord van Art Tower van 16 september 2003 niet aan deze vereisten.

2.3 [Eiser] heeft geen belang bij deze klacht. De reconventionele vordering is ingesteld onder de voorwaarde dat de conventionele vordering van [eiser] wordt toegewezen. Rechtbank en hof hebben de vordering van [eiser] afgewezen. Uitsluitend wanneer het ingestelde cassatieberoep gegrond zou zijn, gaat de voorwaarde waaronder de reconventionele vordering is ingesteld in vervulling(5). N.m.m. dient het cassatieberoep echter te worden verworpen, zoals hierna zal blijken.

2.4 Voorzover hierover anders wordt gedacht, merk ik kort het volgende op.

Art. 137 Rv. bepaalt dat de eis in reconventie dadelijk bij het antwoord moet worden ingesteld en dat art. 111 lid 3 Rv. van overeenkomstige toepassing is. Dit brengt mee - kort gezegd - dat ook de eis in reconventie moet voldoen aan de sinds 1 januari 2002 geldende bewijsaandraag- en substantiëringsplicht. De sanctie op niet-naleving van deze plichten is overigens niet nietigheid: de rechter zal echter aan het tekort schieten van de eiser de gevolgen kunnen verbinden die hij geraden acht(6).

2.5 Begrijp ik de klacht goed, dan is het met name de bewijsaandraag- en substantiëringsplicht waaraan de voorwaardelijke vordering in reconventie niet zou voldoen. De voorwaardelijke eis in reconventie is door Art Tower immers dadelijk bij antwoord in eerste aanleg ingesteld(7). De kantonrechter heeft - overeenkomstig zijn bevoegdheid daartoe - Art Tower toegestaan haar voorwaardelijke reconventionele vordering nader schriftelijk toe te lichten en [eiser] in de gelegenheid gesteld op deze toelichting te reageren, hetgeen [eiser] ook heeft gedaan. [eiser] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze gang van zaken. Evenmin is gesteld of gebleken dat hij hierdoor in een (procesrechtelijk) belang is geschaad. Het oordeel van het hof dat in dit geval dan ook geen sprake is van schending van (onder meer) art. 137 Rv. geeft m.i. niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk gemotiveerd. Het middel faalt (hoe) dan ook.

2.6 Middel 2 is gericht tegen rechtsoverweging 4.8, waarin het hof het volgende heeft overwogen:

"(...) Blijkens het proces-verbaal van de inlichtingencomparitie van 5 november 2003 is [eiser] zelf de mening toegedaan dat tussen partijen een overeenkomst is gesloten, inhoudend dat Art Tower binnen twee of drie dagen een bepaald bedrag op de rekening van [eiser] zou storten en dat de overeenkomst de inhoudingen door Art Tower op zijn beëindigingsvergoeding betrof.

[Eiser] heeft daarbij niet aangegeven dat hij de kwestie van de inhouding wegens teveel betaald salaris buiten die overeenkomst heeft willen houden.

Art Tower heeft bij aan [eiser] gericht e-mailbericht van 19 augustus 2003 met als onderwerp "afronding van de afwikkeling" (productie 4 antwoord eerste aanleg) onder meer voorgesteld een bedrag van € 256,56 aan [eiser] uit te betalen wegens aanpassing van de inhoudingen (pensioen en WAO-excedent) als gevolg van de salariscorrectie. Art Tower heeft daarbij het oog op terugbetaling van teveel betaalde werknemerslasten uitgaande van het als voorschot betaalde loon van € 450,-- per maand (antwoord eerste aanleg onder 2 sub g). [eiser] is per e-mailbericht van dezelfde datum akkoord gegaan met voornoemd voorstel er vanuit gaande dat het (totaal) bedrag op 22 augustus 2003 op zijn rekening zou zijn bijgeschreven. Weliswaar heeft [eiser] aangevoerd dat hij het bedrag niet op 22 augustus 2003 maar op 23 augustus 2003 heeft bijgeschreven gekregen zodat Art Tower zich door te laat te betalen niet aan de overeenkomst heeft gehouden, maar het hof passeert deze stelling aangezien [eiser] daaraan geen juridische gevolgen verbindt, zoals een vordering tot (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst.

Voor zover [eiser] met de grieven 4 en 5 bedoelt te betogen dat Art Tower achteraf bezien op de tussen partijen bereikte overeenkomst is teruggekomen aangezien Art Tower ter comparitie heeft aangegeven er geen probleem mee te hebben dat de externe accountant van Interselling Groep bij de eindejaarscontrole het geconsolideerde resultaat per 30 juli (het hof leest: juni) 2003 meeneemt, falen die grieven nu zulks niet uit voornoemde mededeling van Art Tower valt af te leiden. [Betrokkene 1] heeft slechts ter comparitie aangevoerd zich er in te kunnen vinden dat in geval van inschakeling van een externe accountant deze zijn onderzoek toespitst op de drie door [eiser] genoemde werkmaatschappijen, hetgeen als een voorwaardelijk verweer dient te worden opgevat. Uit het voorgaande volgt dat de grieven 3, 4 en 5 worden verworpen."

2.7 Het middel klaagt - zakelijk weergegeven - dat het hof een onjuiste interpretatie van het proces-verbaal van de comparitie van partijen heeft gegeven, welke interpretatie in strijd is met art. 88 Rv. Nu bovendien ten onrechte geen extern accountantsonderzoek(8) heeft plaatsgevonden, is geen sprake van een fair trial. De vordering is niet onderzocht; de winsten en/of verliezen zijn nimmer vastgesteld, aldus het middel.

2.8 De uitleg van processtukken is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie uitsluitend op begrijpelijkheid worden getoetst. Reeds hierom faalt de rechtsklacht over schending van art. 88 Rv.

Daarnaast is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.

Uit het proces-verbaal van de inlichtingencomparitie bij de kantonrechter blijkt dat [eiser] van mening is dat een overeenkomst tussen hem en Art Tower is gesloten op basis van een in een e-mail van [eiser] aan Art Tower opgenomen voorstel tot afdoening tegen finale kwijting en dat deze overeenkomst de inhoudingen betrof die Art Tower op zijn beëindigingsvergoeding had gedaan. [Eiser] heeft zich in de verdere procedure voor de kantonrechter op het standpunt gesteld dat hij niet meer aan deze overeenkomst was gebonden nu Art Tower het overeengekomen bedrag een dag te laat heeft betaald. De kantonrechter heeft deze stelling verworpen en geoordeeld dat de overeenkomst onverkort van kracht is. Uit de daartegen gerichte grieven 3-5, die [eiser] toelicht met een beroep op genoemd proces-verbaal, volgt dat hij dit standpunt ook in hoger beroep heeft ingenomen. Het hof heeft dienaangaande geoordeeld dat [eiser] geen (gedeeltelijke) ontbinding van de overeenkomst heeft gevorderd en dat Art Tower niet op de bereikte overeenkomst is teruggekomen, en heeft vervolgens de grieven verworpen. Gelet op de duidelijke tekst van het proces-verbaal is dit oordeel voldoende begrijpelijk gemotiveerd. Onder deze omstandigheden was een benoeming van een externe accountant niet meer aan de orde. Van schending van art. 6 EVRM (fair trial) is geen sprake.

Het middel faalt mitsdien.

2.9 Het komt mij voor dat deze zaak niet noopt tot de beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3. Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de

Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1 Zie het arrest van het hof Den Bosch van 17 januari 2006 onder 4.2, alsmede het vonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, van 12 mei 2004 onder 3 onder a t/m h.

2 [Eiser] vorderde aanvankelijk ook betaling van een bedrag van € 125,- aan onterecht verrekende proceskosten. In hoger beroep heeft hij zijn vordering op dit punt verminderd.

3 De cassatiedagvaarding is op 18 april 2006 uitgebracht (17 april 2006 - de laatste dag van de cassatietermijn - was tweede Paasdag, zodat ingevolge art. 1 Algemene Termijnenwet de termijn is verlengd tot en met de eerstvolgende dag die geen zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is).

4 Zie ook T&C, art. 137, aant. 2.

5 Zie Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen van Nederlands Burgerlijk Procesrecht, 2006, nr. 68.

6 Zie Burgerlijke Rechtsvordering, Tjong Tjin Tai, art. 111, aant. 16 met verwijzing naar de parlementaire geschiedenis.

7 Zie de brief van 16 september 2003 (antwoord in eerste aanleg), p. 3 onder 13.

8 [Eiser] betwist dat het door Art Tower getoonde overzicht dat het geconsolideerde resultaat minder bedraagt dan € 100.000,- financieel juist is.