Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:PHR:2007:BA5831

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak
02-10-2007
Datum publicatie
02-10-2007
Zaaknummer
01723/06
Formele relaties
Arrest gerechtshof: ECLI:NL:GHAMS:2006:AW8270
Arrest Hoge Raad: ECLI:NL:HR:2007:BA5831
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

Vervolg Schiedammer Parkmoord. Ogv de verklaring van de AG bij het Hof dat verzoeker onschuldig is (met verwijzing naar het onherroepelijk arrest van het Hof Den Haag van 22-11-05 tegen Wik H, LJN AU6566) en dat in strafzaak tegen verzoeker de waarheidsvinding tav de hem tenlastegelegde feiten niet meer aan de orde is, en in aanmerking genomen dat ook overigens niet een strafvorderlijk belang is gebleken of aannemelijk is geworden dat een andere conclusie is gerechtvaardigd, heeft het Hof het OM niet-ontvankelijk verklaard. De gronden waarop het Hof het OM niet-ontvankelijk heeft verklaard brengen mee dat een hernieuwde vervolging van verzoeker t.z.v. het hem tenlastegelegde uitgesloten is (vgl. HR LJN ZD0652). Noch uit het middel, noch uit de overige stukken blijkt dat verzoeker een rechtens te respecteren belang heeft bij het instellen van beroep in cassatie tegen het bestreden arrest. Verzoeker wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOL 2007, 638
NJ 2007, 545
RvdW 2007, 854
NJB 2007, 2092
Verrijkte uitspraak

Conclusie

Nr. 01723/06

Mr. Fokkens

Zitting: 22 mei 2007

Conclusie inzake:

[verzoeker]

1. Na verwijzing van de zaak door de Hoge Raad heeft het Gerechtshof te Amsterdam het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard.

2. Tegen deze uitspraak heeft [verzoeker] cassatieberoep doen instellen.

3. Namens rekwirant hebben mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam en mr. J.Y. Taekema, advocaat te Rotterdam, een middel van cassatie voorgesteld.

4. Het middel klaagt dat het Hof het Openbaar Ministerie op onjuiste gronden niet-ontvankelijk heeft verklaard, doordat het een te beperkte betekenis heeft toegekend aan het begrip strafvorderlijk belang en daardoor ten onrechte geen nader onderzoek heeft gedaan naar het handelen en nalaten van het Openbaar Ministerie in deze zaak.

5. Voorafgaand aan het middel wordt in de schriftuur ingegaan op de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Hoewel het middel zich niet richt tegen de beslissing, maar slechts tegen de redengeving daarvan en dit normaal gesproken zou leiden tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep, zijn de stellers van het middel van oordeel dat rekwirant in dit geval toch moet worden ontvangen in zijn cassatieberoep.

6. Het verloop van de procedure in deze zaak is als volgt. Bij arrest van 8 maart 2002 is [verzoeker] door het Hof 's-Gravenhage veroordeeld tot achttien jaren gevangenisstraf en is bevolen dat hij ter beschikking zal worden gesteld met bevel tot verpleging van overheidswege. De bewezenverklaarde feiten - voorzover thans van belang - komen er op neer dat [verzoeker] op 22 juni 2000 in het Beatrixpark te Schiedam de minderjarigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] van hun vrijheid zou hebben beroofd, dat hij toen [slachtoffer 1] zou hebben verkracht en vervolgens zou hebben gedood en zou hebben gepoogd [slachtoffer 2] te doden. Nadat een andere persoon, te weten [verdachte], had bekend dat hij deze deze feiten had gepleegd en uit nader onderzoek was gebleken dat de op de plaats van het delict aangetroffen DNA-sporen niet overeenkwamen met de DNA-kenmerken in het DNA-profiel van [verzoeker], maar wel met die in het DNA-profiel van [verdachte], heeft de Hoge Raad op 25 januari 2005 de door de plaatsvervangend Procureur-Generaal ingediende vordering en de door de verdediging ingediende aanvraag tot herziening gegrond verklaard. In dat arrest heeft de Hoge Raad de schorsing van de tenuitvoerlegging van het arrest van 8 maart 2002 bevolen en heeft hij de zaak verwezen naar het Hof Amsterdam, opdat deze op de voet van art. 467, eerste lid, Sv opnieuw zal worden behandeld en afgedaan.

7. Het arrest van het Hof Amsterdam houdt - voorzover hier van belang - het volgende in:

"Op 11 november 2005 heeft de verdediging bij wijze van preliminair verweer aangevoerd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk diende te worden verklaard omdat -zakelijk weergegeven- een voortgezette vervolging van verdachte in strijd is met de grondslagen van het strafproces.

De verdediging heeft aan dit verweer ten eerste ten grondslag gelegd dat het strafproces bij uitstek sanctierecht is en dat enerzijds deskundige en betrokken derden het erover eens zijn dat in deze zaak sprake is van een gerechtelijke dwaling en dat anderzijds er tegen een ander dan verdachte een vervolging gaande is betreffende onder meer dezelfde feiten als aan verdachte ten laste gelegd, in het kader waarvan in eerste aanleg reeds een veroordelend vonnis is gewezen. Voortgezette vervolging van verdachte onder deze omstandigheden raakt het wettelijk systeem in de kern en is in strijd met de beginselen van een behoorlijk strafproces. Een tweede reden om het openbaar ministerie in de vervolging niet ontvankelijk te verklaren, aldus de verdediging, is dat er bij het opsporingsonderzoek en bij de vervolging van verdachte is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte tekort is gedaan aan zijn recht op een eerlijk proces. De verdediging heeft daarbij onder meer aangeknoopt bij de bevindingen zoals neergelegd in het rapport van de commissie Posthumus, waarin wordt uiteengezet dat er in dit verband fouten zijn gemaakt.

De advocaat-generaal heeft toen tot verwerping van dat verweer geconcludeerd daartoe -zakelijk weergegeven- onder meer stellend dat nu anderen en ook het openbaar ministerie zich op het standpunt stellen dat van de onschuld van verdachte dient te worden uitgegaan, dit het openbaar ministerie niet ontslaat van de verplichting in het kader van de herzieningsprocedure en op basis van de beslissing van de Hoge Raad der Nederlanden daarin, de vervolging voort te zetten bij dit hof. Voorts heeft de advocaat-generaal betoogd dat met de conclusies uit het rapport van de commissie Posthumus nog niet gegeven is dat van een oneerlijk proces sprake is geweest of dat verdachte doelbewust of met grove veronachtzaming van zijn rechten tekort is gedaan. Hiertoe zou een feitenonderzoek dienen te worden gedaan en op dit punt is het verweer ontijdig gevoerd, aldus de advocaat-generaal.

Het hof heeft daarop toen beslist -zakelijk weergegeven- dat hetgeen de verdediging ter onderbouwing aan het verweer ten eerste ten grondslag heeft gelegd onvoldoende dragend is om tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te concluderen. Verder heeft het hof overwogen dat de onderhavige procedure niet in strijd is met de grondslagen van het strafproces, te minder nu daarbij uitvoering wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 467 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof dient de zaak binnen dit verband en de door de Hoge Raad in zijn herzieningsarrest aangegeven kaders opnieuw te beoordelen.

Met betrekking tot hetgeen ter onderbouwing van het verweer ten tweede is aangevoerd heeft het hof geoordeeld dat dit verweer ontijdig is gevoerd, nu daaromtrent zonder nader feitenonderzoek geen uitspraak kan worden gedaan.

Na voordracht van de zaak door de advocaat-generaal op 11 november 2005 heeft het hof vervolgens naar aanleiding van verzoeken en standpunten van de verdediging en van de advocaat-generaal beslist dat het dossier aangevuld diende te worden met diverse stukken en dat getuigen dienden te worden gehoord.

Ter terechtzitting van het hof op 20 april 2006 heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie thans niet langer ontvankelijk is in zijn vervolging van de verdachte.

Daartoe heeft hij -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

Een van de primaire doelen van het strafproces en het volledig en openbaar behandelen van een strafzaak is de waarheidsvinding. Als dat doel wegvalt, dan vervalt ook het vervolgingsbelang en het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie hetgeen zonder nader onderzoek tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie dient te leiden.

Sinds de vorige zitting van het hof hebben zich nieuwe ontwikkelingen voorgedaan.

Voor de thans voorliggende beoordeling is met name van belang, dat het veroordelend arrest van het gerechtshof Den Haag, gewezen tegen [verdachte], inmiddels onherroepelijk is. Daarmee staat thans ook in rechte vast dat verdachte de hem tenlastegelegde feiten, die in deze procedure aan de orde zijn, niet heeft gepleegd.

Nu waarheidsvinding ten aanzien van de tenlastegelegde feiten, die in de zaak tegen verdachte aan het oordeel van het hof zijn onderworpen, niet meer aan de orde is en de vervolgingsbevoegdheid van het openbaar ministerie niet mag worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, vervalt het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie.

Dat er door het openbaar ministerie fouten zijn gemaakt bij de strafvervolging van verdachte is op diverse manieren onderkend en de erkenning daarvan heeft geleid tot onder meer de vaststellingovereenkomst tussen verdachte en de Staat gedateerd 31 januari 2006. Een verder onderzoek daarnaar is geen zelfstandig strafvorderlijk belang dat het voortzetten van de vervolging van verdachte rechtvaardigt.

Ter terechtzitting van 20 april 2006 heeft de verdediging verweer gevoerd tegen het door de advocaat-generaal ingenomen standpunt.

Daartoe heeft de verdediging -zakelijk weergegeven- het volgende aangevoerd.

Het hof is gebonden aan zijn beslissingen zoals die zijn weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting van 11 november 2005. De advocaat-generaal is daarom gehouden het dossier te completeren en het hof dient daarom de bij beslissing van 11 november 2005 genoemde getuigen te horen, voordat het hof kan toekomen aan een oordeel over de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Verdachte en de samenleving hebben er recht op en belang bij dat een onafhankelijke rechter zijn oordeel geeft over het handelen en nalaten van het openbaar ministerie.

De veroordeling van [verzoeker] dateert uit een periode nadat vertegenwoordigers van het openbaar ministerie de belangen van verdachte ernstig hebben geschonden. Het is die schending die inzet is van het door de verdediging gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer en die nu in deze procedure moet worden onderzocht. In een rechtstaat dient op een fatsoenlijke wijze door een rechter te worden vastgesteld welke fouten er zijn gemaakt bij de opsporing en vervolging en welke strafvorderlijke consequenties daaraan verbonden moeten worden.

Het hof overweegt ten aanzien van de ter zitting van 20 april 2006 gevoerde verweren en uitdrukkelijk ingenomen standpunten het volgende.

Anders dan de verdediging kennelijk meent, is het hof niet onder alle omstandigheden gebonden aan eerdere tijdens het onderzoek ter terechtzitting genomen beslissingen.

Wanneer er zich lopende het onderzoek ter terechtzitting nieuwe omstandigheden voordoen die van invloed kunnen zijn op enige door het hof in het kader van de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering te nemen beslissing en - zoals in deze procedure het geval is- het openbaar ministerie dienaangaande een nieuw standpunt formuleert, dan dient het hof over dat andere standpunt te oordelen op grond van alle dan voorliggende feiten en omstandigheden. Dit kan tot gevolg hebben, dat het hof tot een ander oordeel komt.

Op grond van de stand van zaken in de vervolging van [verzoeker] kon op 11 november 2005 naar het oordeel van het hof niet de conclusie worden getrokken dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk was in de vervolging van verdachte. De zaak tegen [verzoeker] was immers nog aanhangig bij het gerechtshof Den Haag en er was toen geen rechterlijke beslissing die in kracht van gewijsde was gegaan.

Bij arrest van 22 november 2005 heeft het gerechtshof Den Haag [verzoeker] voor de ook aan verdachte tenlastegelegde feiten veroordeeld; dat arrest is inmiddels onherroepelijk.

Bedoeld arrest en relevante stukken uit het dossier van [verzoeker] zijn kort voor de zitting van dit hof van 20 april 2006 bij het dossier van verdachte gevoegd.

Nu de advocaat-generaal zich thans daarbij onder verwijzing naar voornoemd onherroepelijk arrest op het standpunt stelt, dat verdachte onschuldig is, dat in de strafzaak tegen verdachte de waarheidsvinding ten aanzien van de hem tenlastegelegde feiten niet meer aan de orde is en hij daaraan de conclusie verbindt dat het openbaar ministerie niet langer ontvankelijk is in de vervolging van verdachte, is het hof van oordeel dat het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie in deze is komen te vervallen. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit de behandeling ter zitting van dit hof noch uit hetgeen de verdediging naar voren heeft gebracht noch overigens een strafvorderlijk belang is gebleken of aannemelijk geworden dat een andere conclusie rechtvaardigt.

Op grond van het voorgaande dient het openbaar ministerie niet ontvankelijk te worden verklaard in de verdere vervolging van verdachte.

Het voorgaande betekent dat het hof niet toekomt aan het door de verdediging ingenomen standpunt dat in het kader van haar niet-ontvankelijkheidsverweer eerst door het hof nader onderzoek gedaan dient te worden naar het handelen en nalaten van het openbaar ministerie in de zaak tegen verdachte, nu met een dergelijk onderzoek in het kader van de onderhavige herzieningsprocedure evenmin een strafvorderlijk belang is gediend.

Het hof overweegt in dit verband dat er voor verdachte andere wegen openstaan om het optreden door en onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie jegens hem te laten toetsen. Uit hetgeen ter zitting van dit hof naar voren is gekomen begrijpt het hof dat verdachte daarvan op de hoogte is en daarvan reeds gebruik maakt; verdachte heeft immers aangifte gedaan naar mogelijke betrokkenheid van de betreffende leden van het openbaar ministerie bij het plegen van strafbare feiten en daarnaast heeft hij met de Staat der Nederlanden een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij partijen overeenstemming hebben bereikt over het betalen aan verdachte van een schadevergoeding door de Staat der Nederlanden."

8. Terecht wordt voorafgaand aan het middel in de schriftuur de vraag aan de orde gesteld naar de ontvankelijkheid van het cassatieberoep. Degene die beroep in cassatie heeft ingesteld, is immers slechts ontvankelijk in dat beroep indien hij bij de uitkomst ervan een rechtens te respecteren belang heeft, hetgeen wel wordt aangeduid met het adagium, "point d'intérêt, point d'action". Deze in het civiele recht reeds lang geldende regel is sinds HR 22 februari 1994, NJ 1994, 306 m.nt. ThWvV ook van toepassing op het cassatieberoep tegen in strafzaken gewezen uitspraken ( Zie verder Van Dorst, Cassatie in strafzaken, vijfde druk, p. 36-37). Belang bij cassatie ontbreekt indien vernietiging van de bestreden uitspraak geen relevante gevolgen heeft voor de partij die het beroep heeft ingesteld. Die vraag moet worden onderscheiden van de vraag of het middel zich richt tegen een bepaalde beslissing of slechts klaagt over de motivering van een op zich niet bestreden beslissing. Ook als het middel zich richt tegen een onjuist geachte beslissing kan de klagende partij geen belang hebben bij cassatie en omgekeerd is belang bij cassatie ook mogelijk als niet de beslissing maar de motivering daarvan wordt bestreden. Een voorbeeld van het laatste is te vinden in HR 25 juni 2002, NJ 2002, 518.

9. Als voorbeeld van een geval waarin de verdachte geen rechtens te respecteren belang had bij het ingestelde cassatieberoep, kan dienen Hoge Raad van 18 februari 1997, NJ 1997, 411. De verdachte in die zaak had deelgenomen aan een demonstratie waarbij de landingsbaan van de vliegbasis Volkel werd bezet. Er werd gedemonstreerd tegen het onrecht dat het Innu-volk in Canada naar de mening van de demonstranten werd aangedaan door de Koninklijke Luchtmacht. Bijna alle demonstranten werden aangehouden wegens het niet voldoen aan de gegeven vordering zich te verwijderen. Van de 47 aangehouden personen weigerden 30 personen hun naam op te geven; zij werden heengezonden en hun zaken werden geseponeerd. Onder hen die wel hun naam hadden opgegeven, bevonden zich twee buitenlanders. Hun zaken werden geseponeerd wegens onvoldoende nationaal belang. In verband met het gelijkheidsbeginsel en de inmiddels opgetreden vertraging overwoog de officier van justitie vervolgens de vervolging tegen de overige verdachten te staken, maar toen de verdediging verzocht om wel te vervolgen, werd onder meer de verdachte door de officier van justitie gedagvaard voor de politierechter. De politierechter en in hoger beroep het hof verklaarden gezien de gang van zaken bij de vervolging het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in zijn strafvervolging wegens - kortgezegd - schending van het gelijkheidsbeginsel. De verdachte ging tegen deze uitspraak in cassatie en stelde dat hij belang had bij zijn cassatieberoep omdat na vernietiging en verwijzing een nieuwe behandeling van de zaak zou volgen die kon leiden tot een gunstiger uitkomst, te weten vrijspraak. De verdachte zou belang hebben bij een vrijspraak nu daarbij de kans op schadevergoeding en een vergoeding van de gemaakte kosten groter zou zijn dan bij een niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie en omdat een vrijspraak zou leiden tot een zuivering van de goede naam van de verdachte. Verder zou bij een inhoudelijke behandeling van de zaak mogelijk aandacht worden besteed aan het onrecht dat het Innu-volk in Canada volgens de verdachte werd aangedaan door de Koninklijke Luchtmacht. De Hoge Raad overwoog daarover het volgende:

"5.1. De gronden waarop het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn strafvervolging brengen mee dat een hernieuwde vervolging van de verdachte ter zake van het hem tenlastegelegde uitgesloten is, aangezien beginselen van een behoorlijke procesorde zich ertegen verzetten dat zodanige vervolging zou worden ingesteld nadat het bestreden arrest, waartegen het Openbaar Ministerie geen beroep in cassatie heeft ingesteld, onherroepelijk is geworden.

5.2. Voorts blijkt ook overigens noch uit de middelen, noch uit de overige stukken van het geding waarvan de Hoge Raad kennis neemt dat de verdachte een rechtens te beschermen belang heeft bij het instellen van beroep in cassatie tegen het bestreden arrest.

5.3. Het voorafgaande brengt mee dat de verdachte niet in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen."

In de conclusie van mijn toenmalige ambtgenoot Van Dorst wordt nader uiteengezet waarom verdachte geen rechtens te beschermen belang had (onder 12 e.v.).

10. Ook in HR 19 maart 1996, DD 96.310 ging het om het geval dat de verdachte een inhoudelijke behandeling van zijn zaak wenste, maar het Hof daar niet aan toe was gekomen omdat hij het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk had verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. Geklaagd werd over schending van art. 18 EVRM (verbod op détournement de pouvoir) en over het feit dat de verdachte een "eerlijk proces" zou zijn onthouden, te weten "een proces waarin alle kanten van de zaak aan de orde en tot hun recht kunnen komen". De verdachte zou samen met een ander, die later een infiltrant van de BVD bleek te zijn, gaten hebben geknipt in o.m. hekken van een kazerne. Doel van het cassatieberoep was dat na vernietiging van de bestreden uitspraak de zaak opnieuw zou worden behandeld waarbij de verdachte mede de betrokkenheid en de rol van de BVD aan de orde wilde stellen. Dit werd echter door de Hoge Raad niet aangemerkt als een rechtens te beschermen belang. De verdachte werd dan ook niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep(1).

11. De onderhavige zaak vertoont in die zin verwantschap met de hiervoor genoemde voorbeelden dat ook hier de gronden waarop het Hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk heeft verklaard - met de onherroepelijke veroordeling van [verdachte] staat volgens het Openbaar Ministerie vast dat rekwirant onschuldig is en daarmee zijn het vervolgingsbelang en het vervolgingsrecht van het Openbaar Ministerie komen te vervallen - meebrengen dat een hernieuwde vervolging van rekwirant ter zake van het hem tenlastegelegde uitgesloten is. De door het Hof gegeven motivering van de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie heeft immers betrekking op de inhoud van de vervolgingsbeslissing en niet slechts op de wijze van totstandkoming daarvan. Ik verwijs in dit verband naar Krabbe, De ontvankelijkheid van het OM en de beginselen van een goede procesorde, in: Leerstukken van Strafprocesrecht, Deventer 2001, p. 96-97, die ingaat op het onderscheid tussen processuele en materiële beginselen waaraan de vervolgingsbeslissing van het OM moet voldoen. De processuele beginselen (bijv. eisen als een zorgvuldige voorbereiding en een consciëntieuze besluitvorming) hebben betrekking op de wijze van totstandkoming van de beslissing en de materiële (het vertrouwensbeginsel, het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging) op de inhoud daarvan. De aard van de formele beginselen brengt mee dat na een niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie wegens een inbreuk daarop, in de regel opnieuw vervolgd kan worden. Bij schending van de materiële beginselen ligt dat meestal anders, al blijft de aard van de schending beslissend.

12. In de onderhavige zaak zouden beginselen van een behoorlijke procesorde - in het bijzonder het rechtszekerheidsbeginsel als vorm van het vertrouwensbeginsel - zich na deze uitspraak van het Hof verzetten tegen een (theoretisch mogelijke) hernieuwde vervolging van rekwirant. Vandaar dat rekwirant in zoverre geen belang heeft bij cassatie.

13. In de schriftuur wordt ook aangevoerd dat rekwirant op grond van art. 18 EVRM en art. 14 IVBPR (fair and public hearing) recht zou hebben op een nader onderzoek naar het handelen van het Openbaar Ministerie in deze strafzaak. Ik deel deze mening niet. Weliswaar ben ik met de stellers van het middel van mening dat in het kader van een strafzaak een onderzoek moet worden ingesteld naar het optreden van politie en/of Openbaar Ministerie indien dat voor de uitkomst van de strafzaak van belang is, maar die situatie doet zich hier niet voor. De uitkomst van de strafzaak staat immers vast, namelijk dat het vervolgingsrecht is vervallen en in die omstandigheden is er geen reden om in het kader van het strafproces een nader onderzoek in te stellen naar de gang van zaken in het voorbereidend onderzoek. Onderzoek naar de legitimiteit van het strafvorderlijk handelen van politie en Openbaar Ministerie is geen zelfstandig doel van het strafproces, maar vindt plaats in het kader van de beoordeling van de tegen een verdachte ingestelde vervolging. Het Hof heeft terecht overwogen dat er voor rekwirant andere wegen openstaan om het optreden van het Openbaar Ministerie te laten toetsen. De stelling dat rekwirant belang bij het cassatieberoep heeft omdat zijn burgerlijke rechten in het geding zijn, miskent dat hij inmiddels met de Staat een overeenkomst heeft gesloten over de door de Staat aan hem te betalen schadevergoeding vanwege de in deze zaak door hem geleden schade. Dat betekent dat de vaststelling van zijn burgerlijke rechten door middel van een "eerlijk proces" niet meer aan de orde is.

14. Ik kom dan ook tot de conclusie dat rekwirant geen rechtens te respecteren belang heeft bij zijn cassatieberoep en ik zie geen reden om een uitzondering te maken op de hoofdregel dat rekwirant in die omstandigheden niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn cassatieberoep. Mocht de Hoge Raad anders oordelen, dan zal ik in een aanvullende conclusie graag alsnog het voorgestelde middel bespreken.

15. Deze conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van rekwirant in zijn cassatieberoep.

De Procureur-Generaal

bij de Hoge Raad der Nederlanden,

1 Zie ook HR 16 april 1996, NJ 1996, 572